Janmaat in de Oost; of, Vestiging van het Nederlandsch gezag op Celebes

Part 12

Chapter 124,185 wordsPublic domain

"U schijnt al heel weinig ondervinding te hebben van Makassaarsche zaken, Kapitein," antwoordde Truytman, die een veel te flink zeeman was om het niet onaangenaam te vinden, dat dit jonge kereltje, die door gunst van een' der Heeren Bewindhebbers Kapitein van eene fluit geworden was op een' leeftijd, dat een ander nauwelijks voor derden stuurman vaart kon krijgen, nu hier in den krijgsraad eene borst zette, alsof hij wijsheid en moed in pacht had. En daarom vervolgde hij snijdend scherp, ja, beleedigend: "U voegt het in deze zaak alleen te hooren en dan te doen, wat er besloten is, want raad geven kunt gij niet, daar ge nog nimmer in deze streken geweest zijt. Het is volkomen waar, wat Kapitein Londenaar zeide, dat de Koning van Makassar een uitgeslapen slimmerd is, die de huik heel aardig naar den wind weet te hangen. Hij weet zeer goed dat de tijd voor hem nog niet gekomen is om handelend tegen de Compagnie op te treden, en dat hij, door ons aan te vallen, zijn heele plan in duigen werpen zou. Wat u dus daar zegt, dat hij die twee schepen nemen en de onzen dooden zal, raakt kant noch wal. Zijne heele kracht en al zijne macht zitten in zijne slimheid. Ik weet zeker dat er voor ons geen gevaar bestaat. Ja, al toonden wij terstond onze tanden en gingen gewapenderhand te werk, dan nog zou er voor ons leven in de eerste dagen geen gevaar bestaan. Ik stel dus voor dat wij, Heer Johan van Dam, als Landvoogd van Amboina, en ik, als Admiraal der Compagnie, met de "Mars" en de "Breukelen" vooruitzeilen om te beproeven, wat we gedaan kunnen krijgen. De andere tweeëndertig zeilen kiezen zee, doch zorgen over twee dagen, geheel slagvaardig bij het eiland Tanah-kéké[28] te liggen. Wij komen dan zelven daar bericht van ons wedervaren brengen, of sturen eene boodschap. Wie heeft hierin nog wat te zeggen?"

Niemand antwoordde.

"Welnu," sprak toen Heer van Dam, "wij zullen het dan als eene aangenomen zaak beschouwen. Maar nu kom ik ook nog met een verzoek. De "Mars" waarop onze Admiraals-vlag waait, is een oorlogs-jacht en wél bewapend, dat is zoo. Ik zal het niet tegenspreken. Maar ik wilde toch, ziet ge, ik wilde...."

Heer van Dam viel in eene gemaakte hoestbui en al de anderen zagen elkander lachend aan.

"Als u soms meent dat twee schepen toch te weinig zijn, Heer van Dam, dan kunnen we nog altijd ons besluit intrekken en een ander nemen," sprak nu Truytman, die meende dat van Dam twee schepen toch wel wat weinig vond, maar aarzelde om dat te zeggen, omdat men dan mogelijk aan zijn' moed zou twijfelen.

Dat woord scheen te helpen.

"U verstaat mij verkeerd, of liever, ge legt mijn stotteren verkeerd uit, Admiraal!" zeide nu van Dam. "Zie, ik ben wel lang op Amboina en heel lang uit Nederland geweest, maar de warmte van de Indische zon heeft er daarom den Hollandschen moed nog niet uitgebraden, en ik beloof u dat ik, als we van leer trekken, toonen zal dat van Dam wel groote woorden spreekt, maar ook groote daden verricht."

Truytman bloosde en antwoordde verlegen: "Ik verdenk u niet van lafhartigheid, goede vriend! Maar uwe zonderlinge rede deed me denken, dat er iets in het besluit tegen uw' zin was. Ik bid u daarom, als ge wat op het gemoed hebt, dat ge dan vrij spreekt, en wat ge ook voorstellen moogt, niet één onzer zal u ook maar een enkel oogenblik van lafhartigheid verdenken. Ik bidde u, spreekt dus."

"Welnu, ik ben begonnen met A te zeggen, ik zal voortgaan tot Z. Eenigen tijd geleden is Heer Simon Cos, Landvoogd van Ternate gestorven."

"Dat weet ik," zeide Truytman. "Hij stierf te midden van het hoogste geluk; want hij was nog jong en pas geleden gehuwd met het liefste en mooiste vrouwtje, dat ik ooit gekend heb. Het leven is als eene bloeme des velds overal, maar hier in de Oost met die verraderlijke ingewandsziekten en dikwerf ook nog vele andere, is dat nog veel meer het geval. Heer Simon Cos was al heel schielijk uit zijn' tijd. Maar Heer van Dam houde het mij ten goede, dat ik hem eerlijk verklaar, dat ik niet weet, wat de schoone weduwe Cos met de Makassaarsche zaken te maken heeft."

"U zal dat weten, Admiraal, en de andere Heeren zullen het nu ook weten," zeide van Dam, "want eigenlijk valt de zaak toch moeielijk om nog langer geheim gehouden te worden. De jonge weduwe van vriend Cos kwam op Amboina aan, Heeren! Ik leerde haar daar kennen, en ...."

Hier hield hij weer een oogenblik op, alsof hij verlegen was met de zaak voort te gaan.

"U maakt ons nieuwsgierig, Heer Landvoogd," sprak een Kapitein. "Hoe is het verder met haar gegaan?"

"Het kwam ten laatste zoover, dat wij elkander trouw beloofden. Maar zoo lang ik nog Landvoogd van Amboina ben en zoo dag aan dag in allerlei zaken zit, kan ik aan geen huwen denken. Ik heb daarom met haar goedvinden besloten haar naar Batavia te zenden. De Gouverneur-Generaal is, zooals ge weet, een mijner beste vrienden, en ik stel haar onder zijne bescherming tot mijn diensttijd als Landvoogd verstreken is. Dan ga ik ook naar Batavia en huw haar!"

"Goede vriend," zeide Truytman en stak van Dam de hand toe, "wees dan langer jaren gelukkig met haar dan de arme Simon Cos was. Maar u moet het mij niet euvel duiden, dat ik nog niet inzie, wat deze zaak met ons besluit te maken heeft. Wees zoo goed en leg dat eens uit."

"Dat zal ik," vervolgde van Dam. "Deze weduwe is hier op de "Mars" aanboord en zij bewoont de hut, die anders voor mij bestemd was geweest."

"Ha, nu begrijp ik waarom gij u met de ellendigste hut van de "Mars" tevreden steldet!" zeide Admiraal Truytman. "Ik wist waarlijk niet dat de "Mars" zulk eene eêle lading in had. Nu zou u zeker voor de "Mars" liever een ander schip nemen, om haar buiten alle mogelijke gevaren te houden en de "Mars" dadelijk naar Batavia willen zenden!"

"Gij raadt het niet, Admiraal," hernam van Dam. "Neen, de "Mars" is, als het er op aankomt, het eenige schip, dat geheel ten oorlog uitgerust is. Wij kunnen het niet missen. Maar als wij nu te Makassar aankomen, wij, de "Mars" en de "Breukelen", en het gaat eens niet naar wensch, alles kan gebeuren, welnu, dan moeten we kunnen toonen, dat we bijten durven. Die vrouw nu zou ons misschien in onze bewegingen belemmeren. En daarom heb ik nog dit voorstel te doen. De weduwe van den Heer Cos gaat nu over aanboord van een der andere schepen en blijft daar, ook als het later tot een gevecht komt. Bij den hoofdaanval met vierendertig zeilen zal zij ons niet in den weg zijn; zij is eene Hollandsche vrouw. Maar waar we het er op wagen, met twee schepen op slimme manier ons doel te bereiken, daar kon het toch wel eens gebeuren, dat de overmacht ons te groot werd. Zónder die vrouw zou ik kunnen zeggen: "Liever de lucht in dan gevangen!" Of ik het ook zeggen zou mét die vrouw aanboord, dat durf ik niet verzekeren."

"Heer van Dam, laat de schoone weduwe aanboord van de "Edam" komen en ik zal haar tegen tienduizend vijanden beschermen," riep de jonge Kapitein en zette bij voorbaat een gezicht, alsof er tenminste al vijfduizend vijanden voor hem op den loop gegaan waren. "Ik ben van oud-adellijke afkomst, en een mijner Stamvaders, die onder Hertog Godfried van Bouillon den Eersten Kruistocht mede maakte en na den dapperen Hertog het eerst op de muren van Jeruzalem stond, had tot wapenspreuk: "Trouw aan de vrouwen en het zwaard!" Hij sloeg met de vlakke hand tegen de borst en riep nu, bijna kraaiend van dapperheid: "En ik, zijn nazaat, heb dezelfde spreuk."

"Zoo iets heb ik precies bij ons te Amsterdam in den schouwburg hooren zeggen," zeide een oud Scheepskapitein zoo leuk voor zijn' neus weg. "Ze gaven den Gijsbreght van Aemstel, en de Ridder, die voor van Egmond speelde, zag er uit, alsof hij de heele wereld aandurfde en zeide ook, dat kwam zoo in het stuk te pas, weet je,

"Zoo yemant streeft na eer, ick toon hem 't rechte pad."

Dat was heel mooi gezegd en hij sloeg op zijn borstharnas, dat ik dacht, dat voel je man! Maar een held ben je! Dan, den volgenden dag langs straat slenterend, zag ik dienzelfden dapperen man op den loop gaan voor een keffend hondje! Het was grappig!"

"Zulk een lafaard ben ik niet," riep het jonge Kapiteintje, "en je zult zien dat...."

"Gij voor geen honderd honden op den loop gaat? Ik mag het lijden," zeide de oude Kapitein zonder zich om den jongen man te bekommeren.

"Stil, stil, geen gekibbel," sprak nu van Dam en wendde zich tot den jongen Kapitein met de woorden: "Vriendelijk dank voor uw aanbod, Kapitein! Ik heb een ander op het oog. IJzeren Neptunus, mag ik met u een ruiltje leggen?"

"Met mij een ruiltje leggen, Heer van Dam? Ik begrijp u niet," sprak Kapitein Londenaar verlegen.

"Ik zal het u uitleggen. Gij hebt aanboord twee gewezen studenten, die al lichtelijk wat van de medicijn-kist weten. Onze scheepsbarbier is onderweg gestorven, en nu vraag ik u de weduwe Joffer Cos te ruilen tegen Meester Pruymius. Wees gij haar Ridder tot de Makassaarsche zaken aan een' kant zijn, tenminste tot het eerste gedeelte ervan afgeloopen is. Dan kunnen wij opnieuw ruilen. Kunt ge in dien voorslag treden? Mogelijk hebt ge vermoed, dat ik iets tegen u had, doch dit is zoo niet; ik ben geen voorzichtig redenaar en verspreek mij wel eens. Heb ik u evenwel beleedigd dan wil ik het openlijk goedmaken, en daarom nog eens: Wilt ge Joffer Cos bij u aanboord nemen en als Ridder terzijde staan?"

Kapitein Londenaar was een wakker man en zag dikwijls zeer diep. Nu echter liet hij zich om den tuin leiden door van Dams rondborstig woord en daarom zeide hij, en hij sprak zijne woorden zelfs eenigszins zoo, dat de oude Scheepskapitein onwillekeurig alweer aan den tooneelheld, van Egmond, dacht: "U zal Meester Pruymius hebben, Heer van Dam en ik zal Joffer Cos beschermen. Een man, een man; een woord een woord."[29]

"Dat hadt ge niet gedroomd, IJzeren Neptunus, toen ge als Stuurman met de "Leerdam" uit het Vaderland vertrokt, dat ge op de "Koning van Polen", hier in de wateren van Makassar, als Ridder van eene weerlooze vrouw zoudt optreden. Het is met u gegaan naar de lijfspreuk van onzen dichter Brederoô: "Het kan verkeeren." Nu, man, de Oost-Indische Compagnie heeft wel Kapiteins, die met hun vieren niet tegen u alleen opwegen," zeide Admiraal Truytman, en zich hierop tot al de aanwezigen wendend, vervolgde hij: "En nu, mannen, gijlieden weet, wat er besloten is. Ik weet niet of we binnen een paar dagen alweer algemeenen krijgsraad zullen kunnen beleggen. Daarom zeg ik nu, wat ik nog op het hart heb. Volbrengt nauwkeurig de bevelen, die u van het Admiraalsschip gegeven worden. Spreekt allen uw volk moed in en toont ten allen tijde en in alle gevallen, dat de Oost-Indische Compagnie misschien onervaren Scheepskapiteins kan hebben, maar lafaards niet één! Leve de Oost-Indische Compagnie!"

Vol geestdrift werd dat geroep beantwoord en een half uurtje later bevonden al de Kapiteins zich in hunne booten en lieten zich naar hunne schepen brengen.

VOETNOTEN.

[27] Toen later die geteekende kaarten, nog verbeterd, in druk kwamen, waren deze zóó goed, dat de bekende Franschman Beautemps-Beaupré eenmaal tegen een onzer Zee-officieren ervan zeide: "Si la Hollande n'avait rien fait pour sa gloire, cela suffirait." Dat is: "Indien Holland niets meer voor zijn' roem gedaan had, het zou voldoende zijn!"

[28] Tanah-kéké of Toenah-kéké, bij verbastering ook wel Toenikik genoemd, beteekent: Afgescheurd land.

[29] Met "Mevrouw" sprak men in dien tijd alleen nog maar de echtgenoote van den Gouverneur-Generaal aan. Alle andere vrouwen van hooge ambtenaren der Compagnie heetten eenvoudig "Joffer" of "Juffer".

ELFDE HOOFDSTUK.

Een slechte ruil.

De laatste, die van de "Mars" afvoer, was de boot van de "Koning van Polen" en de daarin wachtende matrozen keken vreemd op toen Kapitein Londenaar heel beleefd eene jonge vrouw van de neergelaten scheepstrap in de boot bracht, en haar bij zich aan het roer een plaatsje gaf.

Wat de matrozen elkander zoo al lachend in de ooren fluisterden, willen we liever maar niet vertellen, te meer niet, omdat er onder de roeiers toch geen enkele van onze oude kennissen was.

Toen Kapitein Londenaar in de nabijheid van zijn schip kwam, zag hij dat er twee jonken naast lagen en nauwelijks was hij op het dek, of Henri Quatre trad op hem toe en zeide: "Kapitein, terwijl u den krijgsraad bijwoonde, zagen wij twee Chineesche jonken. Ik heb toen op eigen houtje gehandeld en ze laten nazetten."

"Wij hebben gezien, dat het gedaan werd," sprak Londenaar. "En hoe is het afgeloopen?"

"Dolf is zoo gelukkig geweest, de beide jonken in te halen en op zijne dreiging, dat ze hem te volgen hadden, of dat ze anders door de heele vloot in den grond zouden geschoten worden, zijn ze hem gevolgd. Daar liggen de jonken en het volk is beneden in het ruim. Heb ik goed gedaan?"

"Heel goed, Stuurman, heel goed! Maar op het oogenblik heb ik andere zaken. Een paar minuten maar."

Hij wendde zich hierop tot Joost en Kreeft en zeide: "Laat de scheepstrap neer!"

"Goed, Kapitein," antwoordde de oude man, maar binnensmonds mompelde hij: "Welk een voornaam personage zullen we nu aanboord krijgen?"

Onder aan het schip lag nog altijd de boot en daar er nog al zeeën gingen, zoo had Joffer Cos zich het hoofd en het bovenlijf geheel met een' mantel bedekt. Van het dek af had men dus niet gezien, dat er eene vrouw in de boot was.

Zoodra de scheepstrap neergelaten was, daalde Kapitein Londenaar af en hielp Joffer Cos uit de boot op het dek. Vol verbazing zagen de mannen haar aan en toen ook de roeiers uit de boot op het dek waren, zeide Kapitein Londenaar: "Mannen, deze Joffer is de Bruid van Heer van Dam, den Landvoogd van Amboina, en tegelijk een onzer Bevelhebbers. Zij zal voor een paar dagen de gast zijn van den Kapitein en de bemanning van de "Koning van Polen". Ik vertrouw dat ze een' goeden dunk van ons zal medenemen!"

"Leve de Bruid van den Landvoogd!" riep Garrit en smeet van pure geestdrift zijne muts zóó hoog, dat de wind haar opnam en in zee woei.

Natuurlijk werd dit welkom door heel de bemanning herhaald. Alleen Oude Joost schudde het hoofd en bromde: "De "Koning van Polen" krijgt al vreemde ballast in."

Kapitein Londenaar bracht Joffer Cos naar zijne hut en verzocht haar, het hem niet euvel te duiden, als hij haar een oogenblik alleen liet, daar hij zaken in orde te brengen had, die geen uitstel konden velen.

"Ga uw' gang, Kapitein! Ik ben eene gemakkelijke gast! Maar als ge lang wegblijft, dan mag ik, als ik mij hier begin te vervelen, mij toch wel op het dek vertoonen?" zeide Joffer Cos met een vriendelijk lachje, en liet daarbij twee rijen hagelwitte tanden zien, waarmede ze wel wat scheen te willen pronken.

"Natuurlijk, Joffer! U is zoo vrij als een vogel in de lucht. Maar ik zal zoo lang niet wegblijven," antwoordde Londenaar en verwijderde zich.

Zoodra hij weer op het dek gekomen was, begaf hij zich naar Meester Pruymius, die al vast bezig was pluksel te maken en verbanddoeken in gereedheid te brengen. Geholpen door Dirk en Garrit zat hij voor een' hoop linnen tusschen twee groote kisten en een paar bamboe-manden. Hij zelf was gewapend met eene schaar en knipte lange reepen, waaraan Dirk met zeilmakers-garen, omdat men geen fijner bij de hand had, zoomen naaide en bandjes vastmaakte. Uit de overgebleven stukken maakte Garrit pluksel en hij ging hiermede zoo vlug te werk, dat hij al eene bamboe-mand tot het randje vol had. Onder deze bezigheid werden de beide knapen "opgevroolijkt" door de vertellingen van Meester Troost der Armen, die eigenlijk van niets anders sprak dan van allerlei akelige verwondingen.

Op het laatst maakte hij het evenwel zóó erg, dat Garrit uitriep: "Meester, ik wilde wel dat ge met uw akelige vertellingen twintig zeemijlen van me af waart!"

"Nog liever vijftig!" verbeterde Dirk.

"Uw wensch zal vervuld worden, jongens," sprak op dit oogenblik de Kapitein, die lachend al die verbanddoeken en die mand vol pluksel bekeek.

Meester Troost der Armen keek verwonderd op.

"Ja, Meester! De wensch dezer jonge borsten zal letterlijk vervuld worden. Beneden licht de boot te wachten, welke u overbrengen zal naar het Admiraalsschip waarop de barbier gestorven is! Dolf, wilt ge zoo goed zijn hem er heen te brengen en dan aan den Admiraal of Heer van Dam te vragen, wat we met de Chineezen moeten aanvangen. Deel hun dan meteen mede op welke manier gij die twee jonken nagezet en genomen hebt, dan weten ze althans, dat die Chineezen de nadering der Hollandsche vloot niet aan de vijanden verraden hebben. Wij allen hadden er vrees voor."

"Goed, Kapitein," sprak Dolf. "Ik zal alles mededeelen, zooals het gegaan is. En nu, ik ben klaar! Kom, Meester, mee!"

"Maar ik heb mijne medicamenten-kist hier nog niet!"

"Er is eene beste aanboord van de "Mars", goede vriend," zeide de Kapitein. "De barbier daar had er ook eene."

"Jawel, maar mijn pluksel en mijne verbanddoeken!"

"Die kunnen mede! Hier, Hoepel, deze manden en kisten in de boot. Ze zullen misschien wel noodig zijn."

"Maar mijne potten met troost der armen!"

"Garrit, hier is eene ledige mand! Haal hierin vijf of zes potten "troost", zei Londenaar lachend.

"En dan het wonderwater van Serbiette, en de potten met die Chineesche zalf, die, die, die borreborrie!"

"Maar, Meester, je zult daar tusschen al die potten, pannen, manden, kisten en flesschen zitten, als een Nassauer op de Pottenmarkt te Middelburg," riep Hoepel en schaterde van het lachen, alleen bij de gedachte dat hij den barbier daar zou zien zitten.

Meester Pruymius zette eene hooge borst en zeide: "De lijfarts van de Bevelhebbers der vloot moet toonen, dat hij geen kwâjongen is, die alles op een koopje doet!"

Ondertusschen had de eene matroos na den anderen een' pot, eene kruik, eene flesch of eene mand gehaald, en één zelfs kwam met een' versleten zwabber aan, gaf dien aan Meester Troost over en zeide; "Een wonderwasschertje, Meester!"

"Nu, nu, spels genoeg! Brengt dien rommel, waar ge hem gehaald hebt! De Heeren zouden anders wel denken, dat we hen voor den gek hielden. En, vlug in de boot! De "Mars" wacht op onzen Meester om te vertrekken," beval Londenaar.

Hoe Meester Troost ook tegenpruttelde, hij kreeg slechts eene flesch wonderwater, ééne mand "troost" benevens één' pot met borreborrie mede. Hij wilde ook nog een welsprekend afscheid van de bemanning nemen, doch de Kapitein maakte er een einde aan door hem in het oor te fluisteren: "Wees verstandig, Meester, en zwijg liever! Het volk is te dom om uwe geleerdheid te begrijpen! Gij zoudt niet veel meer doen dan paarlen voor de zwijnen werpen. Ga maar gauw in de boot. Men wacht u."

Hierdoor gevleid daalde Meester Pruymius den valreep af en kort daarop was hij aanboord van het Admiraalsschip, waar hij door de bemanning met een: "Hoezee! Meester Troost! Hoezee!" ontvangen werd.

Een uur voor zons-ondergang was Dolf op de "Koning van Polen" terug.

"Kapitein," zei hij, "Admiraal Truytman en Heer van Dam hebben gezegd, dat ge de jonken op sleeptouw medenemen moet en het volk wel behandelen. Wanneer we over een paar dagen bij het eiland Tanah-kéké de boodschap ontvangen, dat het tusschen ons en den Koning van Makassar botertje tot op den boôm is, dan kunt ge ze vrij laten."

"En als het eens andersom is?"

"Dan zal men u een nader bericht zenden. Maar vooral moest ik u op het gemoed drukken de mannen goed en vriendelijk te behandelen en niet op te sluiten. Men moest hen evenwel scherp in het oog houden en zorgen, dat ze des nachts niet in alle stilte de wacht overrompelen en het schip ontvluchten. Hij, Admiraal Truytman namelijk, zeide, dat ze er best toe in staat zijn om zoo iets te doen."

"Ook zonder dat me dit bevolen werd, zou ik het gedaan hebben. Maar wat beteekenen toch al die kisten, die ze daar op dek hijschen?"

"Dat zijn reiskoffers van Joffer Cos, Kapitein! Er zijn ook kisten met Chineesche lekkernijen bij en die zijn ook voor de Joffer. Maar ééne mand is voor u en het volk. Heer van Dam wilde, dat we van avond op de gezondheid zijner Bruid een extra-oorlam drinken zouden!"

"Goed, goed! Laat al die pakken en kisten maar in de hut bij de Joffer brengen. Ze zal zeker.... Wacht, daar komt ze zelve reeds aan!"

"Wat noemt u toch lang, Kapitein," dus begon ze met een lachje en liet weer hare tanden zien, "als u een klein uur niet lang noemt? Ik begon mij te vervelen, en daar ik door het venster der kajuit eene boot met mijne kisten zag naderen, dacht ik de vrijheid te mogen nemen eens op het dek te komen!"

Dolf naderde haar en haar een briefken overreikend, zeide hij: "Met de groeten van Heer van Dam, Joffer!"

Joffer Cos opende het briefje en in dien tijd namen de matrozen en Officieren de gelegenheid waar, de jonge weduwe eens goed op te nemen.

Na het lezen ging ze naar den Kapitein en zeide: "Ik zal u wel niet lang van uwe kajuit berooven, Kapitein! Heer van Dam meldt me, dat ik over een' dag of drie wel weer aanboord van de "Mars" zal kunnen terugkeeren. Doch wil u zoo goed zijn, deze pakkage in de kajuit te laten brengen? Zooals ik lees, heeft Heer van Dam ook voor eene versnapering voor u en uw volk gezorgd. Dat is goed. Ik heb vanavond niets meer noodig en zou gaarne alleen met mijne gedachten zijn. U begrijpt wel dat eene arme weduwe, als ik ben, die alweer op het punt staat met een wakker dienaar der Compagnie in het huwelijk te treden, gaarne eens even stil droomen wil van hetgeen haar in de toekomst mogelijk wachten zal."

Alweer lachte ze vriendelijk en begaf zich naar de kajuit, doch toen ze Joost voorbijliep en deze bij ongeluk met zijne ruwe, beteerde matrozen-hand haar' blanken arm aanraakte toen hij eene kist oplichtte, keek ze hem zóó nijdig en zóó uit de hoogte aan, dat de man er heelemaal verslagen van was.

"Kan jij niet beter uit jouw oogen kijken, oude lomperd?" snauwde zij hem toe. "Of hebt jij jouw oogen soms ook in den zak zitten?"

Joost zette de kist terstond neer en wilde heengaan.

"Nou, pak op!" beet ze hem toe, en ook nu kwamen de hagelwitte tanden te voorschijn.

Henri Quatre was de eenige, die er iets van gehoord en gezien had. Hij ging naar die twee en zeide: "Die kist is u te zwaar, brave kerel! Er wordt te veel boven op gelegd! Ik zal ze wel in de kajuit brengen!"

Joost verwijderde zich en scheen met de grove vuist wat uit de oogen te boenen, dat uit het waterland afkomstig was. Hij zeide evenwel niets.

Henri Quatre zette de kist in de kajuit neer en wilde ook heengaan, doch Joffer Cos hield hem tegen en vroeg: "Is u hier Eerste Stuurman aanboord?"

"Jawel, Joffer," antwoordde Henri Quatre met eene buiging, alsof hij als student voor eene schoone burgemeesters-dochter stond, gereed haar ten dans te vragen.

[Illustratie]

Joffer Cos zag hieraan dadelijk, dat hij een man van beschaafde vormen was, en meende al een heel wit voetje bij hem te krijgen door hem weer lachend hare tanden te laten zien, en beleefd toe te voegen: "Wat bedoelde u toch om tegen dien lompen kerel te zeggen, dat er te veel op de kist gelegd werd? Er ligt toch niets op?"

"Joffer, onverdiende scheldwoorden uit een' schoonen mond zijn onzichtbaar, maar wegen zwaarder dan lood! Gij hebt den braafsten man en misschien den dappersten kerel van de "Koning van Polen" bitter gegriefd. En als dat uw wil niet geweest is, maak het dan bij hem met een hartelijk en vriendelijk woord weer goed! Nu weet u, wat die kist voor den braven oude zoo zwaar maakte."

"De Bruid van den Landvoogd van Amboina is de gelijke niet van een' zeebonk! Gij kunt gaan, Stuurman," antwoordde de Joffer geraakt en keerde hem den rug toe.

Henri Quatre verwijderde zich, haalde minachtend de schouders op en bevond zich spoedig op het dek.

"Een aangenaam onderhoud gehad, Willem?" vroeg Dolf.

"Ik gun je er zoo een van ganscher harte, Dolf, maar dan moet je eerst mijn vijand worden. Zij is begonnen met onzen goeden Joost een lomperd te noemen en geëindigd met mij de deur te wijzen, omdat ik haar durfde zeggen, dat ze den braafsten kerel van heel de vloot beleedigd had. Hoe eer we die trotsche dame kwijt zijn, hoe liever!"