Jan, Jannetje en hun jongste kind—Het Rijksmuseum met inleiding en aanteekeningen van L.S. en vier-en-veertig afbeeldingen

Part 14

Chapter 143,174 wordsPublic domain

[R1] De hier bedoelde vijfschaar bestond uit: Engeland, Pruisen, Oostenrijk, Rusland en Frankrijk, die in 1830 en 1831 in Londen confereerden over den Belgischen opstand en 26 Juni 1831 het zgn. Londensche Protokol teekenden.

[R2] Denk aan de bekende tochten naar de beide Indiën, tegen Portugal's heerschappij; om de Zuidpunt van Afrika en de pogingen om het Noorden om te zeilen.

[R3] Winzucht en wetenschap gingen inderdaad samen in de ontdekkingstochten, die door ondernemende kooplieden als De Moucheron en Le Maire op touw gezet, tegelijk de kennis der aardrijkskunde verhoogden. De Amsterd. predikant Petrus Plancius (1550–1622) stelde zijn groote kennis van aardrijks-, zeevaart- en sterrekunde ten dienste der koopvaarders; en de beroemde kaarten en atlassen, in ons land vervaardigd, hielpen beide: winzucht en wetenschap.

[R4] De Nederl. Handel-Maatschappij, onder Koning Willem I en op diens initiatief tot verlevendiging van den nationalen handel gesticht.

[R5] Vergelijk, om u te overtuigen, dat Potgieter hier niet opsneed, wat de hoogleeraar te Oxford James Thorold Rogers in zijn werk over ons land „_Holland_” (Story-of-the-Nations-Series, Fisher Unwin) in zijn voorrede schrijft: „Geenszins echter beperkt de schuld van het modern Europa aan Holland zich tot de lessen die het gaf omtrent het waarachtig doel van burgerlijk bestuur. Het heeft Europa bijna al het overige geleerd. Het gaf les in vooruitstrevende rationeele landbouwkunde; het was de voorganger in zeemanschap en ontdekkingstochten en, naar het inzicht van den tijd, de grondlegger van verstandigen handel. Het heeft de grootste rechtsgeleerden der 17e eeuw voortgebracht. In de kunsten des vredes stond het vooraan. De drukpersen van Holland leverden meer boeken af dan heel het overige Europa. Het telde de meest geleerde mannen van studie. De Oostersche talen zijn voor het eerst aan de wereld gegeven door Hollanders. In natuurkundig onderzoek en verstandige geneeskunst stond het vooraan. Staatslieden onderwees het de financierskunst, handelaars het bank- en credietwezen, wijsgeeren de speculatieve wijsbegeerte. Langen tijd was dit bestormde hoekje van West-Europa de hoogeschool der beschaafde wereld, het middelpunt van Europa's handel, de bewondering, de afgunst en het voorbeeld der natiën.”

[R6] Vergelijk behalve 't geen in de Inleiding is aangehaald, ook over den algemeenen toestand in 1844 wat o.a. Prof. Dr. P. L. Muller in zijn „Geschiedenis van onzen Tijd,” 1e stuk, schrijft over dien toestand vóór 1848 (pag. 93): „Het was alsof het krachtig optreden tegen de Belgische omwenteling alle energie der natie had uitgeput. Van alle landen van Midden-Europa had Nederland toen de minste beteekenis.”

[R7] De stoere figuren der 17e-eeuwers, neerkijkend van het doek op de bepruikte mannetjes der 18e!

[R8] Cicerone = reisgids.

In de dan volgende wellicht niet-aanstonds òver-duidelijke periode geeft P. nu rekenschap ervan, waarom het aanstaand bezoek van deze Nederl. verzameling bij den ~Protestantschen~ Nederlander (aanbidder in geest en in waarheid) hooger verwachtingen wekt dan eene van een verzameling antieke beeldhouwkunst, die de helden van Homerus en het schoonheids-ideaal der Grieken doet kennen; of van Italiaansche schilderkunst, vooral van het werk van Rafael, die bij zijn aanbidding der vormschoonheid toch in zijn Madonna's de gelouterde zinnelijkheid der Grieken overtreft door haar vermenging met het Geloof. De ~liefde~, in de Christelijke kunst uitgedrukt, en als gesymboliseerd in de moederliefde van de maagd voor het kindeke Jezus, gaat het noodlotsbegrip van het Griekendom, in zijn goden en helden verbeeld, te boven. Maar al mag er wat bekrompenheid liggen in ons hollandsch verwerpen van het goddelijke in de kunst,—de hollandsche opvatting, die de schoonheid in de werkelijkheid en de natuur zoekt, en van de kunst de verlevendiging vraagt van ons gevoel voor voorgeslacht, vrijheid en vaderland, en die van het goddelijke geen afbeeldsels duldt, staat voor P. toch hooger.

Of er in die opvatting niet nog meer eenzijdigheid schuilt dan P. zelf vermoedde? Ik onthoud me in deze aanteekeningen, waar mogelijk, van een meeningsdiscussie. Men vergete trouwens niet dat P. van die zuidelijke kunst niets kende dan het werk van den overgangskunstenaar Rafael (en dit blijkbaar nog maar in gravures nàar zijn werk!) De christelijke kunst vóor Rafael, die meer de innigheid dan de schoonheid zocht, was in zijn tijd (om zoo te zeggen) nog niet weer ontdekt. De Engelsche prae-raphaelitische beweging—die de voorgangers van Rafael tot voorbeeld koos,—onder Ruskin's en Rosetti's leiding, was in 1844 eerst in haar opkomst.

[R9] In 1540 moest Karel V zijn zuster te hulp komen tegen de opstandige Gentenaren, die sinds 1537 tegen haar in verzet waren, weigerend, met een beroep op oude privilegiën, de groote geldsommen op te brengen, welke de landvoogdes eischte ter instandhouding van het leger. Aan dit belastingverzet paarde zich weldra een godsdienstige en sociale beweging, die zich over heel Vlaanderen dreigde uit te breiden en daarom ten slotte door Karel met groote overmacht bedwongen werd.

't Straks volgende: _chevalier sans peur et sans reproche_ beteekent: ridder zonder vrees of blaam.

[R10] d. i. ~Lamoraal~, Graaf van Egmond, door Göthe in zijn _Egmont_ geteekend.

[R11] ~Hernan Cortez~ veroverde Mexico 1519–1521; door naijvrige tegenstanders bij den keizer belasterd, viel hij later in ongenade en stierf als vergeten burger.

[R12] Frederik de Wijze, Keurvorst van Saksen, die na den dood van Keizer Maximiliaan I zijn invloed aanwendde om Karel te doen verkiezen.

[R13] ~Wolsey~ (~Thomas~), kardinaal en aartsbisschop van York, langen tijd de machtigste gunsteling van den Engelschen koning Hendrik VIII, nam een belangrijk aandeel in de worsteling tusschen Karel V en den Franschen koning.

[R14] ~Frans I~—„~Tout est perdu fors l'honneur~,” „alles is verloren, behalve de eer.”

[R15] Als het onmogelijke mogelijk ware geweest, Karel V had zijn voet op de wereld gezet.

[R16] Zinspeling op Karels tocht, in 1535 tegen den gevreesden zeeschuimer Kheir-ed-Din Barbarossa ondernomen; bij de verovering en gruwelijke uitmoording van Tunis werden 10 tot 20.000 Christenslaven verlost.

[R17] ~Maurits van Saksen~ had Karel krachtig gesteund in den Smalkaldischen oorlog tegen den keurvorst van Saksen, en nadat deze in 1547 gevangen genomen was, kreeg Maurits een groot deel van diens rijk en werd zelf keurvorst. Nu echter verried deze den keizer, vereenigde zich met Koning Hendrik II van Frankrijk en trok in 1552 eensklaps tegen Tyrol op, zoodat Karel in allerijl naar Innsprück moest vluchten.

[R18] _Tiara_, drievoudige pauselijke kroon.

[R19] „_eenen veegen verrukten_”—veege is stervende.

[R20] ~Hendrik van Brederode~: Zie ~Hooft~ in zijn Nederl. Historieën: „Den derden van Grasmaandt (1566) dan, deed daar zijn intreê Heer Henrik van Breederode, persoonaadjen van hooghen aanzien en achtbaarheit, als eerste eedelling (die te Brussel bijeenkwamen om der Spaansche landvoogdes het bekende smeekschrift te overhandigen, voorteeken van den opstand) en gesprooten in manlijke lijn, uit de Graaflijke stam van Holland.” Hij was het ook die op den vijfde voor al de edelen het woord voerde, ter overhandiging van het smeekschrift.

[R21] De ~Zwart Jan's~ en de ~Jan Haring's~—~Zwart Jan~ was de bijnaam van een Rotterdamschen smid, die zich kloekmoedig weerde bij Bossu's verraderlijken aanval op Rotterdam, kort na de inneming van Den Briel. Mede tegen Bossu, nu bij den befaamden slag op de Zuiderzee (1573), onderscheidde zich een Hoornsch burger, ~Jan Haring~, die zijn koenheid met den dood bekocht.

[R22] _provincialismus en urbanismus_: gehechtheid aan eigen provincie en stad, die beletten dat men belangrijke stukken afstaat voor een groot, _nationaal_ museum.

[R23] De onderhandelingen met don Johan (van Oostenrijk), met Matthias (van Oostenrijk), met den hertog van Anjou, om het hoofd te worden van de geunifieerde gewesten en dezen aldus in hun strijd met Spanje een dynastieken rugsteun te verzekeren.

[R24] ~Miereveld~ was inderdaad pas in 1567 geboren, doch hij schilderde het gelaat dan ook niet naar den levenden prins, doch naar het origineel van Cornelis de Visscher.

[R25] De Friesche dichter ~Onno Zwier van Haren~ (1711–1779) in zijn gedicht: _De Geuzen_—in den eersten druk (1769) _Aan het Vaderland_ geheeten.

[R26] Schiller's gedicht: _Die Unüberwindliche Flotte_, met de beginregels:

„Sie kömmt—sie kömmt, des Mittags stolze Flotte, Das Weltmeer wimmert unter ihr.”

[R27] De ~Amirant van Arragon~, ~Franciscus de Mendoza~, was bij den slag van Nieuwpoort gevangen genomen. Zie de aanteekening van P. zelf bij de _Liederen van Bontekoe_.

[R28] ~Willem Barendsz~, door Tollens' gedicht op de „Overwintering op Nova Zembla” populair genoeg geworden; ~Olivier van Noord~, de eerste Nederlander, die den aardbol omzeilde door de straat van Magellaan (Aug. 1598).—~Jacques le Maire~, zoon van den uit Antwerpen geweken en naar Amsterdam verhuisden koopman Isaac le Maire. Deze was op 't denkbeeld gekomen, dat een nieuwe doorvaart naar het Zuiden te vinden zou zijn. Jacques stak 1615 van Texel in zee met twee schepen, waarvan een op reis verbrandde; met 't andere ontdekte hij de zeestraat naar hem genoemd en kaap Hoorn.

[R29] „_Al leverde hij er een fraaie schets van._” Die _hij_ is blijkens een latere toespeling op pag. 201, de schilder ~Cornet~ geweest, zie noot R131.

[R30] ~Willem Bontekoe~. Zie P's _Liedekens van Bontekoe_.

Het is mij niet gelukt te ontdekken, ook niet bij navraag in België, bij wie best bekend zijn met de Vlaamsche schilderkunst, wie die Vlaming mag geweest zijn.

[R31] _Brabbelingh_ was de titel w/o de Amsterdamsche koopman ~Roemer Visscher~ (1547–1620) in 1614, toen hij al oud was, zijn _Quicken_, of puntdichten, _Raedselen_, _Jammertjens_ enz. uitgaf. Heel kieskeurig was hij in zijn aardigheden niet; Jonckbloet acht ze voor onze dagen (al erkent hij hun vroolijk vernuft) „àl te onkiesch, zelfs plat,” en Alberdingk Thym vond zijn „kwinkslagen van zulk een stempel, dat ze in café-chantants onzer dagen (d. i. toen hij zijn _Portretten van Joost van den Vondel_ uitgaf. 1876) nauwelijks geduld zouden worden.” Met Brederoo's kluchten (en die was staage gast in Visscher's huis) was 't niet anders; de 17e eeuw hield er niet van een blad voor den mond te nemen, en het teekent Potgieter, dat hij „kieskauwer noch pilaarbijter” hoog dorst loopen met deze oud-hollandsche „oubolligheid.”

[R32] ~Hendrick Spieghel~, de groote vriend van Roemer Visscher, uit een aanzienlijk Amsterdamsch geslacht in 1549 geboren († 1612) legde zich eveneens op handel èn dichtkunst toe; studeerde Grieksch en Latijn, een echt man van 't Humanisme. In zijn gedichten, vooral den _Hertspieghel_, wijsgeerig bespiegelend, onder de zinspreuk: „_Deugd verheucht_,” legde hij zich zoo zeer op kernachtigheid toe en op woordkoppelingen naar Grieksch voorbeeld, dat ze moeilijk verstaanbaar werden. Doch hij legde met ~Roemer Visscher~ en ~Dirck Volckertsz. Coornhert~ den grondslag voor het nieuwere Nederlandsch, ontdaan van de vele vreemde termen der Rederijkers, waarvan straks Hooft en Vondel zich zouden kunnen gaan bedienen:

„Op dees voet ik doorwroet ons grondwoordryke taal En my' uytheemse pronk.”

De zeehelden door Tollens en Bogaers bezongen, zijn: ~Willem Barendsz~ en ~Jacob van Heemskerck~. Bogaers (Rotterdamsch dichter 1795–1870) schreef _De Tocht van Heemskerck naar Gibraltar_ (1837) dat bij onze voorouders zoo in den smaak viel.

[R33] „Waar de stoet van buitenlandsche vorsten, die den krijg kwam leeren bij den oorlogsman, die alle overige wijken deed”—Geen heel fraaie zin, met deze beide _die's_ en onduidelijk bovendien. 't Eerste _die_ slaat op stoet; 't tweede op oorlogsman, d.i. prins Maurits, voor wien alle overige bevelhebbers hadden te wijken. De straks volgende fransche zin beduidt: „Hart voor alles, wat den roem van Frankrijk uitmaakte.”

[R34] ~Rombout Hogerbeets.~—Potgieter doelt hier op het familiestuk van De Keyser, dat echter niet Rombout Hogerbeets „een vrome, opregte ziel en vrij van vuile smetten,” zooals Vondel dezen medestander van Oldenbarneveld, bij zijn dood in 1627 noemde, doch een heel ander gezin voorstelt. Het stuk van Cuyp, waarvan hij spreekt, wordt nu ook aan de Keyser toegeschreven.

[R35] Frederik Hendrik's moeder was Louise de Coligny, dochter van den Hugenootschen generaal de Coligny.

[R36] ~Cats~, Heer van Zorgvliet; ~Huygens~, heer van Zuylichem.

[R37] ~Reinvis Feith~, de 18e eeuwsche sentimenteele dichter.

[R38] ~de Vries.~ Ik vermoed dat P. doelt op ~Jeronimo De Vries~ (1777–1853), den grooten vriend van Bilderdijk; schrijver o. a. van de _Proeve eener Geschiedenis der Nederd. Dichtkunst_.

[R39] Zie later: _Het Houwelyck_ of _het gantsch beleid des echten staets_.

[R40] ~Huygens~, in zijn _Zedeprinten_, maar vooral in zijn Antwerpsche „_Klucht van Tryntje Cornelis_.”

[R41] „De tijd is voorbij.” Potgieter voelde zich dus op zijn 36e jaar al verstokt vrijgezel.

[R42] De 17e en 18e eeuwsche dichters in 't algemeen hielden ervan de meisjes, tot wie zij gedichten richtten of die zij in hun minnedichten lieten optreden, klassieke namen te geven. Aan ~Phyllis~ vooral is menig lied door hen opgedragen.

[R43] „Blikt ons de bitter beproefde Maria van Utrecht niet aan”—'t Portret is echter van 1615, dus vóór haar beproeving kwam.

[R44] Vergelijk de bekende uitdrukking uit Vondel's _Gysbreght_:

„Men _brengt_ het Vosmeer _toe_ met kroesen en met kannen.”

~Jan Jansz. Starter~ (1594–? nà 1627) was een vroeg 17e eeuwsch dichter, bekend om zijn _Friesche Lusthof_ (1621) „beplant met verscheide stichtelyke Minne-Liedekens.” De ~Breeroo~ hier genoemd, is de vroeg-gestorven Amsterdamsche 17-eeuwsche dichter, wiens blijspelen en kluchten, en een deel van zijn gedichten, van sterke levensweelde spreken.

[R45] Potgieter hield van de 17e eeuwsche glazen; denk aan zijn gedicht: „_Op rijnsche roemer òf fransche fluit._” Een fluit is eigenlijk een ~geblazen~ glas—van onderen smal, en toenemend breed naar boven.

[R46] _Scheepspraet_, ten overlijden van ~Prins Maurits van Orange~ (1625), van Constantijn Huygens. Zie onze achterstaande verzameling, pag. 225.

[R47] ~Burns~ (1759–1796) de Schotsche liederendichter; ~Béranger~ (1780–1857) de Fransche; beide letterkundig in hoog aanzien.

[R48] ~Constanter~, schuilnaam, waarmee Huygens zijn puntdichten placht te onderteekenen. Zoo'n aardigheid als van plaatsen en ~mis~plaatsen was echt in Huygens' trant.

[R49] De meest beroemde: ~Christiaan Huygens~, de groote natuurkundige der 17e eeuw.—In zijn _Cluyswerk_ roemt Constantijn zichzelf om zijn kinderen gelukkig.

[R50] _'t Voorhout_: satirieke beschrijving van Haagsch leven, zich samentrekkend onder de Haagsche _Linde-lij_.

[R51] _Hofwyck_, Huygens' buitenplaats bij Voorburg—door den dichter beschreven (naar zijn zoon Christiaan schreef) „dat 't de ziel raakte, makende van die wandeling een handeling”—in zijn gedicht van dien naam.

[R52] _Cluyswerck_, 't laatste werk van Huygens, eerst in de 19e eeuw uitgegeven. 't Andere is van Cats.

[R53] _De Zeestraat_ van Den Haag naar Scheveningen. Huygens schreef in 1653 een ontwerp voor een „Steen-wegh van den Haghe op Scheveningh.” Tien jaar later kon hij in een brief uit Parijs aan den Heere De Veer, baljuw van 's-Gravenhage, constateeren tot zijn genoegen vernomen te hebben, dat men in ernst begon te spreken van eenen steen-wegh uit den Haghe, niet alleen tot Ryswyck, maar oock tot Scheveningh. In 1666, toen die voltooid was, gaf hij zijn gedicht van dien naam uit.

[R54] Hier doelt Potgieter op den gouden ketting en penning, door de Staten op 25 April 1637 aan Galilei toegezonden, als waardeering zijner verdiensten, en in verband met zijn in 1635 gedane aanbieding, om hun zijn uitvinding van de lengtebepaling met behulp der verduistering der satellieten van Jupiter over te doen. Ofschoon uit de mededeelingen van Prof. ~D. J. Korteweg~ (Verslagen en mededeelingen der Koninklijke Akademie van Wetenschappen 1888, 3e rks., 4e deel, pag. 275 vlgg.) duidelijk blijkt, dat Huygens zich veel moeite heeft gegeven om de zaak te doen slagen, is niet duidelijk of juist hij tot het verleenen van dien ketting—als Potgieter verklaart—den stoot gaf. Voor waardeering van H. blijft dit intusschen 't zelfde.

[R55] _Galathe._ Het gedicht van Hooft, waar P. aan denkt, zie achter, pag. 228.

[R56] Het eerste lied uit den bundel. Dit is het _Heilige Venus_, vermeld in verband met P's toespeling in _Jan, Jannetje_. Aldaar noot J62, en verder achter, pag. 227.

[R57] _Rozenobel_, Gouden munt, die ten tijde van Hooft een waarde van ƒ 8.90 vertegenwoordigde (A. C. Oudemans, Snr. Woordenboek op Hooft).

[R58] _Ausonië_: Beneden-Italië. In ruimeren zin ook voor geheel Italie gebruikt.

[R59] ~Petrarca~ en ~Guarini~. ~Petrarca~ (1304–1374) was Italiën's grootste lyrische dichter, tegelijk geleerde en inleider der nieuwe klassieke studiën (Humanisme). Zijn sonnetten aan _Laura_, wier liefde hem op 23-jarigen leeftijd, toen hij al in den geestelijken stand getreden was, overviel, zijn hoogberoemd om hun vormschoonheid, vernuft, welluidendheid, en hebben ook op onzen ~Hooft~, die van 1598–1601 in Italie reisde, grooten invloed geoefend. ~Guarini~ (1537–1612) had toen kort te voren, in 1585, zijn herdersdrama „_Il pastor fido_” („de Getrouwe Herder”) doen vertoonen, dat Hooft na zijn terugkomst inspireerde tot zijn eigen herdersspel: _Granida_ (1605).

[R60] _Arcadie_: Het klassieke land der herdersspelen.

[R61] _Arno_; de rivier w/a. Florence ligt, en vanwaar uit Hooft een rijmbrief schreef.

[R62] _Als hy Rozemondt wekt_, _als hy Klaare beschaamt_. 't Zijn twee liedjes van 1621.—Zie hierachter, pag. 228 en 229.

[R63] _Klachte der Prinsesse van Oranjen over 't Oorlog voor 's-Hertogenbosch_: Zie achter, pag. 230–232.

[R64] ~Ovidius~. Latijnsch dichter.

[R65] _Meistreel_ = minnestreel, liederzanger.

[R66] De vrijheidszucht, „die erfelijk scheen in zijn geslacht”—Hoofts' vader was Burgemeester Cornelis Pietersz. Hooft, die ten tijde van Leicester dezen zoo krachtig in zijn aanslagen weerstond. (Zie Vondels eerewoorden in zijn _Roskam_, noot R87 en pag. 238.) Ook Jan Cornelisz. Hooft, een der hopluiden der stad, speelde een rol in de verdediging der stad tegen Leicester.

Wat des dichters eigen vrijheidsdenkbeelden aangaat, men behoeft slechts te denken aan de _Rey van Aemstellandsche Jofferen_ uit het door Potgieter aangehaalde treurspel van _Geeraardt van Velzen_:

Den openbaren Dwingeland Met moed te bieden wederstand En op de harssenpan te treden; Om met het storten van zijn bloed, Den vaderlande 't waardste goed: De gulden vrijheid, te bereeden; Dat is, van ouder herkoomst wijd, Bij d'aldertreffelijksten altijd Beloond met eerebeelden danklijk. Die roem is uitgeblazen met Geleerdheids heldere trompet. In schrift en dichten onverganklijk. De lofkrans groenens nimmer moe, Die komt het hair der zulken toe, _Die 't al voor 't algemeene wagen_, enz.

[R67] _Navolging van Plautus._ In zijn kluchtspel „_Warenar_,” naar de „_Aulularia_” van ~Plautus~.

[R68] Potgieter denkt aan de geschiedwerken van ~Hooft~: _Hendrik de Groote_ (1626); _Rampzaligheden van den huize Medicis_; vervolgens _Nederlandsche Historien_, behandelend de jaren 1555–1586, in 1642 door hem uitgegeven.

[R69] Wat Potgieter al niet zag!—Bedenk, dat de zoogenaamde de Keyser een Sandrart is en dan geschilderd naar een plaat van Persyn!

[R70] _Camaraderie._ „_Bentgenooten_” was 't hollandsche woord, waarmee Potgieter zelf 't woord _Camaraderie_ vertaalde, bij 't bespreken van Scribe's blijspel van dien naam. Voor de leden van den „Muiderkring” misschien een naam met te veel bijsmaak van onderling bewierooken, al lag dat toen in de zeden van den tijd. Het „genie” ~Caspar van Baerle~ (Barlaeus op 't Latijnsch!), eerst te Leiden, later (1630–1647) te Amsterdam, hoogleeraar in de wijsbegeerte en welsprekendheid, werd in zijn dagen hoogvereerd als „aartspoeet” en „vorst der dichters.” Hij schreef meest in 't Latijn, een enkel maal in 't Nederlandsch. ~Leonora Hellemans~ werd in 1627 Hoofts tweede vrouw; haar naam komt veelvuldig in zijn gedichten voor („Leonoor, mijn lieve licht”—„Lieve lichte, Leonoor”). ~Tesselschade Roemers~, dochter van Roemer Visscher, dien we al ontmoet hebben, was de Hollandsche muze van haar tijd; zij inspireerde Brederode, Huygens, Hooft, Vondel en Van Baerle door haar schoonheid, geest, kunstzin.

[R71] „De wereld ga eer ten onder dan een beginsel.”

[R72] ~Heeren~ (1760–1842) beroemd Duitsch geschiedschrijver, hoogleeraar te Göttingen. Enkele zijner werken zijn in het Nederlandsch vertaald.

[R73] ~Cornelis Pietersz. Hooft.~ Zie noot R77 en R87. De uitdrukking „O beste bestevaer!” is door ~Vondel~ in zijn _Roskam_ op den ouden Hooft toegepast. (Zie noot R77 en R87 en de aanhaling pag. 238.)

[R74] _'t Gryze Hoofd_—van Oldenbarnevelt, in 1618 op 't Binnenhof te 's-Gravenhage door den bijl gevallen.

[R75] _ruminalen der roomsche Gemeente._ Roomsche is hier bedoeld, gelijk ook zoo dikwijls bij Vondel, als Romeinsch. De _ruminalis ficus_ was de vijgenboom, w/o volgens de overlevering de stichters van Rome, Romulus en Remus, door een wolvin zouden gezoogd zijn, en hij werd aldus betiteld naar de godin Rumina, schutsvrouwe der zoogende kinderen.

[R76] Potgieter denkt aan de geschiedenis door Bilderdijk geschreven, wiens opvattingen en leerstellingen hem, blijkens 't voorafgaande, zeer dwars zaten.