Jan, Jannetje en hun jongste kind—Het Rijksmuseum met inleiding en aanteekeningen van L.S. en vier-en-veertig afbeeldingen

Part 17

Chapter 172,716 wordsPublic domain

Geen water bluscht dit vuur, Het edelst, dat natuur Ter wereld heeft ontsteken. Dit is het krachtigste ciment, Dat harten bindt, als muren breken Tot puin in 't end.

Door deze liefde treurt De tortelduif, gescheurd Van haar beminden tortel; Zij jammert op de dorre rank Van eenen boom, verdroogd van wortel, Haar leven lank.

Zoo treurt nu Aemstelsvrouw, En smelt, als sneeuw, van rouw Tot water en tot tranen. Zy rekent Gysbreght nu al dood, Die om zijn stad en onderdanen, Zich geeft te bloot.

O God verlicht haar kruis, Dat zy den held op 't huis, Met blyschap mag ontvangen, Die tusschen hoop en vreeze drijft, En zucht, en uitziet met verlangen Waer Aemstel blijft.

[Het _die_ in den vierden regel van dit laatste couplet slaat natuurlijk terug op het _zy_ van den tweeden regel. Dus: Moge zy, die tusschen hoop en vreeze dryft, den held met blyschap op het kasteel ontvangen!]

* * * * *

DE MONSTERS ONZER EEUWE.

Men hoeft om monsters niet te reizen Naar Afrika, Europe broedt ze in haar paleizen, Vol ongenâ: De groote moeder van Europe[S] Vindt schut noch scherm, En sterreft balling, zonder hope, Verdrukt en arm. Der Engelandren tongen lekken Huns vaders strot En toonen 's Konings hoofd in 't bekken Om snood genot. De wraak wil Ottoman niet borgen: De moeder laat Den Keizer, haren zoon, verworgen,[T] Uit blinden haat. ~Oranje, in 't harnas opgezeten. Rukt Holland in, Op Amsterdam te helsch gebeten, 's Lands noodvriendin. Hij wenscht zijn dol rapier te stooten Door 't hart des lands. Hoe heeft de deugd haar verf[U] verschoten! Waar is haar glans? Verbeet ooit Wolf een lam verwoeder? Waar baart de tijd Een zoon, zoo boos, die zijne moeder[V] De borst afsnijdt!—~

[S] Maria de Medicis.

[T] Moeder van _Ibrahim_ laat haar zoon door de Janitzaren vermoorden.

[U] Verf = gelaatskleur.

[V] d. i. Amsterdam.

* * * * *

DE RIDDERSCHAP VAN AMSTERDAM.

_onder zijne Koninklijke Hoogheid_ WILLEM VAN ORANJE, PRINSE VAN ORANJE EN NASSAU (1660).

_Formaque ante omneis pulcher_[W]

De ridderschap van Troje wordt herboren, En oefent zich langs onzen Amstelstroom; Daar zit zij op, en noopt het paard met sporen, Het brieschend paard, gewend naar roede en toom Te luistren en 't steken der trompette.— Prins ~Willem~ draaft alle Amstelridders voor Verbonden aan Graefs Standerd en Kornette. Heer Waveren en Tulp bewaren 't spoor Des Prinsen als geoefende manhaften. Zoo volgen zij de straten van de stad, De singels en de schaduwrijke graften, Langs huizen, volgepropt van weelde en schat, Door wolken van veel duizend burgerijen En Bataviers van Noord en Zuid vergaard. Zoo plag de zon alle oogen te verblijen, Als jonge ~Oranje~ op zijn schuimbekkend paard, Een schooner dag den sterfelijken menschen Hier toevoert, en zijn grootvaêrs naam ververscht, Op 't juichende geschal van zooveel menschen Te dicht opeengedrongen en geperst. Lang leev' ~Oranje~, en handhaav' 't recht der staten, De vrijheid en de rust van 't Vaderland, Ten schimp van al, die Hollands welvaart haten. Zoo blink' hij, als in goud een diamant. De ridderschap lost hierop haar pistolen Is 't voorspel goed, hoe kan 't hoogtijd dolen?

[W] De schoonste in gedaante onder allen.

* * * * *

BEREDENEERDE LIJST VAN AFBEELDINGEN

~Portret van~ POTGIETER, frontispiece.

#In JAN JANNETJE:#

VERMEER VAN DELFT: ~Meisje met de Luit~. pag. 49.

#In 't RIJKSMUSEUM:#

(Ik geef de door ons afgebeelde werken in de volgorde, waarin P. ze vermeldt en waarin ze ook tusschen den tekst geplaatst zijn.—Mèt de nummers van den tegenwoordigen catalogus. Aanwijzing van de zaal waar zij te vinden zijn, die ik eerst ook had willen doen, laat ik ten slot achterwege, nu een algeheele verplaatsing spoedig te wachten is.)

I No. 1579. ~Prins Willem I~ door ~Michiel Jansz. van Miereveld~ (1567–1641) ('t gelaat naar 't oorspronkelijke van Cornelis de Visscher). pag. 83.

II No. 153. ~Kenau Simonsdochter Hasselaer~.—Onbekende schilder. pag. 86.

III No. 720 ~Dirck Volckertsz. Coornhert~, door ~Cornelis Cornelisz. van Haerlem~ (1562–1638). pag. 87.

IV No. 1581 ~Prins Maurits~ door ~Miereveld~. pag. 89.

V No. 1604 ~Hugo de Groot~ door ~id.~ (dit is een copie.) pag. 91.

VI No. 1587 ~Johan van Oldenbarneveldt~ door ~id.~ pag. 92.

VII No 1177 ~De afdanking der Waardgelders~ door ~Pauwels van Hillegaert~ (1595–1640). pag. 93.

(Het Museum telt twee stukken die 't zelfde gegeven voorstellen; 't eene van ~Hillegaert~, 't andere No. 809 door ~Joost Cornelisz. Droochsloot~ (1586–1666). Welke der twee stukken, die beide al in 1808 in de verzameling waren, Potgieter bedoeld mag hebben, blijkt niet. We geven dus op goed geluk een ervan).

VIII No. 2489 „Voorstelling van ~Prins Maurits te paard~, aan het hoofd der leden van zijn geslacht” door ~Adriaen Pietersz. v. d. Venne~ (1589–1662). pag. 94.

(De catalogus meldt als de leden van M's geslacht: de koning van Bohemen, Philips Willem, Frederik Hendrik, Willem Lodewijk en Ernst Casimir, Johan Ernst en Johan Lodewijk;

„~en eene ander aan de spits zijner krijgsbevelhebbers~” zegt Potgieter. Wat dit mag geweest zijn, heb ik niet kunnen ontdekken. ~Hillegaert~'s voorstelling van den slag van Nieuwpoort kan het in geen geval geweest zijn. De schilderij werd eerst in 1878 aangekocht.)

IX No. 1180 ~Prins' Maurits afrijdend ter jacht~ door ~van Hillegaert~. pag. 95.

Op den achtergrond 't Binnenhof te 's-Gravenhage.

X No. 97 „~Allegorie van M's leven~” waarschijnlijk de schilderij, in 1809 uit de verzameling van mevr. Bicker aangekocht en die in den catalogus vermeld staat als:

„~De kat die de bel wordt aangebonden~,” satire op de godsdiensttwisten in Holland omstreeks 1618–19 en de terechtstelling van Oldenbarnevelt.—Maker onbekend. pag. 96.

XI No. 1997 „~Leycesters beeldtenis~ schuilt onder die der onbekende meesters,” zegt P. De catalogus van heden plaatst de schilderij op naam van den Haagschen schilder ~Jan Anthonisz. van Ravesteyn~ (1572–1657). pag. 97.

XII, XIII Nos. 355 en 356 „~Albertus en Isabella~ vindt gij, als ge ze zoekt, maar geen trofeën der overwinning bij Nieuwpoort”. pag. 98 en 99.

Ook nu nog maker onbekend, al behoeft ge niet meer naar de portretten te _zoeken_. Hierboven is gewezen op den lateren aankoop van Hillegaert's Slag bij Nieuwpoort.

XIV ~Reinier Pauw~. pag. 101.

We geven zijn portret naar een gravure uit 't Rijksprentenkabinet.

XV No. 1348 ~Thomas De Keyser~: „~Portretstuk van een Heer, Dame en drie dochters~,” indertijd en ook door P. ten onrechte aangezien voor ~Rombout van Hogerbeets~ en zijn gezin. pag. 104.

XVI No. 1348 „Het stuk van ~Jacob Gerritsz. Cuyp~” (1594–1652) vader van den beroemden ~Albert Cuyp~, waarvan P. gewaagt, wordt nu ook aan ~de Keyser~ toegeschreven, en stelt voor: de familie Meebeeck Cruywagen. pag. 105.

XVII No. 1582 ~Frederik Hendrik~ door ~Miereveld~. pag. 108.

XVIII No. 1238 Idem, door ~Gerard van Honthorst~ (1590–1656) gedateerd 1660, dus geschilderd nà 's Prinsen dood. pag. 109.

XIX No. 1584 ~Jacob Cats~ door ~Miereveld~. pag. 110.

XX No. 1726 ~Constantijn Huygens~ door ~Caspar Netscher~ (1639–1684). pag. 111.

XXI No. 1832 ~Pieter Cornelis Hooft~ „om strijd door ~Bramer~ en door de ~Keyzer~ veraanschouwelijkt,” zegt P.—Doch die ~Bramer~ is ~Juriaan Ovens~ geworden (1623–1678) een Duitsch leerling van Rembrandt, en was eerst aan ~Sandrart~ toegeschreven, op wiens naam nu echter

XXII No. 2118 staat, dat vroeger op de Keyser's naam stond, en beschouwd wordt als een copie naar een prent van ~Perseyn~. pag. 112 en 113.

XXIII No. 928 „~Vondel~, wiens hoofd wij aan ~Jan Lievensz~ zijn verplicht.” Maar dit staat nu op naam van ~Govert Flinck~ (1615–1660). pag. 115.

XXIV No. 716 ~Piet Heyn~ door ~Wybrand de Geest~ (1590–1659) (Maar of dit wel onzen Piet Hein voorstelt, schijnt thans meer dan twijfelachtig.) pag. 117.

XXV No. 1659 ~Maria van Utrecht~ door ~Paulus Moreelse~ (1571–1638). (Dit portret draagt het jaartal 1615, werd dus geschilderd vóór Maria weduwe was. P's woorden doen denken of zij ons aanblikt àls weduwe). pag. 126.

XXVI No. 407 ~Maria van Reygersbergh~ (1589–1653) echtgenoote van Hugo de Groot, door ~David Bailly~ (1584–1657). pag. 127.

XXVII No. 857 ~Prins Willem II en zijn jonge gemalin Prinses Maria Stuart~ door ~Antonie van Dijck~ (1599–1641) 't laatste werk van dezen Hofschilder, w/i P. en zijn tijdgenooten niet ons jeugdig echtpaar (ze waren pas even 15) maar broeder en zuster zagen. pag. 161.

XXVIII No. 1136 Luitenant ~Johan Oetgens van Waveren~ op ~De Schuttersmaaltijd~ van ~Bartholomeus van der Helst~ (1613–1670). 't Is de figuur die zijn' kapitein, Cornelis Jansz. Witsen, de hand drukt. pag. 165.

XXIX No. 2016 „De heer ~Banning Kok~, hoofdfiguur op ~Rembrandts~ ~Vogelschieten~, want de naam ~Nachtwacht~ luidt hier kwalijk.” pag. 166.

XXX No. 925 „~Joan Huydecoper~ op ~Govert Flinck~'s ~Doelenstuk~.”

Hij is het middenpunt van de groep op dit stuk, geschilderd ter eere van het sluiten van den Vrede van Munster, 1648. ~Flinck~ (1625–1660). pag. 167.

XXXI No. 1245 ~Prins Willem II~ door ~Willem van Honthorst~ (1604–1666)

Er zijn in ons Museum portretten van Willem II zoowel door Gerard v. Honthorst als door zijn broeder Willem geschilderd. Dat in het doffe harnas is blijkens de dagteekening van 1661, kan dus niet een werk van Gerard zijn, maar is afkomstig van Willem, blijkbaar naar 't een of ander voorbeeld gemaakt. pag. 169.

XXXII No. 2117 „Welkomer nog zoude ons ~Cornelis Bicker~ wezen.” Sintsdien is er een portret van hem onder No. 239, door een onbekend schilder, en zijn corporaalschap door ~Joachim von Sandrart~ (1606–1668) geplaatst, waarvan we een fragment kozen. pag. 176.

XXXIII No. 1144 ~Maria van Engeland~, Weduwe van Prins Willem II, door ~Bartholomeus v. d. Helst~. pag. 177.

XXXIV No. 401 ~Jan de Witt~ door ~Jan de Baen~ pag. 179.

„~Backhuyzen~, ~Peters~, ~v. d. Velde~ verklaren u in ditzelfde gebouw om strijd.” Hier doelt Potgieter op:

XXXV No. 40 ~De Raadpensionaris Johan de Witt aan boord gaande van de Ned. Vloot op 13 Sept. 1665~ door ~Ludolf Bakhuysen~ (1631–1708). pag. 180.

XXXVI No. 1850 ~Het verbranden van de Eng. vloot voor Chatham, 20 Juni 1667~, toegeschreven aan den Antwerpenaar ~Jan Peeters~ (1624–1677) en pag. 181.

XXXVII No. 2470 ~De vierdaagsche Zeeslag~ (11–14 Juni 1666) en pag. 182.

XXXVIII No. 2471 ~De veroverde prijzen in dien slag~, beiden door ~Willem v. d. Velde~ den Jongere. pag. 183.

Er zijn nu veel meer zeeslagstukken van dezen schilder en van zijn vader, doch alle pas na 1844 verkregen, zoodat P. slechts op deze gedoeld kan hebben.

XXXIX No. 549 ~Michiel Adr. de Ruyter~ door ~Ferdinand Bol~ (1616–1680). pag. 185.

No. 548 stelt denzelfde voor; doch deze schilderij kwam eerst in 1885 in het Rijksmuseum.

XL No. 402 ~Cornelis de Witt~, Burgemeester van Dordrecht, door ~Jan de Baen~. pag. 187.

XLI No. 2140 ~Prins Willem III~, borstbeeld bij kaarslicht door ~Godfried Schalcken~ (1643–1706), bekend als de kaarslichtschilder. pag. 188.

XLII „Portretten van vorsten en vorstinnen uit het huis van Oranje in... pastel,” zegt P. minachtend. Er is een heele serie van; we bepalen ons tot éen van de vele voortbrengselen van ~Joh. Fr. Aug. Tischbein~ (1750–1812)—het portret van Frederica Sophia Wilhelmina van Pruisen, gemalin van Prins Willem V. pag. 203.

* * * * *

#Alle afbeeldingen zijn speciaal voor dezen bundel naar de schilderijen opgenomen door den heer K. SAMPLONIUS.#

Bij dezen bundel sluit zich aan, onze tweede bundel

#E. J. POTGIETER:#

#Verzen en Proza#

#(Liederen van Bontekoe—Blaauwbes—Marie—'t Was maar een pennelikker—Ezelinnen—Hanna)#

#Prijs ingenaaid 20 cts.; carton 30 cts.; gebonden 40 cts.#

#(2e Druk).#

+--------------------------------------------------------+ | | | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | | | | De volgende correcties zijn in de tekst aangebracht: | | | | Bron (B:) -- Correctie (C:) | | | | B: Uit: _Roskam_ (op P. C. Hooft) | | C: Uit: _Roskam_ (op P. C. HOOFT) | | B: In het Rijkmuseum wandelend, | | C: In het Rijksmuseum wandelend, | | B: onbeduidenheid zijner tijdgenooten de | | C: onbeduidendheid zijner tijdgenooten de | | B: ijveren tegen bekrompen kieschheid,” | | C: ijveren tegen „bekrompen kieschheid,” | | B: kortheid van ~Huygen~'s beeldende | | C: kortheid van ~Huygens~' beeldende | | B: verdediging van ~Huygens~ kernachtigheid, | | C: verdediging van ~Huygens~' kernachtigheid, | | B: Studien: ~Huygen's Cluyswerck~. | | C: Studien: ~Huygens' Cluyswerck~. | | B: geeischt, als de oplettendheid | | C: geëischt, als de oplettendheid | | B: het gramaticaal-omslachtige van P's | | C: het grammaticaal-omslachtige van P's | | B: in de toeschijving der werken | | C: in de toeschrijving der werken | | B: als van ~Cat~'s ~Houwelyck~ en | | C: als van ~Cats~' ~Houwelyck~ en | | B: noodige aanwijzigingen te geven, | | C: noodige aanwijzingen te geven, | | B: Rijkmuseum~ heb dank te weten. | | C: Rijksmuseum~ heb dank te weten. | | B: staan aan zijne onderziel[J1] | | C: staan aan zijne onderziel.[J1] | | B: harnassen ook zijn mogten.”[J6] | | C: harnassen ook zijn mogten.[J6] | | B: geld en weinig zonde!” | | C: geld en weinig zonde!”” | | B: nieuw schip op de zee.”[J15] | | C: nieuw schip op de zee.””[J15] | | B: Jan Companie in; „op een' | | C: Jan Compagnie in; „op een' | | B: treurspel doen. Jan zegt | | C: treurspel[J63] doen. Jan zegt | | B: Indië!” | | C: Indië!”” | | B: verbeelde mij, waarachtig, | | C: verbeeldd] mij, waarachtig, | | B: hebben de poëeten mij verstooten; | | C: hebben de poëten mij verstooten; | | B: ~het volk~ te lief.” | | C: ~het volk~ te lief.”” | | B: „Jan Claassen!” herneemt | | C: „Jan Klaassen!” herneemt | | B: herneemt Jan Klaassen „vader stelt | | C: herneemt Jan Klaassen, „vader stelt | | B: fransch leger van 25.00 man te | | C: fransch leger van 25.000 man te | | B: Oldebarneveldt is voorgesteld in den | | C: Oldenbarneveldt is voorgesteld in den | | B: in zijnen zone alleen?” | | C: in zijnen zone alleen? | | B: P.'s tijd nog op den Amsterdamschen | | C: P's tijd nog op den Amsterdamschen | | B: levendig geredetwist tuschen | | C: levendig geredetwist tusschen | | B: opwekte, partij trok—Hier vertegenwoordigt | | C: opwekte, partij trok.—Hier vertegenwoordigt | | B: als een spiegel weerkaatst, tot we, | | C: als een spiegel weêrkaatst, tot we, | | B: gegaaan; of klopt het hart van | | C: gegaan; of klopt het hart van | | B: den ~chavelier sans peur et sans | | C: den ~chevalier sans peur et sans | | B: personen, uit Willen den Eerste's | | C: personen, uit Willem den Eerste's | | B: om iemand uit te noodiger, | | C: om iemand uit te noodigen, | | B: is dan toepasseijk V's gedicht: | | C: is dan toepasselijk V's gedicht: | | B: zoon 'slands taal niet slechts | | C: zoon 's lands taal niet slechts | | B: Mierveldt, als gij haar met | | C: Miereveldt, als gij haar met | | B: naar wat? naar de ~maeght~, | | C: naar wat? naar ~de maeght~, | | B: dan wijn. zoo als bij had gedronken, | | C: dan wijn, zoo als hij had gedronken, | | B: te Muiden van de genieën en | | C: te Muiden van de geniën en | | B: van dien van Maarten Harpenszoon | | C: van dien van Maarten Harpertszoon | | B: in Govert Flink's „Doelenstuk” een groot | | C: in Govert Flinck's „Doelenstuk” een groot | | B: Govert Flink, Rembrandt van Rhijn, | | C: Govert Flinck, Rembrandt van Rhijn, | | B: deze: uitspatting in genot, | | C: deze uitspatting in genot, | | B: zijnen onstervelijken grootvader waardig. | | C: zijnen onsterfelijken grootvader waardig. | | B: _Vierdaagsche Zeeslag_ (11–14 Juni 1666.] | | C: _Vierdaagsche Zeeslag_ (11–14 Juni 1666.)] | | B: Engeland, op de schilderij van | | C: Engeland, op het schilderij van | | B: penseel van de Baen de afbeelding | | C: penseel van {XXXIV} de Baen de afbeelding | | B: III | | C: III. | | B: zijne bevordering had gewarsboomd, was | | C: zijne bevordering had gedwarsboomd, was | | B: Amsterdamsche Admiraalschip toestond, vóor | | C: Amsterdamsche Admiraalsschip toestond, vóor | | B: in de dagen van Oldebarneveldt smeulde, | | C: in de dagen van Oldenbarneveldt smeulde, | | B: dalende tot zij ons portretten van | | C: dalende tot zij ons {XLII} portretten van | | B: V en den Franschen koning | | C: V en den Franschen koning. | | B: de ~Jan Harings~—~Zwart | | C: de ~Jan Haring's~—~Zwart | | B: _Hofwyck_, Huygen's buitenplaats bij | | C: _Hofwyck_, Huygens' buitenplaats bij | | B: 1637 aan Galilëi toegezonden, | | C: 1637 aan Galilei toegezonden, | | B: Hier open ik mijn reis | | C: „Hier open ik mijn reis | | B: 1632 (waarschijnlijk op muziek | | C: 1632” (waarschijnlijk op muziek | | B: inderdaad in 1650. tijdens Willems | | C: inderdaad in 1650, tijdens Willems | | B: ~Backuyzen~: ~Bakhuysen~ (Ludolf), | | C: Backhuyzen~: ~Bakhuysen~ (Ludolf), | | B: Engelsche admiraalschip, en het | | C: Engelsche admiraalsschip, en het | | B: Sins dien verkreeg ons Rijksmuseum | | C: Sindsdien verkreeg ons Rijksmuseum | | B: MAURITS VAN ORANGE (1625). | | C: MAURITS VAN ORANGE (1625)). | | B: mooi Heintje[H], „dutten?” | | C: mooi Heintje[H], „dutten? | | B: ~spillen~ in der asschen!” | | C: ~spillen~ in der asschen! | | B: Daar een goede wil in woont. | | C: Daar een goede wil in woont. | | B: door ~Adriaen Pieterz. v. d. Venne~ | | C: door ~Adriaen Pietersz. v. d. Venne~ | | B: van der Helst~ (1613–1670) | | C: van der Helst~ (1613–1670). | | B: pag. 167 | | C: pag. 167. | | B: van Prins Willem V.” | | C: van Prins Willem V. | | | +--------------------------------------------------------+