Janmaat in de Oost; of, Vestiging van het Nederlandsch gezag op Celebes
Part 10
"Is zoo'n globe niet een rond ding?" vroeg Hoepel.
"Ja, nog ronder dan jij bent," riep er een uit het gezelschap.
Hoepel deed alsof hij die hatelijkheid niet hoorde en zeide: "Wat doen ze ook zulke konstige, ronde dingen te geven. Zoo iets kunnen alleen de groote Heeren verzinnen, maar dat zou nooit opkomen in het hoofd van Janmaat. Die geeft wat anders dan presentjes waarop de Poeëten gedichten maken!"
Joost lachte eens even en zeide: "Ik begrijp je, maat! Ja, wij zouden die luiden op eene andere manier aanboord klampen. We zouden hun ook ronde dingen geven, maar dan van ijzer of lood en te grabbelen gegooid door Sinjeur Buspoeder. Nu, wees maar stil, ik wed dat het er nu zoo van langs zal gaan. En dan zal ik het dien luiden nog eens betaald zetten, dat ze me vier maanden lang op water en brood gehouden hebben."
"Dus je bent in Makassar geweest?" vroeg Hoepel.
"Dat ben ik, maar niet voor mijn pleizier. Wij lagen daar met ons schip de "Oude Hondt" en zouden lading innemen, toen we heel onverwachts door eene bende roovers overvallen werden, die ons meesleepten naar een oud fort van de Portugeezen en ons daar gevangen hielden tot we tegen ettelijke Makassaren uitgewisseld werden."
"En de "Oude Hondt," waar was die?" vroeg Kreeft.
"Dat zoudt ge aan de Portugeezen kunnen vragen, en ik geloof zoo, dat we "De nieuwe Leerdam" nog duur hebben, als we meenen, dat er eenvoudig geruild is."
Op dat oogenblik passeerde de vloot het eiland Solor.
"Kijk eens," riep Garrit nu eensklaps uit. "Kijk die luî daar eens aan! Zouden ze aan het hengelen zijn?"
Hengelen was ook toen reeds zulk eene echt vaderlandsche bezigheid, dat het meerendeel van de manschappen over de verschansing ging liggen om te zien, wat men daar deed.
Niet ver van het land af zag men verscheidene kleine bootjes, die alle met één persoon bemand waren, en ieder dezer personen was een hengelaar. Maar men hengelde niet met haakjes, dat zag men wel, doch waarmede men het dan wèl deed, dat kon men niet nauwkeurig zien.
"Het is alsof er een bosje pluis aan het touwtje zit," zeide Dirk. "Kijk maar! Ik geloof dat ze peuren!"
"Dat behoef je niet te gelooven, dat is werkelijk zoo. Die luî zijn bezig met sakkoos vangen," sprak Oude Joost. "Een sakko is een visch, die zeer veel op onze geep gelijkt en al even onsmakelijk is. In den bek heeft hij eene menigte tanden, die in haakvormige puntjes eindigen. Nu maken de visschers van deze streken, in plaats van een haakje, een bosje uitgerafeld lijnwaad of werk aan het touwtje vast. De sakkoos zien dat voor aas aan, bijten even en blijven dan met de haakjes hunner tanden in dat pluis zitten. Zoodra er een visch gehapt heeft, voelt de visscher dat. Hij slaat op en het is maar hoogzelden, dat er onder dat opslaan een visch afvalt. Maar wat gebeurt nu? Kijk me die visschers eens ruim baan maken!"
Pas had Oude Joost dat geroepen of eene versierde prauw, door nog vele andere prauwen gevolgd, zette koers naar de vloot. Eene akelige, eentonige muziek, nu en dan afgewisseld met gezang, klonk over het water.
"Er zit eene vrouw in," riep Garrit. "Lieve deugd, wat een leelijk schepsel is dat! Hoe oud! Precies eene Juffrouw Kinderschrik, die het heele weeshuis naar bed jagen kan."
De prauwen kwamen zóó in de nabijheid van de "Koning van Polen", dat men al de lieden, die er in zaten, nauwkeurig onderscheiden kon.
"Begrijp je er wat van?" vroeg Dirk aan zijn' broeder.
"Geen steek!" luidde het antwoord.
Opeens schoot eene der prauwen wat vooruit, kwam de "Koning van Polen" terzijde, en een man, een blauwbruine kerel, hield de hand voor den mond en riep de onzen wat toe.
"Wat roept hij toch?" vroegen verscheidenen aan elkander.
"Ik heb er maar één woord van verstaan," sprak Kreeft, "en dat is "laksamana", dat zooveel als Admiraal beteekent."
"En ik heb het woord "Radja parampoewan" gehoord, dat wil zeggen: Koningin," zeide Hoepel.
Oude Joost, die bij het aanleggen der prauw wat naar de plaats geloopen was waar ze lag, kwam nu terug en zeide: "Voornaam bezoek, jongens! De Koningin van Solor wenscht den Admiraal te spreken."
Bijna op hetzelfde oogenblik kwam Henri Quatre, en op bevel van den Kapitein gelastte hij twaalf man uit den hoop, hem te volgen om naar het Admiraalsschip te varen en daar twee boodschappers van de Koningin aanboord te brengen.
De groote boot werd neergelaten. Henri Quatre zette zich aan het roer, twee bruine Edellieden namen ook achter plaats en de twaalf mannen zett'en zich aan de riemen. In den tijd, dat de boot naar het Admiraalsschip voer, bleven de prauwen wat heen en weer drijven.
VOETNOTEN.
[19] =Kadraaiers= zijn reê- of kustwinkeliers. Wanneer een schip, dat blijkbaar eene groote reis achter zich heeft, ter reede van de eene of andere zeehaven komt, begeven deze winkeliers zich met allerlei eet- en drinkwaren of ververschingen naar het schip om aan het volk hunne waren te verkoopen.
[20] Men zegt dat de Chineezen den oppersten van hunne booze geesten "Joosje" noemen. Onder dien naam noemen wij ook wel eens spottenderwijze den duivel.
[21] Een amok-maker is een inboorling onzer Koloniën, die door zware koorts in het hoofd, uit wraakzucht, die tot razernij overslaat, of door het misbruik maken van opium, nog veel afschuwelijker dan het gebruik van jenever, dol geworden en bijna even bloeddorstig als een tijger geworden is. Onder het geroep van "Amok! Amok!" dat de menschen, die hem nazetten, onophoudelijk roepen, loopt hij dan langs straat en veld en doodt wien hij dooden kan. Als men zulk een' amok-maker gevangen heeft, wordt hij meestal ook als een wild dier afgemaakt.
NEGENDE HOOFDSTUK.
Zeevolk, vreemd volk.
Spoedig was de boodschap door de twee bruine Afgezanten overgebracht, en terstond lieten de Admiraals al de vlaggen hijschen, die ze bij de hand hadden. De andere schepen volgden dit voorbeeld en toen de Edellieden aan de Koningin gezegd hadden, dat de Admiraal haar wachtte en de prauwen zich daarop in beweging zett'en naar het Admiraalsschip, werd vandaar het sein gegeven tot een eere-saluut uit het grof geschut.
"Is dat eiland Solor dan zoo groot, dat wij aan die Koningin, en dan nog wel aan zulk eene vogelverschrikster zooveel hulde moeten bewijzen?" vroeg Dirk aan Joost.
"Welneen, jongen! Solor met nog eenige eilandjes erbij vormt maar een heel klein Koninkrijkje, dat voor de Compagnie in het jaar '13 door den Zeekapitein Appollonius Schot op de Portugeezen veroverd werd. Als er in het geheel tienduizend menschen op wonen, zal het mooi zijn. Bovendien is de grond niet best bebouwd, en men heeft er veel last van vulkanische uitbarstingen, zoodat ze ons al heel weinig voordeel opleveren. Alleen bij het vervallen fort Frederik Hendrik komt zoo nu en dan een Compagnie-scheepje om er wat zwavel en salpeter te halen. Bamboe kan men er krijgen zooveel men hebben wil."[22]
"Maar wat hebben we er dan toch voor doel mede om aan de Koningin van zulk een nestig landje zooveel eer te bewijzen?" vroeg Garrit.
"Wie het kleintje niet eert, is het groote niet weerd," hernam Oude Joost. "En al is dat land nu niet zoo heel groot, alle beetjes helpen. Bovendien bestaat slechts het kleinste gedeelte der bewoners uit Maleiers, die Mohammedanen zijn en dus heulen kunnen met dien mooien Sultan van Makassar. Het andere deel bestaat uit Alfoeren."
"Wat zijn dat voor luî?" klonk hierop de vraag van een' der luisteraars. "Alfoeren, wat een naam!"
"Alfoeren zijn donkerbruine, groote en sterke menschen, die niemendal van de Mohammedanen willen weten en Heidenen zijn. Ze zijn in den oorlog verbazend vlug en weten met hunne groote zwaarden vreeselijk huis te houden. Lafhartig is er niet één; maar van koppensnellen bij den vijand zijn ze groote liefhebbers. Voor het overige leven ze vreedzaam en ze zijn minder valsch dan Maleiers, die niet altijd te vertrouwen zijn."
Nadat men op die wijze een tijdlang had staan praten, kwam Kapitein Londenaar, die inmiddels aanboord van het Admiraalsschip geseind was geworden en er natuurlijk heengebracht was, alweer terug en zeide tot het verzamelde volk: "Mannen, thans kan ik u mededeelen waarheen de tocht is."
"Dat weten we al, Kapitein," zeide Meester Troost der Armen. "Onze vriend Oude Joost kan nog beter ruiken dan een hond. Hij heeft ons al eenige dagen geleden verteld, dat de tocht naar Makassar ging om daar den Sultan eens even te leeren, wat meer achting en eerbied voor de Compagnie te hebben."
"Dan heeft Oude Joost goed geroken," hervatte Kapitein Londenaar. "Maar alles kan hij toch niet geroken hebben, daarom zal ik u een en ander mededeelen. De Koningin der Solor-eilanden kwam ons verzoeken weer eene nieuwe sterkte te bouwen of de oude te herstellen, teneinde haar tegen den overmoed ter Portugeezen te beschermen. Admiraal Truytman heeft haar beloofd hieraan te voldoen, zoodra we de Makassaren getuchtigd en onderworpen hebben."
"Nu, dat zullen we dezen keer toch wel klaar spelen, meen ik," dus liet Dolf zich hooren. "Onze vloot is sterk en er is volk genoeg aanboord ook!"
"Volk genoeg, Stuurman, daarin hebt gij gelijk! Maar niet ieder staat zijn' man, als het er op aankomt."
Een ontevreden gemompel liet zich hooren en Kreeft, vooruit tredend, zeide: "Kapitein, krom ben ik; maar sedert wanneer ben ik een lafaard?"
"Wij zijn ook geen lafaards," lieten zich nu een paar andere stemmen hooren.
"En wij ook niet! Neen, wij ook niet!" klonk het in koor.
Kapitein Londenaar lachte even en hernam: "Gijlieden roept haring vóór Sint-Jan[23]. Als ik zeg, dat niet iedereen zijn' man staat, dan bedoel ik er niet één van het Compagniesvolk. Maar wij hebben op de vloot verscheidene compagnies Amboineezen en het is de groote vraag maar, wat we daaraan hebben zullen, hulp of tegenstand."
"Hoor eens, Kapitein," waagde Oude Joost te zeggen, "die soldaatjes zullen de kaas niet van hunne boterham laten halen. Er leeft in heel den Archipel geen moediger en dapperder volkje."
"Oude Joost meent er niet één van," riep een uit het volk. "Aan heel zijn gezicht kan men zien, dat hij een loopje met ons neemt."
"Neen, Oude Joost spreekt waarheid," liet Meester Troost der Armen zich hooren, doch zijne bevestiging diende alleen maar om het volk er nog minder aan te laten gelooven.
"Het zijn zeker even groote helden als u, Meester," zeide een matroos.
"Of ik een held ben weet ik niet," zeide de Scheepsbarbier kalm, "ik ben nog nooit bij een zeegevecht tegenwoordig geweest. Maar die Amboineezen hebben onze Joost en ik bezig gezien en ik verzeker je, dat menig Europeaansch Compagnie-soldaat er een voorbeeld aan nemen kon. Ze zijn dapper in den aanval, bij tegenspoed standvastig en zoo trouw aan hun vaandel als een Christenmensch er maar trouw aan zijn kan."
"Wat onze barbier daar vertelt, Kapitein, is waar," sprak Oude Joost. "En als we aan den dans moeten gaan, dan zal u, ja, dan zullen allen zien, dat de barbier en ik u geene onwaarheden wijs maakten."
"Nu, Joost, ik hoop, dat je het bij het rechte einde zult hebben," zeide de Kapitein.
"Ja," vervolgde Oude Joost, "en het is beter ook dat u, Kapitein en al de anderen dat nu al weten ook."
"Waarom?" vroeg de Kapitein.
"Omdat ze uiterst gevoelig zijn voor beleedigingen, Kapitein! Worden ze vriendelijk en voorkomend behandeld, dan vinden ze dat blijkbaar aangenaam, maar bemerken ze, dat ze door de Europeanen met minachting aangezien en behandeld worden, dan hebben ze de bokkenpruik op en, we hebben het op zee gezien, een mensch hoe goed anders ook, wordt een onding, als hij die op heeft. En om u nu nog allen te overtuigen, dat ik waarheid spreek, ben ik bereid een' eed te doen op hetgeen ik gezegd heb."[24]
"En ik ook," sprak de barbier.
"Nu, dan trek ik mijne beschuldigingen in," zeide de Kapitein, "en ik beloof je dat ik het volk zal voorgaan in het bewijzen van achting aan mannen, die achting verdienen. En waar ik voorga, dat weet je, daar volgen al de anderen."
Nog maar even had Kapitein Londenaar dit gezegd toen de Amboineezen aanboord gebracht werden. De aanvoerder van die afdeeling trad op Kapitein Londenaar en vroeg hem:
"Jy Kapitan?"
Kapitein Londenaar knikte bevestigend.
"Ik ook Kapitan," vervolgde de Officier, "en helpen maak kopje kleiner dat vijand."
"Dat is uitnemend, Kapitein!" zeide Kapitein Londenaar, die werkelijk met welgevallen de flinke houding van de uitnemend gewapende Amboineezen opnam.
Nu wilde onze Amboinees zeggen, dat hij zelfs een' eed gezworen had de Compagnie trouw te dienen, en hij drukte dat uit door te zeggen: "En ik gedaan opsteken twee vingers."
De koddige manier van spreken was oorzaak, dat bijna al het scheepsvolk in een luid gelach uitbarstte, doch Kapitein Londenaar keek allen zóó ernstig aan, dat ze het niet waagden te doen.
"Ik wil hopen," zeide IJzeren Neptunus nu, "dat we elkander niet tegenvallen. Ik zal u nu de plaats voor uwe manschappen laten aanwijzen en u, Meneer de Kapitein, zal, zoo lang u hier aanboord is, tot de Officieren gerekend worden! Joost, jij kunt nog wat van die menschen verstaan, wijs hun logies!"
Ondertusschen kwamen de bewoners van Solor van alle kanten in hunne prauwen opdagen om allerlei eetwaren aan de schepelingen te verkoopen; doch daar de vloot meer in de nabijheid van het kleine eiland Serbiette het anker had laten vallen, zoo werd er besloten de schepen op dit eiland van water te voorzien.
Niet ver van het vlek Lamahal was eene kleine rivier met heerlijk drinkwater, en daar werden de booten heengezonden. De manschappen namen ook allerlei snuisterijen mede om deze te verruilen voor dingen van waarde, doch de bewoners van dit eilandje waren niet rijk en bezaten zeer weinig kostbaarheden, zoodat er bitter weinig te ruilen viel.
Een der eilanders vertelde evenwel, dat niet verre van Lamahal een put was met kokendheet water, dat afgekoeld, bijzonder heilzaam was voor allerlei wonden. Zoodra Meester Pruymius dit vernam, besloot hij van dat heilzame water zooveel mede te nemen, als hij maar bergen kon. Wat zou hij er eene eer in stellen om na het gevecht, dat denkelijk wel bloedig zijn zou, de gekwetsten met zijn wonderwater te genezen! Wie weet of hij daardoor geen kans liep lijfarts van den Gouverneur-Generaal te worden. Hij ging daarop naar Kapitein Londenaar en vroeg hem eene boot met eenige mannen om van dat wonderwater te gaan halen, en hoewel de Kapitein er niet veel van geloofde, zoo gaf hij hem er toch vergunning toe.
Ik schreef daar met opzet dat de Kapitein er niet veel van geloofde, en dat bewijst juist, dat hij het niet tegenspreken durfde ook. De leer der geneesmiddelen was toen en nog zeer vele jaren daarna, al eene heel vreemde leer. Ze is het voor een deel nog, want hoevele onnoozele menschen leggen bij eene wonde er papier van een tabakszakje of spinrag op. Het eerste dient om de wond af te sluiten en het tweede om het bloeden tegen te gaan. Beide middelen zijn intusschen zeer gevaarlijk en veroorzaken niet zelden bloedvergiftiging. Op het platteland van Walcheren gebruikte men bij eene verwonding een linnen doekje, doortrokken met sla-olie, waarin men een paar maanden vroeger veenmollen geworpen had om die er in te laten aftrekken. En als men zoo iets nu nog in onze eeuw ziet doen, dan is het immers niet te verwonderen, dat in het midden der zeventiende eeuw, zelfs Scheepskapiteins geheime geneeskundige krachten aan sommige dingen toeschreven?
Tot de matrozen, die Meester Pruymius vergezelden, behoorden ook Garrit, Dirk, Hoepel en Kreeft. Dolf zat aan het roer en onze goede scheepsbarbier zat voor in de boot tusschen een twintig groote stoopskruiken[25].
"Wel, Meester," dus begon Dolf lachend, "als ge al die kruiken vol hebt, dan kunt ge wel twintig vloten bedienen."
"Beter te veel dan te weinig, Stuurman," gaf Meester Troost ten antwoord. "Ik weet ook niet hoeveel ik moet gebruiken. Dat zal de ondervinding mij nog moeten leeren."
"In alle gevallen, Meester, ik hoop dat ge met uw wonderwater van mijn lijf zult blijven, hoewel ik er geen oogenblik aan twijfel of we zullen eene harde noot te kraken hebben. Ik denk zoo, dat er bloed genoeg vloeien zal."
"Meer dan roode wijn, Stuurman," zeide Meester Troost der Armen met een' diepen zucht; want hoewel op zee voor geen klein geruchtje vervaard, had hij, zooals men dat noemt, aan vechten toch een broertje dood.
"Je zucht alsof de Makassaren allen amok-makers waren," zeide Garrit, en onwillekeurig dacht hij aan die geschiedenis te Batavia, waar hij met Meester Pruymius hard aan den haal gegaan was en waarbij Dirk, zonder den Keulschen pot, zeker het mannetje van de rekening zou geworden zijn.
"Als we geene Keulsche potten genoeg hebben, dan kunnen we het met stoopskruiken probeeren," zeide Dirk, en op dat oogenblik werden de riemen ingehaald en stapte men aan wal, waar de kruiken voorzichtig neergezet werden.
Dolf, Kreeft en Garrit bleven gewapend bij de boot; want hoewel de arme inwoners nog geen enkel teeken van vijandigheid gegeven hadden, deed men toch goed dien lieden niet al te veel vertrouwen te schenken. Dirk en Hoepel, óók gewapend, zouden den barbier vergezellen. Maar hoe twintig volle stoopskruiken van de bron bij de boot te krijgen, waar men met de twintig ledige al geen' weg wist?
"Misschien dat de mannen van het eiland je wel helpen willen," zeide Dolf. "In alle gevallen hebt ge toch iemand noodig, die u den weg wijst!"
"Dat is waar ook," zei Meester Pruymius en een' half naakten eilander terzijde tredend, zei hij tot dezen: "Bawa gindi-gindi soemoer panas ajer!"
"Wat zeg je toch?" vroeg Dolf, toen hij zag dat de Serbietter hem niet verstond.
"Wel, ik zeide in goed Maleisch: Draag de kruiken naar den put met warm water!"
"Ik geloof dat je al even goed Maleisch spreekt, als ik, maat, en ik spreek het als een Zeeuwsche boer. Wacht maar, ik zal wel zeggen, wat we willen."
Dolf ging hierop naar den Serbietter en klopte hem op den schouder. De man zag om en Dolf wenkte hem naar den waterkant te volgen. Hierop stak hij de handen in het water en schudde van neen. Daarop stak hij andermaal de handen in het water, doch trok ze er schielijk uit en deed, alsof hij zich gebrand had. Toen knikte hij van ja en wees op de kruiken en in de richting waarin die bron moest liggen.
De Serbietter scheen hem te begrijpen, doch op de kruiken, wijzend en deze tellend, stak hij tweemaal beide handen op en schudde het hoofd.
Dolf wees toen op hem en stak vijf vingers op.
De Serbietter scheen zoo dom niet te zijn, als hij er uit zag, want hij liep naar de naaste huizen en kwam weldra met nog drie man terug. De man stak, ten bewijze dat hij Dolf goed begrepen had, ook de handen in het water, trok een afschuwelijk leelijk gezicht en schreeuwde allerakeligst: "Au! Au!" Daarop wees hij naar de kruiken en vervolgens naar het bosch, dat achter Lamahal lag.
Dolf knikte hem toe en toen staken de vier mannen een' langen stok door de ooren van de tien kruiken en daarna een' anderen stok door de ooren der overige tien. De uiteinden der stokken werden op de schouders gelegd en daarop zett'en ze het op zoo'n aardig sukkeldrafje, dat Meester Pruymius, Dirk en Hoepel genoodzaakt waren mede te draven.
Schuddend van het lachen zagen de achterblijvers de dravende zeven mannen na.
In het begin ging de tocht vrij voorspoedig, doch het duurde niet lang of ze kwamen op een' steenachtigen bodem waar het loopen minder goed ging voor onze drie Hollanders, die lage zeemansschoenen aan hadden. Op het schip zijn die voor alle bewegingen zeer gemakkelijk, doch om er mede langs scherp gepunte steenen te loopen, zijn de zolen wel wat dun. De Serbietters liepen blootsvoets en stonden daardoor veel vaster. Nog nimmer hadden ze kousen of schoenen aan de voeten gehad en daardoor was de huid onder de voeten harder geworden dan het beste gelooide leder van paarden en ossen. De voeten zelve waren ook veel beter gevormd dan die der Europeanen, die al te dikwijls misvormd waren door het dragen van schoeisel, dat veel te nauw was, omdat breede voeten zoo leelijk stonden. Men gelooft dat, jammer genoeg, nog al te veel, en duizenden beschaafde Europeanen loopen met misvormde voeten. Ten laatste werd Meester Pruymius zóó moede, dat hij bijna niet meer voort kon. Maar hoe het dien wilden aan het verstand te brengen, dat ze zoo hard niet loopen moesten? Hij zag daartoe geen' kans, en nadat hij te vergeefs alle pogingen aangewend had om hen langzamer te laten loopen, dacht hij ten laatste: "Die luî verstaan me toch niet; ik zal hen maar laten begaan."
Ongemerkt kwamen de vier Serbietters daardoor een heel eind vooruit en het duurde niet lang of, bij eene kromming van het ruwe pad, waren ze uit het gezicht verdwenen en toen de drie Hollanders bij dezelfde kromming aangekomen waren, zagen ze, dat het pad zich in drieën splitste.
"Welk pad, Meester?" vroeg Dirk.
"Links, rechts of rechtuit?" vroeg Hoepel.
Meester Pruymius stampvoette van kwaadheid en zeide: "Die vier schelmen zijn met onze kruiken op den loop. Er zit niets anders op dan terug te keeren."
"Maar eer we dat heele eind nu alweer terugloopen, wil ik eerst toch wel eens even uitblazen," zeide Hoepel en zette zich op een' omgevallen, hollen boom neder.
De andere twee meenden juist dat voorbeeld te volgen toen Hoepel opeens van den boom sprong en op de vlucht ging, achtervolgd door een' zwerm bijen op wier nest hij was gaan zitten. Ook Dirk en Meester Pruymius gingen aan den haal en alle drie kwamen ze, met wonden overdekt en zonder kruiken, bij de boot aan.
De bijen achtervolgden hare zoogenaamde vijanden niet verder; want zoodra men in de boot gesprongen en van wal gestoken was, keerden de diertjes terug. Haar instinct waarschuwde genoeg voor de gevaren, die haar boven het water dreigden.
Zoodra ze zagen dat de bijen aftrokken, was Dolfs eerste vraag: "En de kruiken?"
"Breng me naar de Admiraals dan vraag ik hun of ze dit eiland willen platschieten!" schreeuwde de barbier.
Dolf en de anderen lachten.
"Lacht niet, kerels! Lacht niet! Die lummels, die dieven en afzetters, die zakkenrollers en straatroovers, ze hebben mij bestolen, mij, Meester Pruymius, scheepsbarbier bij de Oost-Indische Compagnie! Bestolen voor twintig spik-splinternieuwe stoopskruiken. Naar het Admiraalsschip, Stuurman! Naar het Admiraalsschip!"
"Ge begrijpt toch, Meester, dat ik zóó dwaas niet zijn zal," antwoordde Dolf. "Als gij u te beklagen hebt over de behandeling der Serbietters, dan dient ge zulks bij onzen Kapitein te doen, en deze zal dan wel weten of het noodig is, dat voor twintig voddige kruiken een heel eiland verwoest moet worden. Komtaan, jongens, rechtuit naar de "Koning van Polen", en flink voortgeroerd ook; want de zon gaat onder!"
De vier mannen sloegen de riemen in het water en bekommerden zich weinig om het geraas en getier van Meester Pruymius, die als een dolle tekeer ging.
Men was evenwel nog heel dicht onder den wal toen men van den kant van het bosch geschreeuw vernam. Dolf keek om en zeide: "Ik geloof zoo waar, dat ge u zonder redenen boos gemaakt hebt en dat de vier zoogenaamde dieven ginder met hunne vracht komen aanloopen."
"Ja, ja, dat zijn ze! Dat zijn ze!" riep de barbier, die nu weer uitgelaten van blijdschap was, dat hij zijne kruiken terug zou hebben en misschien wel gevuld bovendien. Men roeide naar den wal terug en spoedig kwamen de vier dragers, uitgeput van vermoeidheid, bij de boot en gaven de volle kruiken over. Ze waren nog zóó warm, dat men ze zonder doeken niet kon aanpakken. Uit dankbaarheid gaf de barbier ieder hunner een' tinnen lepel en hiermede waren de mannen zóó tevreden, dat ze van pure pret begonnen te dansen, welk voorbeeld Meester Pruymius heel graag had willen volgen, nu hij op zulk eene goedkoope en gemakkelijke manier aan die groote hoeveelheid wonderwater gekomen was.
"Zoudt ge," dus begon Dolf toen ze allen met de kruiken in de boot waren, "nu eerst dat wonderwater maar niet op jezelven toepassen, Meester? Helpt dat middel tegen wonden, dan helpt het ook wel tegen de bulten, die de angels der bijen u bezorgden."