Part 12
Bilderdijk heeft, in een zijner uitvallen, Honthorst, dien hij een schilder van vioolspelers en ligtekooijen scheldt,[R113] onwaardig gekeurd, ons eene afbeelding van Willem II te leveren;—het was de partijschap van den prinsgezinde, die het penseel niet vergeven kon, dat het ook de schaduwzijde van 's vorsten karakter had veraanschouwelijkt. Hoe zou het des dichters adelaarsblikken zijn ontgaan, dat het bleek van 's prinsen wangen op de eenige der beide afbeeldingen van {XXXI} Willem II, die min of meer binnen het bereik der toeschouwers hangt, niet alleen aan het doffe harnas valt toe te schrijven, dat de gestalte des vorsten omsluit; dat er onder die zielvolle oogen en om dien fraaijen mond diepten zijn, als bijwijlen maar inspanning van geest, als meer dan deze uitspatting in genot, gelegenheid geeft op te merken? Voor ons, die van geenen maatstaf van zedelijkheid houden, welke zich uitzet, waar het hertog Aelbrecht geldt, welke zich inkrimpt als er sprake is van vrouwe Jacoba;[R114] voor ons, die wenschten, dat de tijd gekomen ware, waarin vorsten het beneden zich zullen achten, in dit opzigt met eene andere weegschaal te worden gewogen, dan die, welke voor burgers vonnis wijst; voor ons steekt er niets ergelijks in de afschaduwing van wat zoo waarschijnlijk waar was, terwijl we tevens Honthorst's schilderij de verdienste toekennen, vele der groote gaven van den prins te hebben gehuldigd. Er is geen arbeid zoo vergeefsch, als het pogen in woorden terug te geven, wat slechts volkomen mede wordt gevoeld, als men meê ziet; doch vergelijk, bij uw eerstvolgend bezoek dezer zaal, den indruk, dien de beeldtenis op u maakt, eens met den volgenden. Anders, dan Honthorst u Willem II aanbiedt, anders, ik geef het u toe, anders wenscht ge 's vorsten oogen te ziet schitteren op den zomermiddag des jaars 1650,[R115] toen eene sloep dien anderen Caesar en zijne fortuin over de flikkerende golven van het IJ voortdroeg, maar hij het schuim niet opmerkte, dat de roeispanen om zich heenspatten; maar hij met éénen blik de wereldstad, welke zich voor hem uitbreidde, te omvaêmen zocht. Amsterdam, gij weet het, Amsterdam was in die dagen aan de oostzijde nog niet volbouwd; doch achter het mastbosch, dat op de reede lag; doch achter de wimpelpracht, die het ter eere van de komst Zijner Hoogheid wuiven deed, weêrkaatste toch de gulden zonneglans van torenspitsen zonder tal; verhief de stedemaagd, als ge mij de beeldspraak gunt, zich uit den schoot der wateren, grootsch genoeg, om den prins eenen zucht te ontlokken: „Waart ge mij!” Hij had hem naauwelijks geslaakt, of de blik der verrukking, waarmede hij het schoone schouwspel had aangestaard, ging schuil in rimpeling des hoogen voorhoofds en fronsing der bruine wenkbraauwbogen. Die stad zou hem toegedaan zijn, trots de winzucht harer inwoners, welke een doorn in het oog zijns vaders was geweest, daar ze, door den vijand van buskruit te voorzien, had bijgedragen, om zijnen toeleg op Antwerpen te verijdelen;[R116] trots de staatzucht harer regering, welke geen middelen onbeproefd had gelaten, om te Munster het sluiten van den vrede te bespoedigen, opdat haar invloed op 's lands zaken in dezelfde mate wassen mogt, als de zijne dan moest ebben! Hoe bitter lachte hij om de genegenheid, waarvan hij droomde, zoodra die wenschen van hoog en laag, die wensch naar gezag, die wensch naar goud, hem weder levendig voor den geest stonden. Vonken van haat schoten zijne oogen uit, terwijl zijne vingers speelden met den knop van zijn zwaard. Honthorst, gij bekent het mij, Honthorst heeft ons den vurigen jongeling ook niet in zulk een oogenblik geschilderd, toen waarschijnlijk aandoeningen als deze zich in 's vorsten gemoed vervingen, terwijl de boot nog altijd voortstoof over de blinkende baan. Amsterdam, zoo voer Willem II voort zijne grieven op te sommen; Amsterdam had hem tot drie malen gekrenkt, door de weigering van hoogere wedde, door de beraamde afdanking van krijgsvolk, door het zenden van eenen gezant naar Cromwell. „Voort!” riep hij den roeijers toe, of zij de spanen te traag in het water sloegen, of hij zelf van traagheid te beschuldigen viel, schoon hunne gespierde armen de slagen verdubbelden; schoon hij de bezending der Algemeene Staten, aan wier hoofd hij de steden van het Noorder Kwartier had bezocht, in het prachtige jacht al verre achter zich liet. En digter kwamen zij het gewoel der vaartuigen, dobberende op de reê; digter den bootjes, die van schip tot schip schoten, als pijlen den boog ontsneld; digter der schuiten, met de weelde van Oost en West belaên; midden waren zij, midden in den bijenkorf, die gonsde, maar van allerlei tongslag, maar van allerlei taal. 's Vorsten oor ving de klanken van het Zuiden als van het Noorden; 's vorsten blik vermeide zich in het gâslaan der voortbrengselen van het eene als van het andere halfrond. En er was geen Sommelsdijk, er was geen hoveling aan zijne zijde, om dien indruk te verbitteren, door van gelijkenis met Venetië op te halen, door Amsterdams aristocratie harer oligarchie[R117] over te stellen. „Een hoop winkeliers,” had Willem II hen meermalen, de inwoners der hoofdstad, hooren beschimpen; en echter dacht hij het dat oogenblik in zich zelven niet. Een betere geest behield de bovenhand. In spijt van zijne liefde voor de oorlogskunst, door zijn' oom schier tot eene wetenschap verheven, waardeerde de vorst zijns ondanks den handel; de velerlei kennis, die hij eischt; de volharding die zijne voorwaarde is; den vrede.... Het zou Honthorst, het zou den eersten schilder zijns tijds onmogelijk geweest zijn, u den ommekeer te veraanschouwelijken, die dat woord den gedachtengang van Willem II nemen deed; den vrede, waardoor men de diensten van zijn geslacht voorbijzag; den vrede, die hem van het staatstooneel dreef! Het was de eerste stormvlaag, die den lieveling der fortuin over het hoofd ging; het was het eerste blijk van geduld, dat den ongeduldige werd gevergd; hij, die in de vroegste vaag der ontwikkeling slechts naar de hand der dochter uit een van Europa's oudste koningshuizen had behoeven te dingen, om zich die toegereikt te zien; hij, die, naauwelijks jongeling in het veld, maar te paard behoefde te stijgen, om den lauwer van verre te onderscheiden, om dien te plukken. „Zalig hij,” zegt de Schrift, niet te vergeefs: „zalig hij, die zijn jok in zijne jeugd draagt.” Te wijken, te wachten, zou wijsheid zijn geweest, zijnen onsterfelijken grootvader waardig. Zoo de geest van dezen over Willem II had gezweefd, hij zou hebben beweerd, dat geen handelsstaat ooit zijne veelzijdige, zijne heinde en verre wortelschietende belangen duurzaam handhaven kon, zonder dat zijn bewind een zwaard op zijde droeg, dat het te regter ure in de schaal wist te werpen. Maar hij had er 's volks zucht naar verademing niet minder om gevierd; van het voorbijgaande van dat verlangen overtuigd, had hij den dag, die den zijnen zou mogen heeten, ~verbeid~. Helaas, het vooruitziende, dat den eersten Willem onderscheidde, ontbrak zijnen vier en twintigjarigen naamgenoot, in den schoot der weelde van vleijers omringd. Hij herinnerde zich hunne inblazingen, ook in de ure, die wij poogden te schetsen, en de welvaart, die uit de naderende stad scheen op te gaan, wekte schier zijn' weerzin; en de onafhankelijkheid, waarop hare burgers roem droegen, heette slechts overmoed; en hij besloot haar te tuchtigen, als zij hem langer tergen zou. Honthorst hebbe er dank voor, dat hij ons den vorst niet in eene dier hartstogtelijke, heerschzuchtige vlagen heeft vereeuwigd, aan welke Willem II een oogenblik later ten prooi was: van de bank in de boot naar den steven gesprongen, staande en òm zich ziende, met neusvleugels opgesperd, als die van het oorlogsros, dat het krijgsgerucht insnuift; met oogen, vonkelende van vuur, als die des leeuws, wanneer hij zijne prooi binnen zijn bereik ziet! En echter eene wijle later, en de vorst zit weder temidden der wacht zijner dienstbaren, en zijne oogen zien zoo zacht, zoo weemoedig om zich heen; de vervoering is geweken; de toekomst, die hij zich zoo glorierijk dacht, schijnt in nevelen schuil gegaan. Als ge ons vergunt te gissen, wat de stemming zijns gemoeds dus wijzigen kon, dan herinneren we u het lot des koninklijken martelaars, dien Willem II's gemalin zoo dikwijls in tranen gedacht: Karel I, wiens besluiteloosheid zijnen schoonzoon bijwijlen ten spoorslag strekte, om eer naar hooger gezag te grijpen, dan zich het verworvene te laten ontglippen, maar wiens dood niettemin, als een waarschuwend, als een dreigend voorbeeld, soms aan zijne heerschzuchtige droomen een somber einde maakte. Vreeze mogt Willem II's gemoed vreemd zijn, een zweem van zwaarmoedigheid verduisterde bij de verschijning des vermoorden te met zijn schoon gelaat. Het had dier tempering van den overvloed zijns luisters; het had dier uitdrukking van verholen smart; het had der vraag, die hem op de lippen scheen te zweven: „waarom werd ik tot werkeloosheid gedoemd?” iets boeijends, iets belangwekkends dank te weten, dat geene zijner groote gaven in te donkere schaduw stelde, dat die alle door de wolk heenschitteren deed. Zoo ten minste bespiedde, zoo schilderde Honthorst hem, indien mijne opvatting niet te veel van de uwe verschilt; indien gij, evenmin als ik, ooit zonder aandoening voor zijne beeldtenis kondt stilstaan.
[Illustratie: XXXII. No. 2117. JOACHIM VAN SANDRART (1606–1688) Fragment: _'t Corporaalschap van Cornelis Bicker._ (1638)]
De geschiedenis vermeldt hoe Willem II Amsterdam invoer, een paar uren vóór men hem er te gemoet zag, eer de kanonnen te zijner eere van de Nieuwe Brug konden losbranden, eer de schutterij langs het Damrak stond geschaard;—hoe hij over de naauwelijks voltooide brug bij de Waag aan wal stapte, en den maaltijd, waartoe hij door de burgemeesteren op het Prinsenhof werd genood, afsloeg met de woorden: „Om met elkander te eten en te drinken, zouden wij beter vrienden moeten wezen, dan wij tegenwoordig zijn.” De geschiedenis vermeldt tevens, welke geweldige maatregelen de vruchteloos beproefde bezending opvolgden: in het kerkeren van zes afgevaardigden ter vergadering van Holland op Loevestein, in den aanslag op Amsterdam.[R118] Verbaast het ons bij de onvolledigheid dezer verzameling al niet, dat wij hier geen enkelen dier magistraatspersonen aantreffen, welke met verlies der vrijheid, hunne verkleefdheid aan beginselen boetten, het deert ons, hier ook hem te missen, die aan het hoofd van den weêrstand stond, door de belaagde stad aan Willem II geboôn; die zich zoo waardiglijk opofferde, toen zijn beleid den aanslag had verijdeld. Wij herhalen het, we stellen prijs op Kok en van Waveren en Huydecoper van Maarsseveen; maar welkomer nog zoude ons hier {XXXII} Cornelis Bicker wezen.[R119] Hoe dierbaar hun, die er eene eer in mogen stellen zijnen naam te dragen, 's mans beeldtenis zij, men onthoude hem langer in deze zaal de verdiende hulde niet. Onze eerste geleerden hebben de rechtsvraag van den stap des stadhouders voldoende toegelicht, bestreden, opgelost; voor de staatkundige ontwikkeling onzes volks heeft het voorbeeld des burgemeesters weinig vruchten gedragen. Oppositie, hoe eerlijk, hoe belangeloos, hoe gemoedelijk ook, wordt te onzent meer gewraakt dan geschat; om die eerder oostersche dan westersche volgzaamheid bij de menigte te keer te gaan, wenschten wij Bicker hier. Hoe de stomme poëzij in zijne afbeeldingen welsprekend verkondigen zou, dat men zijn hoofd veil kan hebben voor wat men zijne regten gelooft te zijn, zonder daarom zich zelven te zoeken; dat er een tijd was, waarin onzen besten burgers geene verloochening,—die hunner eer uitgezonderd,—te zwaar viel, als deze konde bijdragen ter bevordering van het welzijn des algemeens!
[Illustratie: XXXIII. BARTHOLOMEUS V. D. HELST, (1613–1670). No. 1144. _Prinses Maria Henriette Stuart, moeder van Prins Willem III_, (Ao. 1652)]
[Illustratie: XXXIV. No. 401. JAN DE BAEN (1633–1702). _Johan de Witt_, Raadpensionaris. (1625–1672)]
[Illustratie: XXXV. No. 410. LUDOLF BAKHUYSEN (1631–1708) _Raadpensionaris Johan de Witt gaat op 13 Sept. 1665 aan boord van de Nederlandsche Vloot._]
[Illustratie: XXXVI. No. 1850. JAN PEETERS (1624–1677). _Het verbranden van de Engelsche Vloot voor Chatham._ (20 Juni 1667).]
[Illustratie: XXXVII. No. 2470. WILLEM V. D. VELDE DE JONGERE. (1633–1707) _Vierdaagsche Zeeslag_ (11–14 Juni 1666.)]
[Illustratie: XXXVIII. No. 2471. WILLEM V. D. VELDE DE JONGERE. _De veroverde prijzen in den 4-daagschen Zeeslag._]
[Illustratie: XXXIX. No. 549. FERDINAND BOL (1616–1680). _Michiel Adriaensz. de Ruyter_ (1607–1676) (1667).]
[Illustratie: XL. No. 402. JAN DE BAEN (1633–1702). _Portret van Cornelis de Witt_, (1623–1672) Gedeputeerde ter Zee, Burgemeester van Dordrecht, Ruwaard van Putten.]
[Illustratie: XLI. No. 2140. GODFRIED SCHALCKEN, (1643–1706). _Willem III v. Oranje, Koning van Engeland_, (1650–1702). (bij kaarslicht).]
Eene huivering overvalt ons, zoo dikwijls wij iemand vermetel de weegschaal Gods zien ter hand nemen; en echter, wie durft ontkennen, dat vergelding zoowel door het leven der vorsten, als door de geschiedenis der volken gaat? Willem II,—Jan de Witt,—Willem III; welk eene opvolging! En hoe gaarne voegen wij er bij, wanneer wij Maria van Engeland, op het schilderij van {XXXIII} Van der Helst, verweduwlijkt beklagen: welk eene wijsheid! Het lijdt geen' twijfel, dat hare oogen, waaraan de vreugd vreemd schijnt geworden, die schikking hebben beschreid. Acht dagen na het verscheiden van haren gemaal werd zij moeder, een zegen, door haar niet alleen in rouwe ontvangen, maar voor een gemoed als het hare vergald, eer zij uit de kraamkoets herrees. Amsterdam mogt zich tot peter van den jonggeborene hebben aangeboden; Amsterdam had hem de opvolging in 's vaders waardigheden tevens ontzegd; Amsterdam achtte het voortaan gevaarlijk, zoo veel gezags in éénen persoon te vereenigen. Er was weelde, onbeschrijfelijke weelde voor het moederhart weggelegd in de voorspoedige ontwikkeling des knaaps; maar eer hij vier jaren oud was, eischte Cromwell zijne uitsluiting van de betrekkingen tot den staat, door 's prinsen voorouders bekleed, en Jan de Witt bevlekte zijn leven[R120]—om den wille des vredes. Hoe zij in hare verslagenheid het jongsken hartstogtelijk kuste, toen de mare tot haar kwam, dat de gemeente het „Wilhelmus” had toegejuicht, waarmede die vrede, ten koste van Oranje gesloten, te Amsterdam was gevierd. Een oogenblik van hoop, de aanvang der lange jaren van beurtelings teloorgestelde en beurtelings weêr aangewakkerde verwachting, gedurende wier loop zij en haar zoon in de schaduw schuil gingen, terwijl de roem van Jan de Witt, als eene rijzende zon, hare stralen al verder schieten, al vuriger schitteren deed. Laat ons een oogenblik den hoveling spelen, door mede naar haar op te zien; in deze zaal leverde ons het penseel van {XXXIV} de Baen de afbeelding des mans, die in schier nog jongelingsleeftijd „de wijsheid van Holland” heette. Staar naar de hoogte, als ge wilt, en beken met mij, dat Jan de Witt dien schilder wel het bewaren zijner trekken heeft dank te wijten, maar hem geene houding, zijn karakter waardig, is verpligt. „De duurzaamste geschiedenis,” heeft een vernuftig schrijver opgemerkt, „moge in muntpenningen geschreven zijn, de treffendste biographie spreekt ons uit portretten toe. Langer dan de indrukken, door de hoofdfeiten van een historisch leven op u gemaakt, bewaart het geheugen uws gemoeds de gewaarwording, welke u bij het zien van de beeldtenis eens beroemden mans aangreep. Het ware te wenschen,” voegt de geestige vreemdeling er bij, „dat ieder vernuft, 't geen zijnen naroem, in dit opzigt, een schilder prijs geeft, het bij de keuze van den stand, bij het bepalen der houding, bedacht!” Wie het deed, Jan de Witt niet! Maar tot geluk zijner gedachtenis, heeft hij zich voor de voorstelling van eenige der grootste daden zijns levens; van de glorie, die hij zich door zijne liefde voor 's lands zeemacht verwierf; van de triomfen, die hij haar in staat stelde te behalen, tot andere, tot groote meesters gewend. {XXXV} Backhuyzen, {XXXVI} Peters, {XXXVII} {XXXVIII} Van de Velde[R121] verklaren u in ditzelfde gebouw om strijd, waaraan het toe te schrijven viel, dat Janmaat hem op de handen droeg; waarom deze, „jongen van Jan de Witt,” nog een' eernaam houdt[R122]. Eene volgende schets zal ons, zoo uw geduld mij niet begeeft, tot die schilderijen brengen; eene schets, in welke wij, door de eenvoudige vermelding zijner feiten, tevens den man zullen huldigen, dien ieder onzer het eerst noemt, als de vreemdeling vraagt, om welke historische karakters wij Hollands zeventiende eeuw zijner studie waard achten; den held, dien {XXXIX} Bol ons hier heeft veraanschouwelijkt: Michiel Adriaenszoon de Ruyter. Ons volk heeft hem onlangs een standbeeld opgerigt, dat, zoo men wil, niet naar zee ziet, of men vreesde, dat hij zich onzer onbeduidendheid schamen zoude. Onze eerste redenaar was, bij de onthulling van het metaal, de tolk van het dankbare vaderland. Maar men moet Royer, maar men moet Van der Hoeven[R123] zijn, om zich van de veraanschouwelijking, van de waardeering van uit liefde betrachten pligt waardig te kwijten; wat zoude mij voegen, dan eene eerbiedige verwijzing naar Bol's schilderij? Ik gun u al het genot, aan de gedachte eener zoo harmonische vereeniging van deugden verknocht. Ik zou aarzelen u uit te noodigen, nog naar iemand anders om te zien, ware de jongeling, dien ik zoek, Willem III niet; hadde ik langer dan voor een oogenblik den hoveling willen spelen. Hoe de weêrspoed anders vormt dan de weelde; hoe die jeugdige vorst vele der vijanden zijns vaders met zijn geslacht heeft verzoend! Vondel, met het hart op de tong, Vondel, die Willem II der verwenschingen des volks prijs gaf, Vondel heeft hem reeds, als tienjarige knaap, aan het hoofd der Aemstelridders gevierd.[R124] En echter—we spraken van Willem III's jongelingschap—echter is zijne toestand bewolkter dan ooit; het Eeuwig Edict[R125] werd uitgevaardigd; wie weet of zijne moeder niet wanhoopt! Waarom ontbreekt hier eene schilderij, welke hem ons in die dagen veraanschouwelijkt; welke ons Willem III doet zien in tegenwoordigheid van Jan de Witt, hij die de eerste staatsman zijns tijds is; hij, die de eerste staatsman zijns tijds worden zal; de burger, die half Europa de wet geeft; de vorst, zich in den opgang der jeugd de kracht bewust het roer te sturen, dat de beschikker van zijn lot, zoo ge wilt, geen oogenblik glippen laat? Ons museum biedt ons niets, dat er naar zweemt, aan—en als we billijk willen zijn, welk schilder zou haar in beeld kunnen brengen, de rustelooze, maar verborgene, de onvermoeide, maar ontveinsde, opmerkzaamheid, waarmede Willem III Jan de Witt gadesloeg, en van iedere zijner zwakheden partij trok, en den oorlog te lande meer in bespiegeling bestudeerde, hoe minder aan dezen om den roem ter zee werd gedacht? Ons museum laat, met uitzondering van {XL} Cornelis, de Ruwaard, den raadpensionaris alleen zijnen tijd vertegenwoordigen; eene toevallige, eene treffende overeenkomst met onze geschiedenis, die ook de verantwoordelijkheid voor de stormen van den avond zijns levens slechts op zijne schouderen laadt. Eer men zijn vonnis wijze, dewijl hij hoog genoeg boven zijne tijdgenooten stond, om Holland naar zijne hand te kunnen stellen, wikke men welk verwijt deze verdienen, zoo verre in ontwikkeling ten achter te zijn gebleven. Het is eene opmerking, die evenzeer van Willem III's lateren invloed gelden mag. Och, dat ge mij niet beschuldigdet, mijn onderwerp vooruit te loopen, dat gij mij niet weêrhield u voor Willem III's beeldtenis te brengen, eer ik de gordijn van voor dien gruwel[R126] ter zijde schoof!... Ga voorbij, bid ik u; de tijd biedt overvloed van tooneelen aan, waarbij ge u niet te schamen hebt mensch, niet te schamen hebt Hollander te zijn. Het vaderland was in gevaar; het vaderland eischte een genie, dat de gaven van Frederik Hendrik, van Maurits, van den eersten Willem in zich zou vereenigen; een twijg uit den verworpen' tronk ontlook, zie! Hoe? hoog in den hoek, een stuk van {XLI} Schalcken, bij toortslicht den man, die zijn' tijd door geene fakkels wilde zien bestralen, slechts aan bevoorregte handen toevertrouwd; hoe, Willem III in de schemering? hij, die niet rustte, eer het ieder, die de zon des lichts liefhad, vrijstond, zich te koesteren in de volheid harer stralen; den held, die Holland redde; den staatsman, die Europa hervormen mogt? Vergeef mij de vermetelheid, dat ik hem u anders wensche te doen zien.[R127]
III.
William Temple[R128] heeft in zijne bekende proeve, ter verklaring van de oorzaken van den val der Vereenigde Nederlanden in 1672, vernuftig opgemerkt, dat het verbond van Engeland met Frankrijk, tegen onzen staat, eene dier krankten heeten mogt, „welke, naar het zeggen der artsen, bezwaarlijk te herkennen zijn, zoolang hare genezing ligt zoude vallen, maar door welker verschijnselen de aard der ziekte naauwelijks aan het licht komt, of de wetenschap heeft er ook geen baat meer voor.” Dezelfde staatsman veraanschouwelijkte tevens den toenmaligen toestand onzes vaderlands nog treffender door zijne schets:—hoe die aanvallen van vreemden werden verzwaard door de verdeeldheid, welke binnen'slands heerschte,—aan te dringen met de gelijkenis van een ligchaam, aan ongezonde vochtmenging, aan kwaadsappigheid lijdende, voor 't welk eene kleine wonde gevaarlijk wordt, waarvoor eene groote doodelijk pleegt te zijn. Inderdaad, de geschiedenis van dat rampvolle jaar levert ons op iedere bladzijde bewijzen voor de droeve waarheid, zoo der eene als der andere stelling. Opgeschrikt uit gewaande veiligheid, waarin hij geloofde te verkeeren, zag Jan de Witt nauwelijks iedere poging, om bondgenooten te winnen, verijdeld, of ook de staf, ter tuchtiging van Karel II tot nog toe zoo roemrijk gezwaaid,[R129] schoot ter afwering te kort. Vergeefs scheen de Ruyter bij Sole-bay de eere van 's lands vlag tegen de beide koningsvloten waardig te hebben gehandhaafd. Schier zonder wederstand te ontmoeten, schier met vliegende vendels, hadden de mijterdragers van Keulen en Munster zoo Overijssel als Drenthe veroverd. Lodewijk XIV onderwierp zich de reeks onzer grenssteden sneller, dan Boileau hare barbaarsche namen konde doen bukken onder het juk des rijms. Teloorgesteld zonder voorbeeld, daar men de schranderheid des mans zag vergaauwd, die voor den geslepensten staatkundige zijns tijds had gegolden; vreezende voor verraad, daar ieder dag in eene nieuwe jammermare een nieuw blijk der lafhartigheid bragt, waarmede zijn vertrouwdste dienaars het gevaar ontvloôn, waren weinige weken genoeg geweest, om een volk der wanhoop prijs te geven, welks voorvaders tachtig jaren lang in het geweer hadden gestaan, hopende op de hulp van God. Slechts twee gewesten meer tellende, waarin de oogst door de hoeven van de rossen des vijands nog niet was platgetreên; met uitzondering van het manhaftig Groningen, tot Zeeland en Holland beperkt, had het in zijne radeloosheid naar eenen redder uitgezien, en het Eeuwig Edict was vernietigd. Helaas, dat ik er moet bijvoegen, had het in zijne woede om een prooi gehuild, en de gebroeders de Witt waren vermoord!