Jan, Jannetje en hun jongste kind—Het Rijksmuseum met inleiding en aanteekeningen van L.S. en vier-en-veertig afbeeldingen

Part 16

Chapter 163,591 wordsPublic domain

* * * * *

P. C. HOOFT:

HEILIGE VENUS.

['t Gedicht begint met de vraag:

Heilige Venus, die 't roer houdt aller harten, Hoe komt mijn nimfjes hart zoo ongevoelijk Daar z' is zoo goelijk?

De dichter troost zich dan, dat dit niet zoo blijven zal; de macht van de Mingodin zal ook dat hartjen „schuw en schichtig,” „ommekeeren en minnen leeren.”

En is die les eenmaal geleerd,]

Dan leert men luchtig ten zachte bedde uitstijgen, En in een onderkeurs ter venster varen, Op zang en snaren.

Dan leert men, zachtjes, om d' oude liên te mompen,[I] Zijn voetjes zetten, dat het niemand luister, Alleen, bij duister.

Dan leert men, lustig, zijn boel ter sluik in laten, En vloeken 't kraken van de deur en trappen, Die 't willen klappen.

Dan leert men lafjes, als afgemend van minne, Het geven òp, en in liefs armen glijen; De lipjes vlijen.

Dan leert men flauwtjes de weêrlooze oogjes luiken, En lieve lipjes aan liefs lipjes lijmen, En zoo bezwijmen.

Dan leert men, eindlijk aan liefjes hals besterven; Dan stoutertjens, op liefs mond, zijn verloren Zieltjen na sporen.

Dan is het vrede, en het verwonnen hartje, Verzweert[J] te striblen tegens de geboden, Der minnegoden.

[I] Mompen = verlakken.

[J] Verzweren = afzweren.

* * * * *

GALATHEA.

Wijze: _Gisteravond spae sloot ik mijn deur, etc._

~Minnaer~ Galathea, ziet, de dag komt aan.

~Galathea~ Neen mijn lief, wilt nog wat marren, 't Zijn de starren. Neen mijn lief, wilt nog wat marren; 't is de maan.

~Minn.~ Galathea, 't is geen maneschijn.

~Gal.~ Hoe? 't Is nog geen één geslagen; Wat zoud' 't dagen? Hoe? 't Is nog geen één, 't en kan de dag niet zijn.

~Minn.~ Galathea, aanschouwt den hemel wel.

~Gal.~ Laas! ik zie den dagerade, t' onzer schade; Laas, ik zie de dageraad. De tijd is snel.

~Minn.~ Waarom duurt de nacht tot d'avond niet?— Vreest ze dat wij, met ons beien, Zonder scheien Blijven zouden totdat ons de dood verried?

~Minn.~ Nu, adieu, mijn troost, en blijf gezond!

~Gal.~ Wil mij noch een kusje geven, Och, mijn leven! Jont mij nog een kusje van uw blijen mond!

~Minn.~ Galathea! Kom ik t' avond weer?

~Gal.~ Och, mijn moeder mocht het hooren En haar storen[K] Och, zij mocht het hooren—maar komt evenzeer!

~Minn.~ Galathea, hoe raak ik van uw hals?

~Gal.~ Laas, de dag en wil niet lijen Langer vrijen; Dank hebt van uw zachte kuskens, en van all's—

[K] Zich boos maken.

* * * * *

ROZEMONDT.

Wijze: _Alle caccie, caccie, Pastori, etc._

Rozemondt, hoor di spelen noch zingen? Ziet den dageraad op komen dringen, Dartele duiven, en zwanen en musschen, Zouden den vaak uit uw' oogen wel kussen; Zoo 't u lustte de doode te ruimen Om den lust van levende pluimen.[L]

Alle weiden, en duinen, en dalen Hunnen aêm met verheugen ophalen, 't Jeugdelijk jaar, met zijn vroolijke tijen, Is rechtevoort op zijn kwikste te vrijen. Kruijen, bloemen, en boomen veroov'ren, En zich pronken met levende loov'ren.

't Weligh vee, op de grazige zoden, O m'n min, ons te bruilofte nooden. Al hun gezicht, hun gebaar en hun spreeken Loopen op 't lest van de minlijke treeken.[M] Op, op, op, eer de zon in den dauw schijn: Laat ons alle gedierte te gauw zijn.

[L] d. i. als je om de levende pluimen der vogels het met doode pluimen gevulde bed zoudt willen ontruimen.

[M] ~Minlyke~, die tot de min behooren. ~Treken~ = driften.

* * * * *

KLAARE, WAT HEEFT ER.

Wijze: _Amarilletje mijn vriendin, etc._

Klaare, wat heeft er uw hartje verlept, Dat het verdriet in vroolijkheid schept, En, altijd even benepen, verdort, Gelijk als een bloempje, dat dauwetje schort.

Krielt het van vrijers niet om uw deur? Moog je niet gaan te kust en te keur? En doe je niet branden en blaken en braân Al, waar 't u op lust een lonkje te slaan?

Anders en speelt het windetje niet, Op elzetakken en leuterig[N] riet, Als: lustigjes, lustigjes. Lustigjes gaat Het watertje, daar 't tegen 't walletje slaat.

Ziet d'openhartige bloemetjes staan, Die u tot alle blijgeestigheid raan. Zelfs 't zonnetje wenscht u wel beter te moe;[O] En werpt u een liefelijk oogelijn toe.

Maar zoo ze niet, door al hun vermaan, Steken met vreugd uw zinnetjes aan, Zoo zult gij maken aan 't schreien de bron De boomen, de bloemen, de zuivere zon!

[N] ~leute~ (nog in 't Vlaamsch gebleven): pret, jooligheid.

[O] Zou wel wenschen dat ge beter te moe was!

* * * * *

KLACHTE DER PRINSESSE VAN ORANGIEN OVER 'T OORLOG VOOR 'S HERTOGENBOSCH.

Schoon Prinsenoog, gewoon te flonkeren, Met zuiver hemelvlam! kan ook De grimmigheid u dan verdonkeren, En smetten met een aardschen rook? Wat tocht verleent die glinsterlichten Hun zoeten zwier Om liever brand van Mars te stichten Dan Venus vier?

Zoo gloriezucht uw zinnen prikkelt Voert in triomf mijn slavernij: Een krans van bloemen, blij gespikkeld,— Geen lauwerkroon en heeft erbij— Zal ik u vlechten, heel doorwasemd Op nieuwen vond, Met geur, mijn handjes aangeasemd, Van uwen mond.

Op gouden lelien en stralen Laat trotsen Fransche en Spaansche Kroon; Om daar een perel af te halen En streeft zoo niet door duizend doon. 'k Zal d'uw al aardiger doen blaken Van stee tot stee, Met traantjes, dauwend op mijn kaken, Uit minnewee!

Ik poogde 't gloedje van mijn liefde Misschien te koelen voor een stond Kon nijptang 't flitsje, dat mij griefde, Wat trekken uit de diepe wond. Maar 't schijnt geweerhaakt; dit 's 't mangel.— Helaas mijn hart Voelt maklijk inwaarts gaan den angel Terug met smart!

Mijn zuchtjes, teedere getuigen Van d'ongeneeselijke kwaal Die plag uw open oor te zuigen,— Nu stoppen 't koper en metaal. Terwijl ge breidelt d'oorlogskansen Met wal en graft;— Trompet en schut—och arme!—schansen Mijn klachten af.

Indien 't u lust Jupijn te spelen Zijn vriendlijkheen te volgen tracht: Zijn hoogste lof in menschenkeelen Noch donder is, noch bliksemjacht. En beter dat mijn smijdig smeeken Uw hart verfraai Dan in gedruisch van slaan en steken Het veldgeschraai!—

'k Hoor alle daags van versche dooden Geveld in hol of galerij! Elk overlijdt aan eigen looden Maar aller koevoets moorden mij! Want ik mij elkmaals voel bezeeren Als van een punt, Die denk: op 't hoofd met witte veeren Was dat gemunt.

Wat moogt gij, die u niet en zoeken Bestooken in hun voordeel gaan?— Zooveel en is 't niet waard, de vloeken Van heel Kastielje op zich te laân! Denkt liever hoe Madril zou stoffen En zijn verkwikt Vernam 't van scherp te zijn getroffen U—Ach mij schrikt!

Maar is om lief, om lijf, om leven, Om kind, om zoon van Vaders naam Zooveel op veer na niet te geven Als om een glorierijke faam;— Zoo gunt mij dat ik met u rijde Door koud, door heet; En voert mij bij het rapier op zijde, Waar dat gij treedt.—

* * * * *

JOOST VAN DEN VONDEL:

Uit: GEBOORTEKLOK van PRINCE WILLEM II.

Zij stemden al-te-maal, met handgeklap en wenschen. De Faam in 's Gravenhaag drong door tot alle menschen, En sloeg de ruime lucht met brommend klokgeluid, En lokte Melkerbuur en schrander Elsken uit; Die kwamen in het Hof de moeder zalig roemen, En offerden het kind goudgele boterbloemen, En room, en schapewei, en uchtendversche melk, En nog een' pijpkan, daar, tot verwondering van elk, Een waterlandsche deerne in scheen, met luid geschater, Te lachen, zoo ze zag een zwarte kop te water Uitsteken, tusschen twee uitstekenden armen, als Van uit een mellekschuit, hij, over hoofd en hals, Gesneuveld was in 't diep, heel ongereed tot weêrstand. De boerman, met een' haak, die dreigt hem van den meerkant; Wiens blaauwe toppershoed waait over 't groene veld. De Spanjaart zingt genade, en looft vast macht en geld. Oranje loofwerk hangt met appelen geladen, En ciert den hals omhoog met krunkelende bladen. Na dat het boersche paar, eerst schaamzaam om de pracht, 't Nieuwboren kind, 'twelk hun uit joffers schoot toelacht, Met gaven had vereerd, neemt melleker een' hallem, En zeît: „dat is u voor!” waarop met zoeten gallem, Zijn' vrijster rustig volgt, en op dees' wijze stemt: „Al 't onweêr is verzacht, de buyen zijn getemd. Ons dorp zijn adem haalt, de landliê zich verblijen; Prins Willem brengt ons weêr te voorschijn d' oude tijen. 't Is bruiloft in de weî: 't is boter tot den boôm. De koe is klaverkiesch; de Hemel druppelt room. Ons' fuiken zijn vol visch, dat merkt men aan 't gespartel; De leeuwerk kwinkeleert; ons' kalvers springen dartel, 't Is vrede in onze buurt; geen mensch benijdt een aâr. Men brandmerkt niemant meer voor schelm, voor landverraâr. Geen Schouten en beslaan de rijmers meer in boeten. Deze edele Princes kan allen druk verzoeten. Het wichtje lacht, en zij wordt nimmer lachens moê. Zoo, kleene zoete knaap! zoo, Willem! ga vrij toe, Verzacht met lach op lach de zorgen uwer moeder, Terwijl uw vader leît te velde, als 's lands behoeder.

* * * * *

HUIG DE GROOT'S VERLOSSING.

Geweld van wallen, dubble gracht, Ontruste honden, wacht bij wacht, Beslage poorten, ijs're boomen, Geknars van slotwerk, breede stroomen, En d' onvermurwde kastelein Verzekerden op Loevestein Den Grooten Huygen, buiten duchten, Van in der eeuwigheid t'ontvluchten! Ten waar zijn schrandre gemalin En drukgenoot en kruisheldin Een eerlijke uitkomst had gevonden En hem van lang verdriet ontbonden. Zij sprak: mijn lief, mijn levenslicht, (De tranen stonden in 't gezicht) Sal dees spelonk uw' glans versmoren, En is uw deugd dit graf beschoren? Helaas! maar 't is vergeefs gesuft. Hier helpt geen kermen maar vernuft. Mijn geest zal nu wat groots bezoeken.[P] Terstond verandert hij in boeken. De schildwacht draagt dien vetten buit Op hare beê voor boeken uit. Een vrouw belacht al die haar parssen, En laat hen op de tanden knarsen. Een vrouw is duizend mannen t'erg. O eeuwige eer van Reijgerberg, De volgende eeuwen zullen spreken, Hoe gij den Haat hebt uitgestreken. Nadat ze op 't droef gevangenhuis, Gelijk Marije neffens 't kruis, Uw' bruigom, onder moordenaren Gerekend, troostte heele jaren. Zoo liet de trouwe Michal eer Haar liefsten Schat met koorden neêr; Toen Sauls zwaarden hem bezetten, Gelijk de jagers 't hart met netten. Aldus werd Lynceus ook gered In zijn belegerd bruiloftsbed, Toen zoo veel ledekanten smoorden In 't gruwlijk bloed der mannemoorden. Vergun mijn luite dat ze speel' Het bergen van ons landjuweel, In 't onweêr, dat het roer vermande, Toen 't groote schip van Holland strandde.

[P] bezoeken = beproeven.

* * * * *

WELLEKOMST

_van den heere_ HUIG DE GROOT,

_t'Amsterdam, na zyn langdurige ballingschap._

Wat zaal'ge wind is 't, die, van 't Leliestrand Den stroom op, in 't ondankb're Vaderland Hervoert het Delfsche wet-orakel, dat, Gekofferd, als een kostelijken schat, Weleer de bange Maas afdrijven kwam, Totdat de Sein het in haar' armen nam, En zette dat gebergde Gods-kleenood Met blijdschap op den koninglijken schoot Des allerchristelijksten Luydewijcx, Die 't herberg schonk tot glorie zijnes Rijks; Opdat het, na 't verstuiven van die wolk Des druks, verscheen tot heil van 't vrije volk, En 't misverstand, aanziende 's Helds geduld, Hem weder eerde, en riep: „Het is mijn' schuld!”

De Vader der welsprekendheid herblonk Zóo weêr te Rome, als d' ordenloosheid stonk Van Clodius, die schadelijke pest Voor 't lichaam van het algemeene best. Het treurig aanzicht van den Staat dat lacht, De zwakke wetten voelen nieuwe kracht, Zelf d' ontucht wordt beschaamd van 't eerlijk licht, Rechtvaardigheid houdt vreê door evenwicht. De Rede stemt niets troebel, maar gezond; Zoo vele steên besluiten uit éen' mond. Men tast niet meer in blinde duisternis, Der burg'ren oorbaar 't eenig doelwit is; En rept' er ergens een van dwingelandij, Daar oogt men op, als hiel hij Spanjes zij.

O groote ziel! o zon van mijn gezang, Die weêr verrijst na uwen ondergang, En ons verheugt met dezen gouden dag, Dien Holland wel met eere vieren mag; Wat woorden zal de dankbare gemeent Best vlijen, als de goudsmid dier gesteent', Om u t' onthalen op den hoogsten trap, Van 's kerkers ramp, na zure ballingschap? O stalen hart, al gloeijend hard gesmeed O Groothart! met wat hemelschen magneet Bestreek Standvastigheid uw vast gemoed, Dat het zoo heet van liefde t' onswaart woedt, En wraakt de weelde van een aartspaleis, En kust het land, zijn' strenge stiefmoêr, peis!

* * * * *

Uit: ROSKAM.

_aan den heer_ P. C. HOOFT, _Drost van Muiden_ (1630) (_over de godsdienst-huichlarij_).

Zoo was uw vader niet, die burger-vader, neen, Van binnen was hij juist, gelijk hij buiten scheen. 'k Geloof, men had geen gal in dezen man gevonden, Indien, na dat de dood zijn leven had verslonden, Zijn lijk waar opgesneên. Hoe was hij zoo gelijk Dien Burgermeestren, die wel eertijds 't Roomsche rijk, Door hunne oprechtigheid, opbouwden van der aarde Ten top, doen d' akkerbouw in achting was en waarde; Doen deege deeglijkheid niet speelde „raap en schraap,” En 's vijands goud min gold dan een gebrade raap. Hoe heeft hem Amsteldam ervaren wijs en simpel, Een hoofd vol kreuken, en geweten zonder rimpel! O ~beste Bestevaêr~! wat waart gij Holland nut! Een stijl des Raads, toen 't lijf van 't stoksken werd gestut, Opdat ik ga voorbij ons Catilinaas tijen; Doen 't Vaderland in last, door twist der burgerijen, Gij 't leven waart getroost te heiligen den staat, En doen uw hoofd gedoemd, door 't hoofd van eigenbaat, Gij geen gedachten hadt van wijken of van wanken. De wees en weduwen, de ballingen u danken; Hoewel ge, nooit om dank, hebt zonder onderscheid Beschenen met den glans van uw goedaardigheid Ondankbre en dankbre, dien ge kondt ten oorbaar strekken. O spiegel van de deugd! o voorbeeld zonder vlekken! Nooit zoopt ge 't bloed en merg der schamele gemeent, Nocht stopte d' ooren voor haar rammelend gebeent. Wat liet ge uw zonen na, doen 's levens licht woû neigen? „Indien 't gemeen u roept, bezorgt het als uw eigen!” Zoo was uw uiterste aâm slechts ware, klare deugd, Daar gij, vermaarste stad! uw kroon meed' cieren meugt.

* * * * *

KLINKERT (Klinkdicht).

_op de wonderlyke reize van den Hoornschen meerman_ WILLEM CORNELISZ. SCHOUTEN (1618) _na de uitgaaf van zyn Reisverhaal_.

('t Is een gedicht uit Vondel's vroegen tijd en draagt er de sporen van; want wel was hij toen al 31 jaar, hij is zeldzaam laat rijp geworden. Werd hij daarom zoo welig-krachtig, toen die rijpheid eenmaal gekomen was?)

Als over Hooren blies de faam haar gulden hooren, Hoe Schouten d' aardenkloot op nieuws was omgegaan Niet meer als andre, door de straat van Magellaan, Maar de engte van Lemair, zoo niemand deê te voren;

„Nu is,” sprak Ferdinand, „mijn eerekrans verloren!” Draak vuur en vlam uitspoog en Thomas zag men staan Versuft door wangeloof; Van Noord sprak welberaân: „'t Is ~olie~ in het ~vier~ om na iets nieuws te sporen!”

En Spilbergh nauwlijks nog 't gerucht en kwam verrassen: „Nu leggen” (riep hij) „al mijn ~spillen~ in der asschen! O Magellaan, vaartwel, Draak, Candish, Olivier, En Spilbergh, die tot nog geweest zijt trouwe makkers; 't Is heel met ons gedaan; de ~Schout~ komt met zijn rakkers, Fluks jongens! op een zij, en pakt u weg van hier!”

[Men zou bij dit klinkdicht een college kunnen gaan geven in de historie der ontdekkingstochten: Ferdinand Magellaan, Lemaire, Drake, Thomas Cavendish of Candish, Olivier van Noord, Spilbergh—om niet in noten bij noten te vervallen, zet ik slechts even de door Vondel verwerkte namen op een rijtje, ter verduidelijking. De aardigheid, de klankspeling, waar 't ~klinkdicht~ op rust, zal men wel vatten, als men maar bij de uitdrukking „De schout en zijn rakkers” (rakkers, beulsknechten, dienders) aan de 16e en 17e eeuwsche politie—en aan den naam van den ontdekker denkt.]

* * * * *

Uit: LOF DER ZEEVAART (1623)

_voor_ LAURENS REAEL (1583–1637).

Gelijk een vogel als de dag begint te krieken, Ter vlucht zich rust, en rekt en wakkert zijne wieken, Zoo doet mijn zeilbaar vlot en watertreder meê: Hij spant zijn vleugels uit en maakt zijn zeilen reê. De wind de doeken vult en doet het hennep klemmen. De(n) eik de baren spouwt en wint de diepte in 't zwemmen. Recht als een zwemmer doet die, moedernaakt, ontkleed, Met handen water schept, en met de voeten treedt, En stiert, en 't oever ziet al meer terugge deizen, Zoo neemt ook 't schip te baat al wattet kan in 't reizen. En als een duif, ter vaart zich gevend, driemaal klept, „Geeft vier, Konstabel!” is 't, wanneer de kiel zich rept; Trompetten slaan de locht, met trommels met schalmijen, Met een vermengd geluid van lachen en van schreien”—

* * * * *

VRIJE ZEEVAART.

_onder de vlagge van den doorluchtigen zeeheld_

MARTEN HARPERTSZ TROMP (1653)

_Ridder_, _L.-Admiraal van Holland en Zeeland_.

[Men weet, dat onze dichter in den strijd tusschen Cromwell en Koning Karel I van Engeland warm partij gekozen had vóor den laatste. En had hij dit eenmaal gedaan, hij spaarde zijn tegenstander niet, dien hij dan ook als de plaag, 't gedrocht aanduidt:

_Pulchrumque mori succurit in armis_[Q]].

[Q] En 't schijnt ons schoon toe, in 't wapen te sterven.

De plaag van inheemsch en uitheemsch, 't Gedrocht, dat met zijn dolle honden, In 't bloedig moordhol, aan den Theems, Den Grooten Herder had verslonden, Zich dronken zoog aan 's Konings strot, En knaagde op 't Koninklijk geraamte, Den romp van hoofd en kroon geknot; Die moordpest, zonder God en schaamte, Nu vlammende op een verschen buit Van Fransch gewas, kwam nederzakken, En dreef voor stroom den bloedstroom uit, Om balg en buik met roof te pakken; Maar die den afgrond palen stelt, En ketent helsche monsterdieren, Ontvonkte 't hart van onzen held, Tot voorstand van zijn Batavieren. Dees zag den gruwel in 't gezicht, Die helsch, met vijfmaal veertien koppen, De zon bedroefde en 't hemelsch licht; En, om ons' zee haar keel te stoppen, Zich dwers voor Hollands kielen smeet; Waarop de ridder aan kwam rennen Op zijne vleugels vlug en breed, Voorzien met vijfmaal veertien pennen. Hij voerde een slagzwaard in de vuist. Het monster braakte donderklooten, Granaten, bliksems, baldert, bruist; Bedreef geweld met staart en pooten; Blies rook en smook, en vlam en vier Uit zijne kieuw en koopren kelen; Maar Hollands Perseus trof het dier, Dat zalf noch kruid de borst zal heelen. Drie volle dagen hield hij 't staan. Hoe beet het op zijn ijzren tanden! Hoe schoot het toe! gelijk d'Orkaan Op d'Indiaansche golf en zanden; Totdat het eindlijk afgemat, Gescheurd, verminkt, begon te deizen, En liet ons' rijke vloot, van schat En rijkdom zwanger, henereizen; Hoewel 't alreê de vrucht vermand, Verslonden had, ten roof geschonken Aan zijn alvratig ingewand, Van moord en diefstal dol en dronken. Dus kwam de Hollandsche Admiraal, Die voor geen zeeheld vlag moet strijken, Een man, gelijk een punt van staal, Bij geen Romijnen te gelijken, Zijn Maasstroom in, en werd begroet Van 't Vaderland en Zeven Staten, Die hem verschenen te gemoet, Ten trots van all', die vroomheid haten. Wie vreest nu schutgevaart' of scherp, Of zeegevaarten en watersmetten? O ~Harpertszoon~, gij zijt ons' harp! O ~Tromp~, men zal uw deugd trompetten, Waar 's Hemels gunst ons' Zeevaart bouwt! U komt een Scheepskroon toe van goud.

* * * * *

KINDERLIJK.

(_by den dood van myn zoon Constantyn_):

Konstantijntje, 't zalig kijndje, Cherubijntje van omhoog, d'IJdelheden, hier beneden, Uitlacht met een lodderoog.[R] „Moeder!” zeit hij, „waarom schreit gij, Waarom krijt gij op mijn lijk? Boven leef ik, boven zweef ik, Engeltje van 't hemelrijk; En ik blink er, en ik drink er, 't Geen de schinker alles goeds Schenkt de zielen, die daar krielen, Dertel van veel overvloeds. Leer dan reizen met gepeizen Naar paleizen, uit het slik Dezer werreld, die zoo dwerrelt.— Eeuwig gaat voor oogenblik!”

[R] Weelderigen blik.

* * * * *

KERSTLIED (1660).

O, wat zon is komen dalen In den maagdelijken schoot! Ziet hoe schijnt ze met heur stralen Alle glanzen doof en dood. Ai, hoe schijnt dit hemelsch kind, Aller zielen licht en hoeder, Zon en maan en starren blind, Uit den schoot der zuivre moeder! Englen, daalt van 't Paradijs: Zingt den hemel eer en prijs, En met vreê de harten kroont, Daar een goede wil in woont.

Ziet hoe staroogt daar een Oude Achter deze maagd, op 't pand, Dat de Hemel hem betrouwde; Dat de kroon van ootmoed spant. Salomon, vol majesteit, Rijk van diamanten stralen, Mag het in zijn heerlijkheid Bij Gods needrigheid niet halen. Englen, daalt van 't Paradijs: Zingt den hemel eer en prijs, En met vreê de harten kroont, Daar een goede wil in woont.

Komt, gij, koningen en heeren, U hier spieglen in dit licht; ~Jezus~ zal u ootmoed leeren, Die Zijn hof in stallen sticht. Ziet de Moeder, ziet den Zoon. Kust de windsels, kust de doeken. Buigt uw hoofden, buigt uw kroon. Zwijgt, vernuftigen en kloeken, Englen, daalt van 't Paradijs: Zingt den hemel eer en prijs, En met vreê de harten kroont, Daar een goede wil in woont.

* * * * *

REI VAN AMSTERDAMSCHE HOFJUFFERS.

uit _Gysbreght van Aemstel_ (1638).

[Deze reizang wordt door de Amsterdamsche hofjuffers gezongen als Baedeloch in zwijm is gevallen in wanhoop of haar Gysbreght nog ooit uit het nachtelijk overvallen Amsterdam behouden zal wederkeeren.]

Waar werd oprechter trouw, Dan tusschen man en vrouw Ter wereld ooit gevonden? Twee zielen, gloeênde aaneengesmeed, Of vastgeschakeld en verbonden In lief en leed.

De band, die 't harte bindt Der moeder aan het kind, Gebaard met wee en smarte Aan hare borst met melk gevoed, Zoo lang gedragen onder 't harte— Verbindt het bloed.

Nog sterker bindt de band Van 't paar, door hand aan hand Verknocht, om niet te scheiden, Nadat ze, jaren lang gespaard, Een kuisch en vreedzaam leven leidden Gelijk van aard!—

Daar zoo de liefde viel, Smolt liefde ziel met ziel En hart met hart tegader. Die liefde is sterker dan de dood. Geen liefde komt Gods liefde nader, Noch schijnt zoo groot.