Jan, Jannetje en hun jongste kind—Het Rijksmuseum met inleiding en aanteekeningen van L.S. en vier-en-veertig afbeeldingen

Part 7

Chapter 73,307 wordsPublic domain

[Illustratie: IX. No. 1180. VAN HILLEGAERT: _Prins Maurits, met zijn hofstoet, afrijdend ter jacht._]

[Illustratie: X. No. 97. (Schilder Onbekend). „_De kat die de bel wordt aangebonden._” („~Allegorie op Maurits' leven~”)]

[Illustratie: XI. No. 1997. JAN ANTH. VAN RAVESTEYN (1572–1657) _Dudley, Graaf van Leycester._ (1531–1588)]

[Illustratie: XII. No. 355. _Albertus_, Aartshertog van Oostenrijk. (Schilder onbekend; Vlaamsche School.) (1559–1621)]

[Illustratie: XIII. No. 356. _Isabella van Oostenrijk._ (1566–1633) (Schilder onbekend; Vlaamsche School.)]

[Illustratie: XIV. _Reinier Pauw_, Burgemeester van Amsterdam, (naar een gravure).]

[Illustratie: XV. No. 1348. TH. DE KEYSER: _Portretstuk van Heer, Dame en Kinderen_ (vroeger _Rombout Hogerbeets_.)]

Eene {VII} afdanking van waardgelders te Utrecht—eene {VIII} voorstelling des prinsen te paard aan het hoofd der leden van zijn geslacht, en eene andere aan de spits zijner krijgsbevelhebbers—een paar portretten van deze—zijn {IX} afrid ter jagt, omstuwd van hovelingen en paadjes—en eindelijk eene {X} allegorie op zijn leven—ziedaar alles wat het tijdvak van Maurits hier vertegenwoordigt. {XI} Leycesters beeldtenis schuilt onder die der onbekende meesters, het is waar; doch te vergeefs wenscht gij hen in elkanders tegenwoordigheid te zien; den eerzuchtigen vreemdeling, die naar de heerschappij dezer landen dong, en den begaafden achttienjarige, ter verijdeling van dat ontwerp door de Staten met den hoogsten rang bedeeld. Hebt gij onder de schilderijen, uit het begin van den vrijheidsoorlog, hier naar een gedenkstuk omgezien voor de dapperheid der Zeeuwen, toen Medina-Celi hunne kusten bedreigde, en werdt ge teleurgesteld, ondanks al de treffende toestanden welke Van Haren's genie aan onze ontluikende zeemagt boeiden,[R25] een ander gemis uit de dagen van Maurits verbaast, grieft ons nog meer. De Nederlanden, Engeland, Europa, hebben van de Armada van Philips gewaagd; het kleine Zeeland liet gedenkpenningen slaan op den ondergang der onoverwinnelijke; Schiller wijdde aan die stof zijne lier.[R26] En echter blikt ge vruchteloos deze wanden rond, of gij er eenige heugenis van mogt aantreffen; onder den overvloed van zeestukken uit lateren tijd zelfs geen enkel, dat het onvergetelijke feit herinnert. Parma ontbreekt; {XII} Albertus en {XIII} Isabella vindt gij, als ge ze zoekt, maar geene trofeën der overwinning bij Nieuwpoort;—ge aanschouwt in de tente des veldheers zoomin den Admirant van Arragon, als den koning van Sumatra;[R27]—misdeelde Maurits, die slechts Oldenbarneveldt tegenover u hebt!—misdeelder burgerij! Of schuilt er voor menig aardig tafereel niet stoffe te over in de Houtman's dier dagen, in een portugeesch handelshuis de geheimen der Indische zeevaart bespiedende? Of wenschtet ge u niet verplaatst te zien in eene burgerlijke woning van Middelburg, van dien tijd, in de woning der Moucheron's, om hunnen ontdekkingslust tot in het verre Noorden vermaard? Of zou het uitzeilen van eenen der eerste walvischvangers,—God zij met hen in eene zee, uit welke de Biscayers het spreekwoord medebragten: „Wie vaart, leert bidden!”—of de tehuiskomst van eenen der vroegste Oost-indiëvaarders, beladen met de weelde van het morgenland,—God was met hen geweest, al hadden zij ook meer dan twee jaren reis!—of zouden zulke voorstellingen u hier niet welkom zijn? Wie heeft regt op de plaats der eere in eene verzameling als deze, zoo niet onze wereldontdekkers, op den oceaan geen minder gevaar braverende dan Maurits aan de spits des legers tarten moest,—deze in het harnas voor 's lands veiligheid, gene voor 's lands welvaart aan het roer? Willem Barendz, Olivier van Noord, Jacques le Maire[R28]—en wien al doen ik geen onregt, uit een twintigtal jaren slechts deze noemende, van hen, welke door het Noorden eenen weg naar China zochten; die den aardbol omzeilden; wier hoop in de Stille Zuidzee zich vleide met land?—Wat aandoenlijke stoffe biedt gij om strijd het penseel aan! Of mishaagt iemand de somberheid van het sterven van den eerste?—al leverde hij er eene fraaije schets van, die onze oude meesters begrijpt, door de liefde welke hij hunner kunst toedraagt;[R29]—of weigert men zoo droefgeestig te worden gestemd, als de beeldtenis van den laatste mij maakt?—een jongeling, die den roem van zijnen togt niet oogsten mogt, op de tehuisreize overleden van hartzeer over het verlies van zijn schip.—Welaan, de dagen van Maurits waren die der grondlegging onzer Indische heerschappij; voorbeeldeloos geluk bekroonde voorbeeldeloozen moed; werelden werden veroverd—ach, dat ge er hier geen blijk van vindt! Het penseel eens Vlamings verlustigde zich in het schilderen van Willem Bontekoe, over eenen der woudstroomen van Sumatra, door inlanders voortgeroeid;[R30] de graveerstift van een Yankee schetste ons Henry Hudson en zijne togtgenooten, op den vloed, aan wiens oever Nieuw-Amsterdam verrijzen zou. Doch staar deze zalen rond, tot het u schemert; noch de weelde van het West, noch de gloed van het Oost lacht u aan, of lucht u toe. Geene ongerepte bosschen der nieuwe wereld, eene maagdelijke natuur; geen morgenlandsche ochtendstond, louter vuur en vlammen. Eer gij onze klagt overdreven noemt, herhalen wij, dat wij spraken van vroegere en latere kunst, en brengen gaarne nog een paar voorbeelden bij. Onder Willem's heldhaftigen zoon werd de Oostindische Compagnie opgerigt; maar zoomin Gerard Bicker als {XIV} Reinier Pauw vertegenwoordigen binnen deze muren den ondernemingslust onzer patriciërs—en toch twijfelen we er niet aan, dat tijdgenooten hunne gelaatstrekken hebben bewaard. Onder Maurits is het octrooi ter Groenlandsvaart verleend; maar geen enkel stukje veraanschouwelijkt ons die lievelingsschool der ruwste gasten uit het plebs,—en toch was de vangst nog weêrgaloos voorspoedig, toen de kunst voor zulke onderwerpen niet langer te schoolsch zag. Verlies de onderscheiding niet uit 't oog: we vroegen slechts wat de tijdgenoot voortbragt, wat de nakomelingschap aanvullen kon. Overdreven, onredelijk zou ons verlangen zijn geweest, als we voorstellingen uit het volksleven hadden geëischt, die buiten het kunstbegrip van de schilders des tijds lagen, of van latere eeuw hadden gevorderd, wat met vroegere te loor ging. Wilt ge het nog duidelijker uitgedrukt? we zochten geenen Jan Steen, in de dagen toen van Mander aan Miereveldt het portretteren naauwelijks ten goede hield. „Door winste verlokt of door behoefte gedrongen,” zegt hij, „slaan de meesters dien zijweg in, zonder lust of tijd te hebben, om de heirbaan der historie en der beelden te zoeken.” Wat zou hij wel van de studie van lager leven, van geuzen bij den beker, of lansken bij den kroes, hebben gezegd? Het was de zuurdeesem van het katholicismus, antwoordt ge, dat slechts naar altaarstukken streefde; het was de zoogenaamde klassiek der akademie, voege ik er bij, die gaarne alle kunst in éénen vorm gieten zou. Maar wat baat het ons, de bekrompenheid te laken? zij was aan de orde van den dag. Wat al schalkheid, wat al boert, wat al jok dierven zij er door! Hij, die een volk slechts van zijne deftige, van zijne zondagszijde ziet, kent het maar ten halve. Driewerf jammer, dat de schade onboetbaar is,—of waardoor wilt gij het verlies vergoeden? Kieskaauwer noch pilaarbijter, loop ik hoog met de ~brabbeling~[R31] van eenen onzer oudste dichters, als schets der zeden eener burgerij, met moeite aan velerlei dwang ontworsteld, en alreede geprikkeld tot velerlei lust, onderscheide ik, wat meer zegt, er die wijsbegeerte van het gezond verstand in, welke weldra de hollandsche worden zou; biedt zij stoffe te over aan voor studie; maar zou ik toch de laatste zijn, om iemand uit te noodigen, er genrestukjes aan te ontleenen, ... al spijt het mij, dat de tijd er zulke niet gaf. Zoo iets, het komische moet uit het leven zijn gegrepen, moet op de daad worden betrapt. Eerst toen de tint kleur was geworden, had de kunst er oog voor. Of wie waren de voorloopers van Ostade en Teniers, die dichters van de grepen der minne, bij de veêl en bij de kan? Als iemand er kent, als iemand er in zijn kabinet overheeft, hij sta iets van zijnen schat aan ons museum af, dat Maurits als veldheer alleen laat staan, dat Maurits als landvoogd naauw kennen doet, dat niet eens gezegd mag worden, zijn tijdvak af te schaduwen. Waar bleef Hendrick Spieghel, waar bleef Roemer Visscher? waar de beide zeehelden, door Tollens en Bogaers bezongen?[R32]—waar de stoet van buitenlandsche vorsten, die den krijg kwam leeren bij den oorlogsman, die alle overige wijken deed?[R33] Lodewijk Philips heeft een deel van zijn vermogen veil, ter aanvulling der kunstzalen van Versailles. „~Sympathie pour toutes les gloires de la France?~” is zijne spreuk, en de natie juicht hem toe;—of het mij gelukt ware vorstelijke kunstliefde en burgerlijke belangstelling ter aanvulling dier leemten van ons panthéon op te wekken! Oranje en de burgerij, zeiden we bij den aanhef;—maar hoe verdienstelijk de beide familietafereelen zijn mogen van {XV} de Keyzer en van {XVI} Cuyp, de blik, dien zij op het huisselijk leven dier dagen vergunnen, mag slechts ter sluik geworpen heeten: het is een allereenzijdigst kijkje op den bemiddelden stand. Bovendien, er heerscht in de beelden van den laatste eene rust, der gemeente van dien tijd vreemd; er is aan den naam van het gezin, door den eerste geschilderd, eene herinnering verknocht, die de schets van stil geluk schier in een schimpdicht verkeert. Dat gezin heette Hogerbeets, en die vader was Rombout van dien naam...[R34]—Maurits, schreven wij straks, staat in deze zaal slechts tegenover Oldenbarneveldt!

[Illustratie: XVI. No. 1349. THOMAS DE KEYSER. _De familie Meebeeck Cruywaghen._ (bij Potgieter aangeduid als werk van Cuyp.)]

Vóór twintig, vijf en twintig, dertig jaren, bragt de geest des tijds mede, geenen blik op dat tweetal beeldtenissen te slaan, zonder ~onze eeuw~ te prijzen; als waren de vergrijpen van het voorgeslacht slechts bestemd vrucht te dragen in de zelfverheffing der nakomelingschap. „Eendragt” predikte men, „eendragt” zong men, tot voorbijziens toe, of deze haren oorsprong nam uit overtuiging of uit onverschilligheid. Als de fakkel der partijschappen maar werd gebluscht, mogt ook de vonk der belangstelling uitgaan. Verheugen we ons, dat die stemming voorbijgaande was, als de vermoeijenis na de vrijheidskoorts, als de krachteloosheid onder het keizerschap! Verheugen we ons, dat eene billijker beschouwing die bekrompene heeft vervangen; wij waardeeren de voordeelen van een éénhoofdig bewind, al houden wij aan om vrijzinniger vertegenwoordiging. Ontwikkeling aller gaven en krachten, scheen ons de leuze der hollandsche historie, toen we Oranje en Granvelle in den voorhof van dezen tempel wenschten aan te treffen; bij wien van beide zoude de wijze van zien, vóór twintig jaren onzer jeugd aangeprezen, de levendigste sympathie hebben gevonden?—Het is haar vonnis. Was het u ooit, onder eene mijmering in deze zaal en starende op de beeldtenissen van den veldheer en den staatsman, was het u dan ooit te moede, of de geest van den grondlegger onzer vrijheid, en die van den voorstander van Spanje en van Rome, ze omzweefden? Wij verbeeldden het ons bij wijlen. Granvelle lachte, Oranje zuchtte. Doch reeds leenden wij het oor aan beider gesprek, en weigerden in te stemmen met den bisschop, dat het beter ware geweest, het juk der onderwerping te blijven dragen, en vonden rust bij het gevoelen van den Vader des Vaderlands, dat er stormen vereischt worden tot zuivering van het zwerk. En zoo we bevredigd den blik elders wendden, wij waren het niet zóo als men het vroeger plagt te zijn, dewijl alle verschil van gevoelen is ondergegaan in traagheid van geest,—neen, dewijl het hoe langer hoe zeldzamer wordt dit door het zwaard te zien beslissen, ook bij hemelsbreed verscheidene begrippen over de toekomst van kerk en staat; dewijl de meening veld wint, dat hij tot de slechtste burgers behoort, die naar de bevrediging der behoeften des volks, naar den vooruitgang van allen ter goeder trouw niet streeft.

[Illustratie: XVII. MICHIEL JANSZ. VAN MIEREVELD (1567–1641). No. 1582. Portret van _Prins Frederik Hendrik_. (1584–1647)]

[Illustratie: XVIII. No. 1238. GERARD VAN HONTHORST (1590–1656). _Prins Frederik Hendrik._ (Geschilderd 1650).]

[Illustratie: XIX. No. 1584. MIEREVELD: _Jacob Cats._ (1577–1660) (Geschilderd in 1634).]

[Illustratie: XX. No. 1726. CASPAR NETSCHER (1639–1684). _Constantijn Huygens._ (1596–1687.) (Geschilderd in 1672.)]

[Illustratie: XXI. No. 1832. JURRIAEN OVENS (1623–1678). _Pieter Cornelisz. Hooft._ (1581–1647) (in Potgieter's tijd aan _Bramer_ toegeschreven)]

Geen der vorsten uit het huis van Oranje is, wat de veraanschouwelijking van zijn tijdvak in deze zalen betreft, gelukkiger te prijzen dan Frederik Hendrik, indien gij u aan het kleine anachronisme niet ergert, dat ik den stukken, ter gedachtenis van den vrede van Munster vervaardigd, plaats geve in zijn gulden vierde eener eeuw. Wij zullen slechts regtvaardig zijn, zoo we dus om zijne beeldtenis niet enkel de lauwertwijgen vlechten, welke hij zich verwierf; zoo wij om deze tevens de olijftakken strengelen, die hem aanlachten op zijn sterfbed, die gepast hadden bij zijne baar. Het is andermaal {XVII} Miereveldt, die den voortreffelijke heeft vereeuwigd; hij slaagde in deze afbeelding minder gelukkig dan in die van Maurits, zou ik er bijvoegen, als de schemering, in welke zij hangt, mij het uitbrengen van een oordeel niet verbood. {XVIII} Honthorst leverde hier op zijne beurt ook eene beeldtenis van Willem's derde zoon; maar van vergelijking dier stukken kan geen sprake zijn, het eerste, als ik zeide, zelden licht ziet, en het laatste ter zoldering streeft, hooger dan ooit een reus reiken kon. Doch waar zouden onze klagten een einde nemen, als wij die bij iedere ongelukkig geplaatste schilderij uit de dagen van Frederik Hendrik, lucht wilde geven? De een hangt tegen den dag, de andere hangt onder de knie;—buig u, wend u, krom u zooveel ge kunt; de derde valt niet met eenen blik te omvaêmen, valt niet te genieten, want aan uwe slinke of regte weêrkaatst zij den dag;—de vierde—maar twijfelt dan iemand er nog aan, dat de zalen van het ~Trippenhuis~, in haren tegenwoordigen toestand, niet geschikt zijn tot eene tentoonstelling onzer oude school? Neen, maar hoe verre is het er nog van, dat overheid en gemeente beide zich den gruwel zouden schamen, de laatste glorie uit onze gulden eeuw geene gelegenheid te gunnen allen toe te stralen, den vreemde te overschijnen! Eerst als dit besef in dat des algemeens verkeert, eerst dan zullen de Frederik Hendrik van Miereveldt en de Frederik Hendrik van Honthorst, tot welke wij terugkeeren, zigtbaar worden, zigtbaar als de overige stukken uit den tijd van dien vorst, zigtbaar als de schilderijen van welke ik u nog de opgave, in welke ik u nog het bewijs, waarom ik hem gelukkig prees, schuldig ben. Het zijn de afbeeldingen der grootste vernuften, op welke Hollands letterkunde in de dagen van Hollands heerschappij roem droeg; het is {XIX} Cats door Miereveldt; het is {XX} Huygens, door Netscher gepenseeld; het is Hooft, om strijd door {XXI} Bramer en door {XXII} de Keyzer veraanschouwelijkt; het is {XXIII} Vondel, wiens hoofd wij aan Jan Lievensz zijn verpligt—Cats, Huygens, Hooft, Vondel, in wier werken de zeventiende eeuw herleeft. Het zijn de burgers, voor welke zij dachten en zongen; de burgers van eenen krachtigen tijd, mannelijk moedig in hunne uitspattingen, en goedrond bij den beker: de burgers, die Spanje in drie werelddeelen hadden overwonnen, ons door Govert Flinck, Rembrandt van Rijn en Bartholomeus van der Helst aangeboôn.

[Illustratie: XXII. No. 2118. J. VON SANDRART (1606–1688) _Pieter Cornelisz. Hooft._ (in P's tijd aan DE KEYSER toegeschreven.)]

[Illustratie: XXIII. No. 928. GOVERT FLINCK (1615–1660) _Joost v. d. Vondel_, (1587–1679) (door P. toegeschreven aan _Jan Lievensz._)

[Hierop is dan toepasselijk V's gedicht:

OP MIJNE SCHILDERIJ,

toen GOVERT FLINCK mij uitschilderde, in het jaar 1653.

Ik sluit vandaag een ring van zesmaal ellef jaren, En zie mijn hoofd besneeuwd, en tel mijn grijze haren, Ook zonder glazen oog, in deze schilderij, En nog ontvonkt mijn hart in lust tot poezij; Terwijl ik Lucifer zijn treurrol leer volspelen, En met den bliksem sla op hemelsche tooneelen, Ten schrik en spiegel van de Staatszucht en de Nijd. Wat is mijn ouderdom? Een rook, een damp, geen tijd.]]

[Illustratie: XXIV. No. 962. WYBRAND DE GEEST (1590–1659) ('t Zoogenaamd _Portret van Piet Hein_)]

Niet ééne toespeling zegt men welligt, niet ééne toespeling herinnert hier stedemaagd bij stedemaagd, die Frederik Hendrik aan zijne voeten buigen zag, welke hem als overwinnaar binnen hare muren ontvingen;—slechts {XXIV} Piet Hein vertegenwoordigt er de eerste triomfen onzer vloot; haar vader zelfs, Maarten Harpertszoon Tromp, ontbreekt;—wat verleidde u toch te beweren, dat het zegel, door dezen vorst op zijnen tijd gedrukt, hier viel te zien? Als ware louter oorlogsroem het doel zijns levens geweest, neen, als hadde het hem voldaan, de grenzen des vaderlands te veiligen en uit te zetten; als hadde hij slechts naar den stoffelijken voorspoed des volks gestreefd! Stel zijne verdiensten als krijgsman zoo hoog gij wilt, ik ken haar met u gaarne den man toe, die zich aan de zijde zijns broeders, aan die van den grootsten veldheer zijns tijds, reeds als jongeling onderscheidde en in rijperen leeftijd de taak van dezen, het vrijvechten onzer gewesten, roemrijk heeft voltooid; maar huldig tevens—de vier door mij vermelde vernuften vergen het van u—huldig tevens in Frederik Hendrik andere gaven, hoogere deugden, durf ik zeggen, dan aan Maurits ten deele vielen, dan Maurits in beoefening bragt. Beslisse hij, wiens studie van ons verleden dieper gaat dan de mijne, beslisse hij, of Willem's derde zoon 's lands taal niet slechts zuiver sprak, maar ook de bloesems, ook de vruchten, die onze letterkunde in zijnen tijd aanbood, te waardeeren wist; er is veel, dat ten voordeele van ons gunstig vermoeden pleit, in de bijzonderheid, dat de anders zoo verscheidene talenten, welke hem hier omringen, eenstemmig zijn in den lof zijner heuschheid, dat ieder hunner hem betreurde als eenen vriend. Weifelt gij nog toe te stemmen? leen ons verder het oor. Het zou vergeeflijk geweest zijn, hadde Frederik Hendrik hollandsche proza, hollandsche poëzij maar half verstaan,—vergeeflijk, zeg ik, den vroegen dood zijns vaders, de uitheemsche afkomst zijner moeder,[R35] en de aan beide die oorzaken toe te schrijven voltooijing zijner opvoeding in den vreemde, in aanmerking genomen;—al bleek het morgen, dat Willem's derde zoon dit niet eens deed, zijn tijd, zijn toestand zou het verontschuldigen, hij zelf zoude er niet minder de gevierde beschermer onzer litteratuur om zijn. Immers, het zou er slechts te duidelijker door aan het licht komen, dat hij verstandig genoeg was, om geene uitheemsche der inheemsche voor te trekken; beschaafd genoeg, in den echten zin des woords, om de behoefte zijner landgenooten aan de laatste te begrijpen. Dat de jongere tak der Nassau's, die den zijnen verving, hadde opgemerkt, welk een voorbeeld hij in dit opzigt gaf; dat verlicht eigenbelang, dat kennis onzes tijds, het volgen deed! Hoe vurig heeft de ontluikende, de in de dagen zijner jeugd nog onbeschaafde dichtkunst, de gunsten, welke Frederik Hendrik haar bewees, hem bij tijdgenooten en nakomelingschap dank geweten; hoe honderdvoudig heeft hij alles, wat hij voor onze letteren veil had, weder ingeoogst, in hare vermelding van de wijsheid van zijn hoofd, van de goedheid van zijn harte, in haren lofzang op de beschaving van zijnen geest, op de verdraagzaamheid zijn gemoeds! Zie, de oorlogsroem, welke Maurits' oogappel was, zij te regt elk, die den naam van Oranje draagt, dierbaar; maar de liefde, welke zijn jonger broeder zich verwierf, de liefde des volks, die oorsprong nam uit zijnen zin voor verstandelijke verlichting, gelde het hart der nazaten van den eersten Willem nog meer! Europa's voorkomen is sedert tot onkenbaar wordens toe verkeerd; onze naburen zijn ons boven het hoofd gewassen; Engeland heerscht op den oceaan, Frankrijk verwezenlijkte een oogenblik het droombeeld, dat het heel het vasteland tarten kon; de kolossus van het Noorden is ontwaakt, en de markgraaf van Brandenburg een der monarchen van ons werelddeel geworden;—van de beide kransen, weleer om de kruinen onzer stadhouders blinkende, is er slechts één meer binnen het bereik van hun nageslacht. Dat het zich trooste: het is de zeldzaamste, het is de schoonste tevens. Frederik Hendrik's tijd was onze gulden eeuw van kennis en kunst;—ge zult niet ongeduldig worden, hoop ik, zoo wij bij ieder der beeldtenissen, die beide vertegenwoordigen, een oogenblik stilstaan.

[Illustratie: XXV. No. 1659. PAULUS MOREELSE (1571–1638). _Maria van Utrecht._ (1555–1629) (geschilderd 1615).]

[Illustratie: XXVI. No. 407. DAVID BAILLY (1584–1657). _Maria van Reigersbergh._ (1589–1653) (geschilderd in 1626.)]