Janmaat in de Oost; of, Vestiging van het Nederlandsch gezag op Celebes

Part 13

Chapter 134,123 wordsPublic domain

"Trotsch, het is mogelijk," zeide Dolf, "maar wanneer men hier in de Oost niets anders ziet dan bruine mannen aanboord en leikleurige mannen en vrouwen aan den wal, dan is het een heel verzetje om eens zulk eene jonge en schoone Hollandsche vrouw te zien. Zag je wel haar mooi mondje met prachtige tanden? Mensen, men zou er immers de oogen op uitkijken?"

"Kijk je oogen dan nog liever op eene oude Javaansche vrouw uit," zeide Henri Quatre. "En mooie tanden? Zeker! Poes is ook poezel en heeft ook mooie tanden! Noem haar Joffer Poes en beklaag hem, die haar tot vrouw krijgt."

"Stuurman," sprak Kapitein Londenaar, "wapen eenige mannen en laat dan de Chineezen boven komen. Ik wil er inspectie over houden en hun zeggen, wat ze weten moeten."

Dolf, tot wien dit bevel gericht was, wapende eenigen der manschappen en toen dit geschied was, begaf hij zich met een viertal naar het ruim, deed het luik open en trachtte den Chineezen door teekenen duidelijk te maken, dat ze op het dek moesten komen.

De Chineezen begrepen hem zeer goed, en het was voor de arme kerels, die inderdaad zonder opzet met hunne jonken temidden van de Hollandsche vloot verzeild waren, een welkom bevel.

De een na den ander verliet het dompige hol en op het dek gekomen, werden ze door Henri Quatre in twee rijen geschaard, en toen dat geschied was, verscheen de Kapitein door gewapend volk omringd.

De Chineezen vielen dadelijk, met hunne aangezichten over de gevouwen handen gebogen, op de knieën, ten bewijze van hulde en onderdanigheid.

IJzeren Neptunus, gekleed in de waardigheid van Scheeps-bevelhebber, met de sjerp om het lijf, schreed langzaam tusschen de geknielde Chineezen voort en toen hij de einden der twee rijen bereikt had, stond hij stil en had hun gaarne wat gezegd, als hij de Chineesche taal slechts machtig ware geweest.

De Kapitein der Amboinneezen, die ook op het dek stond, scheen te begrijpen, wat er aan haperde. Hij ging nu naar Kapitein Londenaar en zeide, dat hij wel met die lieden spreken kon, zoodat hij gaarne, als tolk zou optreden.

Met vreugde nam de Kapitein dit voorstel aan en zeide nu door middel van zijn' tolk tot de Chineezen:

"Mannen, wij gaan den valschen Koning van Makassar beoorlogen om hem te dwingen de Compagnie voortaan niet meer door verraderlijke listen en streken te benadeelen."

De Chineezen knikten, alsof ze zeggen wilden: "We begrijpen u, ga maar voort!"

"En opdat de Makassaren niet, ons ten nadeele, van het hun dreigende gevaar zouden verwittigd worden, zoo hebben we ons genoodzaakt gezien u met uwe jonken aan te houden. Gij zijt evenwel geene gevangenen en ge kunt u hier aanboord vrij bewegen. Maar de eerste de beste, die pogingen aanwendt, te ontvluchten, wordt zonder genade op staanden voet doodgeschoten. Na verloop van twee of drie dagen zult ge denkelijk uwe vrijheid terugkrijgen en de jonken, met alles, wat er op, in en aan is, nemen we op sleeptouw. Gij kunt er dan mede heengaan, waar het u belieft. Den kost deelt ge met de manschap hier aanboord, tenzij uw godsdienst zulks verbiedt. In dit geval geef ik u de vergunning te eten, wat ge in de jonken in voorraad hebt. Onder goed geleide moogt ge dat halen, doch hier aanboord moet gij het eten. Uwe slaapplaats zal zoo goed zijn, als die van één onzer. Dat was het, wat ik u te zeggen had. Stuurman, wijs hun de matten, waarin ze den nacht zullen doorbrengen."

De aangezichten der gevangenen zagen er na de toespraak vrij wat opgeruimder uit dan er voor, en toen ze een poosje later weer op het dek kwamen, had het al den schijn, dat er bij geen van allen plan bestond, te ontvluchten. Zij maakten op hunne manier praatjes met onze matrozen en hier en daar waren er zelfs, die zich met enkelen van het volk vermaakten met het leelijke gezicht, dat Joost voortdurend trok.

Even voor het ondergaan der zon ging de heele vloot weer in zee en deelde de Kapitein van de "Koning van Polen" een extra-oorlam uit om dat te drinken op de gast van het schip, de Bruid van den Landvoogd van Amboina.

Het was een kostelijke drank, doch Henri Quatre en Joost weigerden van den wijn te proeven.

"Nu, nu," zei Hoepel, "zet maar niet zoo'n gezicht, Joostje, alsof er honderd oorwormen in den beker rondzwommen! Lust jij 'm niet, goed, geef dan je portie mij maar. Dat is nog een ander kostje dan het water, dat we onder de Linie dronken. Nu, hoor, je gezondheid en de gezondheid van de mooie Bruid!"

Op dien krachtigen dronk volgde een oogenblik van dolle vreugde, doch weldra werd er bevel gegeven ter kooi te gaan en de wacht te betrekken.

"Zeg, Dirk, wat zou er toch aan den Ouwen Joost haperen?" vroeg Garrit, toen ze zich gereed maakten om de wacht te betrekken. "Hij keek zoo echt verdrietig, maar toen de bottelier hem het extra-oorlam wilde geven, scheelde het maar weinig of hij sloeg het hem uit de handen. Hij was echt nijdig, dat zeg ik."

"Och, eene oudemans-bui, jongen," luidde het antwoord.

"Wat scheelt er toch aan, Joost?" vroeg nog een oogenblik later Dolf, die mede de wacht had. "Is er soms wat gebeurd? Zeg het dan, je weet wel, dat ik het goed met je meen!"

"Ja, Stuurman, ja!"

"Heeft die dame met die mooie tanden u soms van streek gebracht? Joost, Joost, ik dacht dat je die malle jaren te boven waart!"

"Wat doen we met zulk een katvisch en zulk een hutspot aanboord van de "Koning van Polen," dat vraag ik," bromde de oude man.

Dolf en Garrit barstten in lachen uit en de eerste riep: "Maar, Joost, jongen, die Joffer behoort dan toch niet tot dat, wat men katvisch of hutspot noemt?"

"Ze behoort er niet bij en is er toch bij gedaan; de hutspot wordt er te slechter door. Een hoop Chineezen en eene Joffer, die de deur toedoet. Heeft een schip ooit zulk een zoodje als bemanning gehad?"

Op dat oogenblik werd de deur van de kajuit geopend en trad de vrouw, over wie men het zoo even nog gehad had, naar de kampanje waar de Kapitein stond.

"Er zijn ratten aanboord, Kapitein," zeide ze op vrij luiden toon. "Hoort u wel, er zijn ratten!"

"Dat weet ik, Joffer! En dat is lastig gezelschap; maar er is al weinig aan te doen!"

"Wat zegt u," riep de ontevreden dame op schellen toon, "is er weinig aan te doen? U heeft toch volk genoeg aanboord!"

"Volk genoeg, maar katten te kort. Een matroos is een slecht rattenvanger, Joffer! Intusschen doet het me leed, dat ze u in den slaap gestoord hebben! Maar zou u niet naar binnen gaan? Het wordt koel op het dek!"

"En de ratten dan, Kapitein?"

Thans was het geduld van den goedigen Londenaar teneinde, en eenigszins boos, en zonder aan hare gewoonte te denken, zeide hij driftig: "Dan laat u dien beesten de tanden maar zien en roept ge: koest!"

Henri Quatre, die altijd goedlachsch was, schoot in een' helderen lach, en dat maakte de Joffer zóó boos, dat ze uitriep: "Het volk is lomp; maar de Kapitein is de lompste van allen!"

"Een gast kon wel anders spreken, Joffer! Thans verzoek ik u oogenblikkelijk heen te gaan. Als u op de "Mars" is, kan u doen en zeggen, wat u begeert; maar op de "Koning van Polen" ben ik Koning en u behoort tot mijn gevolg. Dat gevolg heeft te gehoorzamen." Hij daalde nu de trap van de kampanje af en vroeg: "Mag ik de Joffer ook naar binnen brengen?"

Kapitein Londenaar bood haar zijn' arm aan, doch zij stiet hem terzijde, liep naar de kajuit en sloeg de deur zoo hard dicht, als ze kon.

"Nu maar, ik gun Heer van Dam dat presentje," zeide Henri Quatre. "Als hij haar krijgt...."[30]

"Dan koopt hij eene kat in den zak," vulde Joost aan, die door dit voorval weer geheel in zijn humeur gekomen was. "Maar met dat al heeft de "Koning van Polen" dan toch een vreemd gevolg, zou ik zoo zeggen."

Hiermede liep het gesprek over Juffer Cos ten einde, doch den volgenden dag wist iedereen, wat er des avonds laat nog voorgevallen was. De matrozen staken er braaf den gek mede en algemeen kreeg de weduwe den bijnaam van Joffer Poes. Eenigen hadden zelfs afgesproken, als zij op het dek kwam, om dan te gaan mauwen. Zij scheen evenwel niets met het dek te hebben uitstaan en liet zich al den tijd, dat ze in volle zee waren, niet zien.

Op den bepaalden dag, den tienden Juni, kwam de vloot bij het eiland Tanah-kéké en terstond begon men overal zich slagvaardig te maken. Al spoedig zagen ze eene prauw, en in het eerst dacht men, dat het volk, dat er in zat, de boodschap kwam brengen, dat de vrede gesloten was, doch toen zij zich schielijk verwijderde, begreep men, dat de zaak niet in den haak was. Ze stonden juist op het punt haar te achtervolgen toen de "Mars" en de "Breukelen" in het gezicht kwamen. De heele vloot zeilde deze twee schepen te gemoet en van het Admiraalsschip werd weer geseind om krijgsraad te houden. De boot van de "Koning van Polen" werd neergelaten en toen men wilde afsteken, kwam, onder het gemauw van al het scheepsvolk, Joffer Cos bij den valreep, klom naar beneden, sprong in de boot en zette, zonder een woord te spreken, maar rood van kwaadheid zich bij de voorplecht neer. Op hetzelfde oogenblik kwam van het Admiraalsschip eene andere boot en in deze zat Meester Troost der Armen.

"Hoezee!" riep Oude Joost vroolijk uit. "Hoezee! De ruil was al te slecht! Hoezee!"

VOETNOOT.

[30] Joffer Cos kwam later te Batavia, waar Gouverneur-Generaal Johan Maetsuyker haar volgens belofte in bescherming nam, doch anders dan Johan van Dam gewenscht had. De Gouverneur-Generaal in 1663 weduwnaar geworden zijnde, trad niet lang daarna met Joffer Cos in den echt. Geen wonder dat Johan van Dam hierover zeer ontevreden was, en dat zijne vriendschap voor den Gouverneur-Generaal in eene heftige vijandschap veranderde.

TWAALFDE HOOFDSTUK.

De Hollandsche Remedie.

Met gejuich werd Meester Pruymius door het volk ontvangen, en alsof hij twee jaar, inplaats van twee dagen weg geweest was, zoo drukte men hem van alle kanten de hand.

"Wat kom je doen?"

"Ben je weg gejaagd?"

"Hij is als de katten en zoekt zijn oud huis weer op!"

"Katten? Jongens, laat je hooren, allemaal: Mauw, mauw, miauw!"

Zoo klonk het verward door elkander, maar het gemiauw overwon ten laatste toch, zoodat Meester Pruymius met een gezicht, alsof hij water zag branden, uitriep: "Maar houdt toch eens op met dat helsche geschreeuw! Je lijkt wel bezetenen! Ben ik dan hier in een dolhuis?"

"Pure pret over je terugkomst, man, anders niet," zeide Henri Quatre. "We kunnen niet zonder onzen goeden Meester!"

"En blijdschap over het vertrek van Joffer Poes," vulde Dolf aan. "Maar zeg, Meester, wat kom je toch doen? Je...."

"Je riekt naar brand, naar--naar--naar buskruit!" riep Oude Joost. "Toch niet aan het bakkeleien geweest?"

"Niet zuinig! Kerels, we hebben zoo van laken gegeven. Al mijn wonderwater is op. Een uitmuntend middel. Hadde ik er maar een scheepsruim vol van!"

"Zijn er dan gewonden?" vroeg Henri Quatre.

"Acht stuks; maar al bijna klaar! Een heerlijk middel dat wonderwater! Zóó gebruikt, zóó beter, tenminste, als het boeltje er niet af is, want er ledematen mede aanplakken, dat gaat niet."

"Ja, maar dat zal dan zeker ook niet noodig geweest zijn," meende Hoepel. "Zulk eene vaart zal het toch wel niet geloopen hebben."

"Je weet er ook heel wat van," snauwde Meester Pruymius hem toe. "Terwijl jelui hier bezig waart met bruidstranen drinken en hylikmaker eten, zijn we zoo even aan den slag geweest, en ik zeg je: niet zuinig!"

"Zag je soms een paar potvisschen raken?" vroeg Kreeft.

"Naar potvisschen zag ik niet, ik had meer dan genoeg te kijken naar de gewonden. Naar de dooden keek ik maar niet, want die konden zelfs met troost der armen of wonderwater niet meer tot hun verhaal gebracht worden."

"Maar kom, dooden! Zijn er dan dooden ook gevallen?" klonk het van een' anderen kant.

"Maar vier!"

Van alle kanten omringde men nu den barbier, die op het laatst tegen de verschansing bijna plat gedrukt werd.

"Gaat dan toch op zij! Maakt ruim baan! Ik kom om wonderwater," riep Meester Pruymius.

"We willen weten, wat er gebeurd is!" schreeuwden eenigen.

"Ja, wat gebeurd is, dat vertel zal!" riep de Kapitein der Amboineezen.

"Maakt dan ruimte, dan zal ik mededeelen, wat er geschied is," antwoordde Meester Pruymius.

Met behulp van Dolf en Hoepel kwam de barbier in benauwdheid vrij, en op een kanon springend en zich aan het want vasthoudend, begon hij op luiden toon het volgende mede te deelen.

"Zooals gij weet zouden die van Makassar al lang en breed zoete broodjes bij de Compagnie gebakken hebben, als...."

"De Portugeezen er niet waren," schreeuwde een.

"Die trotsche Doms moeten de Oost uit!" riep een ander.

"Als ge mij in de rede valt moet ik ophouden," zeide Meester Pruymius. "We kunnen wel allemaal tegelijk zingen, maar niet allemaal tegelijk praten!"

"Wie het nog één keer waagt, wordt tot scheeps-rattenvanger aangesteld," liet één uit den hoop zich hooren.

Men lachte, doch kwam spoedig weer tot bedaren.

"Het is zoo, de Portugeezen zijn te Makassar onze ergste vijanden, en ze hebben daar een kwartier opgeslagen, dat met tal van kanonnen verdedigd kan worden. Om nu te maken, dat de Makassaren niet naar de Compagnie overloopen, hebben ze al tal van jaren uitgestrooid, dat de Hollanders maar laffe zeeroovers zijn, te arm om er een' Vorst op na te houden. Het spreekt dus vanzelf, dat wij daar te Makassar ook met de Portugeezen een appeltje te schillen hebben.

Zoodra wij nu de vestiging in het gezicht konden krijgen stonden we allen over de verschansing te turen.

Opeens riep de uitkijk in den mast: "Zes zeilen vooruit!"

De bevelhebbers wapenden zich met hunne kijkers en Heer Johan van Dam was de eerste, die zeide: "Dat zijn zes Portugeesche karveelen, die gereed liggen om te vertrekken!"

Zes karveelen! En wij waren met ons tweeën!

Geen wonder, dat bij velen de moed in de schoenen zonk, en dat er algemeen gemompeld werd, maar te vertrekken en de hoofdvloot weer op te zoeken.

"Hoort eens, jongens," dus begon nu Admiraal Truytman, "wij zijn hier niet gekomen om uit de verte een kijkje te nemen en dan weg te loopen. Dan zouden de Portugeezen ons met de vingers nawijzen en tot de Makassaren zeggen: "Ziet gij wel, dat wij gelijk hebben gehad en dat de Hollanders laffe zeeschuimers zijn, die het dadelijk op een loopen zetten, als er gevaar van klappen deelen is?" Neen, mannen, we moeten toonen, dat we geene lafaards zijn, maar kerels, die durven, als het er op aankomt. Ze gaan hunne tegenstanders niet eerst tellen om nauwkeurig te becijferen of de kansen wel gelijk staan; ze laten Chineezen tellen, die houden ervan, maar inplaats van te gaan cijferen, vallen ze aan!"

"Niemand zal mij ooit van lafhartigheid beschuldigen," sprak nu de Kapitein van de "Breukelen", die met eenigen zijner Officieren bij ons aanboord was, "maar ik zou den Admiraal toch wel willen vragen, hoe er eenige mogelijkheid bestaat, dat wij er niet slecht afkomen?"

"Wel, Kapitein, dat wil ik niet alleen u, maar allen zeggen. Die karveelen zijn zwaar geladen en log gebouwd, zoodat ze zich heel moeielijk bewegen kunnen. De "Mars" is een vlug schip, en de "Breukelen" ligt als eene veêr op het water. Wat we in talrijkheid verliezen, dat winnen we meer dan dubbel uit door de vlugheid van onze bewegingen."

"Toegegeven, Admiraal! Maar zullen de kanonnen van het Portugeesche kwartier ons niet deerlijk toetakelen? En zullen de Makassaren niet wakker mede helpen? Na al wat ik er van gezien en gehoord heb, zijn ze daartoe wel gedwongen. De overmacht wordt dus zóó groot, dat ik vragen durf: Zijn wij wel lafaards, als we nu toch eerst eens gaan tellen?"

Op deze laatste vraag van den Kapitein zeide Heer Johan van Dam, die werkelijk een man is, die durft: "Kapitein, ik ken die van Makassar een weinig, want ik kwam er menigmaal mede in aanraking. En als ik nu ronduit zeggen moet, wat ik denk, dan is het dit: Ik houd het er voor, dat de Koning van Makassar stilletjes toekijken zal om te zien hoe de zaak afloopt. Met een oud Hollandsch spreekwoord gezegd: De slimmerd zal heel eenvoudig de kat uit den boom kijken."

"En wat de kanonnen van het Portugeesche kwartier betreft, ook daarvoor ben ik zoo bang niet," hernam Admiraal Truytman op geruststellenden toon, "wij overrompelen de luiden, en bij den vijand zal alles wel niet tot eene onverwachte verdediging gereed zijn. Vooral hier niet, waar ze meenen volkomen veilig te zijn. Ik ben dus voor een' flinken aanval, en gelukt het ons, de karveelen te overwinnen, wie weet welk een' rijken buit wij dan vinden, want hoogstwaarschijnlijk komen zij van Macao en liggen ze gereed om naar Goa te vertrekken. Ziet, ziet, ze maken al aanstalten om ons te ontwijken!"

"Dan er maar op los!" riep de Kapitein van de "Breukelen" nu uit. "En hoe eer hoe liever!"

"Toch zullen we genoodzaakt zijn den volgenden dag af te wachten," zeide de Admiraal. "Zoo op het oogenblik valt de nacht in en het vaarwater is hier voor ons onveilig, omdat we er nog geene kaarten van hebben. Als we omhoog kwamen te zitten, waren we verloren. In de vrije vaart moet onze kracht liggen."

"Maar als die schoone buit ons nu van nacht ontsnapt," liet een der Officieren zich ontvallen.

"Hiervoor kunnen wij zorgen, man," antwoordde Truytman. "Als ze ontvluchten willen, moeten ze hier voorbij, en zoo donker is de nacht niet, of we zullen dat zien!"

Algemeen begreep men, dat de Admiraal den besten voorslag deed, die gedaan kon worden en daarom besloot men dien aan te nemen.

Er kwam dien nacht natuurlijk niet veel van slapen. Iedereen was in de weer en nauwelijks begon het licht der starren wat te verbleeken, of men riep al het volk op het dek bij elkander tot het gebed. Dit gebeurde ook op de "Breukelen", dat zagen we, want we lagen zóó dicht bij elkander, dat we zonder te schreeuwen heel gemakkelijk met elkander spreken konden.

Na alzoo in den gebede moed verzameld te hebben, begaf ieder zich op zijn' post en de morgenschemering was pas begonnen of de Admiraal gaf het teeken tot den aanval.

Zoodra men de karveelen genoeg genaderd was, zeide de Admiraal tot de lieden, die het geschut bedienden: "Mannen, wenscht den luiden op die logge karveelen eens zoo hartelijk mogelijk met een paar flinke kogels, op Oud-Hollandsche manier, goeden morgen! Vuur!"

Wat de uitwerking van dien barren morgengroet was, kon niemand ontdekken; want de rook van de laag aan stuurboord was nog niet eens opgetrokken of de laag van bakboordszijde werd dadelijk daarop losgebrand. De "Mars" had zich als een vogel zoo vlug gewend. Het is een prachtig schip, die "Mars". Men kan er mede doen wat men wil.

Ook de "Breukelen" had ons voorbeeld gevolgd.

Maar opeens zagen we verscheidene lichten op de karveelen; spaanders vlogen van de masten; het water werd door zware, ronde dingen, waarvan ik je den naam niet behoef te zeggen, felbruisend doorploegd en een vreeselijk gedreun volgde.

"Ei, de Dom is wakker," riep Truytman. "Houdt hem aan de praat, mannen! Vuur!"

Ik stond bij den grooten mast te midden van mijne medicamenten en verbandmiddelen, en ik wil eerlijk bekennen, dat ik niet erg op mijn gemak was. Ik heb ook nog nooit een echt zeegevecht bijgewoond, want in de Oostzee was het kloppen juist gedaan toen ik er aankwam, en zou het weer beginnen toen ik vertrok. Wat ik dus van zeegevechten wist, had ik van aanhooren, zelf wist ik er niets van, maar nu ben ik door de wol geverfd en weet ik het. Als men er maar eenmaal door heen is, dan valt het nog al mee. Maar het duurt nog al een poosje eer men zoo ver is, ten minste bij mij was dat het geval. Nog nooit had ik zulk een leven gehoord, dat wil ik wel zeggen. Van met elkander eens een woordje spreken, geene sprake van. Een had een kogel in zijne borst gekregen en toen ze hem bij me brachten, zei de arme kerel: "Dat is mijn dood, Meester!" Ik verstond hem niet goed en vroeg: "Wat? Vraag je om brood? Vraag liever om troost der armen!" Toen zette de man de hand voor zijne mond en schreeuwde: "Ik ga dood!" -- De stumperd! Het roepen was boven zijne krachten geweest want oogenblikkelijk was hij dood ook. Ik zag dat alles heel kalm aan en om de waarheid te zeggen, ik begreep mezelven niet. Dat kwam zeker van de kruitlucht. Ik stond al gereed om ook eens even een kanon te helpen afsteken, toen er opeens een vreeselijk gerinkinkel bij me gehoord werd.

Eilacie! Een kogel was dwars door mijne medicamenten gevlogen en had al mijne potten met troost der armen en borreborrie aan gruizels gesmeten. Aan een gat op het dek kon ik zien, dat die leelijke kogel tusschen mijne voeten doorgevlogen was. Ik stond te kijken als een haan voor eene krijtstreep en zei tot mijzelven: "Meester Pruymius hoe is het mogelijk, dat door zulk eene nauwe opening nog zoo'n baas van een' kogel kan! Pas maar op, anders heeft de Admiraal straks geen lijfarts meer. Zoek een beter plaatsje, maat!"

Dat was een verstandige raad, dien ik mijzelven gaf en daarom maakte ik maar dadelijk aanstalten om mijne flesschen wonderwater en overgebleven brokken "troost" naar beneden te brengen, toen men juist met een' matroos kwam aandragen.

"De tweede, Meester," zeide men.

Men legde den gekwetste bij me neer! Deze deed even de oogen open, stamelde nog flauw: "Dag, Moeder!" en, de arme jongen was dood. Hij had een' matten kogel tegen de hartstreek gekregen, en dat had hem den dood gedaan.

Ondertusschen nam het kanongebulder nog in hevigheid toe.

"Daar komt de Portugeesche Admiraal op ons af," klonk het hier, daar en overal. "Het is niet te houden!"

"Vluchten! Vluchten!" schreeuwde de kok.

"Men voert ons naar de slachtbank!" bulkte de koksmaat.

"Heer Admiraal, de overmacht is werkelijk toch te groot," zeide een Officier.

Zoo verhieven zich van alle kanten stemmen van luî, die liever aan een' schotel opgewarmde spinazie zaten, doch de meesten hielden zich cordaat en bleven pal staan. Dat kwam misschien wel, omdat Admiraal Truytman zulk een goed voorbeeld op de "Breukelen" gaf, want Sinjeur van Dam riep nu: "Vluchten? Nooit! Vuur! Vuur!" en hij stak zelf een kanon af.

Ondertusschen kwam de Portugeesche Bevelhebber, die heel wat mans was, onze beide schepen al dichter en dichter bij.

"Vuur!" hoorde ik Admiraal Truytman door zijn' roeper schreeuwen en "Vuur!" riep Sinjeur van Dam.

De konstabels, zwart als schoorsteenvegers, stonden weer gereed, den Portugees de volle laag te geven, toen....

"Bom, daar lag ik!" --

Een vreeselijk gelach werd nu aanboord van de "Koning van Polen" gehoord; want Meester Pruymius vertelde zoo vol vuur, dat hij vergat zich aan het want vast te houden en op het dek neertuimelde. Hij stond evenwel spoedig weder op en vervolgde zijn verhaal.

"Bom, daar lag ik!

Wat was er gebeurd?

Er volgde een slag, zoo hevig, zoo ontzettend, alsof er een heel kruitmagazijn in de lucht vloog.

Ons schip werd op en neer, en heen en weer gesmeten.

Stukken hout, ijzer, kogels, vaten, geweren, sabels, hoeden, menschen, potten, pannen, ja, van alles zoo wat, plofte op ons dek neer. Het lag in een omzien bezaaid met een' rommel, zooals je dien in heel Amsterdam bij geen' enkelen uitdrager vindt.

Ik stond op en schreeuwde: "Wat is er gebeurd? Wat is er gebeurd?"

"De Portugeesche Admiraal is in de lucht gevlogen, Meester," zeide Sinjeur van Dam. "En dat wij behouden zijn gebleven is een wonder! Op, op, mannen! Van de verwarring gebruik gemaakt. Leve de Oost-Indische Compagnie! Vuur! Vuur!" riep hij met donderende stem. De man scheen niet heesch te kunnen worden en zette alle kersenwachters in Zeeland en in de Betuwe beschaamd.

"Een doode en drie zwaar gekwetsten, Meester! Wij brengen werk aan den winkel," zeiden eenige matrozen, die met een' gesneuvelde en drie anderen, die wonden ontvangen hadden, kwamen aandragen.

Gelukkig waren de twee kruiken met wonderwater heel gebleven. Ik onderzocht de wonden, wiesch ze met schoon regenwater en na een compres met wonderwater er op gelegd te hebben, deed ik er verbanddoeken om. De arme kerels bekwamen er heelemaal van en zeiden, dat het dadelijk vermindering van pijn gaf.