Part 9
Een leerdicht ter zijde te leggen, om over een liedje te spreken, gaat nog aan; maar u uit een klaaghuis te willen overbrengen in eene kroeg, schijnt gewaagder, en echter verzeker ik u, dat gij het u niet beklagen zult, zoo ge u uit de binnenkameren van de eerzame burgerij der steden van Holland laat medetronen, tot waar de frissche krans in het leger der Staten op de grenzen buiten hangt. Zie, daar wuiven de wingerdranken, door de vingers der knappe herbergsdeerne zaâmgestrengeld; daar wuiven zij van verre den krijgslieden te gemoet. Een likkebroêr, dien zij den beker vult, beweert, dat hij hare blanke beentjes heeft bespied, toen zij op de bank wipte, om tot den stang op den hoek des huizes te kunnen reiken. Maar wat schort er aan, dat zijne scherts geen' bijval vindt, dat het kwinkslaan geen kaartspel wordt, al drentelen er Friezen om hem henen, die Starter's liedeboek van buiten kennen; al brengt hij het een' Hollander toe, die Breêro op zijn duimpje heeft?[R44] Jong, jolig als deze is, stoot hij stil aan, ziet hij vóor zich als de overigen. Eer iemand het er voor houde, dat het aan de dubbelzinnige aardigheid zelve haperde, zegge ik hem, hoe darteler jokkernij, hoe daverender juichen haar pleegt te volgen:—wie heeft ooit van kieskeurige krijgsliên gehoord? Zelve onze nuttigheidseeuw levert ze niet. Maar terwijl ik de overbodige opmerking maakte, viel het u in het oog, dat er verslagenheid heerscht in het gansche heir; dat de grombaarden grimmiger zien dan gewoonlijk. Een hunner, mede voor de huismanswoning gezeten, die in herberg is verkeerd, een hunner heeft van Nieuwpoort opgehaald. „Stil, Floor! stil!” voegde hem een spitsbroeder toe; „Prince Mouringh is dood!”—„En Breda over,” zuchtte Floor, dien de jongelingsjaren des veldheers heugen, toen het vrije, vrolijke leven der lansken hem aanlachte, toen hij niet voorzag, dat er een tijd komen kon, waarin hij arm, en oud, misschien zou moeten bedelen om zijn brood. Er ging sprake van afdanken;—de wapenen der Staten waren in den laatsten tijd niet gelukkig geweest; de fortuin had den vorst, die in zijne jeugd haar gunsteling scheen, bij het graauwen zijner haren den rug gekeerd;—er ging sprake van afdanken, de gezeerden het eerst, dacht onze grombaard. En wonden had Floor, wonden in menigte, maar geene enkele in den rug. De oude landsknecht hief den grijzen kop onwillekeurig op, toen zijn hart bij die gedachte joeg, als het plagt te jagen vóór vijf en twintig jaar. O, als de wereld een' anderen Mouringh opleverde;—als zijns gelijke hem aanvoeren mogt, wat maakten dan jaren, wat wonden uit? Trots beide, zou hij met zulk eenen veldheer slechts te moediger weêr in het vuur gaan; de dood en hij hadden elkaêr zoo dikwijls in de oogen gezien, dat Floor van geen vreezen meer wist. Hola! wat was daar te doen? Een liedjeszanger, om wien men kanne en kroes in den loop liet, om wien men zamendrong, tot hij van zijne ton, over helmen, hoeden en hoofden loopen kon, als het hem lustte; Floor lachte de dwazen uit, Floor leêgde zijnen beker. Maar, „hoezee! hoezee!” klonk het; „hoezee!” en onze oude rees op, als zij, die rondom hem hadden gezeten;—die deun moest iets aêrs gelden dan mooije meisjes, zoo als hij er had gekend en gekust, niet bij het dozijn maar bij duizenden ... in Vlaanderen;—die deun moest iets aêrs gelden dan wijn, zoo als hij had gedronken, niet bij den kroes, maar bij de kruik uit de kelders der aartshertogen en abten... in Braband. „Hoezee! hoezee!” wat mare bragt die borst toch? Floor trad digter op den zanger toe, en menig vlasbaard week ter zijde; Floor stond midden in den kring, eer hij het wilde of wist; Floor zag opgeruimde gezigten om hem henen.—„Eens nog, eêle baas!” riep een der ruiterhoplieden. En andermaal galmden de forsche klanken uit de forsche keel. Mijn grombaard luisterde. Hoe hij de ooren opstak,—acht mijne vergelijking niet smadelijk,—hoe hij die opstak, als een dogge het doet bij het noemen van den naam zijns meesters. „Mouringh,” begon het liedje. Floor knikte den borst op de ton toe; Floor riep hoezee als de overigen, zoodra het dezen als den onoverwinnelijke prees. Het was het minst aandoenlijke van de zege, die de zang behalen zou: Floor's hoofd zinkt op zijne borst; Floor's ruwe hand strijkt schichtig langs zijn ruig gezigt, daar het liedje den dood van Mouringh meldt, onder het beeld van den leeuw, die ingesluimerd is in den eindeloozen slaap. „Hadde ik voor hem mogen sterven!” mompelt Floor, en mijmert, terwijl de zanger den rouwe des volks zingt; den rouw te land en ter zee; Floor mijmert, tot de borst op de ton hem ontwaken doet door de vraag van mooi Heintge: „Of men daarom dutten zal?” Floor ontwaakt, zeg ik, en tot geestdrift ontvlamt zijn gevoel, eer hij het liedje heeft uitgehoord. „Vivat prince Henrik!” klinkt het uit zijn hart, „al moesten we morgen weer in 't vuur!”—„Vivat prince Henrik!” roept het heir als hij, en de liedjeszanger leêgt de hem toegereikte fluit,[R45] en tot kroezen en kannen teruggekeerd, vertelt Floor, hoe Frederik Hendrik zich gekweten heeft van den slag bij Nieuwpoort af;—het was in den zang teregt gezegd, „dat hy allerlei gesnor van buijen over sijne muts had sien gaen.”—„Vivat prince Henrik!”—Ik heb maar eenen indruk van het bekende stukje „Scheepspraet” geschetst[R46]; ik zoude den invloed, dien het uitoefende, in tal van andere toestanden kunnen veraanschouwelijken; doch die enkele volstaat, om u een begrip te geven, hoe het hoofd en het harte van Huygens zijn volk en zijnen vorst liefhadden in den bloei der jeugd; hoe hij beider betrekking begreep, menschenkenner als hij toen reeds heeten mogt. „Een liedje,” zegt men misschien, smadelijk de schouders ophalende; „een liedje, 't is ook wat!” Zegt het, al schreven Burns en Béranger ook maar liedjes[R47]; zegt het, en ziet voorbij, dat wij geene eigenaardiger hollandsche voorstelling der staatshuishouding van ons gemeenebest hebben, dan dit stukje aanbiedt; dat zestig regels zulk eenen zanger voldoende zijn, ter bezieling van zijn volk, door een voorstelling, uit zijn leven gegrepen; door de belofte eener toekomst, het verleden, waaraan hij regt doet, waardig. Helaas, waarom ontbreekt ons, gekweld als wij worden met onbeduidende genrestukjes, waarom ontbreekt ons een Constantijn Huygens in het kabinet van Frederik Hendrik, die zijn pendant vinden mogt in Aldegonde bij Willem I? Er zou meer analogie zijn tusschen beide toestanden, dan gewoonlijk bij tegenhangers het geval is. Ik weet niet, aan wie der twee vorsten de vriendschap van zulk een vernuft meer eere deed; ik weet niet, wie der beide vernuften het meest regt had trotsch te zijn op de vriendschap van zulk eenen vorst. En toch zouden die stukken, om geslaagd te mogen heeten, eenen geheel verschillenden indruk te weeg moeten brengen; er was tusschen de elkander opvolgende tijdvakken het onderscheid van uitzaaijen en inoogsten; dat van het worstelende Holland met het Holland dat overwon! Vergenoegen wij ons, bij gebreke van deze, met het meesterstukje, dat het museum ons in Huygens' beeldtenis minder aanbiedt dan vermoeden doet. Al klaagden wij vóór twee jaren over de plaatsing—misplaatsing zou Constanter hebben gezegd[R48]—al weêrsprak geen der lofredenaars van 't bestaande onze klagt: wat baatte het ons? Het schilderijtje hangt nog tegen den dag! Doch, dank zij het talent van Netscher; dank zij den kijker, dien ge te onzent moogt meêbrengen, dien men u elders aanbiedt, er valt genoeg van te zien, om hem eene gelukkige grijsheid toe te kennen, zoo als zijne werken beloofden. Hoe opgeruimd, hoe innemend, hoe schoon zelfs! Werken, zeiden wij, en bedoelden daarmede niet enkel zijne schriften, maar verstaan daaronder langer dan eene halve eeuw vroed en vroom levens, dat der „deege degelijkheid.” Beklaag er u niet over, dat gij hem, dien ik u straks als den dichter der scheepspraat voorstelde, eerst vijftig jaren later wederziet; in die alle heeft hij door handel noch wandel de beginsels verloochend, hem door eenen voortreffelijken vader, door eene gemoedelijke moeder ingescherpt; vijftig jaren hollandsch, hervormd, verstandelijk, vrolijk, vrij leven! Er is schier geene ure te loor gegaan; hij is in schier geene zijner betrekkingen, talrijk als die waren, te kort geschoten; vraagt ge mij, door welk geheim?—door alles wat hij deed, te doen met al zijne magt; door indachtig te wezen aan des levens doel. Hij zelf zoude de eerste zijn, om zich te beschuldigen, als had hij het nog beter kunnen besteden; maar de vorsten, die hij diende; maar de vrouwe, die hij betreurt; maar de vrienden, die hem resten; maar de kinderen, die de kroone zijner grijsheid zijn[R49]; maar de kunst, die hij blijft liefhebben, lief tot aan het graf, allen beminden en bewonderden hem, bewonderen en beminnen hem nog. Hoe benijdenswaardig is zulk eene grijsheid! Wie onzer schaamt zich niet, zijn leven vergelijkende met eene jeugd, eenen mannelijken leeftijd, eenen ouderdom, besteed als die van Huygens werden; wie onzer schaamt zich niet, denkende aan de vele drukten, die wij voorgeven, aan het weinige werk, dat wij verrigten! Of zoudt gij den trouwhartige geloof weigeren, als hij betuigt, dat hij vele zijner verzen geschreven heeft, gemaakt heeft voor 't minst, in oogenblikken, die anderen onder hunne verlorene hadden geteld? Wandelende in zijne geliefde woonplaats of spelevarende in hare omstreken, was hij oog en oor voor de wereld om hem henen; slapeloos te bed liggende, of verbeidende ten hove, dacht hij na, dichtte hij; en de maatschappij zijns tijds spiegelt zich af in de honderde van opmerkingen, in die sneldichten, welker wedergade in veelzijdigheid onze letterkunde niet heeft. Het zijn geestige studiën des volkslevens; het zijn epigrammen op de gebreken van den dag; maar de wijze, waarop hij die verzamelde, maar hij zelf, wint het bij ons van deze in belang. Indien Cats aarde en hemel opmerkzaam gade sloeg, om stoffe te hebben voor bespiegeling, wij verbeelden ons dat hij het wigtig deed; immers, wij zien zijn werk de wijsheid, waarnaar hij streefde, aan. Huygens daarentegen, Huygens schudde in het dagelijksche leven niet enkel den hoveling, den geheimschrijver, den man van staat uit; aan Huygens merkte men zelfs den dichter niet. Hij koutte met daglooner, met handwerksman, met winkelier, met handelaar, met kunstenaar, met geleerde, als ware hij een hunner geweest; hij leerde van ieder van deze, wat zijne menschen-, levens-, wereldbeschouwing eigenaardigs had. Iets slechts bragt hij bij allen mede, dat niet aan hem stond te huis te laten, de geestigheid, die zijn gesprek kruidde, maar van gezochtheid niet vrij te spreken was; die hem geen hoofdbrekens kostte, maar het zijnen hoorders bijwijlen, maar het zijnen lezers bij menigte deed. Praktisch, als hij gevormd bleek, in de school van zijnen praktischen vader, smolten stadsbeschrijving en zedegisping in het „Voorhout” onwillekeurig zamen;[R50] zong hij, gelukkig gehuwd, niet allen echtelingen de les, maar schonk in het „Daghwerck” een tafereel van zijn leven aan het hof, van zijn leven te huis, dat van innige harmonie tusschen beide tuigt. Wie verbaast er zich over, dat Huygens in zijne zendingen voor zijne vorsten slagen mogt, die de menschenkennis, welke hij zich verwierf, die de genegenheid welke hij den eersten toedroeg, uit zijne schriften leerde schatten? Hoe anders was de heer van Zuylichem toegerust, om in den vreemde den prince van Oranje te vertegenwoordigen, dan de heer van Zorgvliet, om in Groot-Brittanje de belangen van 's lands Staten voor te staan. In braafheid welligt elkaar opwegende, had de eerste boven den laatsten het onmetelijk overwigt, dat bruikbare bekwaamheid geeft. Vraagt gij ons misschien, waarom wij andermaal vergelijken; vraagt gij ons, waarom wij Huygens tegelijk zoo hoog vereeren en zoo hartelijk liefhebben; wij antwoorden u, dewijl zijn tijd geen volkomener voorbeeld aanbiedt, dat gemoedelijke godsvrucht gepaard kan gaan met talent van allerlei aard. Wij noemden hem praktisch, in tegenoverstelling van Cats; wij zouden het willen aanwijzen in het onderscheid tusschen dichtstukken, welke wij beider buitenleven, beider verblijf op het land in de omstreken van 's Hage verpligt zijn. Hofwyck[R51] legt gij mede aan; Hofwyck geniet ge, als waart gij de gast van zijnen heuschen stichter geweest; op Sorghvliet gaat gij gebukt onder bespiegelingen, die geen einde nemen, die hangen blijven als eene wolk tusschen u en de plaats. Heer van Hofwyck, leest Huygens zich zelven de les, in de aanmerkingen der voorbijvarenden in trekschuit bij trekschuit; op Sorghvliet leert Cats u niet slechts luisteren, op Sorghvliet verschijnt ook Prins Frederik Hendrik niet dan om er onderrigt te ontvangen. Wij zouden er stelliger bewijzen van kunnen bijbrengen, door eene vergelijking van het „Cluyswerck” met het „Twee en tachtigjaerig Leven”[R52]—woorden der wijsheid tegenover kouten en keuvelen—doch van het eerste gaven wij elders verslag; doch liever scheiden wij ditmaal van Huygens met eene verklaring van hetgeen we onder het woord praktisch verstaan, als wij het op hem toepassen, hemelsbreed als het verschilt van hetgeen onze tijdgeest praktikaal pleegt te heeten. Voorwaar, Huygens was er de man niet naar, om meê te slenteren, meê te sloffen, hoe treuzelig, hoe traag het gaan mogt: herinner u de „Zeestraet,”[R53] door hem gedacht, ontworpen, aanbevolen, tien, twaalf jaren, eer men er ooren voor had; „onmogelijk geheeten,” zegt hij, „als alles dat onbeproefd is!”—en stel zulk een' aard nu eens tegenover die der lieden, welke wij bij voorkeur in allerlei besturen zien plaatsen, lieden, met wie het bewindvoeren zoo gemakkelijk zijn gangetje gaat. Voorwaar, Huygens was er verre van, zijnen gezigteinder in kunsten en wetenschappen te beperken tot de enge grenzen van ons vaderland; iedere zijner reizen vermeerderde den schat zijner kennis, die verspreid werd, die vruchten droeg, ook in vakken, waaraan gij hem vreemdeling wanen zoudt,—en zeg mij dan of wij vele secretarissen hebben, die zouden voorslaan, eenen anderen Galilei eene gouden keten te schenken,[R54] ten einde hij ons het geheim, de lengte op zee te vinden, mogt mededeelen? Voorwaar, Huygens begreep onder mensch-zijn een ideaal van ontwikkeling aller krachten en gaven, dat slechts hem duidelijk wordt, hem naar de verwezenlijking haken doet, wiens gemoed het volgend leven eene voortzetting van dit gelooft te zijn, genadig als God zich aan zondaren in Christus heeft geopenbaard. Och, dat de beeldtenis van den goeden en grooten grijsaard er u en mij bij ieder bezoek meer in bevestigen mogt! We zouden dan niet vergeefs zoo lang voor haar hebben verwijld.
„Een musiceerend gezelschap uit het begin der zestiende eeuw” hebt ge tot vervelens toe in schier iederen catalogus onzer tentoonstellingen aangetroffen; ik huiver bij de gedachte, dat het der pen misschien evenmin meer een dankbaar onderwerp oplevert als het penseel. Eene ergernis echter, aan die stukjes verknocht, het onbeduidende der toeluisteraars, dat de ouden van dagen, dat vader en moeder plegen te zijn, eene ergernis zal u op het mijne niet ergeren, daar ik u vertellen mag, wat er in beider gemoed omgaat. Heen en weêr dribbelende, als de vrouw des huizes doet, de kamer uit, de kamer in, bepalen zich hare gedachten niet tot het lied, naar hetwelk zij naauwlijks luistert; bepalen zich deze bij de kapoenen, die te vuur staan, gesmoord naar het recipe van Jenny de Wael, met schijfjes van oranjes, en eene pint wijns;—als wij meê mogten aanzitten, zouden wij moeder harer zorg dankbaar zijn. Toeziende uit het hoekje van den haard, verblijdt de opgeruimde oude heer zich in den voorspoed van zijn huis, in de vreugde der jonkheid, tot hem een versje van Roemer Visscher invalt, het draaijen van het wiel der fortuin: „Vrede, door voorspoed opgevolgd; rijkdom, van weelde vergezeld; hoogvaardij, die twist en haat loslaat; oorlog, die armoê brengt; ootmoed, die wat spa' komt; vreê, die alles weêr goed maakt!” En nu ik dus mijnen beiden oudjes iets anders te doen heb gegeven, dan louter oor leenen, merk ik nog een voordeel op, dat de schrijver boven den schilder vooruit heeft; het is mij vergund u te zeggen, wat de jonge lui zingen, iets dat Van Mieris noch Ter Burg goedvinden te doen. Een nieuw liedeboek werd medegebragt door den schalk, die bij het binnentreden de dochter des huizes in de plooijen van zijnen mantel vangen wou, om haar eenen kus te ontstelen; mooi Machteld was hem te gaauw af; een rukje der hand, die hij losliet om hare dunne middel te kunnen omvaêmen, en de kraag ontgleed zijnen breeden schouders, terwijl hij achter zich een gesmoord lagchen hoorde, waarvan hij maar al te goed de oorzaak begreep. Een nieuw liedeboek, zeg ik, waaruit de schalk aanhoudt, dat zij een' beurtzang met hem zingen zal; „de wijze kent ge,” beweert hij, „de woorden zijn...” „Laat zien,” valt mooi Machteld in, en terwijl ze die doorloopt, dwalen de oogen van den kroeskop, van de knoopjes op hare mouw, van haren ronden arm meen ik, naar de kap op zijn amsterdamsch gezet, naar de pracht der blonde haren bedoelde ik, die deze milder prijs geeft, dan iedere andere nijdige muts. Hoe mooi Machteld dubbel schoon wordt, door het blosje, waarmeê zij het liedeboek weêromgeeft! „Aelbrecht,” zegt zij, „het ging aan dat te zingen als ik Galathé heette,”[R55] en de schalk mag haar te liever om den schroom voor dien dartelen deun, al stemt hij voor alle wederwoord zelf de luit; al zingt hij het eerste lied uit den bundel,[R56] dat zeker ook niet zedig is; dat des ondanks in ademlooze aandacht wordt aangehoord, door de vier of vijf overige jonge lui, die ik u een andermaal teekene; thans schiet mijne pen in vaart te kort, om de bewegingen der groep bij te houden. „Scheî uit!” smeeken de meisjes; „vaar voort!” roepen Aelbrechts vrienden; „een leelijk liedje,” zeggen de schoonen; „honderd rozenobels[R57] waardig!” juichen de knapen; maar mooi Machteld springt van haren stoel, en legt met haar blank handje Aelbrecht het zwijgen op;—om het voorregt dat te kussen, had Pieter Corneliszoon Hooft zelf den zang aan de heilige Venus gestaakt. Immers, het was geen ander liedeboek dan het zijne, dat nieuwe, waarover het oordeel der geslachten, onder die jeugd, zoo karakteristiek uiteenliep; waartoe moeder glimlagchende het zwijgen deed, toen mooi Machteld hare meening vroeg, dewijl vader Aelbrecht gelijk gaf: wijs bij de luî, mal om een hoekje. Het was het liedeboek, dat der hollandsche zangster eene plaats verzekerde aan de voeten, neen, ter zijde van de muze van Ausonië.[R58] Hooft had Petrarcha en Guarini[R59] beurtelings het oor geleend, meesters, als hij die achten mogt; maar Hooft begreep tevens, dat hij hollandsche toestanden schetsen moest, als hij de minnedichter onzes volks worden wilde. Het stukje, dat mij ten overgang strekte, is een lofzang op het alvermogen der minne; het speelt in stad, het speelt in de schemering, en schildert ons een bezoek bij avond, bij nacht misschien, der liefste ter sluik gebracht,—het verdient aan het hoofd des bundels te staan, als een triomf van zijn talent. Gelogenstraft wordt daardoor het vermoeden, als hing de noordsche nacht zoo zwaar over ons vaderland, dat de minne in dezen haren weg niet te vinden wist; beschaamd de vreeze, dat onze harde taal geene heerschappij dulden zou van het weelderig wicht. Verwijt hem voortaan gebrek aan gevoel, die onze natuur ondichterlijk scheldt, die altijd om Arcadië zucht.[R60] Of levert het boeksken niet bewijzen in menigte, dat liefde over ons landschap een licht doet opgaan, waardoor zelfs het heirijke Gooi verkeert in eenen hemel van genot? Zoo iemand, onze begaafde, bevallige, twintigjarige dichter, had al den wellust gesmaakt, aan de boorden van de Arno[R61] in het doorzigtig duister van eenen zuidelijken nacht, half te denken, half te droomen; zoo iemand, hij had den gouden glans gewaardeerd, die de vorstinne des daags in haren vuurgloed van stralen over het dubbel azuur van de golf van Napels uitgiet. En echter ontsnapt hem geen zucht over het gemis van beide, als hij Roozemondt wekt, als hij Klaare beschaamt, door eenen blik op de openhartige bloemetjes.[R62] Het is een hollandsche ochtendstond; de musschen suizelen af en aan; de duiven kirren in de lommer van het geboomte; de zwanen duiken in den waterspiegel, tot wiekgeklep opgaat uit een wolk van schuim; langs het gele zand der duinen strijkt de wind den groenen beemd der dalen in; waar de stier zijnen staart schudt, waar zijne hoorns den grond groeven: oosterling, die naar den harem hijgt; oosterling, die brullende van drift, het blok, dat hem boeit, verbrijzelen wil; er rijst gehinnik, er rijst gebriesch op de lucht, daar de hoeven van den hengst de aarde daveren doen; stroomen doorgezwommen, hekken overgewipt:—Roozemondt, rep u, als ge weten wilt, hoe de wereld tot minnen ontwaakt!—