Jan, Jannetje en hun jongste kind—Het Rijksmuseum met inleiding en aanteekeningen van L.S. en vier-en-veertig afbeeldingen

Part 15

Chapter 153,361 wordsPublic domain

[R77] Bekende studie van Bakhuijzen v. d. Brink over Vondel als hekeldichter, genaamd naar twee van diens gedichten: _Roskam_, gericht tot Pieter Cz. Hooft, in antwoord op een brief van dezen, waarin Vondel diens vader ten voorbeeld stelt aan de latere bestierders van land en stad; en _Rommelpot van 't Hanekot_, op de aanvallen der Contra-Remonstranten op de Remonstranten. Over 't eerste gedicht zie verder noot R87 en pag. 238 vlgg.

[R78] De tweede is Vondel, die de zegepralen van Frederik Hendrik toejuicht.—Het portret is van 1653, toen er van 't toejuichen dier zegepralen wel geen sprake meer was.

[R79] _de Stedeveroverende Vreeryck_: Frederik Hendrik, in wien Vondel, bij allen lof aan zijn krijgsmansdapperheid en beleid geschonken, toch al aanstonds een man des vredes zag, en dien hij dan ook, met steeds volgehouden woordspeling, reeds in 1626, bij het dichten van zijn „Geboorteklock op Willem II,” liet zeggen:

„Myn naam is _Vrederyck_, dies schep ik geen behagen In borgerlyken twist.”

[R80] _De onderliggende party_: de Remonstranten. Vondel had 't voor hen en Oldenbarnevelt opgenomen; in zijn _doel_-treurspel _Palamedes_ en tal van gedichten.

[R81] _Princeliedt_, op de wijze van 't Wilhelmus. Daarin vooral deze regels:

's Lands rechten en vryheden Ik helpen zal in zwang; In geen vereende steden Gewetens felle dwang Of tyrannye lyen; Ik wensch de goê gemeent' En trouwe borgeryen _Door liefd' te zien vereend._

[R82] ~Geeraardt Brandt~. Dezelfde, die ook het _Leven van de Ruyter_, bij ons verschenen, schreef.

[R83] _Geboorteklock._ Een gedicht te lang om hier op te nemen. We halen er alleen de regels uit aan, waarin Potgieter den toekomstigen dichter van _De Leeuwendalers_ (het landspel 22 jaar later, ter eere van den vrede van Munster, door V. gedicht) alreeds meent te herkennen. Zie hierachter, pag. 233.

[R84] _Verovering van Grol_ (1627). Hierop maakte Vondel een klinkdicht (~Sonnet~) en een lang gedicht van ruim 800 regels, dat in klassieken trant begint:

Ik zing den legertocht des Princen van Oranjen, Die 't heer van Spinola, en all' de macht van Spanjen Met zijn slagordens tartte, in het bestorven veld, _En Dulcken de stad Grol deed ruimen met geweld._ … … … … … … … … … … … … … … … … … … En gij, o Frederik! die fier en trots te paarde. Voor Hollands vrydom vecht, en yvert met den zwaarde; En 't volk, dat hier geschoold krielt als een byenzwarm, Verdedigd door Gods kracht en uwen ijzren arm; Indien ge t' eeniger tyd van 's lands bekommeringen En zorregen ontlast, myn ruw gedicht hoort zingen; _Zoo oordeel heusch van hem, die door Uw deugd gewinkt Geen leidstar kent als 't licht dat op Uw helmtop blinkt._

In de tweede plaats doelt P. hier op Vondel's _Zegezang_ ter eere van _Frederik Hendrik_, ~Boschdwinger~, ~Wesel-winner~, ~Prince van Oranjen~, geschreven ter eere van de inneming van Den Bosch (14 Sept. 1629). Er steekt in al deze stukken veel klassieke toespelingen, veel vernuftsspelingen, veel kennis van 't oorlogswezen van den tijd. Voor den hedendaagschen lezer zijn ze wel wat rijklijk lang en overladen.

[R85] ~Lijkoffer van Maagdeburg~ (1631) „dat in Mei 1631 door de keizerlijken onder Tilly en Pappenheim geplunderd, maar in September daarna, door Gustaaf Adolfs overwinning bij Leipzig, gewroken was.” (v. Vloten.)

[R86] _de Groot's verlossing._ _Wellekomst_ van den Heere Huig de Groot, t'Amsterdam, na zyn langdurige ballingschap (1631). Zie hierachter, pag. 235 en 236.

[R87] In het reeds aangehaalde gedicht (noot 64 en 68) De Roskam. Zie achteraan, pag. 238.

[R88] —„De beschuldigers en beschimpers der burgervaders”—de aanhangers van Bilderdijk en deze zelf.

[R89] „de zee, die de vryheid vestigde, toen de vaste grond haar ontzonk.”—Toen deze vryheid niet meer op 't vasteland, door verwaarloozing van het leger, veilig was, waarborgde haar ons gezag ter zee.

[R90] 't Is nu al 260 jaar! sints _Gysbreght van Aemstel_ het eerst ten tooneele kwam, en nog steeds wordt gespeeld, hoe dan ook!

[R91] P. denkt aan het begin van ~Hooft's~ herderspel _Granida_:

Het vinnig stralen van de zon Ontschuil ik in 't bosschage; Indien dit boschje klappen kon, Wat meldde 't al vryage?

[R92] De vergelijking met den ~wereldstroom~—straks blijkt dat P. vooral aan den ~Rijn~ denkt—past te gelukkiger bij Vondel om diens eigen verheerlijking van den Rijn, zijn geboortestroom (V. werd immers in Keulen geboren!) in zijn terecht beroemd gedicht _De Rynstroom_:

Doorluchte Ryn, mijn zoete droom! Vanwaar zal ik u lof toezingen? Myn trekkende geboortestroom, Gij koomt uit Zwitsersche Alpen springen, enz.

[R93] Hier heeft P. gedacht aan de beschrijving in ~Helmers~' _Hollandsche Natie_, van den Rijn en Rijnval bij Laufen:

„En stort bij Laufen zich, met _ongehoord gedonder_”

[R94] 't Is: het _Rijntje_ uit de „Familie Stastok” (Hildebrand's _Camera Obscura_) van ~Elias Johannes Borger~, daar Potgieter nu aan denkt:

De stranden kust, en scheurt de dijken, _De wereld splitst in koninkrijken_, En 't vorstelijk rechtsgebied bepaalt.

Ook straks weer:

_En 't landvolk spelende aan zijn vloed_ Brengt vader Rijn den lentegroet.

[R95] 't Beroemde treurspel _Lucifer_ op 66-jarigen leeftijd geschreven met den hoògstijgenden Reizang:

Wie is het die zoo hoog gezeten?

en het plechtstatig slot:

Heilig, heilig, nog eens heilig! Driemaal heilig!—Eer zij God! enz.

[R96] _Klinkert_ (klinkdicht). Zie het klinkdicht hierachter (blz. 239).

[R97] Een zesregelig gedicht op ~Pieter Pietersz. Hein~ van 1628; alleen belangrijk om Vondels belangstelling.

[R98] ~Laurens Reael~ (1583–1637) van 1616–1619 Gouverneur-generaal van Indië, wien Vondel zijn _Lof der Zeevaart_ (1632) wijdde, een gedicht waarin rake beschrijvingen van scheepsbouw en kleurige van de scheepvaart, door, voor onzen smaak, nogal te veel klassieke goden- en godinnerij worden bedorven; maar waarin men bewondert hoe de dichter zich door het afluisteren van de volkstaal en kennis der realiteiten van zijn onderwerp een smedig werktuig gemaakt heeft van onze, laat in de 16e eeuw, nog sterk verknoeide en stroeve taal.

Hierachter een proefje er uit (blz. 240).

Aan 't slot, de thuiskomst in 't „_Zee-prieel_:” Amsterdam, met de bekende regels:

„Hier open ik mijn reis in 't zalig Roemers huis: Wiens vloer betreden wordt, wiens dorpel is gesleten Van schilders, kunstenaars, van zangers en poëten.”—

De „kusjens” van ~Reael~ zijn minneliederen, aldus genoemd naar het voorbeeld van onzen beroemden 16e eeuwschen Nederlander Johannus Secundus (14 Nov. 1511 in Den Haag geboren) wiens latijnsche verzen door Grotius geprezen werden als die van Ovidius te evenaren. Op het voetspoor van zijn _Basia_ (kusjes) dichtte ook de Leidenaar Van der Does of Douza, stichter der Leidsche Akademie, zulke „kusjes,” en hem volgde ~Reael~.

[R99] ~Maarten Harpertszoon Tromp~—Vondel dichtte hem zijn „_Vrye Zeevaart_” toe, na den driedaagschen zeeslag van 28 Febr. 1653. Zie hierachter, pag. 241.

[R100] _Konstantyntje._ De eigenlijke titel was: _Kinderlijk_, bij den dood van zijn zoontje Constantyn. Zie hierachter, pag. 243.

Ik kan, intusschen door dit vers, hoe „knap” ook, allerminst tot schreiens toe bewogen worden, als Potgieter. 't Is mij te knap en te veel boven de wereld en haar smart, meteen. De _Vertroostinge aan Gerard Vossius_ spreekt me dieper toe. Maar ik mag geen uitvoerige bespiegelingen geven over Vondels kunst.

[R101] Ik ben niet geheel zeker omtrent 't door Potgieter hier bedoelde gedicht. Immers er is een _Kerstlied_ van Vondel (door Van Vloten ongeveer 1643 gedateerd) beginnend:

„Emmanuel is nu geboren.”

Er is een ander dat Unger op 1660 stelt.

Doch ik kan in dat eerste geen Italiaansch penceel ontdekken; veeleer in 't bekende: „O Kersnacht, schooner dan de dagen!” Doch dit geeft Alberdingk Thijm niet onder den titel _Kerstlied_, maar als: _Kersnachjen_, „bij Joffr. Tesselscha gezongen, in 't jaar 1632” (waarschijnlijk op muziek van onzen beroemden componist D. J. Sweelinck, op wien Vondel zelf ook eenige gedichten maakte.)

Dit laatste vers kent iedereen nu wel, die ooit iets van Vondel las. Ik geef dus liever dat van 1660. Men kan dan zelf kiezen: Zie hierachter, pag. 243.

[R102] _Opregtste Trouw._ De vierde Reizang uit de _Gysbreght_. Zie hierachter, pag. 245.

[R103] De schennis aan den _Schuttersmaaltyd_ gepleegd. Sommigen beweren, dat deze schilderij bovenaan zou zijn afgesneden; in verband met 't muurvlak waar ze te voren hing, wordt dit door anderen ontkend.

In het Rijks-museum dat Potgieter kende, hing deze schilderij van v. d. Helst (1613–1670), den leerling van Frans Hals en Rembrandt tegenover _De Nachtwacht_. Dat Potgieter haar stelt boven dit werk en boven het, evenals de Schuttersmaaltijd om het sluiten van den vrede van Munster geschilderde, doek van Flinck zal men hem nu niet meer toegeven. Doch de cultus van Rembrandt is vooral weer nà zijn tijd toegenomen. En—waardeerde hij niet de _Schuttersmaaltyd_ vooral ook om den levenslust, dien ze leeren zou?

[R104] Men stelt nu vast: „aan de zijde van haar jongen gemaal Prins Willem II,” met wien ze in 1641, kort vóor van Dycks dood, gehuwd was, hij nauwelijks 15 jaar! Jules Guiffrey, in zijn groot werk over Van Dyck, noemt beide jongelieden „verloofden.”

Wat Potgieter uit deze beschrijving voor bespiegelingsstof gehaald zou hebben! Niet heel duidelijk trouwens is hoe hij, die er den hertog van Gloucester in zag, twee pagina's verder iets kon zeggen over de wijze, waarop deze 's vaders dood zou dragen. Want dat zou 3 jaar nà zijn geboorte gebeurd zijn!

[R105] Rembrandt.—Burgemeester Jan Six, naar wien hij een zijner schoonste portretten penceelde, dat nog de glorie is van de nu voor het publiek gesloten Six-galerij, was zijn vriend.

[R106] Van Dyck schilderde o. a. Karel I 25 malen, daarvan niet minder dan 3-maal te paard, alsook zijn paard aan den teugel leidend. Behalve deze nog veel ruiters (St. Martyn; den Graaf d'Aremberg, enz.)

[R107] _Marston Moor_ en _Naseby_—bekende Engelsche slagvelden in den strijd tusschen de aanhangers van Karel I, en de IJzervreters onder Cromwell en de andere vertegenwoordigers van 't Parlement.

[R108] „_zonder te vergeten dat zij tóen reeds_” d.i., niet heel duidelijk: _toen_ haar vader onthoofd werd.

[R109] Luitenant ~Johan Oetgens van Waveren~, wiens beeltenis we uit het welbekende geheel hebben gelicht, was toch waarschijnlijk dezelfde ~niet~ als ~burgemeester~ van Waveren, die ~Antoni~ heette en volgens Wagenaar met ~Pieter Hasselaar~ door de Amsterdamsche vroedschap naar Prins Willem II gezonden werd. Uit de familieregisters van ~Elias~ (~De Vroedschap van Amsterdam~) schijnt af te leiden, dat deze luitenant de zoon van burgemeester ~Antoni~ was.

[R110] ~Frans Banning Cock~ of ~Kok~, de hoofdfiguur op Rembrandt's schilderij, was inderdaad in 1650, tijdens Willems aanslag op Amsterdam, een der burgemeesteren van die stad.—Dat hij deel zou hebben uitgemaakt van die deputatie naar den Prins, blijkt echter uit niets.

[R111] Een blijkbare drukfout in dien ouden catalogus voor: 1660.—Potgieter mocht wel zoo'n fijn steekje onder water geven!

[R112] _Te voldingen._ Voor voltooien.

[R113] Er zijn twee Honthorsten: Gerard (1590–1656) en zijn jongere broeder Willem (1604–1666). Ook van den laatste heeft ons Museum een portret van Willem II, dat echter blijkbaar niet door P. bedoeld is. De ~vioolspeler~ van Gerard vindt men er onder No. 1233; het stelt een rondreizend speler, blijkbaar door drank opgevroolijkt, met een glas in de hand, voor.

[R114] Met de namen van ~Hertog Aelbrecht~ en ~Vrouwe Jacoba~ worden wij even verplaatst naar het tijdperk onzer geschiedenis, dat gekenmerkt werd door de zoogen. Hoeksche en Kabeljauwsche twisten. Potgieter heeft hier de partijdigheid op 't oog, die bij het bespreken van dit tijdperk in Bilderdijk's oordeel over deze beide personen doorstraalde. Zijn eigen „kabeljauwsche” gezindheid, d.w.z. zijn afkeer van vrouwenregeering deed Bilderdijk over Jacoba van Beieren, meer bepaald uit het oogpunt van zedelijkheid, oordeelen met een gestrengheid, die scherp afsteekt tegen het milde oordeel, dat hij in dit opzicht voor Hertog Aelbrecht over heeft, wiens moraliteit, gemeten naar Bilderdijk's leerstelligen maatstaf, toch niet minder dan die van Jacoba te veroordeelen viel.

[R115] Herinnering aan de moeilijkheden tusschen Willem II en Amsterdam, waar beider belangen tegen elkander schenen te botsen; hij, wiens macht door den vrede daalde; de Amsterdamsche heeren, wier macht er door wies.

[R116] Frederik Hendriks aanslag op Antwerpen werd door de Amsterdammers nog uit andere „winzucht” verijdeld: Antwerpen binnen de „Unie” getrokken, zou voor onze eerste koopstad te groote mededingster geworden zijn.

[R117] _Oligarchie_: Regeering van weinigen.

Die „~Sommelsdijk~,” w/o. P. het heeft, was ~François van Aerssen van Sommelsdyk~, te voren raadgever van de Prinsen Maurits en Frederik Hendrik, en een tijd lang gezant der Staten te Venetië.

[R118] Deze zes afgevaardigden waren: ~Jacob de Witt~, oud-burgemeester van Dordrecht, ~Jan de Waal~, burgemeester en ~Albert Ruil~, pensionaris van Haarlem, ~Jan Duist van Voorhout~, burgemeester van Delft, de pensionaris ~Keizer~ van Hoorn, en de pensionaris ~Stellingwerf~ van Medemblik.

[R119] ~Potgieters~ wensch is vervuld in No. 239: ~Cornelis Bicker~, (1593–1654) zoon van den vroeger genoemden medestichter der O.-I. Compagnie, heer van Swieten, door onbekende hand geschilderd; 't portret werd in 1881 van de Gemeente Amsterdam in bruikleen ontvangen. En no. 2117 stelt denzelfde voor als kapitein met zijn corporaalschap, gereed om Maria de Medicis, Koningin Weduwe van Frankrijk in te halen—Sept. 1638.—'t Schilderij van den Duitschen schilder Joachim von Sandrart (1606–1608) (leerling van Gerard Honthorst, die ook Vondel en Hooft schilderde en den ouden Vossius en bij wiens portretten Vondel zoo dikwijls bijschriften maakte, denk aan: „Sandrart bekrans hem vrij met bloemen en met blaâren, Al wat in boeken steekt, is in dat hoofd gevaren!”)—'t tafereel dan hing in 's burgemeesterskamer ten stadhuize, en werd in 1885 aan 't Rijksmuseum in bruikleen afgestaan.

Of de les, die Potgieter van zijn beeltenis aan 't geslacht van heden verwachtte, ook door de beschouwers sints 1885 zou zijn getrokken?

Vondel maakte omstreeks 1665 ook op dezen Bicker een kort gedicht.

[R120] Door dien eisch toe te geven. Meent P. niet vooral: door 't toegeven aan dien eisch van den vreemdeling omtrent 't geen alleen aan 's lands belang door 't land had mogen worden getoetst?

[R121] ~Backhuyzen~: ~Bakhuysen~ (Ludolf), een Embdenaar van geboorte (1631) werd te Amsterdam leerling van Allert van Everdingen, en eindigde daar ook zijn leven (1708). Hij is vooral zee- en waterschilder geweest; P. denkt hier bizonderlijk aan schilderij 410—~De Raadpensionaris Johan de Witt, als gemachtigde der Staten-generaal aan boord van de Nederl. Vloot op~ 13 ~Sept.~ 1665.

~Jan Peeters~ was een Antwerpenaar; hij schilderde het verbranden van de Engelsche vloot voor Chatham, 20 Juni 1667.

~V. d. Velde.~ Er zijn verschillende schilders van dien naam, en ons Museum telt thans een aantal werken van ~Willem v. d. Velde~, den oude (1611–1693), penteekening-schilderijen, die voor de geschiedenis onzer Zeemacht van het hóogst belang zijn, maar door Potgieter niet kunnen bedoeld zijn, omdat ze alle pas later verkregen zijn. De stukken, die hij op 't oog had, waren van den zoon des vorigen, ~Willem v. d. Velde de Jongere~ (1633–1707) leerling zijns vaders en van Simon de Vlieger en evenals zijn vader geëindigd als hofschilder van de Engelsche koningen (1637). Van zijn hier aanwezige werken, geeft het éen den ~Vierdaagschen Zeeslag~ te zien, Juni 1666; het ander de verovering van het Engelsche admiraalsschip, en het binnenbrengen der daarbij veroverde schepen in het gat van Goeree.—Zie onze afbeeldingen.

[R122] „_Waarom deze (Janmaat) hem op de handen droeg; waarom deze jongen van Jan de Witt nog een eernaam houdt._” Deze laatste, wat òverduistere zinshelft bedoelt: waarom Janmaat het „jongen-van-Jan-de Witt” nog als een eerenaam beschouwt.

[R123] ~Royer~; de beeldhouwer, die ook het standbeeld van Coster te Haarlem maakte; ~Van der Hoeven~ (~des Amorie~), de uit P's tijd beroemde kanselredenaar.

[R124] De poging om Amsterdam te verrassen heeft Vondel, vredesman en sterk partijganger van Amstels burgemeesteren en raden, een aantal felle gedichten tegen Willem II en zijn medestanders in de pen gegeven. Potgieter dacht hier zeker voornamelijk aan dat van 1650: _De Monsters onzer Eeuw_, w/i. Willem II op één lijn gesteld wordt met de Engelsche anti-koningsgezinden, en de moeder van Ibrahim, die in 1649 haren zoon door de Janitzaren liet vermoorden. Zie pag. 247.

Vondel, als partijganger, was niet malsch!—In een ander gedicht, _Aan de blokhuizen van Amsterdam_ sprak hij van Willem II als van een tiran, een wulpschen (onervaren, onberaden, als een welp) heer die ons met schorpioenen en niet met roeden plaagt!

Maar, gelijk Potgieter herinnert, tien jaar later toen, ter gelegenheid van de troonsbestijging van koning Karel II van Engeland, de Amsterdamsche vroedschap diens zuster, de moeder van Willem III en dezen zelf naar Amsterdam noodde, was ook Vondel in een andere stemming jegens deze bezoekers. Dat de Stuarts weer den Engelschen troon innamen verheugde hem, den legitimist en aanhanger van de vermoorde, katholieke Maria Stuart, en zoo kwam hij er vanzelf toe ook de Prinses-Royaal in zijn genegenheid te betrekken. Daarbij voegde zich zijn hoop op een bondgenootschap tusschen Engeland en Holland. Had Karel, die hier gastvrijheid genoten had, niet daarvoor zijn dankbaarheid betuigd, en waren niet de Puriteinen, die ons den eersten Engelschen oorlog op den hals gejaagd hadden, nu machteloos geworden?—Zoo gaf dit bezoek van de Prinses, die immers ook den geliefden naam Maria Stuart droeg, Vondel allereerst aanleiding om het te bezingen met een gedicht, dat hij: _De bruiloft van den Theems en Amstel_ noemde. Terwijl hij, naar aanleiding van een rit door Willem III bij dit bezoek aan het hoofd der eerewacht door de stad gedaan, liet volgen het door Potgieter bedoelde gedicht op de _Ridderschap van Amsterdam_. Zie hierachter, pag. 248.

[R125] _Het eeuwig edict_, van 1665, door de Witt aan de Staten-Generaal ontlokt, en w/i. bepaald werd, dat het Stadhouderschap onvereenigbaar zou wezen met het opperbevel over leger en vloot. De „eeuwigheid” duurde juist 7 jaren; de gebeurtenissen van 1672 haalden er een scheur door.

[R126] Dat is van den moord op de ~de Witten~.

[R127] Sindsdien verkreeg ons Rijksmuseum nog allerlei beeltenissen van Willem III, van Honthorst, Maas, Netscher, Wissing enz.

[R128] ~Sir William Temple~ (1628–1699) was tot tweemalen toe onder Karel II Engelands gezant in ons land, en de grondlegger van het drievoudig verbond tusschen Engeland, Zweden en Holland, dat ons land in 1672 zoo treurig in den steek liet.

[R129] D.w.z. die van de vloot.

[R130] De historicus onzer zeetriomfen.—Waarschijnlijk ~Brandt~, wiens Leven van de Ruyter we uitgaven.—De heer P. H. Mulder te Utrecht wees me sints de eerste uitgaaf er op, dat P. ook ~de Jonge~, den schrijver der _Geschiedenis van het Nederl. Zeewezen_ bedoeld zou kunnen hebben.

[R131] ~Jacobus Ludovicus Cornet~ (18 Aug. 1815–1882), Leidenaar. Directeur van 's Rijks Prentenkabinet aldaar. Zijn schilderij te vinden is mij niet gelukt.

[R132] Zie Brandt's _De Ruyter_, in onze uitgaaf pag. 292–293.

[R133] Een Hoogleeraar.—Wie dat mag geweest zijn, weet ik niet. Naar 't vermoeden van Prof. H. Brugmans, die echter de plaats niet wist aan te wijzen, H. W. Tydeman.

[R134] Dat waren de Hollanders.

[R135] Aan wien Potgieter dit citaat ontleend mag hebben, weet ik niet.

AANGEHAALDE GEDICHTEN

CONSTANTIJN HUYGENS:

SCHEEPSPRAET.

(_ten overlyden van_ PRINS MAURITS VAN ORANGE (1625)).

Mouringh, die de vrye schepen Van de Seven-landtsche buurt[D] Veertigh jaren, onbegrepen[E] Onbekropen heeft gestuurt; Mouringh, die ze, door de baren Van zoo menig tegenty Voor de wind heeft leeren varen, Al en was 't maar wind op zij;

Mouringh, schipper zonder weêrgâ Die zijn onverwinlijkheid Waar de zon òp, waar zij neergâ T' aller ooren heeft gepreid[F]; Mouringh, die de zee te nauw hiel(d) Voor zyn zeilen en zyn wand, Die de vogelen te gauw viel, Al bezeilde hij maar 't zand[G]...

Mouringh was te kooi 'ekropen, En de endelooze slaap Had zyn wakker oog beslopen En hem, Leeuw, gemaakt tot Schaap; Reeërs en matrozen riepen: „Och! de groote schipper, och! Wat zou 't schaên of wy al sliepen, Waakte schipper Mouringh noch!”

„Schipper Mouringh! Maar je legt-er Maar je legt-er plat 'eveld. Stout verweerder, trotsch bevechter, Bei te zeewaart en te veld. Kijk, de takels en de touwen, En de vlaggen en het 'schut Staan te pruilen in den rouw, en Altemalen in den dut!”—

„Dutten?” sprak mooi Heintje[H], „dutten? Stille, maats! een toontje min. Dutten? wacht, dat most ik schutten, Ben ik anders dien ik bin; 'k Heb' te lang, om Noord en Zuien, By den Baes te roer 'estaan, 'k Heb' te veel gesnor van buien Over deuse muts sien gaan.”

„'k Zel't hun lichtelyk zoo klaren, Dat ik vlaggen, schut en touw, En de maats, die met me varen, Vryen zal van dut en rouw. Reeërs (jouwerliefde mien ik Die van vers op 't kussen vicht) Wil je'er an?—Kedaar, jou dien ik, Jou allienig, by dit licht.”—

„Weeraan!” riepen de matrozen, „'t Is een man of 't Mouringh waar'!” En de Reeërs, die hem kozen: „Weeraan!—'t is de jonge vaêr!” Heintje peurde strak an 't stuur, en Haalde 't anker uit de grond, 't Scheepje ging door 't zeepsop schuren, Of er Mouringh nog an stond.

[D] de zeven provinciën.

[E] onberispt.

[F] gepraaid.

[G] In den zeilwagen van Simon Stevin.

[H] Frederik Hendrik.