Jan, Jannetje en hun jongste kind—Het Rijksmuseum met inleiding en aanteekeningen van L.S. en vier-en-veertig afbeeldingen

Part 4

Chapter 43,906 wordsPublic domain

„Of ik zoo mocht voortvaren,” zucht Jan Cordaat; „maar van den Utrechtschen Vrede af, totdat ik met Napoleon van de Bidassoa naar de Berezina zwerven moest, was ik aan Jan Salie-geest ter prooi;[J52] we zijn er wreed voor gestraft,—wie wil er zich weêr een blootstellen? Ik heb geen plaats voor den treuzel, zoo min bij het leger als bij de schutterij! Waterloo! Hasselt! Leuven![J53] zeg mij, wat ik er zou hebben uitgevoerd, als hij meê was geweest! als hij geroepen had: „Langzaam, jongens! langzaam!—komen we er van avond niet dan morgen toch!” Plaats hem in mijne gelederen, als ge durft; waar de Koning hem aantreft, op de parade, of op schildwacht, in garnizoen of in het kamp, Hij zal hem zien, Hij zal hem wegjagen; ik heb zijn woord, dat hij Vader van het Leger zal wezen; al mijne jongens zijn tegenwoordig Landskinderen!”[J54]—

Arme Gastheer!

Hoe menigh vader lijdt in zijne(n) zone alleen!

zegt Vondel[J55]; indien gij Jan vóór u zaagt, zoo als ik het doe, gij zoudt het met hem uitroepen. Welke herinneringen verlevendigt het verlangen, zich van het huiskruis te ontslaan,—in welk een' tweestrijd brengen hem zijn verstand en zijn gevoel! Hij moge zich verheugen in de degelijkheid, die over het booze beginsel zegevierde, in de degelijkheid, welke den gevaarlijken invloed, dien het uitoefende, te keer ging en overwon; hoe springt deze hem des ondanks nog in de oogen; hoe anders plagt hij in zijne jongheid Oudejaars-avond te vieren! Dan heerschte de vreugde in aller hart, dan speelde de minne haar spel; dan werd er gekust[J56]—en nu! Aan wien valt die ommekeer te wijten, aan wien anders dan aan het Benjaminnetje, dat nog altijd in den hoek staat, altijd slemp lept? Want Jannetje moge klagen over den zin voor vreemde muzijk en vreemde pret, aria's en walzen; heeft zij zelve niet om het gezeur van Jan Salie vedel en luite der vaderen weggeborgen, tot verveling gezelligheid verving; tot onze zeden zoo stijf werden, dat we niet bij elkaêr komen dan om te eten en te drinken? Jan's blik zwerft de feestzaal rond en het is hem droef te moede. O de dagen van weleer, de dagen zijner jeugd, toen het achttal kaarsen op den disch het duister slechts aarzelend deed wijken in den hoek bij de schouw, waar de bank plagt te staan, die hem heugt! Wat zat hij er gaarne op, als het er zoo van passen donker bleek, voor zijn eerste, voor zijn eenige vrijaadje!

Of hij ons vertellen wilde, wat hij Jannetje in dat tweelicht al toefluisterde, tot zij opsprong, tot zij eene vedel voor den dag haalde, tot zij hem die toereikte. „Stoutert!” zeî hij dan, „je wil is mijn wet, maar boeten zul je er voor,”—en ijlings greep hij den strijkstok en speelde den inheemschen volksdans, waarin de meisjes een kusje achter de ooren niet konden ontwijken[J57]. Hoe het schalke Jannetje hem uitlachte, hem, dien zij verpligt had te vedelen; hem, die toe moest zien, dat een ander haar kuste! Eens zwierde zij hem voorbij en hij liet haar zwieren—een tweeden male stoof zij hem langs, en hij speelde in schijn geduldig door—maar daar kwam zij ten derde male aan, en weg wierp hij den vedel, en flink greep hij haar om haar middel, en boeten moest zij—maar niet achter de ooren! Hoe kuste hij haar dan, dat het klapte, terwijl de overige dansers en danseressen als malloten stonden toe te kijken, en Jannetje bloosde als een roos!

Jan Salie! wat kwaad stak daarin?

Of een andermaal plaagde hij Jannetje hem hare eel te laten hooren, en rustte hij niet vóór hij de luite[J58] had opgeschommeld; de luite, die hare blanke vingeren zoo zoet tokkelden. Lang wou ze en lang zou ze niet spelen; zij wist het wel, hoe zoet een jent[J59] neen zeggen is met een lachje daarbij; ondanks het bekende tafelregt, dat ieder voor het minst een liedeke kwelen moet, aarzelde zij voort. Eindelijk echter kwam het mopsje, het mopje met de zilveren sloten uit de beugeltasch aan het licht,[J60] maar tegelijk rees de groote vraag, wat er gezongen zou worden: iets geestelijks of iets wereldlijks?[J61] „Een zoet deuntje,” mogt hij smeeken; andermaal schudde het lieve kopje „neen!” en dan—dan had hij in een omzien het speeltuig van hare knie geschaakt, tot zij berouw gevoelde. Want het meesterstukje der zangster, die wel dartel zag, maar toch niet onbeschaamd was, het „~Heilige Venus!~”[J62] klonk door de kamer, en Jannetje wist niet, hoe gaauw zij de luit maar weêrom zou nemen, opdat zij niet te veel klappen mogt.—

Jan Salie! hebt gij ooit lief gehad?

Streelende herinneringen! waarom wordt gij verbitterd door de vergelijking met het heden, dat getuigt, in hoe menig opzigt hij te kort is geschoten bij wat hij toen hoopte, bij wat hij toen had kunnen worden? Zie zijne wenkbraauwen fronsen zich; zijn voorhoofd rimpelt! Jan is er geheel de man naar, om zich in zijne overpeinzingen zelf te verdedigen en te veroordeelen, zoo als twee personaadjes het in een oud treurspel[J63] doen. Jan zegt zoowel:

„Van achter zien we dit met andere ooghen aan;”

als:

„Zoo staan ze u in den nek; zij plaghten voor te staan.”

[Illustratie: No. 2528. JOHANNES VERMEER van Delft (1632–1675). _Juffrouw met de luit_ (fragment.)]

„Vader!” valt Jan Compagnie in, die deernis schijnt te hebben met de mijmerzieke vlaag van den anders opgeruimden oude, „vader! wat suft gij? hebt ge mijne broeders, hebt ge mij niet?—Eéne slechte vrucht onder de honderd; ik zou den boom wel eens willen zien, die er geene had; schud hem af, en ge zijt weder de kroone des wouds! Ik weet wel, dat het ligter gezegd dan gedaan is; vooral dewijl ik Jan Salie niet meê zou nemen, al schreeft gij hem drie h's op den rug.[J64] Allerlei uitspatters weet ik te temmen, allerlei loshoofden tot nadenken te brengen—de zee, de luchtstreek, de eenzaamheid doen wonderen op zulk slag van jongens:[J65] maar voor zijns gelijke hoop ik, dat de Heere mij bewaren zal! Als hij ooit op Java voet aan wal zette, zou hij er honderd jaren worden, maar ik er geen tien meer baas zijn! Hoe hij zich bakeren zou in den glans van mijne weêrgalooze zon, hoe hij zich zou laten bewierooken en bewaaijen! Wat zou het anders zijn dan nederliggen, en sluimeren, en slapen? schoon ik het ook bij wijle doe; schoon ik misschien maller ben met mijne danseressen, dan het ooit den slungel in zou vallen te zijn, ik leide geen louter Nabob's leven;[J66]—de rijstbouw—de koffijpluk—de suikerteelt geven mij handen vol werks! Het is waar, ik dartel om in een paradijs, als mijne geurige Molukken in bloei staan, maar de maaijer, die hier tusschen zijne schoven en op zijn zeissen inslaapt, heeft nooit zwaarder gearbeid, dan ik het op den dag der inzameling van mijne nagelen en noten doe! Honderd-, neen duizendvoud geeft mijn Oost de korrelen weder, er in den vruchtbaren grond geworpen, en weeldiger plantenrijk is er niet dan dat, wat mij nieuwe wonderen bloot legt, zoo dikwijls ik zijn' eeuwigen bloei gâ sla, en toch verrijk ik dien rijkdom nog—dat tuigen de indigo, de thee, de chochenille, die Bengalen en China en Mexico zullen beschamen! Eerst als mijne zorgen over dat alles zijn gegaan, eerst als eene wolk van schepen, met die weelde van het Oosten voor het handelshuis mijns vaders[J67] bevracht, uit mijn gezigt is verdwenen, waar het azuur mijns hemels in het goud van mijnen oceaan smelt, eerst dan luik ik mijne oogen, om in den droom de stemme te hooren, dat, „wie meester is van Java, beheerscher kan worden van Indië!””

Jan Compagnie heeft den waren toon aangeslagen, om Jan op te beuren; zijne oogen schitteren bij de grootsche toekomst hem voorgespiegeld; zijn gemoed schiet vol:

„Jongen!”—berst hij uit—„jongen! gij steekt mij een' riem onder het hart,[J68]—ik begon mij zelven te verwijten wat plannen ik al voor Jan Salie heb gemaakt: Jan Salie poëet,—Jan Salie professor,—Jan Salie diplomaat,—Jan Salie lid van de tweede kamer, Jan Salie minister!—ik verbeeldde mij, waarachtig, dat hij 't al was!—ik meende overal zijn geest te zien! Immers ik, die weleer een' vloed van vreemdelingen naar de werkplaatsen van mijne kunstenaars zag stroomen, om er de wonderen te huldigen door hun genie geschapen, ik teerde in de kunst tientallen van jaren op den roem van het voorgeslacht,—ik nam het middelmatige voor lief.[J69] Immers ik, die in geheel Europa vermaard plagt te zijn om de wijsheid, welke er van mijne hoogescholen uitging, ik meende eene halve eeuw lang een heel licht te zijn, als ik eindelijk te hooi en te gras vernam, wat in den vreemde al overbekend, al weder vergeten was, in allerlei vakken van studie! Heb ik er niet op gestoft, dat ik de kronkelwegen der staatkunde beu werd? ik, die de slimste diplomaat ter wereld plagt te zijn, die van alle voorvallen, van alle bewegingen ten gunste der Vrijheid partij trok; ik, die vrede en oorlog maakte voor Koningen en Keizers! Of weet ik mij op het punt van mijn geloof niet maar kwalijk naar mijne Grondwet te schikken; ik, die terugdeins voor het onderzoek mijner vroegere partijschappen; ik, die roestte in mijn rust—jongens! laat mij uitspreken!—dáár hebt ge er mijne hand op, Jan Compagnie! dat ge op Java nooit gekweld zult worden met Jan Salie!”

Bravo, Jan!

„Jan Contant! Jan Crediet! Jan de Poëet!” vaart hij voort, „u zal ik evenmin met hem meer lastig vallen; Jan Salie heeft geen verstand genoeg, om geld te verdienen; Jan Salie heeft geen talent genoeg, om roem te verwerven; ik schaam mij dat ik zijn vader ben.”

Hij houdt een oogenblik op, maar vermant zich, en herneemt:

„Priesters van de Kunst, van de Wetenschap, van de Godsdienst! waarom hebt ge mij niet vroeger op mijne zwakheid opmerkzaam gemaakt? Ik was ~maar~ een koopman; denkt niet, dat ik er mijn beroep om smade; er is geen nuttiger ter wereld!—een man, die verstand moet hebben van allerlei dingen en van allerlei menschen,—een man, die moed dient te hebben voor de veelsoortigste ondernemingen; moed ten oorlog, te water en te land, als zijne belangen gevaar loopen;—een man, die zin moet hebben voor alle wetenschap en voor alle kunst, om zijne mededingers op zijde, om op de hoogte van zijn' tijd te blijven,—een koopman als ik was in één woord,—~maar~ een koopman, herhaal ik. Of stond ik, toen ik de hoogste ontwikkeling van mijn karakter had bereikt, niet aan de ergste ontaarding van mijn' aanleg bloot?—Weelde ontzenuwt, verslapt, ontmant, Jan Salie is de zoon van mijn' overvloed! Wat klaag ik over hem, ik, die mij zelve moest aanklagen! In plaats van den verhevenen en edelmoedigen geest, die mij in de dagen mijner opkomst bezielde, werd ik de prooi van de bekrompenheid des verstands en van de onverschilligheid des harten van den nieuwelingsrijke! Ik ben verwaten en verwaand; ik ben trotsch en traag geworden,—jongens! het was geene liefde, dat ge mij niet teregt weest! Toen ik een geloof op mijne eigen hand had, toen ik er driest voor uitkwam, dat ik het mijne het best van allen hield, toen was ik te gelijk voor andersdenkenden de verdraagzaamste man van mijn' tijd; toen beschermde ik alle vervolgden, die tot mij vloden;[J70]—waarom leert ge mij, nu ik allen gelijk heb gesteld, niet de waarachtig-verlichtste, niet de waarachtig-vroomste, niet de waarachtig-liefderijkste van allen te worden,—het beste bolwerk voor de Kerk, in het bloed van mijne vaderen gevest?”

Bravissimo, Jan!

„Jan-maat!” vervolgt hij, „kom naast mij, Jongen!”—en de trouwe borst springt op, alsof hem het sein werd gegeven in zee te steken, zoo rap en zoo blij!—„Jan-maat gij zijt altijd een man van daden geweest en niet van woorden,—vergeeft ge mij? ik zal me beteren!”

Het is veel van zulk een' vader—maar niet te veel voor zulk een' zoon! Zie, daar rijzen beide op,—Jannetje geeft het teeken, dat de tafel is aangerigt, en Jan leunt met welgevallen op den arm van Janmaat; zoo zij het, zoo blijve het, handel en zeevaart onafscheidelijk aan elkander verknocht!—Waartoe zou ik u den disch beschrijven? er is niemand, die niet weet, dat Jan van tafelvreugde houdt; er is niemand onder ons, die ze hem niet gunt! al wat ik nu nog te vertellen heb,—maar daar is Jannetje Jan op zijde.

„Vader mag Jan Salie meê aan zitten?”

„Onder aan vrouw! Het is van avond voor het laatst; morgen besteed ik hem op een hofje.”

Houd het Jannetje ten goede, dat zij met haar voorschoot langs hare oogen strijkt!—doch zij rept zich reeds hare plaats aan tafel in te nemen;—luister nog een oogenblik, bid ik u, naar een paar jongens, die 't langst bij den haard blijven drentelen, die den woordwissel tusschen Jan en Jannetje hebben gehoord.

„Als Jan Salie onder aan moet zitten,” zegt een snaaksche bogchel[J71]—de meest verwaarloosde, de wreedst verstootene van Jan's kinderen,—en zijn lach is dus ook bitter, „dan wordt hij mijn buurman!—Wat spijt het mij, dat Jan Gat en Jan Hen[J72] hier geen' toegang hebben, ik zou er hem tusschen plakken, of de drommel zou mij halen! Broertje! wat eene flaauwe aardigheid was dat—ik zeî er beter in mijn' jeugd. Mijn' jeugd!”—en hij slaat met het houten zwaard, dat hij op zijde heeft, tegen zijne spillebeentjes,—„Welk een andere jongen was ik toen; Huygens had plezier in me—Huygens, de taalgeleerde Hagenaar—Huygens, die de geheimen van drie Prinsen wist![J73] Sinds hebben de poëten mij verstooten; allerlei vreemde snoeshanen stapten als paauwen over het tooneel; ik mogt er niet op; ik was te gemeen.[J74] „Op straat met je ronzebons!”—schreeuwden ze.”—En hij schuift de muts uit zijne oogen: de wonderbaarlijke, graauwlederen muts; en zijn voorhoofd blijkt zoo geheel eng niet.—„Maar had ik dan geen' aanleg,” vaart hij voort, „school er dan geene geestigheid in mijne breinkas?”—en hij tikt er tegen;—„was ~Trijntje Cornelis~ niet aardig, niet weêrgaas aardig? Als de latere jongens van de lier aan mijne invallen de helft van de moeite hadden besteed, die ze voor uitheemsche prullen over hadden,[J75] ze zouden nu op een oorspronkelijk tooneel mogen stoffen,—ik ben gewroken!—maar ten koste van het volk! Is het niet jammer, broer?”—De bogchel is al zóó gewend alleen voort te praten, dat hij niet eens antwoord afwacht. „Als ze mij vrijheid hadden gegeven voort te hekelen, als ze vermoed hadden wat er in mij school, zie, het jongsken, dat moeder het laatste doldijnde,[J76] het zou nooit Jan Salie zijn geworden; ik had hem zoo lang uitgelagchen, hem zoo lang gestriemd, tot hij zich had gebeterd; ik heb van mijn Huygens geleerd:

„Ick spaer de roede niet, ik heb ~het volk~ te lief.””

„Jan Klaassen!” herneemt de andere zoon Jan's, tot wien onze vriend uit de poppenkast zijne ietwat paradoxale[J77] klagt rigtte, „als ~hadden~ komt, is ~hebben~ te laat; maar een ding beloof ik je, wanneer Jan Salie zich van zijn hofje waagt, dan zal ik het al wie hem opnemen loof maken;[J78] ik ben niet voor niemendal Jan Kritiek.”

„Aan tafel, broêrtje! aan tafel,” herneemt Jan Klaassen, „vader stelt den feestdronk al in.”

En hoe luidt hij?

„Oranje in het hart, en niemands slaaf!”

Een luid „hoezee!” beantwoordt den toast; Jan is met Oranje gevallen; Jan rigtte zich met Oranje weder op. „Oranje boven!” blijve zijn eigenaardige volkskreet.

En even weinig als dezen verloochene hij ooit den anderen karaktertrek,[J79] die uit den wensch spreekt, welken hij bij den twaalfden klokslag van middernacht slaakt,—de bede, die geloovig en vertrouwend over Jan's lippen rolt, terwijl hij zijne oogen ten hemel slaat; terwijl hij zijne armen zegenend uitbreidt,—de verklaring, dat hij bij alle ontwikkeling zijner krachten Hem niet vergeet, wien hij die heeft dank te weten; het kernige woord:

—„God zegene ons, kinderen!”

* * * * *

God zegene u, Jan! u en de uwen!

31 December 1841.

[Decoratieve illustratie]

AANTEEKENINGEN.

[J1] Onderziel = onderborstrok.

[J2] De synode van 1816.

[J3] Nl. na 1795, toen wij bij de vredesluiting met Frankrijk, niet alleen 100 millioen oorlogschatting betaalden, maar ook een fransch leger van 25.000 man te onderhouden kregen.

[J4] Op zijn ~koten~. We zouden nu zeggen: op zijn pooten of beenen staan.

[J5] De centen waren pas in 1818 ingevoerd. Daarvóor had men de penning en de duit. Sprak dus van: ~hij is echt op de penning~.

[J6] Toespeling op den opstand van het kaas- en broodvolk van 1491.

[J7] JEREMIA.

[J8] In de 18e eeuw was dat eigenlijk al begonnen en juist in—proza. Denk aan de teringachtige heldin ~Lotje Roulin~ in ~Willem Leevend~. De dichters van de romantiek uit de jaren 1830–40 namen dien tering-cultus over, die wel zijn hoogtepunt vond in de verzen van ~Jan van Beers~.

[J9] „Seebarichen boezem.” Men vermoedt dat Potgieter hier de herinnering voorzweemde aan een uitdrukking, die bij Roemer Visscher voorkomt, doch dan in den zin van ~zedig~ (~zedebarig~, zooals odebaar, 't latere ooievaar, schatdrager beteekende); met ~zee~ had 't werkelijk niets uit te staan. Een verband tusschen een ~zee~ en ~boezem~ kan Potgieter gevoeld hebben door de golving van beide.

[J10] ~Drempelmeiden~: eigenlijk „daghulpen.” Dus minder juist voor inwonende bonnes en gouvernantes. Maar P. zal 't woord gebruikt hebben om de geringschatting, die 't uitdrukte.

[J11] Na de opofferingen, die de voortgezette strijd met België gevorderd had en die al de krachten van ons volk uitgeput schenen te hebben, verkeerde ons land in een echte depressie.—Zie ook noot R6 bij 't Rijksmuseum.

[J12] Hier komt voor 't eerst een verwijzing naar Jan Salie—die, zelf futloos, op vaders en moeders bijeengegaard kapitaal moet teren.—

[J13] In ~'t was maar een Pennelikker~ heeft Potgieter hetzelfde onderwerp: de beroepskeuze der jongeren, behandeld.

[J14] ~Sirene~ zeenimf, meermin; bekoorlijke verleidster.

[J15] Oud spreekwoord, waarin de heibewoners die vasten grond onder de voeten voelden, te kennen gaven, dat zij den drassigen, ingezonken bodem aan onzen zeekant niet vertrouwden.—Dus een uitdrukking van afkeer voor waaghalzerij; van zucht tot voorzichtigheid.

Ook 't volgende aangehaalde spreekwoord geeft uiting aan denzelfden geest.

[J16] De piepstem en de slemp—introduceeren onzen Jan Salie.—

[J17] Houding van ~Slierislari~.—Een volks-eigenaardige uitdrukking door Potgieter aardig gevonden met die herhaling van de beginletters en den slotklinker en de opvolging van ie-a, gelijk we die in meer komische volkstermen hebben. Denk aan ~slimpslamp~, ~mismas~.

[J18] De Statenbijbelvertaling van 1626–1636, die mèt de werken onzer 17e eeuwsche dichters het nieuwere hollandsch hielp vormen. „Bidt en werkt” is 't Latijnsche ~Ora et labora~.

[J19] ~Must is for the King~: „Moeten is dwang en huilen is kindergezang”—maar in dit hollandsche gezegde komt de ~Koning~ niet tot zijn recht!

[J20] Uit Vondels treurspel ~Palamedes of 't vermoorde onnoozelheid~, het welbekende figuurlijk treurspel, w/i. de geschiedenis van Oldenbarneveldt is voorgesteld in den vorm eener historie uit de Grieksche tijden. Palamedes = Barneveldt, opent het stuk met een lange voorafspraak w/i. hij, evenals Gijsbreght van Aemstel in zijn spel, opsomt al wat hij deed. En daaronder: Vs. 121:

Uitheemsche ballingen, van have en huis beroofd, Gelokt, gewellekomd en in mijn schoot gestoofd; (Vergroot der steden kreits en ommeloop der muren, Tot Griekens hulp verplicht gekroonde nageburen;) Met kielen ingesleept den oogst, die 't Oosten las, Ja, daar de naalde zwijmt, gestaan na vrijen pas.—

Die laatste regel beduidt: Waar de kompasnaald ons begeeft (d. i. dus in 't hooge noorden) een vrijen doortocht gezocht.—

[J21] ~Onnoozel kruistochtje.~ Tegen de Algerijnen, met Engeland, in 1816?

[J22] ~Slag van Doggersbank~ (1781)—Onze laatste triumf ter zee, meent Janmaat.—

[J23] ~Potgieter~, als handelsman, had den innigen afkeer van den ~fondsenhandel~ te pakken, „luttel werks en toch rente”—echt voor Jan Salie! Maar zelfs dat was den onnoozele nog te machtig. „Verstandig” speculeeren is nooit ons zwak geweest.—

[J24] In ~bonis~. In goeden doen.

[J25] ~Metallieken~. Oostenrijksche effecten.

[J26] ~Ardoins~, Spaansche fondsen, door een Parijsche bankiersfirma, Ardoin, ter beurze gebracht.

[J27] ~Kansbiljetten~. In 1813 uitgegeven aan de houders van Nederl. Schuldbrieven, welke door Napoleon bij zijn ~tierceering~ (d.i. ontkenning van 2-derden onzer Schuld) waardeloos waren verklaard; hij, wiens kansbiljet uitlootte, kreeg dan tegen inruiling van een stuk waardelooze, immers ook na 1813 ~rentelooze~, schuld een bewijs van ~werkelijke~ Schuld. Met deze kansbiljetten schijnt men veel gespeculeerd te hebben; 't geheel was een credietregeling w/op Jan niet trotsch behoefde te zijn.

[J28] ~Jantje Goddome~, een vloekende vent en ~Jan Kalebas~, kerel van niets, als de holle kalebas; vgl. „Een redeneering van Jan Kalebas, een rekening van J. K.”—Dr. Stoett vertaalt Jan Kalebas door blufferd en haalt uit de 17e eeuw aan: ~Don de Calebassa~, als spotnaam voor Spanjaarden, die op de vlucht geslagen zijn.

[J29] ~Jan Hagel~ en ~Jan Rap en zijn maat~. Bekende uitdrukking voor gepeupel. ~Jan Rap~ werd ook vooral de scheldnaam voor de vrijzinnigen op godsdienstig gebied, die met hun vrijdenkerij te koop liepen. Denk aan de ~Genestet~'s: „Jan Rap is zeer vrijzinnig, zeer”—

[J30] Denk aan de stichting van ~v. d. Bosch~: De Maatschappij van Weldadigheid, met haar landkolonies voor bedelaars, die langen tijd als de oplossing van de landloopers-kwestie golden en nog in onze dagen navolging vonden in de kolonies van 't Leger des Heils.

[J31] 't Schavot.

[J32] In de 17e eeuwsche minneliedjes hield men, naar Italiaansch voorbeeld, zeer van verkleinwoordjes. Maar zoo kwam er iets zoetelijks, slaperigs ook in de verzen.

[J33] De ~Muzen-Almanak~: In het jaar 1819 gesticht door I. Immerzeel, uitgever en „dichter,” later bij Laerman verschenen. Beets, v. Lennep, Ten Kate, Hazebroek, Heye, ook Potgieter zelf, gaven er verzen in; later kwam er ook proza in, o. a. in die van 1842 een stuk van mej. Toussaint.—

[J34] Potgieters woorden, hier neergeschreven ~tegen~ Cats en vóór Hooft en Vondel zijn als de Inleiding tot zijn latere uitvoerige beschouwing in ~'t Rijksmuseum~.

[J35] Schimpscheut op ~Van Alphen~ met zijn bekend:

We zaten laatst bij Saartje, Die goeie oude dienstmaagd, Die wafeltjes kan bakken, enz.

[J36] ~Joannes Antonides v. d. Goes~, Vondels trouwe leerling en navolger, (1647–1684), vooral bekend door zijn allegorisch gedicht De IJstroom (1671).

[J37] ~Onno Zwier van Haren~ werd geacht in de 18e eeuw, met zijn ruige en onafhankelijk gedachte verzen, den 18e eeuwschen slendergeest de bons gegeven te hebben; doch Bilderdijk was noodig geweest om zelfs deze te doen waardeeren.—En Bilderdijk met zijn vurigen aard was zelf een Jan Saliedooder die er zijn mocht! Een gedicht als ~De Ondergang der eerste wereld~ was zeker geen predikatie in Cats-trant!

[J38] De rhetorica, die inderdaad binnendrong, en door de jongeren van 1880 er weer uit gebonsjoerd werd.

[J39] Een zelfde gerijmel werd ook later in ~Braga~ bespot. Maar 't kwam telkens weer op.—Tot ~Cornelis Paradijs~ het voor goed, naar we hopen, doodde.—Potgieter zelf had trouwens in zijn jeugd ook boezem op bloesem laten rijmen!—(Fragment, 1830).

[J40] D. i. de school der jongeren van 1840, onder aanvoering van Potgieter zelf.

[J41] ~Flapper~. Kan met deksel, dat toeflapt.

[J42] Zie noot R45 bij ~Rijksmuseum~.

[J43] ~Kandeel~. „Warme drank, bereid uit melk of wijn met dooiers van eieren, suiker en kaneel (inzonderheid voor jonge kraamvrouwen)”—zegt van Dale. In Hoofts Warenar hebben we den bekenden regel: „~Kandeel en hyprocras is te veel op één dag.~”