Jan, Jannetje en hun jongste kind—Het Rijksmuseum met inleiding en aanteekeningen van L.S. en vier-en-veertig afbeeldingen

Part 6

Chapter 63,735 wordsPublic domain

Het verledene? Wij lezen het in de trekken der vorstelijke weduwe van Hongarije, die, volgens eenen onzer trouwhartigste historici, onze vaderen „wel en wijsselijk had geregeerd”; die,—vraag het der schare van geestelijken achter haren stoel,—die het uitslaan van de vlam der ketterij heeft verhoed, schoon de vonken nog smeulden onder de assche. Langer dan tweemaal twaalf jaren hebben hare vingers hier de teugelen des bewinds gevoerd, en slechts éénmaal zag ze zich verpligt de zware hand haars broeders in te roepen, om Gent te tuchtigen; Gent, onrustiger gedachtenisse![R9] De bloei des overigen lands is de schoonste lofrede op haar bestuur.—Het verledene? De geest der ridderschap schijnt met den ~chevalier sans peur et sans reproche~[R9] te zijn verscheiden;—de doldrieste, maar grootmoedige staatkunde van Frans I verloor haar pleit tegen de volharding des schranderen overlegs van Karel V—een dichterlijke tijd gaat onder, een wijsgeerige tijd breekt aan;—wat zoekt gij naar eene type? Maximiliaan van Egmond, Grave van Buren, in doodelijke krankte van zijne legerstede opgerezen, moge de laatste geweest zijn, die stierf zooals het een' ridder past,—na de toediening des heiligen oliesels, geharnast en gespoord, het zwaard aan de heup, den mantel om de schouders, het gulden vlies op de borst, den brekenden blik op de ijzeren handschoenen, en den helm met pluimen vóór hem gevest;—Maximiliaan, die zijne jongste oogenblikken doorbragt, of sterven slechts reizen ware naar een schitterend tornooi, even moedig van zijne vrienden afscheid nemend; heuschelijk zijnen getrouwen gedachtenissen uitreikend; levenslustig met zijn' ouden valkenier over zijne lievelingsvogels koutend; dankbaar den gastmaalsbeker ter eere zijns keizers ledigend; den geest gevende onder de verklaring, dat hij nimmer met ketters klonk;—Maximiliaan moge voor uwe schilderij te vroeg zijn gestorven, rest u zijn grooter stamgenoot niet? Vertegenwoordig riddereer, riddermoed, riddertrouw, vertegenwoordig ze in Lamoraal,[R10] die veldslagen voor zijn aanstaanden meester winnen zal; Göthe heeft de figuur niet beneden zijn genie geacht;—ons meêgevoel zal te luider spreken, hoe gelukkiger gij in de schitterende voorstelling slagen zult; hoe bloeijender hoofd, des te killer onze huivering voor den bijl, die het bedreigt.—Het verledene? O als het waar is, dat ook de kunst hare gerechtigheid heeft, dan verwaarlooze uwe penseel de stof niet, door de nieuwe wereld zoo mild aangeboôn; want Ferdinand en Isabella vergolden Columbus de eerste ontdekking niet wreeder, dan Karel het Hernan Cortez der verovering van Mexico deed: een vergeten dood voor den stichter van Vera-Cruz, voor den vinder der goud- en zilvermijnen![R11] Tenzij ge, door edeler sympathie geblaakt, in die ondankbaarheid zelve vergelding ziet voor den ondergang, een volk berokkend, de bouwvallen van welks tempel drie eeuwen later Europa's bewondering wekken.

Welk een oogenblik! Er staat geschreven: „IJdelheid der ijdelheden, alles is ijdelheid!” Zoo iemand er nog aan twijfelt, hij kome en zie! Een spelend jongsken, erfgenaam van de Nederlandsche Staten en prins der Asturiën;—een krijgshaftige knaap, troonopvolger van Arragon, en Napels, en Sicilië, en Sardinië, en Navarre;—een zestienjarige, koning van zoovele rijken, in Europa en Amerika, dat de zon in zijn gebied niet ondergaat;—een twintigjarige, keizer van Duitschland; ziedaar Karel V. Als de toekomst voor hem nog iets in den schoot droeg, wat anders kon het zijn dan de wereldheerschappij? Des nachts droomde hij er van; des daags streelde hij er naar; hoe zeldzamer vereeniging van gaven en krachten er toe vereischt werd, hoe fierder zijne hoop steigeren mogt! Het ware dwaasheid geweest, er zich mede te vleijen, ten zij men doorluchtigen rang aan uitgebreide magt huwde—en de vorst, wien zijne eeuw den wijze noemde,[R12] had om afkomst en gebied zijn jeugdig hoofd aangewezen, als het waardigste van alle voor Karel den Grooten's diadeem. Onuitvoerbaar mogt die taak heeten, ten zij voor het schranderste beleid,—en hij, de nieuweling in de staatkunde, hij was behendig genoeg, om Wolsey te verschalken;[R13] hij was voorzichtig genoeg, om de hand niet aan Luther te slaan. Voorbeeldeloos krijgsgeluk scheen de onontbeerlijke borg ter vervulling van dat verlangen. „~Tout est perdu fors l'honneur!~” schreef zijn mededinger op het slagveld van Pavia, en zuchtte die woorden in gevangenis te Madrid over;[R14]—des keizers christelijk leger plunderde Rome en des ondanks zette de heilige Vader hem de dubbele kroon op het hoofd;—als de schaduw zich grijpen liet, de wereld ware vijfden Karel's voetschabel geworden.[R15] „IJdelheid der ijdelheden, alles is ijdelheid!”—Dertig jaren lang heeft hij er, sinds dien oogenblik, voor gewaakt, voor gezorgd, voor gevreesd, voor geoorloogd, om gebeden misschien, onloochenbaar er voor geboet,—aanschouw die vóór den ouderdom gekromde gestalte, zie dien vóór den winter besneeuwden baard! O tal van aanslagen, koen gedacht, lang beraamd, snel volvoerd, en echter slechts kwalijk geslaagd, en toch ten letste mislukt,—hoe verwenschen u de slapen, die u broedden! Alles wat hem overblijft van de dagen zijner kracht, wat is het dan uwe verbitterende heugenis? Schitterend omzweefdet gij hem, toen de banier des kruises zich voor de zonne van Afrika schaamde; Tunis mogt wee roepen over Europa, om den gruwel, aan weerloozen gepleegd,—hij, de christenkeizer, had tien duizend christenslaven verlost;—wie onder de monarchen der aarde was hem gelijk?[R16]—Schaterend vervolgdet gij hem, toen de storm de toortsen bluschte, ter vlugt uit Insbrück ontstoken; schoon hij kermde in zijnen draagstoel, Maurits van Saksen joeg hem in hollen nacht de Alpen over;—hij, de schranderste staatsman des tijds, was door zijnen leerling vergaauwd[R17]—zucht naar wereldheerschappij, welke marteling die bij de uwe haalt? Geneugten des levens, gezondheid des ligchaams, geweten zelfs had hij voor u veil;—de daglooner, te zelfder ure in luren of lompen gewikkeld, toen de erfgenaam van zoo vele Staten den volke werd vertoond, die daglooner zou zijne kroon niet willen, ware zijne krankte er aan verknocht; hij werkt nog vrolijk, hij eet nog hartig, hij kust zijn wijf, hij slaapt goed. Een klooster voor dezen zesenvijftigjarige, een rozenkrans voor de hand, die den keizersstaf droeg:—„ijdelheid der ijdelheden,”—de rustelooze hijgt naar rust!

Een woord over de toekomst: aanschouwt ge haar niet in Oranje en Granvelle? De hand zijns keizerlijken vaders kussende, valt u Philips in het oog, tusschen prins Willem,—op wiens schouder de aftredende graaf leunt—en Atrechts bisschop—gereed het antwoord des aanstaanden graafs voor te lezen,—en de groep leidt u tot de vraag: Wat die gunstelingen des ouden meesters voor zijnen opvolger zullen zijn? Sla Philips gade, bid ik u! Als ooit een vorst mensch mogt blijken, deze ure ware die voor overstelping des gevoels;—maar al buigt hij zich haastiglijk naar de hem toegestokene vingeren, die drift verraadt slechts lust naar heerschappij, want koeler hebben nooit lippen den handkus gegeven, dan hij zich van het ceremoniëel kwijt; maar al kromt hij de knieën,—daar de grafelijke wrong den voetval waardig is,—terwijl het allen aanwezigen voor de oogen schemert, blijven de zijne droog. Er zijn blikken, die het opmerken, blikken, welke elkander bij die opmerking zoeken, ontmoeten en verstaan—behoef ik u te zeggen, dat het die van Oranje en Granvelle zijn? dat ik hen dus op de schilderij wenschte te zien? Oranje en Granvelle, „zoo zeer verslingert op onderling gezelschap, dat meenighmaals d'een den anderen in 't bedde overliep;” Oranje en Granvelle, schrijft Hooft, tusschen welke de vriendschapband, door belang gelegd, „vaster” werd, „geknoopt door de gelykheit van die twee harsenen, in dapperheit van vernuft;” Oranje en Granvelle, die den dag hunner scheiding voorzien. Het ware te veel van den schilder gevergd, als we dit alles op hun gelaat wilden lezen; maar zou het niet de hoogste lof zijner voorstelling wezen, als zij toekomstige gebeurtenissen voorafschaduwde, als ze dichter maakte wie de groep zag? Ons vermeiende in de voorstelling, welk genot vertrouwelijke, verstandelijke omgang was geweest voor mannen, die elkander zoo wel op prijs wisten te stellen, als zij;—eene weelde des geestes, door het verschil in beider leeftijd te prikkelender;—eene weelde des geestes, nooit in ijverzuchtigen wedstrijd ontaard;—ons vermeiende in die voorstelling, worden ons de gedachten duidelijk, welke hen aangrijpen, welke hen huiveren doen. Staatkundigen als zij waren, schenen zij, wat de ontwikkeling hunner gaven betrof, tot die ure onder het gelukkigste gestarnte geboren—was ooit de gezigteinder van ons werelddeel wisselzieker, dan toen de zonne des keizers, in den opgang van hun leven, hare schitterende middaghoogte had bereikt, en allengs in nevelen schuil ging, en thans vroeg ter kimme zonk?—Karel de Vijfdes politiek,—welk eene studie voor Granvelle, in hare doolhoven te huis, voor Oranje, die er zijnen weg in zocht! Verbaast ge er u nog over, dat „de prins als hy tot Brussel quam, dikwijls eerst ten huize van den bisschop ging afzitten?”; dat beide den dag huns levens verloren achtten, waarin zij elkander niet hadden gezien, niet van gedachten hadden gewisseld, d'een den aêr niet hadde gewet? O benijdenswaardig, die het smaken mag, welker wetenschap, welker kunst hij zich wijdt, het zeldzame voorregt eene ziel te vinden, die als de zijne denkt, of als de zijne voelt—weêrklank harer opmerkingen, spiegel harer gewaarwordingen;—die zich door den bijval des vriends als door den hoogsten lof voelt gestreeld; of, de vlugt van dezen bewonderende, ligt meer nog geniet, beurtelings verrassende en verrast, altoos beider wit sneller naderende! Van zulk een omgang der geesten zouden zij hebben af te zien;—schoon elkander nog waardeerende, schoon d'een den aêr nog achting toedragende, zouden zij vijanden worden;—Karel was de geliefde meester geweest van Oranje en Granvelle;—Philips verdeelde hen voor het eerst, voor altijd. Hoe de wieken der verbeelding ons voortdroegen, naar het tijdstip, door beider schranderheid voorzien;—keizer Karel's leven had de waarheid zijner opmerking gestaafd: „zoo vele talen men spreekt, zoo vele malen is men mensch;” Philips sprak slechts Spaansch;—keizer Karel wist, naar de lievelingsuitdrukking des landzaats, van „geven en nemen,”—Philips' wil was wet. En, om de toekomst met eenen enkelen trek aanschouwelijk te maken: Luther's geest staarde onverwonnen uit den hooge op den uitgeputten, op den teloorgesteld afscheidnemenden kampvechter om de wereldheerschappij; wat zoude Philips vermogen tegen hem! Menschenkenners als ze waren, hadden Oranje en Granvelle in de woelingen hunner dagen, in die worstelingen van begrippen, verschijnselen van ernstiger aard gezien, dan louter verlangen de kerk te zuiveren van wat zij onreins had. Het was het tijdstip der meerderjarigverklaring van den menschelijken geest. Beide zouden partij moeten kiezen: laat mij liever zeggen: ieder hunner; want de keuze des eenen zou die des anderen niet zijn. Beginselen naar belangen te plooijen, moge aan de orde van den dag wezen in onzen tijd; wie zou Granvelle 't onregt willen aandoen, hem te verdenken, dat hij in zijne eerzuchtige droomen de tiara van verre zag?[R18]—wie Oranje willen lasteren, als had hij eenen benijdenden blik geslagen op den gravenhoed voor hem?—al omklemde de eene, bij de gedachte aan de naderende gebeurtenissen, zijnen bisschopsstaf vaster;—al beschuldigde de laatste zich bij deze van te groote deernis, die meêgevoel dreigde te worden? Voor de eerste maal huns levens gevoelden beide „de ongelykheit der harten” onloochenbaar, smartelijk, voorspellende;—gevoelden zij die tot ontwaarwordens toe der „wyt verscheide witten,” naar welke zij voeren moest. Als ge weten wilt, welke die waren, als mijne schilderij haar doel heeft bereikt, treedt de zaal binnen: Hollands roemrijkste eeuw geeft u het antwoord.

II.

Historieele Portretten.

Als ware het afbreken hun lust geworden, beijveren eenige historische critici onzer dagen zich, om feiten, waarop de aloude geschiedenis roem draagt, te ontzenuwen tot fabels, ons vergunnende in den volksgeest des verledens eenen dichter te groeten, waarbij geen van Israëls zieners haalt. Het stoute, het groote, het reine schijnt voor hunne opvatting het vermoeden van onwaarschijnlijkheid meê te brengen; en hoe dikwijls ook de verdichting—een begaafd ongeloovige heeft het gezegd—in verrassende uitkomsten voor de waarheid onderdoe, bij hen vindt het edele slechts genaê als een droom, als een wensch der verbeelding. Of er onder dezulken zijn, die het bejammeren, dat het licht hunne wieg eenige eeuwen te vroeg bescheen, om eene mythe te meer te hebben in Hollands strijd tegen Spanje, om den eersten Willem te kunnen verflaauwen tot een blijk van productieve phantasie? Ware het tijdvak verwijderd genoeg, welke gebeurtenis zou er meer naar gelijken; welk karakter had er grootere kans op? Hoe! de aanslibbe der Noordzee zoude uit de nevelen, waarin de onherbergzame plek gronds ligt gehuld, heiren hebben zien verrijzen, door helden aangevoerd? heiren, in staat aan de keur der legerbenden van het strijdhaftige schiereiland het hoofd te biên? helden, voor welke de grootste veldheer des tijds week? Het is maar de helft van het wonder; het geloofelijkste der ongeloofelijkheid. Een vreemdeling van vorstelijken bloede zou één van ziel en zin zijn geworden met dat vrijheidzieke volk; de staatsman, wiens bijnaam onder zijne vijanden van hunne bewondering zijns verstands getuigde, zou regten hebben verdedigd, welker uitoefening op eenen ommekeer der maatschappij had kunnen staan; de wijze een waagspel hebben gespeeld! En die hoop boeren en burgers zou huis en have, zou goed en bloed hebben veil gehad voor eene andere wereld dan die des vleesches, en van dat stipje op de kaart van Europa zou licht zijn opgegaan over alle rijken, tot over de afgelegenste gewesten des aardbodems toe?

Ik heb van den geest des twijfels gewaagd, om er dien des geloofs tegenover te stellen; we staan voor Miereveldt's beeldtenis van {I} Willem van Oranje.

[Illustratie: I. No. 1579—MICHIEL JANSZ. V. MIEREVELD (1567–1641) _Prins Willem I._ (1533–1584).]

Indien het Trippenhuis tot nog toe iets anders was geweest dan eene bergplaats van schilderijen, toebehoorende aan het Rijk, een beter licht dan de schemering van eenen hoek zou den Vader des Vaderlands zijn aangewezen. Laat ons hopen dat de dag niet verre is, waarop Nederland der kunst invloeds genoeg zal toekennen, om meer van den bewaarder harer schatten te eischen, dan te zorgen, dat regenscherm noch wandelstok in den tempel kome;—ter zijde geschoven als de eerste Willem werd, beheerscht toch voor ons de Zwijger de zaal. Staar ze aan, die eerbiedwaarde trekken, door het penseel des meesters vereeuwigd; staar ze aan, tot uw hoofd zich onwillekeurig buigt; tot uw harte van dank overvloeit, en ge zult eindigen met om u, met op te zien! Om u zien, zeide ik; want als ooit gezigten der toekomst, gelijk er den aartsvaderen op de stervenssponde werden bedeeld, eenen veegen verrukten[R19], welke zaligheid zou bij de zijne hebben gehaald, indien hij de schare had aanschouwd, die hem langs deze wanden omringt; de edelen, in den zin door hem aan dat woord gehecht? Ge zult opzien, herhaal ik. „Heere Godt! wees myner ziele en dezen armen volke genadigh!” waren zijne laatste woorden, na een leven, aan de verdediging der regten, aan de ontwikkeling der krachten onzer voorvaders gewijd; van God achtte hij er zich toe geroepen; van God gevoelde hij er zich toe gesterkt, en de Heer heeft zijne verwachting vervuld, vervuld boven mate. Een vorstenhuis, dat zich der dienst der vrijheid wijdde; een klein volk, dat eene groote zending vervullen mogt; zietdaar de wonderen, door de geschiedenis geboekt, welke de kunst ons hier veraanschouwelijkt; een uur, in deze zaal doorgebragt, kan geen verloren uur zijn voor wie betreurt, dat op de gulden eeuw de dagen van Jan Salie zijn gevolgd.

[Illustratie: II No. 153 SCHILDER ONBEKEND. _Kenau Simonsdr Hasselaer_ (1573)

(Siet hier een Vrou, genamt Kenou Vroom als een man, die talder tijt Vromelyck bestrydt, den Spaensen tiran.)]

[Illustratie: III. No. 720. CORNELIS CORNELISZ. VAN HAERLEM (1562–1638). _Dirck Volkertsz. Coornhert._ (1522–1590)]

Onvolledig als deze verzameling in menig opzigt heeten mag, is de indruk, dien zij maakt, echter volkomen juist: Holland had zijne grootheid slechts dank te weten aan zijne burgers en aan Oranje. Vroed en vroom als hij was, wiens hoofd in helderheid geene weêrga had, en die, des ondanks, nederig bij zijn harte leefde, onderscheidde hij in het ruwe, maar ronde volk al de kiemen voor eenen krachtigen staat. Opgevoed in den dampkring van het keizerlijke hof, en aan de weelderige landschappen van 's lands zuiden gewoon, gevoelde hij toch menschelijk genoeg om deernis te hebben met verdrukten, was zijn oordeel te veelzijdig ontwikkeld, om de voordeelen onzer ligging voorbij te zien. Vol geloof aan den adel der menschelijke natuur, en tevens overtuigd van hare behoefte aan schuldvergiffenis, erkende hij haar onvervreemdbaar regt op vrijheid van geweten, begreep hij welk een hefboom er op ernstige gemoederen in dat beginsel school. En de uitkomst, wie eischt dat ik haar schetse? De feiten heugen u van kindsbeen af; gij wilt de burgers zien. Helaas, waarom zoeken wij hen hier te vergeefs? Waarom ontbreken in deze zaal, in dit huis, de afbeeldsels van de eerste martelaren der heilige zaak, vergeten, verwaarloosd misschien, voor den schoorsteen eener raadzaal, of op de bordessen van een stadhuis? Immers, Willem I en zijne broeders, schier zij alleen vertegenwoordigen te dezer plaatse den aanvang der worsteling met Spanje, en, noch de eenvoud der zeden des tijds, waarin niet allerlei onbeduidendheid zich liet uitschilderen, noch de geringe afkomst der dapperen,—helden verwekt uit de heffe des volks,—volstaat om aller afwezigheid te verklaren. Voorzeker, geen bloed van edelen was het cement onzer vrijheid; maar wie gelooft het, dat men, buiten Egmond en Hoorne, hier de bloem van belgischen en hollandschen adel, dat men Hendrik van Brederode hier vruchteloos zoekt?[R20] We weten het de Zwart Jan's noch de Jan Haring's[R21] hebben voor eenen schilder gezeten, uit de smidse toegeschoten, of ten masttop opgeklouterd, om den lande trouw te blijken tot den dood; maar provincialismus en urbanismus[R22], en onverschilligheid en geldsgebrek misschien nog meer dan deze, staan de voltooijing eener nationale galerij in den weg.—En echter kenden we dezer zaal het vermogen toe, den indruk te weeg te brengen: Oranje en de burgerij;—en echter nemen we geen woord van het geschrevene terug. Of treft gij hier eene reeks dier onbekende gezigten aan, waarvan andere vorstelijke kunstverzamelingen overvloeijen; eene reeks, die zich voldoende vermelden laat onder de algemeene benaming: „hovelingen uit de dagen van”—ge hebt naam en cijfers slechts in te vullen? Of vindt gij niet iets treffends, niet iets karakteristieks in de bijzonderheid, dat onder de weinige personen, uit Willem den Eerste's tijd op het museum aanwezig, {II} Kenau Hasselaar, en {III} Dirk Volkertsz Coornhert behooren? Kenau Hasselaar, die de heldhaftigste vrouwen der oudheid waardiglijk op zijde streeft; Dirk Volkertsz Coornhert, wiens verdraagzaamheid der nieuwere eeuwen tot voorbeeld strekken mag? Of ging het u niet als ons, zoo dikwijls het gemis der overigen u deerde? Was er dan geene stemme, die u antwoordde op de vraag: „Waar bleeft ge?”:—„Om het geloof op het schavot onthalsd”—„onder de vanen der vrijheid bij Heiligerlee gesneuveld”—„bezweken, na den vruchteloozen togt over de Maas”—„juichende verscheiden, daar de zege op de Zuiderzee was behaald”—„spijt het verdrag, binnen Haarlems wallen vermoord”—„uitgehongerd op de vesten van Leijden”—onsterfelijk in het harte eener dankbare nakomelingschap!—En wenddet ge u dan niet andermaal naar het beeld des vorsten, wiens gerustheid scheen te groeijen met het gevaar, dewijl hij geenerlei middel verzuimde, menschelijken moed vergund, menschelijke magt verleend? En duizeldet gij niet bij het besef, welk een beleid er in dat brein schuilen moest voor de elkander opvolgende onderhandelingen met don Johan, met Matthias, met den hertog van Anjou?[R23]; onderhandelingen, welker mislukking hij zich getroosten kon, op eenen beteren bondgenoot dan alle uitheemsche vorsten vertrouwende. En werd het harte u niet warm bij de overtuiging, dat louter gaven des geestes eene zelfopoffering als de zijne niet verklaren: dat hij, die zijner eeuw in ieder opzigt vooruit was, tevens in zijn gemoed die godsvrugt omdroeg, welke het groote en het goede één maakt? Eene lofrede eischt diepere studie; eene opmerking vinde hier hare plaats. Er is onder al de titels der troonopvolgers van Europa's oudste koningshuizen geen schooner, dan die, den erfgenaam onzer dynastie bedeeld: prins van Oranje, door de herinneringen aan den eersten Nassau van dien naam ons harte heilig. Maar ook, welke pligten legt hij op; tot welke eischen geeft hij regt!

[Illustratie: IV. No. 1581 M. J. V. MIEREVELD: _Prins Maurits._ (1567–1625)]

Rubbens is de schilder der vorsten geprezen, ik zou Miereveldt dien der groote mannen uit Hollands heldentijd willen noemen. {IV} Prins Maurits overtuige u er van. Welk eene opvatting van vorst en veldheer; welk eene uitdrukking van magt en moed! Och, dat onze catalogus meer ware dan louter eene naamlijst van den schilder en het geschilderde, dat eene geschiedenis dier stukken ten langen leste wierde geschreven![B] Een talent als dat, waarvoor wij ons hier buigen, is geenen jeugdigen kunstenaar onverschillig; hij wenscht het te bespieden in zijne ontwikkeling; hij rust niet, vóór hij het tijdstip van zijnen hoogsten bloei kent; maar wat zult gij hem antwoorden, als hij u vraagt, of Miereveldt reeds in zijn zeventiende jaar gindschen Willem I heeft geschilderd, welligt jonger nog, daar het boeksken van 't Museum 's mans geboorte in 1568 plaatst, en de dood des prinsen, als ieder weet, 1584 schandvlekte?[R24] Draagt dan slechts een enkel der stukken van dien meester, draagt schier geen der overigen van deze verzameling een jaartal; is aan niet één eene toelichtende overlevering verknocht? IJdele vragen! even ijdel als die, waardoor, wanneer, van waar, hoe deze schilderijen de eigendom des Rijks zijn geworden; waarop zelfs een man, wiens voorgeslacht in de geschiedenis der kunst beroemd is als dat harer erfelijke beschermers, mij het antwoord schuldig bleef. De klagte over zoo groote onverschilligheid voor onze oude kunst moest me van het hart, door de meesterlijke voorstelling een oogenblik van ons historisch terrein verlokt; waarom roept {V} Huig de Groot, waarom roept {VI} Oldenbarneveldt, beide door onzen Delftenaar geschilderd, er ons op terug?

[B] [Vele der hier geuite wenschen werden in 1858 door den heer P. L. Dubourcq bevredigd. Wij zijn hem eene ~Beschrijving der schilderijen op 's Rijks-Museum te Amsterdam~ en een ~Notice des tableaux du Musée d'Amsterdam~ verpligt, van veelzijdige studie getuigende. Gaarne brengen wij hem onze hulde, zoo voor hetgeen hij gaf, als voor zijne bekentenis dat hij meer zou hebben gegeven, had het maar aan hem gestaan ons Museum te voltooijen.]

[Illustratie: V. M. J. V. MIEREVELD (1567–1641) No. 1604. _Hugo de Groot_ (1583–1645) (1631).]

[Illustratie: VI. No. 1587. MIEREVELD: _Johan van Oldenbarneveldt_ (1547–1619)]

[Illustratie: VII. No 1177. PAUWELS VAN HILLEGAERT (1595–1640): _De Afdanking der Waardgelders._ (31 Juli 1618)]

[Illustratie: VIII. No. 2489. ADRIAEN PIETERSZ. V. D. VENNE (1589–1662)

_Prins Maurits, de Koning van Bohemen, Philips Willem, Frederik Hendrik, Willem Lodewijk en Ernst Casimir, Johan Ernst en Johan Lodewijk_, allen te paard.]