Part 8
De Cats van het museum, de Cats van Miereveldt, is niet de eerwaardige grijsaard, ons door Ravestein veraanschouwelijkt, niet de twee en tachtigjarige, dien ge voor Feith's uitgave zijner werken ziet;—ik wenschte, dat hij het ware! „Vader Cats,” zegt het volk; „vader Cats,” zong zelfs Bilderdijk, die het anders zelden met het volk eens was; „vader Cats,” zeide menigeen, het hoofd schuddende bij vroegere opstellen in de „Gids,” welke niet van onvoorwaardelijke sympathie met dezen volkszanger van het voorgeslacht getuigden;—vader Cats, vadere men zoo veel men wil, waarom zouden wij aarzelen, bij deze gelegenheid andermaal voor ons gevoelen uit te komen, dat we, spijt onzen eerbied voor zijne verdiensten, Vondel boven allen, en Hooft schier dezen gelijk, en na beide, zelfs Huygens op de ontwikkeling van wat er voortreffelijks in onzen volksaard schuilt grootere aanspraak toekennen, dan het hoofd der Dordtsche school? Vader Cats... inderdaad, wij hebben behoefte aan de sneeuwwitte lokken; aan de kruin, door het fluweelen kalotje voor wind en weder gedekt; aan de hooge jaren en den ernst, dien zij medebrengen, om geduldig het oor te leenen aan den lof voor wijsheid, hem zoo kwistig toegezwaaid. Bij den man van middelbaren leeftijd, ons door Miereveldt hier veraanschouwelijkt, bij dit bloeijende, blozende gelaat, grijpen wij moed tot de vraag: „welk deel hij genomen heeft aan de bewegingen zijns tijds, woelig als die was, welke rigting hij voor den geest zijns volks de wenschelijkste achtte?” Op de eerste blijven zijne vurigste bewonderaars evenzeer het antwoord schuldig, als de schilderij voor ons; op de tweede vinden wij het in zijne werken, in de voornaamste van deze, in „Huwelijk” en „Trouwring,” zoo ge wilt. Intusschen, hoe waar wordt zijne afbeelding door Miereveldt, als gij haar met 's mans leven vergelijkt: alle sterk sprekende individualiteit ontbreekt in beide. Zoo gij niet wist, dat de eerste Jacob Cats voorstelde, zij zou u nooit om den wille des geschilderden hebben geboeid—zoo 't laatste aan zijne werken niet voorafging, dat van den „Raadpensionaris” zou luttel belang inboezemen. Eer ge mij van onbillijkheid beschuldigt, bid ik u, de karakteristieke gelaatstrekken van Huygens, van Hooft, van Vondel, beurtelings met die dezer schilderij te vergelijken; ook zonder een Lavater te zijn, merkt men het onderscheid der physiognomiën op. Eer ge heiligschennis roept, verzoek ik u den uitslag der gezantschappen van den Heere van Zorgvliet over te stellen tegen die der zendingen van den Heere van Zuylichem.[R36] Of acht ge deze te zeer verscheiden, welnu, doe het dan den stijl, waarin de eene als de andere ons in hoogen ouderdom er vertrouwelijk verslag van gaven. Hooft bragt als Drossaard dezelfde verdraagzaamheid in beoefening, die hem als dichter, als denker onderscheidde; wanneer gevoelde Cats eene liefde voor vrijheid, als op iedere bladzijde der „Nederlandtsche Historiën” blaakt? En denk u Vondel eens, in de plaats van den Raadpensionaris, in het kabinet van Willem II, toen deze den laatste kennis gaf van den aanslag op Amsterdam. Zou de dichter van „Palamedes” zich vergenoegd hebben met des vorsten afscheping: „Schrijf, secretaris!” Waartoe heeft Feith[R37] toch van Cats getuigd, dat hij ons, ook als staatsman, „altijd onzen eerbied ontweldigt,” terwijl hij zich verpligt gevoelt er op te laten volgen: „dat deze nergens schittert,” en dit dan weder goedmaakt met: „maar ook overal vinden wij hem grooter, dan hij schijnt te zijn; mogelijk is dit laatste het zekerste kenmerk van ware verdiensten?” Waartoe heeft de Vries[R38] in den overvloed der gedichten van Cats naar een schaarsch te vinden bewijs gedoken, dat hij belang stelde in 's lands roem ter zee, terwijl datzelfde vers ieder, die het leest, koel laat, middelmatig, redeneerziek als het uitviel? Waarlijk, wij, die den weêrzin niet verheelen, welke ons de figuur inboezemt die hij tegenover de krachtige bewindslieden zijns tijds maakte, wij doen zijner nagedagtenis geen onregt, als zij, die hem verdiensten opdringen, welke hij niet bezat. Indien Cats van ganscher harte man van zaken, man des bedrijvigen levens, man onzer glorierijke zeventiende eeuw was geweest, met de dichterlijke gaven, hem bedeeld, had hij niet enkel de pligten en regten des huwelijks gezongen,[R39] ware niet louter de minne scheering en inslag zijner schriften geweest. Een blik op de schilderij voor ons, en gij verbaast er u niet langer over, dat zijne liefde meer van drift dan van togt had, zoo ge met ons het laatste woord de uitdrukking acht, welke voor iets hoogers dan instinct past;—dat hem iets grof zinnelijks aankleefde, 't geen ons minder ergert, wanneer Huygens het in de volkstaal lucht geeft,[R40] wanneer het Hooft in zijne liedjes dartel doet worden, wanneer Vondel er in enkele bruiloftszangen tot wulpschheid door wordt verleid, dan als Cats het ontleedt en verklaart en toelicht, de natuurlijke historie van ik weet niet wat al! Onze oude kluchtspelen worden walgelijk gescholden door de kieskeurigheid dezes tijds; maar het ontsluijeren van iedere geheimnis schijnt in Cats niemand te stuiten, dewijl hij daardoor slechts „waarschuwen wou.” Houde men ons de vraag ten goede, welke soort van nieuwsgierigheid er gescholen hebbe in de gretige lezing zijner werken gedurende de laatste helft der zeventiende, gedurende de eerste der achttiende eeuw? Het zijn bedenkingen, gedachten, vragen, die ons van het hart moesten, als zoovele indrukken van Miereveldt's beeldtenis, vergeleken met vele verhalen uit den „Trouwring,” afgewisseld als deze worden door dissertatiën, die ons wel eens verleid hebben tot den wensch: „Ach, hadde Cats maar liever eene tweede vrouw genomen!” En nu de keerzijde van den penning, den goeden invloed door hem uitgeoefend, de schare van lezeressen, die hem gegronde aanspraak geeft, met de drie overige vernuften den gulden tijd van Frederik Hendrik te vertegenwoordigen. Trots het vervelende zijner versificatie, onvergeeflijk als die was, daar Hooft's gedichten vóór de zijne het licht zagen; trots het leuningstoelige eener dichtsoort, die doorgaans vertelde, allerbegrijpelijkst, het is waar, maar ook ~abc~'swijze, zonder verwikkeling van knoop, zonder vragen, of de lange redenen in den mond der sprekers pasten; trots al het achterlijke van de theoriën der Dordtsche dichtschool, in één woord, tegenover die der Amsterdamsche, maakte Cats opgang, voorbeeldeloozen opgang, opgang, door dien van Vondel zelfs niet geëvenaard;—het waarborgt verdiensten, welke al die gebreken overtroffen. Mogt het mij gelukken deze regt te doen in de omtrekken van een genreschilderijtje, dat begaafder hand dan de mijne op het doek overbrenge! Gedurende de laatste jaren van het bestand met Spanje bood eene landhoeve bij Grijpskerke in Zeeland dikwerf eene schoone groep aan: een jeugdig echtpaar en hun spelend kroost. Laat de kleinen, jongens en meisjes, vier, vijf in getal, laat ze rondspringen naar het hun lust, ik wensch uwe aandacht te vestigen op de oogen der moeder, die over hen gaan, terwijl zij het oor leent aan haren gade; ik wensch u vooral hém te doen zien. Eene veder ter hand, een blad papiers voor hem, leest hij met welluidende stem verzen voor, verzen even zoetvloeijende als de beek, maar neen, die faalt ongelukkigerwijze aan het landschap, even zachtkens ruischende als het hooge geboomte, in welks lommer de dichter zit. Immers, hij is het, al ademt zijn werk de kalmte van het oord, al hebben de toestanden, welke hij schildert, zoomin iets hartstochtelijks, als de natuur, welke het paar omringt, iets verhevens heeft. Het eigenaardig karakter des geheels, van de groep als van het gedicht, is huisselijk, is hollandsch te zijn. Behoef ik u nog te zeggen, dat Cats zijner vrouw „~het Houwelijck ofte gantsch beleid des echten staets~” hooren doet? Hoe karakteristiek is dat toevoegsel, dat ~gantsch beleid~, in den mond van dien man! Tweemalen is hij verliefd geweest, vóór hij der vrouwe, die naar hem luistert, hart en hand bood; tweemalen op het punt te huwen, en echter deed hij het niet dan met haàr. Laat mij het u als episode mogen vertellen, op de schilderij zoudt ge er niets van zien. Wat zijnen eersten liefdehandel deed afbreken—het woord past voor den tweeden of het er voor gesmeed ware—verhaalt hij u als ge het hem vraagt. Hij kreeg in den Haag, waar het meisje woonde, de koorts; men ried hem, om haar kwijt te raken, de koorts namelijk, verandering van lucht, een uitstapje naar Engeland aan. Hij verliet den Haag en zijn liefje. Waarom hij het laatste niet weder opzocht, toen hij naar Holland terugkeerde, vertelt hij u niet—daar hij dan fluks van zijnen tweeden liefdehandel ophaalt. Het geviel, dat hij te Middelburg in de Fransche kerk minder naar de predikatie luisterde, dan naar een mooi meisje keek—is het u nooit zoo gegaan?—mij weleens, al ging ik, te huis gekomen, zoo verre niet als Cats, om fluks een hupschen minnebrief te schrijven. Het spijt mij in één opzigt nu, dat ik het niet deed; immers, de tijd is thans voorbij, om de proef te nemen, of ik even gelukkig zou zijn geweest als hij was.[R41] De jonkvrouw gaf der eerste bede dadelijk gehoor; op het bescheiden uur kwam zij des avonds voor de deur, zooals hij haar verzocht had. „Het was of hem de hemel opging,” zegt hij. Zij bloosde, ze zag hem aan; ik wil niet ondeugend genoeg zijn eenige stippen te laten volgen. Genoeg, hij vroeg haar; hij zou haar hebben gehuwd, als een gedienstig vriend hem niet had verhaald, dat haar vader om zijne bankbreuk werd veracht. Arm, mooi meisje! Cats nam haar niet—het ~gantsch beleid~, zeiden we. Hij beweert, dat hij voor haar in den dood zou zijn gegaan; maar, praat door, en gij zult hooren, dat hij haar zitten liet. Hier zette ik tittels... En leenen wij nu met zijne gade het oor aan zijnen zang. Zij heeft geest, zij heeft gevoel, zij leest Plutarchus, zij leest den bijbel het liefst van alle boeken, en zoo er godsvrucht in het harte van Cats is geweest, haar zij de eere! Wie weet, of zij hem het onderwerp niet aan de hand deed? Er is niets, hetgeen onze gissing onwaarschijnlijk maakt, dat zijn vroegere arbeid (de „Sinne- en Minnebeelden”) haar minder geviel,—al was het eene eerste poging, partij te trekken tot van de dwaasheden der jonkheid toe;—dat zij den dichtstukken over den echt de voorkeur geeft boven „den Spiegel van den Ouden en Nieuwen Tijd.” Uitgebreide geleerdheid en levendige opmerkingsgave, zij weet het, doen historie en natuur Cats om het zeerst ten dienste staan, en zijn hart—ik hoop het—kent zij beter dan wij het achten zouden, uit de beide vrijerijen,—waarvan zij waarschijnlijk niets weet. Doch wij zouden luisteren; maar naar wat? naar ~de maeght~, naar ~de vrijster~, naar ~de bruyt~, naar ~de vrouwe~, naar ~de moeder~? Hij heeft haar, vertrouw ik, het laatste het liefst voorgedragen. Maar sla gij—want ik laat mijn schets een' schilder over,—sla gij ieder der stukken op, en ons oordeel zal niet veel verschillen, vlei ik mij. Verscheidenheid, dat groote middel tegen verveling; verscheidenheid—vooral in gelijkenissen en tegenstellingen,—wie is er rijker aan dan Cats, die zondigt door overmaat, doch misschien aan dat gebrek eene afwisseling van gedachten heeft dank te weten, welke in dit boek ten minste het eentoonige zijner manier vergeten doet? Vlugheid van verbeelding, die zich in allerlei toestanden des harten te verplaatsen weet, en door aanschouwelijkheid van voorstelling vergoedt, wat haar in diepte van opmerking ontbreekt, wie zal hem haar ontzeggen, in wien Feith objectiviteit huldigde, dien Bilderdijk „het verstand overredende, het hart overmeesterende” prijst? Vol van zin voor huisselijk heil—tot waarschuwens toe voor struikelblokken, die het storen kunnen en van welke het welligt wijzer ware geweest te zwijgen; vol van liefde voor het landleven—al had het een weinig van natuur gaêslaan, om daarmede profijt te doen; vol godsdienstig gevoel—schoon dan ook riekende naar de rechtzinnigheid van zijnen tijd, bezat hij alle vereischten om zijne toehoorderessen te boeijen, daar hij haren toestand volkomen begreep. En nu wenschte ik, dat het mij gegeven ware, niet die Phylissen[R42] voor u op te voeren, door zijne Anna's maar half bekeerd, noch die Sybillen, welke het, trots het talent des schrijvers, niet van zijne Rosettes wonnen, maar u de bruiden te doen aanschouwen, welke in zijn werk menigen wenk vonden, dien zij ter harte namen; maar u vooral de vrouwen te doen zien, zooals hij ze deels vond en deels vormde: heusch, bloeijend, aanminnig, ingetogen, huishoudelijk, verzoeningsreê,—getrouw, geduldig, godsdienstig bovenal; vrouwen, welker wedergade de wereld buiten Holland niet had. Doch wat wenschte ik? Hangen hier de beeldtenissen niet van haar, die zijne idealen verwezenlijkten? Blikt ons de bitter beproefde {XXV} Maria van Utrecht, Oldenbarneveldt's weduwe, niet aan?[R43] Bewondert ge met mij de beminnelijke {XXVI} Maria van Reigersbergen niet? Weest gegroet, degelijke echtgenooten, degelijke moeders, die misschien eerder de studies verdient te heeten, naar welke Cats schetste, dan de treurenden door zijnen zang vertroost, doch om wier wille wij niet mogen voorbijzien hoevele zwakkere zusteren dan gij hij heeft opgewekt, aangespoord, overreed, om u, al was het van verre, te gelijken in huwelijksliefde, in moedertrouw!—Vergeef ons de vervoering, lezer. Ligt dat zij, die er ons toe verlokten, zedig als ze waren, de eersten zouden geweest zijn, er het hoofd bij te schudden, dewijl we daardoor den schijn op ons laden, van de verdiensten van Cats nog die ééne te willen afdingen, door zijne verzen onze vrouwen te hebben gevormd, daar de voortreffelijkste, eer zijn dichtstuk het licht zag, het voorbeeld aller deugden gaven. Op ons woord, wij kennen ons van dien toeleg vrij. Alles wat wij tegen Cats inbragten, wijte men der onoordeelkundige ophemelingen zijner talenten, welke aan verhevener vernuften te kort doen; vernuften, welker karakter en kunst mannelijker waren dan de zijne, welker leven en lied om strijd getuigden van kracht. Dulde men voor het minst onze meening, dat het volksleven der vaderen van zijne dichters bij uitnemendheid veelzijdiger sympathie eischen mogt, dan Cats aan den dag heeft gelegd; dulde men die, zeggen wij, als we opregt betuigen, dat wij eerbied voor hem koesteren, om het meêgevoel, dat hij der ~bedaegde huysmoeder~ betoont: dien hollandschen winter, welks hemel zoo helder is.