Jan, Jannetje en hun jongste kind—Het Rijksmuseum met inleiding en aanteekeningen van L.S. en vier-en-veertig afbeeldingen

Part 2

Chapter 23,955 wordsPublic domain

De oudejaarsavond-toespraak, de oudejaarsavond-toost, de oudejaarsavond-uitbanning van 1841 hebben zoo spoedig niet gewerkt; Jan Salie loopt in 1844 nog rond—(hij deed 't nog in 1880, doet hij 't niet ook nog nu?)—Andermaal moet dus de slappe tijdgenoot opgestijfd worden tot sterkte, en losgerukt uit de begoocheling van zijn zelfgenoegzaamheid door een vergelijking met de stevigheid van het voorgeslacht. Nu echter niet in een figuratief stuk—direct op den man af. En statig, als bij het gedroomde Rijksmuseum past, dat Potgieter niet voltooid zou zien, begint het: „Er was een tijd, waarin de weegschaal der volkeren van Europa door hare vorsten niet werd ter hand genomen, of de hollandsche maagd, aan hunne zijde op het regtsgestoelte gezeten, wierp er mede haar oorlogszwaard of haren olijftak in.”—Ge voelt, aldus aangesproken, iets vreemd over u komen; onze welsprekendheid heeft de deftigheid, de beeldsprakigheid van zulk een uitgevoerde figuratie afgelegd, we hebben ~alle~ welsprekendheid, ~alle~ deftigheid van ons afgeworpen, zooals we de historische schilderij, door Potgieter de hoogste openbaring der schilderkunst geacht, hebben vaarwel gezegd; zooals we, in de schilderkunst, in het geheel de zorgvuldige uitvoerigheid van nog 40, 50 jaar geleden hebben verzaakt, in onze behoefte om de bewegelijkheid, de gevoeligheid, de door zon-en-licht-gebrokenheid van lijnen, kleuren en tonen weer te geven. De onrust van ons leven, de prikkelbaarheid van onze zenuwen, de gevoeligheid voor overgangen, halftonen en tinten, die we in ons gekweekt hebben, verdraagt zich slecht met de strakheid, de vastheid, de intellectueele stevigheid van vroegere uiting, wier rythmische zwaai zoo ruim ~over~ de dingen heengaat, dat alle onmiddelijkheid van zegging, alle gevoeligheid van toets er vreemd aan moet blijven.—Het is of we, deze perioden van Potgieter lezend, onder vreemd gezelschap staan; veel vreemder dan dat van de 17e-eeuwers en zelfs van middeleeuwers. Vondels proza, als ge even aan zijn uitdrukkingen gewend zijt, doet u veel inniger aan dan dat van de eerste helft der 19e eeuw, en dat Potgieter het zijne zooveel archaïstische wendingen geeft, maakt dit niet lichter aansprakelijk. Maar ten slotte heeft elk tijdperk en elk groot auteur zijn ~manier~,—over de schrijfwijze der „modernen” schudden nog altijd ouderen van dagen het hoofd—en de les, die onze studie van vroegere tijdperken ons geleerd heeft, is immers juist déze: dóor die manier tot het ~wezen~ van den kunstenaar en van zijn werk door te dringen. Wie het 't ~Rijksmuseum~ van ~Potgieter~ doet, nu gewaarschuwd voor wat hem te wachten staat, zal zich dat doordringen waarlijk niet beklagen. Ik heb beproefd hem met mijn aanteekeningen, en aanhalingen vooral, op den weg te helpen, waar P. wat al te veel van onze kennis veronderstelt in zijn fantaiseeren over onze historie, over en bij schilderijen, en zijn streven dit vooral in zulk een schrijfwijze te doen, die meest zou afwijken van het gewone.

* * * * *

Een woord hier over het ~Rijksmuseum~ zelf.—

Wat Potgieter als zoodanig kende was de stichting van Koning Lodewijk Napoleon in 1808, later verplaatst en aangevuld. Het ~Groot Koninklijk Museum~, door dezen bij besluit van 21 April van dat jaar gegrond, vond aanvankelijk berging in het Koninklijk Paleis op den Dam en bestond uit 65 schilderijen in dat jaar te Rotterdam aangekocht; 225 stukken, afkomstig uit het kabinet van Prins Willem V en in 1798 in den Haag in het „Nationaal Museum” aldaar geplaatst, bovenal 7 groote doeken, afgestaan door de stad Amsterdam, w. o. de Nachtwacht, de Schuttersmaaltijd, de Staalmeesters, het groote Schuttersfeest van Govert Flinck. Een jaar later werd een verzameling van niet minder den 137 „meerendeels uitnemende” schilderijen (kabinet van Heteren) en nog 7 stuks van Mevr. Bicker aangekocht. Daarna was er een stilstand en werd in 1815 de geheele verzameling naar het Trippenhuis overgebracht, waar zij bleef tot 1885, toen het nieuwe museum geopend werd. Tusschen 1815 en 1844, het oogenblik waarop Potgieter er ons rondleidt, was de verzameling door aankoopen en ruilingen niet onbelangrijk versterkt (ook door enkele verkoopen verzwakt), althans tot 1830; want daarna vergde de Belgische worsteling te veel van 's lands middelen om voor „kunst” wat te kunnen besteden.—

De catalogus van 1844 telde dus, als straks al vermeld, 386 nummers, tegen de ruim 3000, welke die van 1907 noemt.—Maar niet alleen dat Potgieter er, voor zijn doel, afbeeldingen en voorstellingen miste, die er sintsdien ruimschoots te vinden zijn, er is ook wel wat verschil gekomen in de toeschrijving der werken van bepaalde schilders of de omschrijving van de voorstelling en we kunnen, in ons beter weten omtrent schilder of voorstelling, wel eens niet nalaten te glimlachen om al wat P. uit zijn denkbeeldige stof haalde. Onze tegenwoordige Catalogus, die op zooveel antwoord geeft wat Potgieter in dien van zijn tijd miste, is omtrent dit alles onze gids.—In de elders geplaatste lijst der door ons gereproduceerde werken vindt men de noodige aanwijzingen.

* * * * *

Ten slot een woord over P's tekst en mijn ~Aanteekeningen~.

Ik heb—allereerst—bij het volgen van den gebruikelijken tekst, mij de vrijheid veroorloofd, enkele blijkbare misschrijvingen en drukfouten in het gedrukte te verbeteren zonder hiervan (dit is geen filologen-uitgaaf!) precies rekenschap aan den lezer te geven.

Er bestaat van ~Jan Jannetje~ eene sterk-geannoteerde uitgaaf in de Zwolsche Herdrukken van den heer ~J. J. Bosch~, waarheen zij, die niet alleen maar even willen weten waarop P. doelde, maar ook er graag ~alles~ van vernemen, door mij werden verwezen. Zelf heb ik hier en daar ook van zijn vondsten geprofiteerd; voor het overige moest ik, van zelf sprekend, tenzij waar ik een afwijking vond of ander inzicht had, tot gelijke uitkomsten raken. Ik heb evenwel niet alleen bij beide stukken het stelsel gevolgd van de aanteekeningen zoo beknopt mogelijk te houden, ik heb ze ook beperkt tot die plaatsen, die m. i. absoluut een opheldering vroegen. Natuurlijk zal ik daarbij voor den éenen lezer toch te veel, voor een ander te weinig gegeven hebben; laat ik hopen de waarheid niet al te ver uit het midden gezocht te hebben. Al proefverbeterend heb ik trouwens nog hier en daar niet kunnen nalaten een noot, met een sterretje, tusschen de andere te voegen. Waar ik wèl uitvoerig mee geweest ben, is de aanhaling van door ~Potgieter~ vermelde gedichten. Deze zijn niet minder noodig ter illustreering van zijn proza als de weergegeven schilderstukken; waar hij echter van zeer uitvoerige gedichten als van ~Cats~' ~Houwelyck~ en ~Vondel~'s ~Lof der Zeevaert~ gewaagde, moest ik natuurlijk van overneming afzien.

Voor de illustreering van dit werk heb ik hulp genoten van den heer Directeur en Onder-Directeur van ons Rijksmuseum (de laatste vooral heeft zich allervriendelijkst veel moeite gegeven) en van beide dignitarissen van 's Rijks Prentenkabinet; voor het oplossen van eenige aanteekening-raadsels was Prof. Brugmans zoo vriendelijk den secretaris onzer redactie, die enkele zeer tijdroovende onderzoekingen voor mij instelde, de noodige aanwijzingen te geven, terwijl ik den heer P. H. Mulder te Utrecht voor eenige aanduidingen omtrent den tekst van ~Het Rijksmuseum~ heb dank te weten. Het is mij aangenaam deze hulpvaardigheid te mogen erkennen. Onze lezers danken er vollediger arbeid aan, dan ik hun alleen had kunnen voorleggen.

L. SIMONS.

JAN, JANNETJE EN HUN JONGSTE KIND

Jan, Jannetje en hun jongste kind.

En leer op nietwes staat te maken Als 't geen in eigen krachten is.

O. Z. van Haren.

Oudejaars-avond heeft in ons vaderland het eigenaardige behouden, dat weleer alles wat hollandsch was onderscheidde: hij is huiselijk en degelijk. Ik mag Jan en Jannetje wel, op den laatsten December, bij het invallen der schemering voor een groot vuur gezeten, in een vertrek welks voorkomen ietwat feestelijk is;—ik mag het paar, dat met een opgeruimd gelaat de komst van hunne kinderen en kleinkinderen verbeidt, ten einde te zamen uitgang en ingang te vieren. Het pleegt een vroolijk uur te zijn, maar dat een ernstig doel heeft. Laat vreemdelingen beweren, dat er slechts halve vreugde heerscht, waar de lach uit tranen schemert; als zij een beetje meer zin hadden voor onzen volksaard, zouden zij er verstandelijke levensbeschouwing in zien, die over de zwakheden des harten zegeviert. Doch ik laat dien verdedigenden toon varen, hij strookt kwalijk met de stemming van het paar.

„Wat brui ik er me om, wat ze van mij zeggen?” zou mijn hoofdpersoon mij toeroepen; immers Jan is in den laatsten tijd voor lof en voor laster zoo onverschillig geworden, dat zij hem niet eens aan zijne koude kleêren meer raken,—laat staan aan zijne onderziel.[J1]

En geen wonder!

Jan is zoo dikwijls opgehemeld, en Jan is zoo dikwijls uitgescholden, dat hij eindelijk heeft leeren inzien, hoe hij barsten zou als de kikvorsch, of de geelzucht krijgen als de nijd, indien hij eene hooge borst ging zetten bij ieder:

„Aap, wat heb je mooije jongen!”

van zijne vrienden; of zich kwaad bloed wou maken, bij elk:

„Fij, wat een goore paai is dat!”

van zijne vijanden.

Het is mij of ik Jan in deze uur hoor redeneren, zittende in zijnen leuningstoel, met de Courant van morgen, 1 Januarij 1842, vóór zich:

„Mijne talenten en mijne vernuften,—en ik heb er eene zoó onder mijne jongens!—mijne verhandelaars en mijne dagbladschrijvers,—wie drommel van beide zou wel de knapste wezen?—allemaal prijzen ze mij om het zeerst, en dat hoort niet anders:—al lees ik ze niet, ik betaal ze toch!”

„Wijfje!”—laat hij er op volgen,—„reik mij vast een' schoonen Goudenaar uit die lâ, ik zal er den brand maar eens insteken. Wat komen de kinderen weêr laat, het is al over achten! Het is waar, de Synode van het jaar Zestien[J2] heeft ingevoerd, oudejaars-avond kerk te houden,—ge hebt immers wel gezorgd, dat er tabak in de doos is?”

Jannetje knikt en reikt hem die toe, en hij stopt zijne pijp met eene pruik,—eene verkwisting, welke zij Jan nooit heeft kunnen afleeren,—en hij knort op de meid, die geen geglommen kooltje in het komfoor bragt—eene huishoudelijkheid, die Jan eere aandoet,—en de lof walmt weg als de damp, en laat als deze—~niets~ achter.

Maar hoe springt hij met den laster om?

„Hm! John Buhl,” zegt hij, „dien ik het minst vertrouw, als het zoo mooi tusschen ons lijkt—hm! Hans Moff,” voegt hij er bij, (zou die Courant hem weêr hebben geërgerd?) „Hans Moff, die doorslaat, nu hij de bietekroten ~idealisirt~ hm! hm! hm! Monsieur ook al, wien het toch heugen moest, hoe goed hij het hier had;[J3]—tot Jonathan toe, waratje! die nog op geen New-York zoude bluffen, als ik geen Nieuw-Amsterdam had aangelegd, allen geven ze mij steken onder en boven water, wat bliefje? maar dat hoort ook zoo,—het is beter benijd dan beklaagd!... Een boordevolletje, Mijne Heeren! maar, met uw verlof,—op mijn eigen welzijn!”

„Wacht ge niet tot de kinders er zijn?” vraagt Jannetje.

„Wacht even,” roepen wij hem toe, „wij zullen gaarne medeklinken.”

Of zou er iemand onder de telgen Jan's wezen, die aarzelt hem bescheid te doen, dewijl het hem toeschijnt, dat het ~Hoofd~ van onzen ~Volksstam~ geen kleintje, neen, verduiveld veel eigenliefde heeft; dat de zelfzucht zoo ongeveer zijn tweede natuur is geworden? Hij zou Jan onregt aandoen. Hij zou toonen ons aller bet-over-grootvader niet te kennen. Hij zou mij in verzoeking brengen Jan's doopceel te ligten. Waarom zou ik het niet doen? Hij behoeft zich zijne afkomst niet te schamen, al overtreft hij zijne voorvaderen.

Niemand zette groote oogen op, wanneer ik hem vertel, dat Jan omstreeks den jare Vijftienhonderd in de luijers lag, en echter heden ten dage als een stevige zestiger nog fiksch op zijne koten staat.[J4] Hij is zoo kloek gebouwd; hij is zoo breed van schouders; zijne knoken zijn zoo forsch, dat tienmalen vijf jaren bij hem nauwelijks die verandering te weeg brengen, welke eenmaal vijf op ieder onzer pleegt uit te oefenen. Ik vrees zelfs, dat men hem zich ouder zal voorstellen dan hij inderdaad is, als ik van over de zestig spreke; schoon Jan de wereld heeft bekeken, Jan heeft zijne kuiten nog niet verloren: voor een ~Patertje langs den kant~ zegt geen meisje „ba!” van hem. En wat zijne zaken betreft, daarin geeft Jan het u en mij nog te doen; hij was de eerste en de laatste in den winkel en op het kantoor, en schoon hij nu de woeligheid over heeft gedaan aan zijne jongens, de rekening waaronder hij „accoord” gezet heeft, komt uit „tot eenen penning;” zegt hij. Spreekwoorden, aan centen ontleend, vallen nog niet in zijnen smaak.[J5] „Dat bewijst den ouden dag,” hoor ik aanmerken; ik geef slechts toe, dat hij den leeftijd lang voorbij is, waarin men overbescheiden, overedelmoedig, overzelfverloochenend pleegt te wezen. Ik zou schier durven beweren, dat Jan nooit zoo oud zou zijn geworden indien hij een van deze drie ooit was geweest. Ik ga verder: ik geloof, dat Jan uit den aard zou zijn geslagen, zoo hij immer zin had aan den dag gelegd voor bleuheid, die zich zoo min weet te schatten als te doen gelden. Jan's Vader, Jan's Ooms, al de verwanten van Jan hadden zaken uitstaan met de Hertogen van Bourgondië, in wier wapen eer een leeuw dan een kruis had gepast, daar zij dol veel van grijpen hielden en weinig van genade wisten. En echter lieten de eenvoudige burgerluî van Jan's familie zich hunne kaas en brood door die groote Heeren niet ontnemen, wat ijzervreters ze in hunne rammelende harnassen ook zijn mogten.[J6]

„Zalig is hij, die zijn jok in zijne jeugd draagt!” zegt de Schrift;[J7] er gaat geen kind op school, dat niet weet te vertellen, hoe zuur Jan het had onder de voogdijschap van den Koning van Spanje! Ik zou het hem ten goede houden, al was hij wat trotsch op de ontwikkeling van zijn karakter in dien tijd. Of ge potlood en papier ter hand hadt, ik schetste u hoe hij uit vrijën ging, in het schoone saizoen in een' boeijer, maar met een paar stukjes geschut aan boord; in den barren winter op schaatsen, maar met de geladen buks op zij; een flinke borst, die gaarne allerlei gevaar trotseerde, om een uurtje met zijn liefje te kouten. Een minder degelijk paar had, onder omstandigheden als de hunne, het huwelijk uitgesteld, tot beiden te oud waren geworden, om zich naar elkander te leeren schikken; maar welk een weêrga's wakker gezin was het zijne, onder ongehoorden wederspoed! Zoo ooit jongeluî verdienden te worden voortgeholpen, dan waren zij het—ik weet geen' grooter lof voor beiden, dan dat Willem van Oranje er pleizier in vond dit te doen!

Een portret van Jannetje te leveren, zou een lust wezen, zoo het geene meesterhand eischte. Om er echter niet schaakmat af te komen, moet men de gaven van Rembrandt aan die van Rubbens paren. Ik wil wel gelooven, dat er zulke witte raven vliegen; maar ik vrees niet, dat iemand zal ontkennen, dat zij zeldzaam zijn. Immers, louter met het gloeijend koloriet, louter door de tot overdaad toe weelderige vormen van den vlaamschen meester, treft men Jannetje niet. Als ze gelijkend zal worden voorgesteld, mag de nadenkende ernst van den hollandschen schilder bij uitnemendheid, mag de rustige zielskracht, waardoor zijn beelden de duisternis om hen heen verlichten, er niet aan ontbreken. Eene moeder wordt echter het liefst in hare kinderen geprezen, en die hadden de kloeke echtelingen bij de vleet; Jan genoot onder al zijne ellende den zegen van Roemer Visscher:

Een vrolijck wijf en eerbaer bij desen, Slapen dat de nacht schijnt kort te wesen.

En kijk hare dochteren maar eens aan, als gij weten wilt, hoe de deftige matrone er in den bloei van vrolijk- en jolijkheid uitzag. „Mijne kinders vallen tengerder dan ik plagt te wezen,” moge zij klagen; smeltend noch smachtend hebben de oolijken niets van het teringzieke, dat uit vreemde poëzij in de onze is overgewaaid, maar dat wij toch niet mooi vinden dan in verzen![J8] Wat goedronde gezigtjes,—blank als de sneeuw, welke ook de kleur der geestige kijkers moge zijn,—wat gulgaauwe lach, als we regt kennis hebben gemaakt, en zij ons wild woelwater schelden, schoon zij stouten schalk meenen. Welke ronde, mollige armen; welk een ~zeebarichen~[J9] boezem, zoo als een dichter harer jonkheid zeide;—een mooi woord, Venus zelve rees immers uit het blanke schuim der golven op?—Jannetje ziet wel eens zuur, het is waar, als zij al den vreemden opschik gâslaat, harer dochteren om „de teêre leedjens bengelt;” Jannetje ziet nog zuurder als zij de piano hoort rammelen en haar oor uitheemsche klanken vangt, in plaats van liedekens, welke zij plagt te kwelen; Jannetje ziet allerzuurst, als zij in het huis van een harer kinderen vreemde drempelmeiden[J10] ontmoet, Brabandsche bonnes, Zwitsersche gouvernantes, Fransche floddermadammen, doch dat gebeurt maar enkel, doorgaans is zij over hare dochters nog al tevreden: hoe kan het anders! Orde, spaarzaamheid, liefhebberij in het kraak-zindelijke, huiselijkheid, deernis met armoede, vroomheid, zij heeft ze haar van kindsbeen af ingescherpt! Hoe zij verjongt als ze hare eigene liefelijkheid herboren ziet in den schroom van eene aanvallige bruid!—bruidstranen zijn een eigenaardig zwak van Jannetje—; in het geluk eener jeugdige echtelinge!—het te huis is de hemel eener hollandsche vrouw,—in de dankbaarheid eener zalige moeder!—Jannetje plagt in hare jeugd bij de wieg in den Bijbel te lezen.—Hoe zij verjongt, als eene wolk van gezondheid om hare knieën dartelt; eene wolk, waaruit zij allerlei zoete stemmetjes: „grootemoê! grootemoê!” hoort roepen.

„Vader!” vraagt ze nu—gevalt u de trouwhartige uitdrukking niet? Jan heeft intusschen zijn glas geledigd, wél bekome het hem!—„Vader!” vraagt zij, „hebben we een goed jaar gehad?”

Zij heeft er alle regt toe, zij, die hem het huis hielp bouwen!

„Als ik mijne koetjes niet vroeger op het drooge had gebragt,” antwoordt hij, met een spreekwoord van zijne voorvaders, die kaasboeren waren, „het zou me zwaar zijn gevallen, ze in Een en Veertig uit het water te halen!”[J11]

„Wel, Vader!” herneemt de bezorgde huisvrouw.—„Ik zeî immers ~als~, Moeder!” valt hij in, terwijl hij in de handen wrijft; „of hebt ge mij donker zien kijken toen ik straks mijn grootboek eens doorliep? Rigt dus te avond maar vrolijk aan, al zal het klokke twaalf de oude wensch wezen: „Veel geld en weinig zonde!””

„Veel geld, Jan! we komen al op onze dagen!—als ge het nog om den wil van onzen jongsten vroegt—[J12]”

„Oud, wijfje! de drommel is oud,—en zoo wij het goed stellen kunnen, daar zijn er onder onze kinderen die het meer verdienen dan....”

Eer hij er bij kan voegen wat hij er bij denkt, komen eenige van deze de deur in, en aan hun hoofd een der oudste zijner zonen;—als gij opmerkt hoe hij zwalkt naar den haard, dan ziet ge, dat het hun eersteling, dat het Janmaat is.

We hebben Jannetje straks in hare dochters geprezen; hooger lof komt haar toe, dewijl ze in hare jeugd ook jongens flink wist op te fokken, en kloek wist groot te brengen, schoon Jan drie vierde van het jaar met den Prins te velde was. Echter moeten we er voor uit komen, dat zij met dezen knaap weinig moeite had—Janmaat wiegde zich zelf. Zoodra hij in de broek was gestoken, werd hij den rapste te rap af; „weêrgasche dreumel!” plagt zijne moeder te zeggen, als zij hem 's ochtends uit had zien gaan, en hem 's avonds weêrom zag komen, maar den ganschen dag niets van hem had gehoord, „waar loop je toch?” En het antwoord was in het eerst: „op het duin,” en werd allengs „aan het strand, Moeder!”—ik weet niet of Jannetje het geloofde, want de borst bragt nooit iets meê, zoo als andere jongens van zijne jaren deden; hij plukte geen helmplanten, hij zocht geen schelpen—op ieder: „wat doe je er?” waarmeê zij den zwerver plaagde, hernam hij: „ik kijk in zee!”—

En wat zag hij, al starende?

Het is me soms gebeurd—op het land, bij eene kronkeling des wegs, aan den uitgang van een bosch, op den top van een' heuvel, een' opgeschoten' knaap te verrassen, de blonde haren in den wind wuivende; de groote oogen op het verschiet gevestigd; een' jongen, die niet gewaar werd dat ik naderde, wien geen enkel voorwerp in de verte bepaald boeide, wiens blikken dreven, zonder rust, zonder doel. „Hij ziet zijne toekomst voor zich,” dacht ik dan in mij zelven, „hij wikt wat hij worden zal, zijn strijd begint.”[J13] En noode weêrhield ik mij, bij iedere ontmoeting van dien aard, met den wild vreemde een gesprek aan te knoopen, niet om hem allerlei jammeren des levens te voorspellen, niet om hem toe te roepen: „vriendlief! wat ge ook in het verschiet moogt zien, de sirenen duiken nog niet op;”[J14] neen, ik wenschte het, dewijl ik mij zoo gaarne verlustig in al den moed der jeugd, in al het grootsche harer ontwerpen, in al het koene, dat uit hare oogen schittert bij de denkbeeldige worsteling. Het is een dichterlijk oogenblik, die dageraad van het jongelingsleven—stel u Janmaat voor, die den zijnen over de zee ziet aanlichten! Verbeeld u de kleine hulk, door hem bemand; verbeeld u het prachtig zeekasteel, dat in stede van deze voor hem oprijst; verbeeld u de visioenen van voorspoed en glorie, die hem over de spiegelende oppervlakte der baren toeschitteren! Hoor het dieper ademhalen van den breedgeschouderde, nu hij zich aan het hoofd waant van eene vloot, een heir van schepen, wier tallooze zeilen de wind, de noordster, die allengs feller opsteekt, volblaast—hij tart den storm,—hij overwint den vijand,—hij verovert eene wereld, ... welk een beeld, welk een droom! Hij verwezenlijkte dien! Toen onder de Spaansche tirannij de nood te huis hoog geklommen was, toen kuste hij het beangste Jannetje goeden dag, met een: „ik ga van honk, moederlief! maar je ziet mij weêr;” en hij hield woord, woord als een man; hij voer uit in een' notendop, hij kwam te huis in een linieschip. En zoo de vrouw door hem leerde wat tranen met tuiten zijn, als zij hoorde, dat men hem geene haven in wou laten, om den storm, die hem beliep te ontgaan;—„Heere!” borst zij uit, „hoe Ge mij schreijen doet van vreugd,” zoodra de dag was gekomen, dat hij den bezem op den mast voerde.

Hoe is hij veranderd!

Al teekenen gang, houding, manieren, gelaat en spraak nog altoos den zeerob, waar bleef de opgeruimdheid, die hem eigen plagt te zijn; wat werd er van het woelzieke, dat hem kenschetste; wie mist het onbezorgde niet, waarmeê zijne hand de laatste geeltjes uit den broekzak haalde? Het is alles verdwenen,—er zijn mooije meisjes met hem binnen gekomen, maar hij heeft er geene oogen meer voor;—Jan vraagt hem naar den wind, en toch praat hij van geene schepen op de kust;—het onverschillige verving het overdrokke—het moedelooze het mannelijke....

Wij zouden hem onregt doen,—al hangt hij zoo neêrslagtig over dien stoel, of hij bij mistig weder in den mastkorf zat; zijn open aard spreekt luide uit zijne klagt:

„Al weêr een jaar, dat ik als een landkrab sleet. ... Vader! wanneer zult ge toch medelijden met mij hebben?”

„Jongelief!” herneemt Jan, „als het aan mij alleen hing—”

„Dat is een woord van vóór het jaar Dertig, Vader! toen heette het:

Holland Bolland: Zeeland Geen land: Ik hou het met den heikant!”[J15]

„Als je wist, Janmaat!”

„Ik weet, Vader! dat Moeder altijd plagt te zeggen: „Beter op een' ouden wagen in de heide, dan met een nieuw schip op de zee.””[J15]

„Zeg ereis Janmaat! wil je óók een kopje slemp?”[J16] roept eensklaps een pieperig stemmetje uit den versten hoek des vertreks,—en nu wenschte ik u een denkbeeld te kunnen geven der verslagenheid, waarmede Janmaat voor zich zelven zucht: „De derde streng maakt den kabel!”

Welk een vreemd begin van een feest!

Helaas,

Ieder huis Heeft zijn kruis!