Jan, Jannetje en hun jongste kind—Het Rijksmuseum met inleiding en aanteekeningen van L.S. en vier-en-veertig afbeeldingen

Part 3

Chapter 33,912 wordsPublic domain

En hoe ver Jan en Jannetje het in de wereld brengen mogten, het hunne bleef er niet van verschoond;—gluur met mij dien hoek in, als ge weten wilt wat het is!—Oef!—De verzuchting, die aan Janmaat bij het verzoek ontglipte, de verontwaardiging, waarmede hij hem, die het deed, nu den rug toekeert; zij hebben niets verbazends, als men den langen slungel aanziet, die ginder slemp schenkt, en ginder slemp lept: welke doffe oogen!—welk een meelgezigt!—welk eene houding van slierislari![J17]—Welk eene ergernis vooral, als ik het u niet langer verhelen mag, dat dit ongeluk de jongste zoon is van Jan en Jannetje; hij, de patroon aller slaapmutsen, aller soepjurken, aller sloffen te onzent! hij, Jan Salie!

Al had ik het u niet gezegd, ge zoudt zijne maagschap hebben gegist, als gij, onder het korte gesprek tusschen den vader en den eerstgeborene het gelaat der moeder had gâgeslagen; als gij de aarzeling hadt opgemerkt, waarmede zij Jan Salie's uitnoodiging bestraffen wilde, maar niet durfde! De pikbroek zag het en schoof zijn' stoel om, en blies eene wolk uit zijn kort eindje, opdat niemand zien zou, hoe waterig zijne oogen werden, ruwe zeebonk, als hij is!

En Jan—Jan, die in zijne kracht de degelijkste man was, die er op twee beenen liep, die vroom en vroed zoo láng bewees, hoe diepen indruk het op hem maakte, dat er geschreven staat: „~Bidt en werkt!~”—een woord uit den Bijbel, dien hij zelf vertaalde;—eene vertaling, waardoor hij zijne taal schiep;[J18]—wat doet Jan? Schudt hij zuchtende het hoofd, als iemand, die onder de pantoffel staat; als iemand, die zich op de flauwe verontschuldiging beroept:

„Bij wijlen heeft Mijnheer den naem, Mevrouw de daet?”

Goddank, neen!—„Houd moed, Janmaat! er zal te avond een einde aan komen,” zegt hij, en reikt nu een paar anderen gasten de hand; gasten, die Jannetje te regt vriendelijk ontvangt; gasten, van welke de eene er alleropgeruimdst uitziet. Wie zijn het, vraagt ge?

Terwijl zij de welkomstgroeten wisselen, terwijl zij hun eerste glas leêgen, hebben wij gelegenheid voor eene enkele opmerking—ik vlei mij, dat gij er hen te volkomener door kennen zult.

Onder de spreekwoorden van Jan's buren, onder die der groote Heeren, welke eenen belangrijken invloed op zijn vroeger leven hebben uitgeoefend, treffen wij er vele aan, die tot in hart en nieren toe monarchaal zijn. „Hij, die de koe des Konings heeft gegeten,” plagt de Spanjaard te zeggen, „hij zal nog over honderd jaar hare beenders moeten betalen!”—Wie herinnert zich den Gallischen haan niet, zoo dikwijls hij van koning kraaijen hoort spreken? De Duitsche volksgeest wist geene volslagener armoede uit te denken, „dan waar de Keizer zijn regt had verloren.”—„~Must is for the King~,”[J19] zei de Engelschman, en de groote weg heet bij de Deenen de weg des Konings!

Hoe weinig zijn daarentegen de spreuken, door Jan, in de dagen van zijnen bloei, aan de Staatsmagten ontleend; hoe getrouw spiegelen ons de enkele, die hij soms nog bezigt, zijne republikeinsche huishouding af! Het Wilhelmuslied heeft de oudste brieven; maar tegen elk der zegswijzen, waarin het voortleeft, zou ik er eene over kunnen stellen, op het Admiraalsschip betrekkelijk; alsof de wedijver tusschen de Landmagt en Zeemagt tot in het rijk der spreekwoorden toe had geblaakt! Er is in geen van beide een zweem van eigenlijke heerschappij; Jan's phlegma en Jan's spotzucht kwamen aan het licht, als hij zoowel van Stedelijke Regeeringen als van Staten-Generaal zeide:

„Wat de Heeren wijzen Moeten de gekken prijzen.”

Het vierigst Oranjedeuntje was niet meer dan een wensch voor de toekomst, dan de hoop, eens een bepaald gezag te mogen toekennen:

„Al is ons Prinsje nog zoo klein, Toch zal hij eens Stadhouder zijn!”

(Een liederlijk rijm, volgens Bilderdijk, het zij in het voorbijgaan opgemerkt!)

En echter was Jan daarom niet blind voor de gebreken, aan zijne staatshuishouding verknocht, voor de gevaren, waaraan zij blootstelde,—de bron van zoo vele rampen werd door zijn gezond verstand beschreven en gelaakt, in het kernachtig woord uit zijnen mond: „Daar dienen geene twee groote masten, op één schip!”

Van waar dan, vraagt men misschien, van waar de onverschilligheid van Jan, van waar dat hij zoo lang den kamp duldde, schoon hij de ellende voorzag, die er uit zou worden geboren? Dewijl, antwoord ik,—en moge dit mijne afwijking verontschuldigen!—dewijl twee andere dingen Jan naauwer aan het hart lagen, dan die regeeringsvormen; dewijl de welvaart van twee andere personaadjes in zijne oogen van meer gewigt was dan het oppergezag van de Staten of van den Prins, van den Prins of van de Staten, als ge wilt; dewijl twee zonen zijner lendenen de eigenaardige beheerschers van zijn handeldrijvend volk waren geworden: Jan Contant en Jan Crediet, de beide jongeluî, die straks binnenkwamen!

Waar schuilen ze nu in de menigte van gasten, onder onze beschrijving allengs om haard en disch gegroept? Jan houdt nog van eene zaal als eene kerk als hij menschen ziet, al hebben zijne dagelijksche vertrekken dat luchtige, dat opene, dat ruime niet meer, waarop hij weleer gezet was. Een vrije geest ademde u toen uit alles wat hem behoorde toe; hij wist van geenerlei engte, noch stoffelijke, noch verstandelijke. Dit feestvertrek voldoet nog aan die vereischten, uitgezonderd dat de hooge schouw, en de brandstapel, van turfmuren en beukenblokken opgebouwd, verdwenen zijn. Jan! Jan! waarom deedt gij daar afstand van, ten behoeve van een schoorsteentje met marmeren mantel, eene spanne breed, waarom liet gij dien inkrimpen tot zijne schaduw, tot eene nis? Foei van Engelsche haarden, Duitsche kagchels, smakelooze vierkanten van porselein,—hoe plagt de vlam u toe te lagchen, weêrspiegeld in de koperen zijkelooze vierkanten van porcelein,—hoe plagt de vonken weleer den donkeren krater in! Hoe,—maar daar zien wij ons paar weder, zij zitten naast elkaêr als leden van eene firma,—zoo hoort het!

Die weltevredene, tonronde, overdrieste vent is Jan Contant; hij rigtte het huis van negotie op, dat Jan Crediet uitbreidde. Wie dezen met een paar streken teekent, hij treft hem niet. De man heeft in zijn voorkomen iets van een zaakwaarnemer van grooten huize, zoo deftig is hij, zoo bedaard, zoo fijn schier. Niemand verdenke mij, dat ik dit woord kwalijk meene; zou hij het zoo ver hebben gebragt als hij niet eerlijk van inborst was? Gij kunt het den stouten opslag zijner oogen aanzien, hoe ondernemingziek hij is; maar, even sterk als deze, spreekt uit de plooijen om zijn' mond eene bedachtzaamheid, die zich niet op éen nacht ijs waagt. Hij is er klaarblijkelijk de man naar, om, wat Jan Contant met al zijne voortvarendheid begint, vol te houden en op te trekken, en deze, daarentegen, het levend gezond verstand, dat Jan Crediet bij den arm wakker schudt, als de laatste zich, al mijmerende, toegeeft in het bouwen van luchtkasteelen. Geen wonder, dat zulk eene associatie het verre bragt! Hunne firma is niet alleen op iedere beurs van Europa, zij is in de beide Indiën, zij is tot in China toe zoo goed als de Bank; hunne naamteekening geldt meer dan die van Koningen en Keizers! Het zijn leepe vogels, die zich den dubbelen roem mogen toeëigenen, dat hunne wijsheid

„Uitheemsche ballingen, van have en huis berooft, „Gelockt, gewelkomt ~heeft en in hun schoot~ gestooft.”

en bovendien:

„Met kielen ingesleept den oogst dien 't Oosten las, „Ja, daer de naelde zwijmt gestaen naer vrijen pas.”[J20]

„Kinders!” zegt Jan tot hen, „kinders! Janmaat heeft zich straks bitter beklaagd, dat ik in langen tijd niets voor hem over heb gehad dan een onnoozel kruistogtje,[J21] dan eene verdrietige non-activiteit! Mijn oudste heeft niet geheel ongelijk. Maar als ik wat aan hem zal doen, dan moet mijn jongste kind geplaatst wezen, dan moet die kwelgeest mijn huis uit.”

Jannetje! hoort gij het?

„Wie van jeluî wil nog eens beproeven wat er in hem steekt? Jan Contant en Jan Crediet, wat dunkt je? er moet wel weêr eene plaats bij je open wezen, het wordt anders met den borst twaalf ambachten dertien ongelukken!”

Ik heb met Jan op, dewijl de naam Jan Salie niet over zijne lippen wil!

„Probeeren, Vader! probeeren?” herneemt Jan Contant, „ik heb hem acht dagen lang achter den lessenaar zien druilen, toen had ik er wèl van—”

„Acht dagen?” valt Janmaat in, „hij lag me van Doggersbank af al aan boord.”[J22]

„Mijn vennoot,” begint Jan Crediet—de man heeft eene eigenaardige phraseologie—„mijn vennoot joeg hem in de eerste week het magazijn uit, het kantoor af, de straat op; alles wat er in den knaap school, wou hij een, twee, drie aan den dag zien komen, even als de muntspeciën uit den geldzak; ik vleide mij, dat ik wist wat de tijd vermag! Maar schoon er geen betere school is dan de mijne, als men leeren wil, „van niets iets” te maken, zeggen mijne vijanden,—om weinig in veel te verkeeren, beweer ik,—toch moet ik bekennen, dat ik na al mijne proeven niet weet, waartoe ik hem gebruiken zal. Voor den goederen-handel, dat zag ik bij het eerste gezigt, voor den goederen-handel deugde hij niet—die eischt allerlei kennis van reederij—van uitreize en van tehuisvracht—van assurantie—van wissels—van artikelen—van markten—van talen—van zeden—van volken,—Jan Salie zou overal te laat komen en zich overal beet laten nemen,—ik zal er maar niet meer van reppen, ge mogt anders denken, dat ik mij zelve prees. Ik dacht een baantje voor hem gevonden te hebben in de fondsen,[J23] wat dagbladen-lectuur,—een beursgangetje—een beetje cijferen—luttel werks en toch rente—een bedaard verbeiden van den verschijningsdag der coupons—en dan eene groote schaar om ze af te knippen—wat is gemakkelijker? Ik had hem een kapitaaltje toevertrouwd, om te beleggen in ~Surinaamsche Obligatiën~; als hij het met verstand had gebruikt, was hij al een ~man in bonis~[J24] geweest, maar wat is er van teregt gekomen? Hij schoot voor op allerlei Plantaadjes; hij gaf voor de beste driemaal meer dan zij waard waren; wie weet niet hoe hij geplukt is, hij, die alles maar liet vlotten en drijven!—Sedert heb ik een oog meê in de boeken gehad en hem aandeel in betere leeningen gegeven, de Metallieken,[J25] de Russen, Onze papieren”—(Jan Crediet blijft toch altoos Jan Crediet!)—„maar zoo vaak ik mijn handen met andere dingen vol had, en de zijne dus vrij waren, wat kocht hij anders in dan prullen? In den laatsten tijd ~Ardoins~[J26]—, niet nu ze voor een zuur gezigt te krijgen zijn, maar toen ze boven de zestig stonden,—~Griekjes~—minder omdat hij zooveel tegen Turken had, dan dewijl zijn beunhaas hem te fijn af was,—~Zuid-Amerikaantjes~...”

„En Kansbilletten?” klinkt het uit den hoop.[J27]

„Stil, kwâjongen!” roept Jan.

Wij willen niet vragen wie de vrager is, die Jan Crediet zoo eensklaps zuur doet zien; wij willen hem niet opzoeken onder de Jantjes Goddome en Jannen Kalebas[J28] die in een' hoek des vertreks zitten te klinken, dat hooren en zien vergaan! Er zijn spotters genoeg onder de snaken. Waarom Jan de ploerten ontvangt, waarom hij er soms nog al meê op heeft, wie zal het zeggen? Valt die liefhebberij voor het gemeene welligt aan zijne burgerlijke afkomst toe te schrijven? Is het de overdrijving eener deugd, is het onwil een' der zijnen te verloochenen? Dat hij hen dan ten minste allengs aan strenger tucht gewende, dat hij hen dwong, leden van het ~Matigheids-Genootschap~ te worden, waarmeê hij nu zijne misdeelde kinderen, wien armoede toch al tot matigheid verpligt, waarmede hij nu Jan en Alleman kwelt! Waarlijk, ik begrijp zijne toegeeflijkheid jegens die heertjes van luttel verwachting, wier hoed op het linkeroor zit, wier neus van karbonkels schittert, wier gebaren zoo ruw zijn, ik begrijp haar niet half zoo goed als de genade, welke hij, allengs milder, aan Jan Hagel en Jan Rap en zijn' Maat bewijst.[J29] Hij heeft zich te lang het vaderschap over die ellendigen geschaamd; hij heeft hen zoo dikwijls en zoo vruchteloos met galg en rad gestraft, dat hij eindelijk is begonnen te twijfelen, of geeselen en genezen wel één en hetzelfde was? „Ik heb allerlei straffen beproefd,” zeide hij; „als ik hen eindelijk eens verpligtte te werken?”[J30] En het pleit voor zijn vaderingewanden, dat hij tegenwoordig meer doet dan hun stichtelijke predikatiën te houden, als ze in de boeijen zitten, als ze naar het treurtooneel gaan;[J31] dat hij hunne kinderen op school neemt, hoe haveloos, hoe havikkig ze er ook uitzien! Jan's goed hart vertrouwt te regt, dat er verband is tusschen verlichting en veredeling, Jan zou een weêrgalooze vent zijn, als hij zijn jongsten zoon maar niet had.

„Zoo als ik zei, Vader!”—herneemt Jan Crediet, „ik heb de proef genomen, of er wat bruikbaars in Jan Salie stak; de uitslag was ontmoedigend, ja, ontrustend zelfs; in de laatste jaren... maar... wie zijn neus schendt, schendt zijn aangezigt,—gij eischt niet, dat ik er ons huis weder aan wage.”

Krachtig schudt Jan het hoofd.

„En dus heeft Jan Salie voor goed zijn afscheid van ons. Het beste wat gij met hem doen kunt.”—

Hij zou geen Jan Crediet zijn, als hij er niet altoos wat op wist!—

„Het beste is, dat gij hem”—

„Wat? mij weêr opdringt?” valt een schalk uit,—die de eer zal hebben zich zelven aan u voor te stellen, dewijl het u verdrieten zou, zoo ik voort bleef varen, al die gasten hoofd voor hoofd te beschrijven; te meer, daar de kring allengs grooter is geworden,—„hoe heb ik er voor geboet, dat ik hem in zijne wieg een aardig wichtje vond, dat ik hem tot mijn ~cupidootje~ maakte!

„Cupidootje! met zijn loddrige oogjes!”[J32]

„Ik, die weleer Jan de Poëet heette en het waarachtig was; ik, die nu maar Jan de Rijmer ben, schoon ik mij betere! ik zou de koorts krijgen van ergernis, als ik weêr naar zijne pijpen dansen moest; als ik weêr moest toeknikken bij zijn loflied:

„Wat ben je lief, „Mijn hartedief! „Wat ben je goed, „Mijn simple bloed!”

„Eer ik hem mijne kunst weêr laat verknoeijen, geef ik een' Muzen-Almanak[J33] met louter prozastukken uit. Weet ge dan niet, hoe ik onder zijn' saaijen dwang heb geleden; weet ge dan niet, dat ik het Cats nog nauwelijks vergeven kan, dat hij het jongsken aan zijne knieën spelen liet? Ik had er Hooft, ik had er Vondel eens meê moeten aankomen![J34] Hooft en Jan Salie! Hooft, in wiens torentje allerlei nymphen stoeiden, Grieksche en Italiaansche, Latijnsche en Gooische nymphen; Hooft, die van kusjens en knepen zong, maar ze nooit aan de poffertjeswangen van onzen sukkel zou hebben verkwist! En Vondel—Vondel, wiens oogen zouden gebliksemd hebben, als ik zijne reijën had gestoord door het salieroepen van ons broêrtje; Vondel, wien onze westelijke luchtstreek maar half vernoegde; die naar het Oosten uitzag; die smachtte naar licht! O, dat ik had blijven voortroeijen op de adelaarsschachten mij door beide bedeeld; hoe hoog zou ik nu gesteigerd zijn! Maar ik wilde der menigte gevallen, ik hield me aan Cats, hij had op met het stille, huiselijke, bescheidene jongsken; hij maakte er versjes zonder tal voor! Toen hij stierf, was ik al half onder den invloed van Jan Salie ingedommeld; ik zou anders de leerlingen hebben getuchtigd, die den meester in zijne gebreken navolgden,—altoos herhalende,—flaauw tot walgens toe. Ook werden zij uitgevraagd zoo vaak er wafelen werden gebakken, zoo vaak er slemp werd gelept; o, dagen mijner schande![J35] Als ik soms—ook ik droeg in mijn geweten den wreker met mij om!—als ik bij wijle nog eens een stuk van de groote meesters wilde voordragen; als ik een fragment uit Antonides[J36] aanhaalde, dan kneep Jan Salie mij in den arm, dan zette hij eene keel op, leelijke schreeuwer als hij is! „Broêrlief!” zeî hij dan, „broer! wat liefhebberij heb je er toch in zoo hoog te vliegen, blijf bij den grond, en je zult meer pleizier doen!” Och! we zijn bij den grond gebleven, totdat niemand meer dacht dat ik vliegen kon, totdat allen, wetende dat zij toch niet meer behoefden op te kijken, om mij te volgen, in slaap vielen, zoodra ik begon. Het heldendicht—o, wat eposjes!—het lierdicht—o, wat odetjes!—het minnedicht—o, wat klagtjes!—ieder genre was in predikatie's ontaard; ik wist in verzenbundels van alles wat te vertellen, maar den hartstogt werd ik vreemd; Poëzij en Jan Saliegeest, hoe konden zij zamen gaan? Verlamlendigd en verlamzaligd had ik niet eens ooren meer voor Van Haren; Bilderdijk moest me tot hem optrekken; Bilderdijk schudde mij wakker.[J37] Van toen af scheidden wij; Jan de Poëet gaf Jan Salie den schop. Of al mijne zangers als ik beu van hem waren; of zij inzagen dat hij onder het mom der rethorica op nieuw binnen zoekt te dringen![J38] Ik weer hen met vuist en voet van mijn' drempel, die minnelijmers, wier stukjes de botste kan invullen, als hij maar de eindrijmen kent, luister:

„De ~schroom~. In den ~droom~, Of de ~klagt~ In den ~nacht~;[J39] „Het slordig gerijmel van ~bloesem~ op ~boezem~;

„Ik weer die nog ondragelijker spreekwoorden-berijmers, welke den volke eene les aanschouwelijk maken, die het reeds zelf in beelden heeft gebragt:—

„En liefst van alledaagsche zaken „Op hun versleten doedel kwaken!

„Ik weer bovenal die venters van aardigheden, welke mij in een hansworstenpak steken, als had ik geen andere roeping dan te goochelen met woorden en klanken—

—, „Waar drommel haalt de bruî de woorden toch van daan!”

„Bedaar, jongen! bedaar,” roept Jan,—hij plagt van ouds van poëten te houden—„eer de vreemden ons weêr zouden uitlagchen, ligge mijn jongste voor een' doeniet t'huis.”

„Slechts aan hen,” herneemt Jan de Poëet, „slechts aan de rhetorici, die mij handen vol werks geven, slechts aan deze heb ik het te wijten, dat Jan Crediet mij ingewikkeld verwijt, dat mijne kunst eene nuttelooze weelde, dat haar tijd voorbij is.”—

„Wie weet of ge niet juist ziet,” valt Jan Crediet in: „wij, de luî van de negotie, we hebben altijd zin gehad voor iedere glorie, want we trokken van elke partij. Als ge meer op de hoogte onzes tijds waart...”

„Ik tracht er te komen, zelfs door de bokkensprongen mijner nieuwere school,”[J40] antwoordt Jan de Poëet, „kwel me maar niet met Jan Salie.”

„Hij moet gedrild—hij moet soldaat worden!” klinkt het.

„Wie zegt dat?” hooren wij van twee zijden vragen, eerst door een zachte en aangedane stem, nu op forschen en geraakten toon—een jammerklagt, eene uitdaging.

De eerste ontglipte aan Jannetje—verre van de hoofdgroep verwijderd, ving zij echter het raauwe woord op, en de tevreden lach, waarmede zij straks de feestvreugde gadesloeg, is van haar gelaat verdwenen! Hoe is het mogelijk, dat eene zoo flinke vrouw, dat eene weleer zoo krasse moeder zich zoo zwak betoonde voor eenen onwaardige? Het behoort tot de raadselen des harten, tot de onverklaarbare ongelijkheden van den geest! Hoe, ~alle ding zijn eisch~, was in hare jeugd haar woord; wilt gij er een voorbeeld van, uit honderd, die ik zou kunnen bijbrengen? wilt gij het eerste het beste, dat mij invalt, nu ik haar aanzie? Uit een koperen vlootje liet zij den arme het schrale water reiken; een houten nap was goed genoeg voor de groene wei; maar het poffe bier eischte tinnen flappers[J41]; maar de heldere wijn moest schijnen in een' doorlichtigen roemer; maar de gouden druif van den ~Rhijn~ vonkelde en tintelde in eene lange en fijne fluit.[J42] En nu—wat in dit opzigt veranderd zij—ginds is een ketel te vuur, zij heeft kandeel gebrouwen, en gulden stoopen ontvangen alreê den weelderigen drank.[J43] O, Jannetje! Jannetje! gij die der spreuk in uwe huishouding getrouw zijt gebleven, waarom wilt gij haar in de lotsbestemming uwer kinderen geweld aandoen? Gij, die een' tijd, die ontwikkeling aller gaven eischte, die beurtelings dwong tot dulden, of riep tot durven, waarin have en hals vaak op het spel stonden, die vervreemd scheen van tucht en trouw, en waaruit toch beleid en beraad redde, die koen en kloek, die vroed en vroom maakte; gij, die in zulk een' tijd Jan waardig ter zijde stondt;[J44] gij, die hem onder dat alles gelukkig deedt zijn; gij spreekt nu Jan Salie vóór; gij wilt hem elk zijner broeders opdringen! ~Alle zin zijn wil~, was uw woord, toen de onderscheiden aard uwer kinderen aan het licht kwam,—gij temperdet slechts de overdrijving, die ten verderve zou leiden; maar dezen, dien gij niet kondt verbeteren, dien gij, zoo ge nog in uwe kracht waart, de wijde wereld zoudt hebben ingejaagd,—„vreemde oogen maken menschen,”—dien acht gij nog te goed voor Jan Cordaat, te goed om soldaat te worden;—wees gerust, zwakke, beklagenswaardige moeder! Jan Cordaat weigert hem!

„Wie zegt dat?” herhaalt onze oudste krijgsman, „wie zegt dat? een lafaard, die zijn woord niet staande durft houden!”

„Ik zeg het,” klinkt het eensklaps, „ik!” en eene forsche hand slaat op de linkerheup, als was hij gewend er een' zwaardknop te vinden, „ik” en de vrolijkste, de welgedaanste, de kloekmoedigste van Jan's kinderen strijkt de haren uit het gezigt.

„Jan Compagnie!”[J45] herneemt Jan Cordaat, „de scheldnaam ~lafaard~ past niet op u, hij heeft nooit op u gepast.”

„Verontschuldiging te over, brave borst! en toch houd ik mijn woord staande.”

„Hoe!” roept Jan Cordaat, „hoe, waarmeê heb ik dien smaad verdiend? Waart gij ooit op Java de man geworden, die ge nu zijt, als ik geene andere jongens had aangevoerd dan Jan Salie's? Stel eens, dat ik tegen den list der inboorlingen niets anders had overgesteld dan zijne traagheid!”

„Ik wil hem niet eens tot koelie van mijn' palanquin,”[J46] valt Jan Compagnie in; „op een' mooijen dag zou hij mij halverwege een' berg neêrsmakken, al zuchtende: „Oei!—wat—eene—vracht!” Maar mij dunkt, zoo iets zijn' aard kan verkeeren, dan moeten de stok, de strafdivisie—”

„O, die zuurdeesem uit de dagen der republiek!”—barst Jan Cordaat uit,—„toen men mij zoo noode in fatsoenlijk gezelschap ontving, toen ik bij het uitschot van vreemden werven moest, hij is nog niet uitgegist. Maar wie van allen hier heeft zich minder zijne herinneringen te schamen, dan ik,—help mij, Jan de Poëet! help mij, en getuig, hoe ik gestreden heb onder vijf Vorsten uit hetzelfde Huis—”

„En ieder een doorluchtig man,”

vult Jan de Poëet aan.

„Ik, die met den Prins over de Maas ben geweest—”

„Een eenigh zwijgher weegt de werelt in een schaal—”

klinkt het er tusschen—waar vond de schalk den regel?[J47]

„Die met Mouringh, bij Nieupoort, de zege zoo gaarne bij de vleugels had gepakt, om ons verder te voeren,—met Mouringh—”

„Voor wien alle oorloghsman in zijnen tydt zou wijken,”

valt Jan de Poëet in.

„Die met Fredrick Henrick zeven steden nam,” vaart Jan Cordaat voort.

„Geen heilstar kende als 't licht dat op zijn helmtop ~blonck~,”[J48]

zegt Jan de Poëet.

„Die met Willem den Tweeden voor Amsterdam”—[J49]

„Wat haper je?” roept Jan uit: „Grootvaêr, Oom en Vader hadden den kroon verdiend, dien hij nemen wou.”—

„Die met Willem den derden”—

Het is of Jan de Poëet het stilzwijgen, straks door hem bewaard, wil vergoêlijken; hij haalt Vondel's meesterstukje aan:

„Prins Willem draaft alle Aemstelridders voor!”[J50]

„Dat was de profetie van hetgene er in den borst stak,” herneemt Jan Cordaat. „Hij, die ons Land voor den ondergang behoedde—”

„Die 't Christenrecht beschermde en 't recht van 't Algemeen,”[J51]

klinkt het zegevierende, alsof het Lodewijk XIV nog in zijn graf tarten moest.