Janmaat in de Oost; of, Vestiging van het Nederlandsch gezag op Celebes

Part 11

Chapter 113,978 wordsPublic domain

"Hoe dom daaraan niet te denken," riep de barbier. "Zeker, ik doe het dadelijk."

Hij haalde nu uit een lederen kokertje, dat hij steeds bij zich droeg, een strookje verbandlinnen, bette dat in het water, liet het boven de kruik afkoelen en begon er toen de bulten mede te wasschen. Hij zeide dat hij er soulaas, dat is baat, bij had en begon nu de bulten der andere twee ook te wasschen met hetzelfde gunstige gevolg. Geen wonder, dat de man boven de wolken van blijdschap was en verklaarde, dat hij, als ze weer in Batavia waren, den Gouverneur-Generaal het voorstel zou doen om eene heele scheepslading van dit water te halen en dan te zorgen dat iedere scheepsbarbier bij elke reis, vooral als er kans was, dat er gewonden kwamen, eene flinke hoeveelheid mede kreeg. Naar hem moest dat wonderwater dan heeten "Aqua Prumii".

Na de wassching met dat water zette men zich aan de riemen en roeide zoo snel men kon om niet door de duisternis overvallen te worden, naar het schip terug, waar onze brave barbier, die zoo vol zorg voor het welzijn der schepelingen was, den kostelijken voorraad dadelijk in zijne hut borg. Ja, hij ging zelfs zoo ver, dat hij Dirk' een dukaat beloofde, als hij hem eens eene kleine wonde mocht maken om dan het genoegen te hebben, de deugdzaamheid van het wonderwater ook in dit opzicht op hem toe te passen.

Natuurlijk bedankte Dirk daarvoor, zoodat Meester Pruymius niets overbleef dan de kruiken goed te kurken en met natte blazen te overdekken.

Het spreekt vanzelf, dat men het op het voorschip dien avond over de kleine gebeurtenissen van den dag had. Als er niets bijzonders voorvalt, grijpt men dikwijls het minste aan om toch maar stof tot praten te hebben. Al heel spoedig kregen Meester Troost der Armen, Hoepel en Dirk van allen, op één' na, de volle laag over hunne lafhartigheid om voor zulke kleine diertjes, als de bijen zijn, op den loop te gaan. Ja, Kreeft ging zoover met te zeggen: "Hij is geen knip voor den neus waard, die dat doet. Wat zeg gij, Ouwe Joost?"

Joost, die tot nu maar altijd gezwegen had, keek even op en vroeg zoo leuk mogelijk: "Wel?"

"Ik zeg dat ieder, die voor bijen aan den haal gaat, geen' knip voor den neus waard is," hernam Kreeft. "En nu vraag ik jou of ik gelijk heb of niet!"

"En als je dan niet eens gelijk hebt, ben jij dan wèl een' knip voor den neus waard?"

Kreeft keek den ouden zeerob eens aan en zei toen lachend:

"Als Ouwe Joost mij één' flink man weet aan te wijzen, die voor bijen of andere dergelijke diertjes op den loop ging, dan zal ik de eerste zijn, die een Makassaar, man tegen man, te woord staat."

"Aangenomen! Aangenomen!" klonk het thans van verscheidene kanten. "En als Ouwe Joost het niet kan, dan zal hij de man zijn, die dat het eerst doet."

"Jelui praat als een hoop gekken," hervatte Joost. "Wie het eerst een Makassaar man tegen man te woord zal staan, hangt niet van ons, maar in de eerste plaats van de Bevelhebbers der vloot en dan van onzen Kapitein af. Maar, evengoed, alsof het eene weddenschap gold, zal ik jelui man en paard noemen. Wie uwer heeft nooit gehoord van Willem IJsbrantsz. Bontekoe?"

Willem IJsbrantsz. Bontekoe, wie zou van dien man nooit gehoord hebben? Was er een matroos, die lezen kon, dan had hij "Journaal ofte Gedenkweerdige Beschrijvinge van de Oost-Indische Reyse van Willem IJsbrantsz. Bontekoe van Hoorn", gelezen, ja, de lotgevallen van dien man waren reeds zóó algemeen bekend dat de uitdrukking: "Een reisje van Bontekoe", als men eene ongelukkige reis gemaakt had, terstond door ieder begrepen was. Dat boekje was onder het scheepsvolk hetzelfde, wat later Robinson Crusoe voor de jongens werd. Het werd gelezen en nog eens gelezen. Maar, men las toen ook al, zooals velen nu nog doen, zóó dat men vergat, wat men gelezen had. Eene vertelling, vooral als Oude Joost die deed, bleef veel vaster in het geheugen.

Het algemeene geroep was dus: "Ja, ja, Bontekoe kennen we!" terwijl enkele lezers van dat boek er zelfs bijvoegden: "Maar die ging toch niet voor bijen op den loop?"

"Neen, niet voor bijen," zeide Joost, "maar toen onze ongeluks-vogel van een' Kapitein eindelijk op de thuisreis was, landde hij op het eiland Madagascar. Hij en zijn volk werden door de inwoners zeer vriendelijk ontvangen, doch op Bontekoe's vraag, of ze ook rijst te koop hadden, liet de Koning antwoorden, dat ze geen rijst konden missen, omdat de heele oogst door de sprinkhanen zoo goed als vernietigd was."

Garrit en Dirk lachten, en de laatste zei: "Och kom, sprinkhanen! Hoe zouden die kleine beestjes den heelen oogst kunnen vernietigen? Dat is toch immers niet waar?"

"Jelui kent geene andere dan die kleine, grauwe sprinkhaantjes, die bij ons te lande door het gras hippen. Dat zijn geene sprinkhanen en die onschuldige, vlugge diertjes doen zooveel kwaad niet. Maar de echte sprinkhanen, wel een' mansduim lang en bijna even dik, wij noemden ze thuis "koolhazen", dat zijn wat schadelijke beesten. Die aan de Kaap en in heel Zuid-Afrika zijn nog grooter en komen soms bij duizenden en nog eens duizenden aanvliegen. Dan kan het op klaarlichten dag zoo donker worden, als midden in den nacht. Waar die dieren neerstrijken, daar wordt, al wat blad of gras is, kaal gegeten. En voor zulk een' zwerm sprinkhanen ging dezelfde Bontekoe, die voor de grootste gevaren niet terug gedeinsd was, op de vlucht. Ze vlogen hem op het lijf, zoo schrijft hij zelf, zoo dik, dat hij geen' adem halen kon. Toen hij eindelijk bij den Koning van dat land kwam, die hem voor zijne hut zat af te wachten, begon de Koning hartelijk te lachen en een' sprinkhaan vangende, at hij hem levend op!"

"Bah! Wat een kost!" klonk het van verscheidene kanten.

"Maar Ouwe Joost heeft het verloren ook," riep Kreeft. "Ik heb gezegd "bijen of andere dergelijke diertjes"; en wie heeft nu ooit bijen gezien zoo groot als heele mansduimen?"

"Zoo, Kreeftje," sprak Joost, "zoo; maar ik heb liever met tien sprinkhanen dan met ééne bij te doen. Eene bij kan venijnig steken, en een sprinkhaan is zoo goed als weerloos. Maar, het komt er niet op aan, hoor! Als ge meent, dat ik het verloren heb, dan neem ik van ganscher harte, en altijd met goedvinden van den Kapitein, den eersten Makassaar, man tegen man, voor mijne rekening."

"Als ge dat meent, dan zult ge al heel spoedig aan den slag kunnen gaan, want we gaan er nu rechtstreeks heen. Op het Admiraalsschip wordt het sein van vertrek gegeven! Komtaan, jongens aan den slag!" Dus sprak Henri Quatre, die het gezelschap ongemerkt genaderd was en het laatste gedeelte van het gesprek verstaan had. Spoedig waren de ankers gelicht en onder een' heerlijken sterrenhemel en een' goeden wind werd de tocht aangevangen.

Zoodra alles op orde was en dat deel van het scheeps-volk, hetwelk geene wacht had, ter kooi zou gaan, zei Joost: "Hoor eens, mannen! Het is wellicht de laatste maal, dat we allen zoo rustig bij elkander zijn. Wat de dagen, die komen, geven zullen, de Heere weet het; wij weten het niet. Laten we daarom te zamen nog eens een stichtelijk lied zingen."

"Dat is goed, Joost," zei Kreeft, "maar je haalt je toch geene muizenissen in het hoofd?"

"Muizenissen, neen, dat niet, maar als men tegen een volkje als de Makassaren optrekt, dan weet men wel, dat men er heengaat, doch het wederkeeren is eene groote vraag. Ik verzeker je, het zal er geducht spannen! En daarom jongens, komtaan, het tiende vers van den achtenzestigsten psalm!"

Hij zette zelf dadelijk in en niet één onder de mannen was er, of hij zong niet mede.

Het was een aangrijpend schoon gezicht daar al die ruwe mannen zoo in ernst te hooren zingen, en nog plechtiger werd het, toen van de dicht bij zijnde schepen hetzelfde lied door velen mede gezongen werd. De Amboinneezen wisten niet hoe zij het hadden. Alleen het Opperhoofd mompelde angstig: "Tampik soerak!"[26]

Kapitein Londenaar hoorde dat, en zeide hem dat dit der Christenen avond-gebed was. Dit stelde den man wat gerust en deed hem ook met meer aandacht naar de voortzetting van het lied luisteren.

Onder den indruk van dit lied begaven de meesten zich ter ruste, doch Dolf, die niet mede gezongen had, omdat hij, daar hij Roomsch was, dezen psalm, of althans die wijs niet kende, zeide tot Henri: "Ik had niet gedacht, dat er onder die ruwe kerels nog zooveel vrome zielen gevonden werden."

"Wat zal ik zeggen, mijn vriend," antwoordde Henri. "Zeevolk, vreemd volk!"

VOETNOTEN.

[22] Natuurlijk wordt met '13 het jaar 1613 bedoeld. Ook wij laten in het dagelijksche leven dikwijls het woord achttienhonderd weg.

[23] Tegenwoordig begint men, vooral op de Schotsche kusten den haring reeds in Mei te vangen, doch in vroegere jaren bestond er eene bepaling waaraan de haringvisschers van alle landen de hand hielden, en die tot lang in deze eeuw stand hield, dat men geen haring mocht vangen vóór den 25sten Juni en na den 1sten Januari. Men deed dit om deze visschen niet uit te roeien. Wanneer ge nu weet, dat men den 24sten Juni in de R. K. kerk het feest van Sint-Jan viert, dan begrijpt ge wel, dat de uitdrukking: "haring vóór St.-Jan roepen", zooveel beteekent als "voor zijne beurt spreken." Een ander spreekwoord: "schreeuwen vóór men geslagen wordt" beduidt ongeveer hetzelfde.

[24] Het doet me werkelijk genoegen hier eene fout te herstellen, die ik in de beide vorige drukken van dit verhaal beging. Ik stelde daarin de Amboineezen als lafaards voor, of althans als mannen, die in het geheel niet te vertrouwen waren. Zij, die in de Oost en met onze troepen daar bekend zijn, lichtten mij beter in. De Amboineezen zijn uitnemende soldaten, trouw, dapper en volhardend. De Regeering erkende dat ook en waar de Javaansche en Boegineesche soldaten altijd blootsvoets loopen, als bijna alle Javanen uit de mindere klassen, daar mogen de Amboineesche of Ambonneesche soldaten, ter onderscheiding van al de anderen, schoenen dragen. Ze zijn er dan ook niet weinig trotsch op.

Dat ik die fout begaan kon, was wel wat dom, want het is algemeen bekend, dat de Ambonneesche soldaten dapper en volhardend zijn. Maar om dit verhaal te schrijven raadpleegde ik zeer veel boeken en in een dezer vond ik, -- het was de bekende Kapitein Schouten, die dit schreef: -- "Zij waren van schrik beklemd wanneer zij Makassar hoorden noemen. Wij hadden eene compagnie van zulke helden op ons schip, waarvan de Kapitein te voren menigmaal gezwetst had, dat hij voorgenomen had geen pekelvleesch te nuttigen, voor hij van zijne bittere vijanden oogen en hersenen, over het vuur gebraden, gegeten had. Maar deze kloeke oorlogsheld nu ziende, dat het waarlijk op Makassar was gemunt, bezweek van schrik en toonde zich met al zijne helden uitnemend verslagen, niet anders denkende, dan dat zij gewis ter slachtbank van de wreede Makkassaren herwaarts waren gevoerd."

Of Kapitein Schouten, wiens werken nog veel geraadpleegd worden, zich vergist heeft of, wat toch wel vreemd zou zijn, dat hij niets dan lafhartige Ambonneezen aan boord had, dat weet ik niet. Wel las ik in een werk van Gerlach, een' man van onzen tijd, dat in 1853 bij de bestorming van het fort Laäla op Klein-Ceram, 1700 Amboineezen sneuvelden. Dit klinkt heel wat anders dan ze als lafaards voor te stellen.

[25] Een stoop was eene ouderwetsche vochtmaat, die omstreeks 2½ Liter inhoud had.

[26] =Tampik soerak= beteekent krijgsgeschreeuw en het ouderwetsche zingen, zelfs in de kerk, geleek vaak meer op geschreeuw dan op gezang, en het zeevolk vooral hield van "draaien" bij het zingen.

TIENDE HOOFDSTUK.

Eene Joffer om een' Barbier.

De vloot, vier en dertig zeilen sterk, vertrok den achtentwintigsten Mei van de eilandjes, die het Koninkrijkje Solor vormden, en zette koers naar het Noordwesten. De tocht moest evenwel met alle omzichtigheid plaats hebben, want in de nabijheid dezer eilanden zijn zeer veel blinde klippen, en het was er in dien tijd nog verre af, dat zelfs geleerde vreemdelingen onze zeekaarten prijzen konden. De meeste schippers zeilden met geteekende kaarten en moesten die aan het einde der reis weder terug geven. Men liet ze niet drukken uit vrees, dat andere volkeren dan ook van deze kaarten zouden gebruik maken en gemakkelijk in onze Koloniën komen.[27]

De vloot kwam echter gelukkig buiten de gevaarlijke zeeëngte en door een' voorspoedigen wind geholpen, had men weldra het Saleyer-eiland, of zooals het nu op de kaarten heet, Silajara, ten Zuiden van Celebes, en niet zoo heel ver van het Rijk van Makassar, bereikt.

Er woei een flinke doorstaande oostenwind, zoodat de vaart vrij snel ging. Vrij snel echter en ook niet meer. Bij de heele vloot was slechts één schip, dat niets anders was dan een oorlogsschip. Het was de "Mars" en de Bevelhebber van Dam was hier aanboord. De andere schepen waren niet veel anders dan Oostindie-vaarders, die als oorlogsschepen moesten dienst doen. Dat kon ook wel, want de onveiligheid niet alleen in de Indische wateren, maar ook door onze voortdurende oorlogen met Spanje, Portugal, Engeland, Zweden en Denemarken, op den Atlantischen Oceaan en in de Europeesche wateren, was zóó groot, dat elke Oostindie-vaarder zeer veel volk aanboord medenam, en ook zorgde kanonnen, geweren, kogels en kruit te hebben om zich te kunnen verdedigen, als men aangevallen werd. Zulk een Oostindie-vaarder was dus meestal heel wat mans, maar toch had hij veel tegen. Men had die schepen gewoonlijk al te zeer gebouwd met het oog op eene groote laadruimte, en daardoor hadden ze inplaats van een' ranken, een' loggen vorm. Zóó scherp bij den wind zeilen, dat de boeg het water, als het ware sneed, was niet mogelijk. De boeg was er veel te breed voor en moest dus het water wegduwen, waardoor zeer veel kracht van den wind verloren ging. Dezelfde logge vorm was ook oorzaak, dat het schip zich niet gemakkelijk wenden kon; het was traag in elke beweging en dat was in een zeegevecht of bij een' aanval op kust-sterkten niet weinig in het nadeel.

Niettegenstaande de wind goed was en flink doorstond, had men aanboord tijd genoeg om alles, wat men zag, goed op te nemen. Vooral had het volk er veel schik in, dat er nu en dan een vliegende visch zich zien liet, en enkele malen was het ook gelukt er een te vangen.

Terwijl Dirk en Garrit zoo naar vliegende visschen stonden uit te kijken, riep Garrit opeens en wees naar eene plek niet verre van hem af: "Kijk eens, Dirk, wat al visschen! Gauw, roep Ouwe Joost eens, dan kan die ons zeggen, welke visschen dat zijn."

"Laat Ouwe Joost maar bij zijn werk," zeide de barbier, die daar in de nabijheid was, "dat kan ik ook wel zeggen. Dat zijn tonynen en boniten! Die visschen schijnen van gezelligheid te houden, want even als de haringen zwemmen ze in groote scholen. Of ze onder mekaêr wel eens ruzie hebben, dat zou ik niet kunnen zeggen, maar dat ze wel eens krijgertje met mekaêr spelen, dat zie je, want een heel troepje springt zoo nu en dan boven het water uit."

"Maar wat is dat toch, Meester?" vroeg Dirk en hij wees op eenigen afstand naar een paar dingen, die boven het water uitstaken en voortdreven. "Het gelijken wel plankjes op den kant."

"Rare plankjes, jongen," antwoordde de barbier lachend, "je zoudt er niet heel veel van timmeren, als je er bij waart."

"Wat zijn het dan?"

"Dat zijn de rugvinnen van haaien, mijn jongen! Boven water zie je hun lijf maar zelden, doch ze komen toch zóó dicht bij de oppervlakte, dat de scherpe rugvin er boven uitsteekt. Er is daar een aardig troepje van die vreeselijke dieren bij mekaêr. Ze hopen zeker op een' storm, die een schip doet vergaan, dan hebben ze alweer wat te eten."

"En dat daar, Meester," riep Garrit, die nu weer in eene andere richting wees, "dat is net als eene fontein!"

"Eene fontein is het toch niet, vriendje! Het is een walvisch!"

"Och kom, Meester, de walvisschen leven immers in de Noordelijke zeeën," merkte Garrit aan. "Je moet ons niet wat wijs maken!"

"Ik maak je niets wijs, Garrit! Het zijn werkelijk walvisschen, en wie je verteld heeft, dat die dieren alleen in de Noordelijke zeeën leven, die weet er niets van. Ze leven in de Zuidelijke zeeën ook en in heele scholen trekken ze soms den Atlantischen of den Stillen Oceaan door, om uit de Noordelijke in de Zuidelijke IJszee te komen. Op dien tocht maken ze bitter weinig haast en inplaats van rechtuit, rechtaan te zwemmen, doen ze precies als de honden op de straat, en zijn nu hier dan daar. Hier in de Moluksche zeeën komen ze veel voor, en het is eene bijzondere soort, bekend onder den naam van potvisschen."

Het fluitje van den bootsman, dat nu op het oogenblik klonk, maakte aan het gesprek een einde, want alle man werd het want ingestuurd om zoo vlug, als het maar kon, alle razeilen te bergen. Men zag dat op al de andere schepen ook doen en nauwelijks nog waren al die zeilen in de lijken geslagen, of de vloot werd overvallen door een' hevigen noordoostenwind.

"Hoe vreemd is dat nu," zeide Dolf tot Kapitein Londenaar.

"Niet zoo heel vreemd, mijn vriend! Dat gebeurt in de Moluksche zeeën maar al te vaak. Op zijne tellen passen is hier zaak."

"Hoe komt dat zoo?"

"Ja, men vermoedt dat dit de oorzaak is. In de binnenlanden van het Makassaarsche Rijk moeten hooge gebergten zijn. Op die bergen nu heeft eene sterke warmte-uitstraling plaats, die eene verkoeling teweeg brengt op de lucht, die op deze bergen rust. Die afgekoelde lucht nu wordt zwaarder dan de onderste, die warm is en daalt snel naar beneden. Gij zijt geleerder dan ik en zult dus wel weten, dat wind niets anders is dan eene verplaatsing van warme en koude lucht. Doch stil, ik word aanboord van de "Mars" geseind. Er zal zeker algemeene scheepsraad gehouden moeten worden."

Henri Quatre werd nu gelast eene boot neer te laten en die te bemannen, waarna hij Kapitein Londenaar naar het zoogenaamde Admiraalsschip bracht, waar weldra de heele krijgsraad vergaderd was. In het eerst ging het er in dien raad niet zeer ordelijk toe, wat misschien wel een gevolg mocht heeten van den onverstandigen maatregel, dien men genomen had om twee personen, beiden met hetzelfde gezag bekleed, aan het hoofd der scheepsmacht te plaatsen. Gelukkig waren van Dam en Truytman nog al inschikkelijk ten opzichte van elkander, en duurde het niet lang of de beraadslagingen geschiedden in orde, en de besluiten werden zonder veel geharrewar geregeld genomen.

Nadat men alzoo het plan voor den aanval op de stad, de versterking van Makassar en de Portugeesche vloot ontworpen had, werd er ten slotte nog besloten, dat de beide Admiraals met de schepen de "Breukelen" en de "Mars" vooruit zouden stevenen om te trachten den Koning van Makassar met vriendelijke woorden over te halen voortaan der Compagnie terwille te zijn.

"Dan weet ik toch wel, wat het einde van het lied zal zijn," sprak Kapitein Londenaar.

"Wat dan, Kapitein?" vroeg Admiraal Truytman.

"Wel, als ze dan de heele vloot daarginder ook in het gezicht krijgen, dan laat de Koning u bij zich aan het Hof roepen; hij overlaadt u met geschenken, bewijst allerlei beleefdheden en doet duizend beloften, de eene al fraaier dan de andere. Hij, die complotten smeedt met den Soesoehoenan van Java om al de Nederlanders uit den heelen Archipel te verdrijven, is een slimme vogel, die meer met list dan met krijgsgeweld gedaan krijgt."

"Wij weten, Kapitein," dus begon nu Johan van Dam, "dat die Sultan of Koning van Makasser dat verraderlijk plan koestert en er zelfs heel veel verwachting van heeft. Was den Gouverneur-Generaal dat plan niet bekend geworden, dan zouden wij hier niet met zulk eene groote vloot zijn om dat rumoerige en valsche heerschap eens goed op zijn nummer te zetten. U begrijpt dus wel, dat wij ons door hem geene knollen voor citroenen in de handen zullen laten stoppen. Bovendien, als Landvoogd van Amboina, waar ik lang genoeg geweest ben, geloof ik, dat ik meer gelegenheid had om achter de schermen te kijken, dan een zeeman, die hier tamelijk vreemd in deze streken is."

Niet uit het veld geslagen door den hoogen toon, dien van Dam aansloeg, zeide nu IJzeren Neptunus kalm: "Heer van Dam houde het mij ten goede, dat ik nog eens het woord neem. Ik verdenk u niet van domheid, maar ik meen zoo, dat de knapste kop van de wereld niet instaat zou zijn om uit te maken of het "ja" van den Koning gemeend of niet gemeend is, als hij dat woord uitspreekt in het gezicht van eene vloot van vierendertig schepen."

"Hierin moet ik Kapitein Londenaar gelijk geven," zeide een der andere Scheepskapiteins.

"En wat zoudt gij dan meenen, dat er gedaan moet worden, Kapitein Londenaar?" vroeg Admiraal Truytman, die wel een weinig korzelig was, dat een der beste Scheepskapiteins zoo uit de hoogte neergezet was geworden. "Ik hecht heel veel waarde aan uw' raad, want ik weet, dat gij een praktisch en moedig man zijt. Wij kennen den IJzeren Neptunus."

"Als ik een' raad geven mag, dan zal het deze zijn: Heer Johan van Dam als Landvoogd van Amboina, en Heer Truytman als Admiraal der Oost-Indische Compagnie zeilen vooruit met twee of drie schepen, en...."

"Is het dan Kapitein Londenaar in het hoofd geslagen?" riep een jong Kapitein uit, die de Gezagvoerder van de fluit "Edam" was. "Dat is immers al aangenomen? Ik dacht niet dat de gewezen Stuurman van de "Leerdam" aan het suffen was. Het blijkt evenwel dat dit toch het geval is, anders zou hij niet zoo onbeholpen uit den hoek komen."

IJzeren Neptunus keek den jongen man aan en zeide zoo bedaard mogelijk: "Zoolang de Kapitein van de fluit "Edam" zich nog op de zeekaarten den weg moet laten wijzen door zijn' Tweeden Stuurman, zoolang moest dezelfde Kapitein in een' krijgsraad het niet wagen om een' gewezen Eersten Stuurman op hoogen toon de les te lezen, en moest hij tenminste zooveel weten, dat hij het woord niet neemt vóór een ander uitgesproken is." Hierop wendde Kapitein Londenaar zich tot de twee Bevelhebbers en zeide: "En als u dan met uwe schepen vooruitzeilt, dan kiezen wij zee, om uit het gezicht van den vijand te zijn."

"En zorgen vooraf dat er nu al geene verklikkers vooruitgaan om den Koning te vertellen, dat we hem foppen," zei Truytman en wees door een raam van de kajuit, waarin de raad gehouden werd, naar buiten.

"Dat zijn twee Chineesche jonken! Zij hebben ons gezien en houden nu met alle macht van de vloot af. Wij moeten jacht maken op die schelmen," sprak van Dam.

"Dat wordt al gedaan, zie ik," zeide de Kapitein van de "Breukelen" en wees op eenige zeilbooten, die de zware jonken met vlugheid nazaten.

"Het is de vraag of men ze nog krijgen zal," meende van Dam. "De Chineezen zijn wakker zoowel op het land als op het water."

"In alle gevallen wordt op het oogenblik het beste gedaan, wat er gedaan kan worden," zeide Truytman. "Halen de onzen de jonken in, dan zullen ze die schelmsche Chineezen wel meevoeren. Halen zij ze niet in, welnu, dan in vredesnaam. Maar om op het voorstel van Kapitein Londenaar terug te komen, mij dunkt, dat is zoo kwaad niet bedacht."

"Zoo kan alleen een held als Admiraal Truytman spreken," zeide nu de jonge Kapitein van de "Edam" met vleiende stem. "Maar ik ben er tegen, en ik zal duidelijk maken waarom. Terwijl wij in zee zijn, slaan ze u en al de onzen dood en maken de schepen prijs."