Part 5
[J44] Zie alweer straks de passage in ~'t Rijksmuseum~ over de hollandsche vrouw der 17e eeuw.
[J45] ~Jan Compagnie~. Een gunsteling van Potgieter, als blijkt uit een der Liedekens van ~Bontekoe~. Er zat een waaghals in den man die uittrok van moeders pappot om vreemde gewesten te bezoeken en te onderwerpen; en geen Jan Salie!—
[J46] ~Palankijn~. Indische draagstoel met verhemelte. Een koelie is een Indisch lastdrager.—
[J47] De vraag schijnt aan te geven, dat Potgieter zelf ontgaan was, vanwaar de aanhaling hem in 't hoofd was blijven spelen. Hij had ze uit Vondels ~Palamedes~, de beschrijving door den Bode van de toebereidselen tot diens terdood-brenging. Onder de menigte:
„Een eenig zwijger weegt de wereld in een schaal. 's Volks zotternij belacht en treurt om 's lijders kwaal.”
[J48] Zie noot R84 bij ~het Rijksmuseum~ de aanhaling uit Vondels Verovering van Grol, waar Vondel, van zichzelf sprekend, Frederik Hendrik vraagt:
„Zoo oordeel heusch van hem, die, door uw deugd gewinkt, Geen leidster kent als 't licht, dat op uw helmtop blinkt.”
De regel, zelfs gewijzigd, lijkt door Jan de Poëet hier dus slechts met een verwringing te passen. 't Is nu Jan Cordaat, niet de dichter, die zich door den veldheer laat leiden.
[J49] Zooals Potgieter later in 't Rijksmuseum herinnert, trok Vondel fel partij tegen Willem II om diens aanslag op Amsterdam. Jan de Poëet heeft hier dus geen prijzend citaat bij de hand en hapert.—
[J50] Zie dit achteraan in zijn geheel aangehaald:
„De Ridderschap van Amsterdam.”—
[J51] Een regel die me echt Vondeliaansch aandoet. Oogenschijnlijk slaat hij op Willem III en zijn verzet tegen Lodewijk XIV, maar is dan zeker niet van Vondel. Waarschijnlijk heeft P. hem slechts toepasselijk ~gemaakt~. Maar terecht brengen kan ik hem, ondanks veel gesnuffels, niet.—
[J52] Dat is dus de 18e eeuw. De vrede van Utrecht viel in 1713.
[J53] Hasselt en Leuven; herinnering aan den strijd tegen België.
[J54] D.w.z. niet langer ook ~vreemde huurlingen~.
[J55] Woord van ~Juno~, in FAETON of ~Reuckelooze Stoutheid~, in het 4e bedr. in het tooneel waar Febus, de zongod, genade smeekt van Jupiter, Juno en den Hemelraad voor zijn zoon Faeton, in den zonnewagen opgestegen: 1264.
~Febus~: Och zoon, in welk een staat verlaat ge uw lieven vader!
~Juno~: Hoe menig vader lijdt in zijnen zone alleen?
Echt voor Vondel, die regel!—Hij, die in zijn leven zijn grootste leed en sterkste lotwisseling aan zijn eigen zoon te wijten had. Herinner U ook de slotregels van zijn ~Jozef in Dothan~:
Och d' ouders telen 't kind en brengen 't groot met smart.
[J56] Sla bij deze passage eens op P's ~Liedekens van Bontekoe~, 't 6e, ~Machteld~ en de daarop volgende bespiegeling van den dichter zelf:
En echter hebt gij 't lied beluisterd? Een andre vraag, 'k was die gewis, Vol lachs of vol van ergenis?—enz.
[J57] „Patertje langs den kant”—
[J58] Zie onze afbeelding van de ~luitspeelster~ van den Delftschen Vermeer, in ons Rijksmuseum.
[J59] ~Jent~, (van 't fransche gentiel, dat Hooft ook gebruikt) een liefkoozend woord, dat men met lief, fraai, aanvallig kan vertalen. Vooral bij Hooft in zijn minneliedjes gebruikelijk:
„Zoo zoud ik streng Met armen eng Uw ~jente~ lijfjen prangen.”
[J60] ~Mopsje~ zal wel 't ~liederenboekje~ moeten beteekenen.—'t Groot Nederl. Woordenboek is er haast aan toe; maar net juist nog niet. De bedoeling is evenwel duidelijk.
[J61] ~Iets geestelijks of iets wereldlijks.~ De gewone verdeeling in de 16e en 17e eeuwsche liederenboeken, ook in werken der schrijvers persoonlijk. Breeroo onderscheidt zijn liederen in „Boertig” en „Aandachtig” (d. i. vroom, godsdienstig).
[J62] ~Zangster~ voor ~Muse~.—
Het lied ~Heilige Venus~, is het eerste dat in Hoofts Zangen voorkomt. Zie hierachter bij de aangehaalde Gedichten.
[J63] Dit oude treurspel zal wel 18e eeuwsch zijn, dat men mogelijk in P's tijd nog op den Amsterdamschen Schouwburg vertoonde.
[J64] Naar de aanhalingen in 't Groot-Woordenboek gegeven zou H. H. H. op een aanbevelingsbrief naar den Oost beteekend hebben:
„~Help hem haastig~;” maar ook met spotgebruik = ~houd hem hier~ (d.i. in Indië).—Jan Compagnie bedoelt intusschen blijkbaar alleen: „~al gaf u hem de dringendste aanbeveling mee~”—
[J65] Lees nog maar eens P's lied van Bontekoe, op ~Jan Compagnie~, ook voor 't geen volgt.—
[J66] ~Nabob~, rijk bevelvoerder in O. Indië.—
[J67] ~'t Handelshuis mijns vaders~. „~De Nederlandsche Handelmaatschappij~” door Koning Willem I in het leven geroepen.
[J68] Ik herinner me uit vroeger tijd een levendig geredetwist tusschen taalkundigen, of men moest schrijven: „iemand het hart onder den riem steken” (d. i. onder den riem welke over den schouder loopt en waaraan zijn zwaard hing) of „een riem onder het hart steken,” d. i. om te voorkomen dat hem „'t hart in de schoenen zonk.”—Dr. Stoett acht de eerste uitdrukking de juiste; de laatste, die ook Potgieter gebruikt, een verbastering.—(Dr. F. A. Stoett, Spreekwoorden enz. Zutphen, Thieme & Co).
[J69] Zie inleiding. En 't Rijksmuseum. Noot R5.
[J70] Inderdaad moet aan onze 17e eeuw de eer worden toegekend van een zeer ruime verdraagzaamheid in 't godsdienstige. Tegenover den verketterlust van al te rechtzinnige predikanten, stond een openbare meening, die de zelfbevochten vrijheid ook anderen verzekerde. 't Waren niet alleen vervolgde secten, die men hier toeliet, ook onafhankelijke denkers lieten in Amsterdam hun boeken verschijnen, welke hun elders duur zouden zijn te staan gekomen. De fransche schrijver ~Ernest Legouvé~ heeft daar in een aardig boekje een voor ons waardevol getuigenis van afgelegd: ~La Hollande et la liberté de Pensée~ (Holland en de gedachtevrijheid).
[J71] ~Snaaksche bochel: Jan Klaassen~.—~Ter Gouw~ in zijn ~Ned. Volksvermaken~, vertelt dat volgens overlevering Jan Klaassen een trompetter was van de lijfwacht van Prins Willem II, die, na zijn paspoort genomen te hebben, in Amsterdam de poppenkast vertoonen ging en daarbij, onder zijn eigen naam, een nieuw personage met een dubbelen bochel invoerde.—Waarschijnlijker is, dat de man zelf een dubbelen bochel had en van den spotlust, dien deze opwekte, partij trok.—Hier vertegenwoordigt Jan Klaassen 't Oud-Hollandsche kluchtspel.
[J72] ~Jan Gat~ en ~Jan Hen~. ~Jan Gat~ een scheldnaam, die bij Hooft op de Spanjaards wordt toegepast; bij Potgieter blijkbaar genomen in den zin van een vloekerd. ~Jan Hen~, dien Dr. Stoett in verband brengt met ~Hannes~, een betiteling die in zijn beteekenis den invloed ondergaan heeft van ~hen~, dus een verwijfd man, mag ook al niet bij zijn vader aanzitten. Men zou geneigd zijn te vragen of ~Jan Salie~ niet erger is dan hij?—
[J73] Constantyn Huygens, die zijn klucht van ~Trijntje Cornelis~ schreef.—
[J74] ~Ik was te gemeen~. Kieskeurig was ons 17e eeuwsch kluchtspel zeker niet; er zijn er op den Amsterdamschen Schouwburg vertoond, waarvan met recht mocht gezegd worden, dat er „een luchtje aan is.”—Maar Potgieter komt vooral op tegen het effen fatsoen, dat ook de kostelijkste weerde, omdat ze drastisch waren.
~Ronzebons~ verklaart v. Dale als „draagbare poppenkast.”—'t Wil me toelijken dat Potgieter er vooral bij dacht aan Jan Klaassen's ronden rug.—En zou niet rons met rond samenhangen?—
[J75] De vertaalwoede in de 18e eeuw was zeer groot, en deed zich vooral te goed aan eindelooze „treurspelen” uit het fransch.—Eenigszins vreemd dat P. héélemaal niet denkt aan Langendijk, wiens blijspelen en kluchten toch nog nà ~Trijntje Cornelis~ kwamen.
[J76] ~Doldijnen~, wiegelend koesteren in de armen.
[J77] ~Paradoxaal~. Schijnredeneering.
[J78] ~Loof maken~. ~Loof~ beteekent: ~vermoeid~. „'t Iemand loof maken,” dus: „iemand klein krijgen.”—„Ik ben niet voor niemendal Jan Kritiek.” Dat mocht Potgieter wel zeggen, „de Blauwe beul” werd immers ~De Gids~, naar zijn blauw omslag en om zijn felle kritiek, genoemd!—
[J79] ~Die andere karaktertrek~—n.l. van vroomheid.
HET RIJKSMUSEUM TE AMSTERDAM =:=
Het Rijksmuseum te Amsterdam.
I.
Er was een tijd, waarin de weegschaal der volkeren van Europa door hare vorsten niet ter hand werd genomen, of de hollandsche maagd, aan hunne zijde op het regtsgestoelte gezeten, wierp er mede haar oorlogszwaard of haren olijftak in en deed door deze bijwijlen den evenaar overhellen;—gij, die het leest, als ik die het schrijf, wij waren er getuigen van, hoe zij vóór luttel jaren met hare partij voor de vijfschaar gedaagd, vonnis ontving van wie haars gelijken, hare minderen zijn geweest.[R1]—Er was een tijd, dat de hollandsche vlag werd begroet als de meesteresse der zee, waar ook ochtend- of middag- of avondlicht de oceanen van beide wereldhalfronden verguldde; een tijd, waarin hare vlootvoogden den bezem op den mast mogten voeren, dewijl zij, naar de krachtige uitdrukking dier dagen, de zee hadden schoongeveegd van gespuis; in eene der jongste vergaderingen Hunner Edelmogenden hebben welsprekende stemmen de roemlooze ruste van Janmaat beklaagd.—Er was een tijd waarin de hollandsche handel den moed had, de boeijen te verbreken, hem door den beheerscher der beide Indiën aangelegd,[R2] en, stouter nog, de ongenade van 's aardrijks uithoeken braveerde, om eenen doortogt te vinden, „door natuur ontzegd;” een tijd, waarin de winzucht een' adelbrief verwierf, door hare verzustering met de wetenschap:[R3] stel u voor, (God verhoede, dat 't ooit gebeure!) stel u voor dat Java ons niet langer zijne schatten in den schoot stortte, en zeg mij, werwaarts de dienstbare vloot der Handel-Maatschappij[R4] dan hare zeilen hijschen zou; waar de ondernemingslust harer reeders, in Noord- of in Zuid-Amerika, betrekkingen heeft aangehouden; waar men zich onzer in China nog herinnert; wie ons in Australië kent?—Er was een tijd, dat Holland naar kennis dorstte, kennis waardeerde, kennis liefhad en in menig vak van studie de vraagbaak der beschaafde wereld werd; waarin het de beoefenaren der wetenschap huldigde, zonder ander aanzien des persoons: blond van lokken of grijs van haren, landzaat en dus het voorwerp van zijnen regtmatigen trots, of balling, en dus het voorwerp van zijnen edelaardiger eerbied; handhaver van het oude, en daardoor wachter bij den reeds verworvenen schat, of kampvechter voor het nieuwe, en daardoor borg voor zijn deel in de aanstaande verovering.[R5]—Thans, o het zij verre van mij, oningewijde in haren tempel, uitspraak te doen als de blinde over de kleuren! maar leen den twist harer priesteren 't oor, en loochen, zoo gij kunt, het vermoeden, dat de offeranden, in de dagen, die wij beleven, te onzent op hare altaren gebragt, met luttel uitzonderingen schaarsch en schraal zijn,—schraal en schaarsch tot verklarens, tot wettigens toe der onverschilligheid, waarmede de nabuur den ijlen rook ziet opgaan.[R6]—Er was een tijd waarin het door zijn beleid geëerbiedigde, om zijn goud benijde, en voor zijne kennis gevierde Holland door deze driedubbele kroon de rozen der kunst vlechten mogt; waarin het gehoor voor muzijk, waarin het zin voor poëzij had, en zich in beider liefelijke bloesems verlustigde; maar Europa's bewondering wegdroeg door zijne schilderschool, de oorspronkelijke, met zijnen strijd voor de vrijheid geboren, en die de helden van deze heeft veraanschouwelijkt en vereeuwigd; eene eerzuil, door dat geslacht zich zelf gesticht;—eene eerzuil, welker meesterstukken we ten minste niet alle voor het goud des vreemdelings veil hadden—hoe onverschillig onze achttiende eeuw de nalatenschap bewaarde, die, in welsprekend zwijgen, het vonnis der erfgenamen wees;[R7] tot welk eene hoogte in den aanvang der negentiende eeuw de druk des geteisterden volks stijgen mogt;—eene eerzuil, voor welker luister het ons past het hoofd neder te buigen van schaamte, als zij al de gaven, al de krachten, al de deugden van het voorgeslacht, als een spiegel weêrkaatst, tot we, voelende wat we eens geweest zijn, en wat we werden, ons aangorden... Vergeef mij, ik wilde u in deze bladzijden slechts uitnoodigen tot hare beschouwing, mits ge vergunt, dat liefde aanvulle, waar talent te kort schiet.
Onwillekeurig verkeerde mijn aanhef in eene lofspraak op de verzameling schilderijen van het rijksmuseum te Amsterdam; op die der eerste zaal, de historiële portretten, zoo ge wilt. Ik vraag er niet voor om verschooning. Of zijn iederen Hollander, die meermalen de breede trappen van het ~Trippenhuis~ opklom, niet dergelijke gedachten door het hoofd gegaan; of klopt het hart van den inheemschen liefhebber niet sneller bij de voorstelling, in welker midden hij zich daar weder bevinden zal, dan wanneer hij in den vreemde zijnen cicerone[R8] in eene galerij van antieken, in een kabinet der zuidelijke school vergezelt? Sta mij toe, den onderscheiden indruk door vlugtige trekken in schets te brengen, ten einde de poging me vrijware van de blaam van partijdigheid. O het is een beurtelings weelderig stemmend of huiveringwekkend genot, den blik te laten rusten op de vergoddelijking des ligchaams, aan den beitel der Grieken, in de verwezenlijking hunner idealen van kracht en van schoon, gelukt;—de heroën van Homerus treden aan het licht, tot voor ons, misdeelden, wien ze in alle vertalingen duister bleven;—de studie der oude, de schier eenige beeldhouwkunst, deelt eenen zin voor de volkomenheid van vormen mede, welke u levenslang dreigt te martelen, als gij dien te eenzijdig botviert. Eere, wien eere toekomt! Waar hij ook de som uwer genietingen verminderen zou, vrees dit bij de Italianen niet. Rafaël bevredigt dien, Rafaël, wiens scheppingen de graveernaald u slechts behoeft te hebben vertolkt, om u te doen erkennen, dat de vlugt des kunstenaars hooger stijgen kan dan tot zedelijk wordens gelouterde zinnelijkheid. Ontzag greep u aan bij de standbeelden dier goden, wier verhevene rust het bewustzijn hunner kracht aanschouwelijk maakte; maar hoe het deemoedig gebogen hoofd der madonna alle verheffing onzer natuur beschaamt, in zijne verkondiging van het beginsel des geloofs! Zie den Christus, en de katholieke kunst overwint de heidensche; de ~liefde~, het ~noodlot~; en echter, Hollander, hervormde, als ge zijt; aanbidder in geest en in waarheid, als gij streeft te worden, weigert ge u prijs te geven aan den indruk van afschaduwingen, die, waartoe het verheeld? op u geene onbetwistbare zegepraal kunnen behalen; welke gij slechts wantrouwend geniet. Anders dan als eene openbaring van het hemelsche, heeft de kunst zich het eerst aan uwe blikken vertoond; andere snaren dan die, welke een voorspel van het toekomende ruischen, pleegde zij in uw gemoed aan te roeren; en zoo ik aarzel, het van alle bekrompenheid vrij te pleiten, dat gij haar, als stemme uit den hoogen, gehoor ontzegt, uw prijs stellen op de vervulling van hare aardsche roeping, is deugd. Den oude zijn schoone wereld, en zijn nog schoonere Olympus, door zijne dichters gedroomd, door zijne wijsgeeren gedacht;—den zoon van het zuiden eene kunst, die zijne eeredienst schoort, die zijne zinnen in prikkels van godsdienstig gevoel verkeert, ontvankelijk als het volwassen kind levenslang voor de eerste blijft;—ons daarentegen, ons natuur, maar gezien met de oogen der liefde; ons waarheid, maar beschouwd met zin voor het schoone; òns: voorgeslacht, vaderland, vrijheid, het hoogste, waarvoor ons harte blaakt, uitgezonderd het goddelijke, waarvan wij geene afbeeldsels dulden. Hoe onbruikbaar wordt, van dit standpunt, de ijdele theorie van het hooge en lage in de kunst; of wat zijn hare duizenderlei vormen anders, dan zoovele uitdrukkingen van behoeften, welke zij bevredigt? Allen regt doende, vreest ge niet langer voor den glimlach des medelijdens, voor het verwijt van opgewondenheid, schoon ge, zoomin als ik, de hand ooit zonder aandoening aan den knop der deur hebt geslagen, die u toegang tot onze oude school verleenen zou.
Welligt heb ik, onbescheiden genoeg, u reeds te lang voor deze doen toeven; en echter, al verzwaar ik er mijn vergrijp door, ik heb u, eer wij de zaal binnengaan, eenen wensch mede te deelen, welken ik noode onder de vergeefsche tel, schoon ik mij met zijne vervulling naauwelijks vlei. Hij geldt niets minder dan een' voorhof voor dien tempel, dan ééne groote schilderij, welker aanschouwing ons stemmen zou, om de overige volkomen te genieten. Beslis over het gegronde van dat verlangen, als ik u gezegd zal hebben, wat ik haar gaarne voorstellen zag.[A]
[A] [Een meer welkom blijk van overeenstemming van gedachten tusschen een schilder en een schrijver die van elkander niet afwisten, heeft ons zelden verrast, dan wij in de fraaie schilderij: ~l'Abdication de Charles Quint~, later door L. Gallait geleverd, mogten waarderen. Er is natuurlijk tusschen ons beider voorstellingen niet slechts het verschil van penseel en pen, er is ook het onderscheid in de opvatting van een Belg en een Hollander; en toch willen wij deze gelegenheid niet verzuimen om hulde te brengen aan Gallait's genialen greep. Dat het Noorden in den voorhof van het eerlang te stichten Museum Willem I waardig met het Zuiden en zijn Musée Royal wedijveren moge,—wie wenscht het der vaderlandsche historie-schilderschool als wij niet toe?]
Eene herfstzon zou hare stralen werpen door de hooge vensterramen der vergaderzaal van 's lands Staten, te Brussel, als verlustigden die gulden boden er zich in, haren glans weêrschitterd te zien door goud en door staal; als gingen zij gaarne in de plooijen van damast en fluweel ter ruste. Immers, ik zou u door mijn tafreel in die oude huizinge willen verplaatsen, omstreeks het midden der zestiende eeuw; zoude u die wanden doen aanschouwen op eenen oogenblik, dat zij verblindden door pracht van wapenpraal en hofsieraân, door allerlei zinnebeelden van grafelijke, koninklijke, keizerlijke waardigheid. Toch zoude ik de voorstelling slechts kwalijk geslaagd achten, wanneer ge u lang in die ijdele flikkering vermeidet; wanneer de schilder, uit vrouwelijken zin voor tooi uwe oogen geboeid hield aan den opschik, door dezen beheerscht, in plaats van dien te beheerschen; wanneer harnassen, en tabbaarden, en halskragen, en ordeteekenen luider spraken dan het doel, waartoe de mannen, met deze uitgedost, door hem werden gegroept. En daarom zoude ik, als mij magt over hem gegeven was, daarom zou ik vergen, dat de uiterlijke glans al aanstonds minder onze opmerkzaamheid tot zich trok, dan de hooge zin der plegtigheid; dat de onderscheidene volken, in de zaal vertegenwoordigd, in houding en gebaar lieten doorschemeren, wat er omging in hun gemoed.—Achter den staatsie-stoel, den troon, zoo ge wilt, midden in de zaal opgerigt, achter deze zou hij spaansche grandes en duitsche rijksvorsten moeten plaatsen, door verschil van kleeding gemakkelijk genoeg van elkaêr te onderscheiden, en zelfs niet moeijelijk te contrasteeren, door de statelijkheid, waarmede de donkere oogen der eerste toezagen, terwijl nieuwsgierigheid uit de blaauwe kijkers der laatste lichtte. Of dit alles ware! Of hij ook hun oordeel over hetgeen in hunne tegenwoordigheid plaats greep, niet in beeld had te brengen, gewijzigd als dit wierd naar hunne meerdere of mindere gehechtheid aan de kerkleer dier dagen... Doch waar zal ik eindigen, als enkel de stoffaadje van den achtergrond mij zoo lang bezig houdt? Vóór op de schilderij—ik kom uw ongeduld ter hulpe—vóór op de schilderij ware het mij lief, ter slinke van den zetel, onder eenen weidschen drom van Bourgondischen adel, menigen grijzen wimper te zien glinsteren, voor de eerste maal zijns levens vocht, en zich die zwakheid, die trouw niet schamende. Ter regte van den troon—stel u gerust, we zijn er spoedig—ter regte van den troon moest ons ernst in het oog vallen op de rustige aangezigten der Nederlandsche Staten, voor de plegtigheid zamengeroepen; ernst, die waardigste uitdrukking van het gelaat eens mans. O driewerf benijdenswaardige kunst, die ons dat alles in éénen blik zou doen omvâmen, en tevens de hoofdgroep aanschouwelijk maken: keizer Karel V, afscheid nemende van heerschappij en wereld, met zijne zuster—de landvoogdesse Maria—aan de eene; met zijnen zoon—den troonopvolger Philips—aan de andere zijde; zij, die deze gewesten vijf en twintig jaar bestuurde; hij, die ze levenslang beheerschen zou!
Het verledene,—het oogenblik,—het toekomende,—hoe schakelen zij zich in onze beschouwing, als in de werkelijkheid, onwillekeurig aaneen, den schilder tantaliseerende, die zoo gaarne den driedubbelen indruk zou grijpen en wedergeven; die zich doorgaans met slechts één der drie, met het oogenblik, vergenoegen moet, als hij de waarheid der voorstelling aan geene symbolen opofferen wil. Gelukkige, die dit onderwerp te eeniger tijd op het doek brengen zult, gevoelt gij, hoe zeldzaam gunstig de geschiedenis uwer verbeelding bij deze stoffe vleugelen gunt, ja, leent; hoe weinig poëzij ze van u vergt; poëzij, als hare veder zelve in de overdragt der Nederlanden schijnt te schrijven?