Part 11
Terwijl het eerste de waarheid verkondigt, dat onze vrijheid gelegd is in het kostelijke cement van dierbaar burgerbloed; terwijl het eindigt met het beweren, dat de hemel den groei der mindere vorsten besloten heeft, tot tuchtiging der groote, verklaart het besluit van het tweede zijne en hunne wenschen nader: „Dale,” zingt de dichter, „dale de vrijheid, als de zonneschijn, op allen neder; niemands gewisse worde gekrenkt; God, God alleen, zij regter des gemoeds, en ieder vrije ingezeten, ieder burger zal voor Hollands heerschappij ontvonken in liefde; het zal door u, Frederik Hendrik, de wijk aller vromen, het voorbeeld des ganschen Christenrijks zijn!” Stouter moge zijne kunst steigeren, met iedere nieuwe verovering des veldheers; grootscher de greep des meesters zijn, als hij de overgave van Maastricht verkondt in de vervulde voorspelling, hoe Oranje de strenge zeissen slaan zal in Parma's rijpen oogst; hooger, heiliger lichtkrans omschittert het hoofd der hollandsche zangster niet, dan wanneer zij in de straks aangehaalde regelen naar de verwezenlijking van het ideaal streeft, dat de voortreffelijkste onzer vaderen aanlachte: „De grondvesting, de voltooijing van eenen vrijen staat, door een vroed en vroom volk.” Dichterlijke dweeperij, voert men ons misschien te moet, doch vergeet, dat het de eeuw was der groote gedachten, dat we van den tijd, dat we schier van het jaar spreken, waarin Hollanders hunne schatten veil hadden, om den held van Leipzig in staat te stellen, zijnen strijd voort te zetten: Gustaaf Adolf, die het werk van Grotius in zijne tent las.—Vondel's „Lijkoffer van Maagdenburg”[R85] getuigt van zijne sympathie voor den eerste, en wie is waardiger, al zwierf hij balling 's lands in den vreemde om, wie is waardiger, ons van Vondel's verhouding tot Oranje in de dagen van Frederik Hendrik, tot Vondel's veraanschouwelijking onzer burgerij over te brengen, dan Huig de Groot? Dezelfde veder, die 's mans vijanden vinnig doorstreek, vereeuwigde zijne verlossing uit den kerker; dezelfde hand, die hun geene ruste gunde, heette hem hartelijk welkom,[R86] toen hij, de uitdrukking is welsprekend van waarheid, toen hij het land, dat zijn strenge stiefmoêr was, den kus des vredes, den kus der verzoening, brengen kwam. Wij willen niet vermetel herhalen, hoe Vondel de schim van Oldenbarneveldt heeft verheerlijkt, noch andermaal de tegenstelling doen bewonderen, waarmede hij in twee trekken Cornelis Pieterszoon Hooft schildert: „een hooft vol kreuken, een geweten zonder rimpel;”[R87]—wij willen hen, die voortdurend vermaak scheppen in het beschuldigen en het belasteren dier burgervaders,[R88] slechts afvragen, of zij ons de wedergade weten op te noemen van een tijdvak als dit, waarin, volgens hun gevoelen, de grootste talenten vreemdst en verst zouden zijn geweest .... van goede trouw? Als wij Cats uitzonderen, hadden wij schier alle talenten mogen zeggen; Huygens, de vriend der vorsten, geeft nergens blijk, dat hij de beginselen van de voorstanders der vrijheid verdacht; Hooft—doch laat mij terugkeeren tot de burgerij, zooals Vondel haar beschreef. Overheid en gemeente, hoe herleeft zij voor ons in zijne lof- en lierdichten!—weezen verzorgende, wetende, dat niemand den vader der weezen derft, die weezen in hunne verlatenheid troost;—wapenen zaâmtastende ter handhaving van ons gezag op zee, die de vrijheid veiligde, toen de vaste grond haar ontzonk;[R89]—de erfvijanden van den uitheemschen dwingeland de erfvrienden van den inheemschen vorstenstam verklarende, als zij de keizerlijke kroon den achterkleinzoon biedt;—den krans der kunst haren dichter reikende, wanneer hij een treurspel ten tooneele doet voeren, dat twee eeuwen lang de wisselzucht van den volkssmaak tarten zal;[R90].... maar u zou de adem falen, eer mijn volzin einde nemen mogt. Het zijn vlugtige trekken der veelzijdigste ontwikkeling, ooit door een volk aan den dag gelegd; het weldadig, het strijdhaftig, het feestvierend, het kunstlievend Amsterdam, waarbij ik nog, ware het niet honderd malen gedaan, het handeldrijvend zou kunnen voegen, het schilderachtigst welligt van al. En echter, liever dan het te beproeven, weer ik de beschuldiging van Vondel af, als hadde hij zich, uit bekrompene voorliefde, louter tot de beschrijving van het leven der hoofdstad bepaald. Schoon hare burgerij het meest zijne aandacht trok; schoon Amsterdam het middelpunt heeten mogt van het hollandsche volksleven zijns tijds, geen gevierde in kennis of kunst, geen geleerde, geen genie, geenerlei grootheid zijner dagen, welke hem koel laat; al falen hunne beeldtenissen hier in stomme poëzij, zijne sprekende heeft hen veraanschouwelijkt. Houd mij de uitvoerigheid der vergelijking ten goede, die mijne meening verduidelijken zal.
Er is een hollandsch dichter, wiens verzen hunne eigenaardige beeldtenis vinden in de spiegelgladde oppervlakte van een onzer vaarten, effen in bijna alle wind en weêr, door geenen voorjaarszucht tot darteler golfslag gespoord, door geenen najaarsstorm in brandend schuim op den oever gejaagd; een water in één woord, dat schier geene andere beweging kent dan die der groeve, door de trekschuit bij het heên en weêr varen voor een oogenblik gegraven; dan de blinkende bellen, die hare roerpen rijzen doet; dan de kringen, welke de lijn van 't jagertje vormt. Het is de poëzij van Cats, welke,—gelde het onderwerp wat het wil, uitheemsche of inheemsche historie, een' keizer of een' koning, een heidinnetje of eene herderin,—geenen anderen indruk op u maakt, dan dien, welken gij in den naauwelijks schommelenden stuurstoel ontvangt; eene volslagen vreemdheid aan alle verheffing; eene kalmte als die de vloeistof, welke u draagt, daar aan den dag legt. Het is eene poëzij, welker aanschouwelijkste schilderingen we ons verbeelden, dat we onder het voorbijvaren bespiên: in geboomte, welks lommer een oogenblik ter zijde week; in gebouwen, welker vensters wij zagen openstaan.—Ook hebben wij te zamen eenen anderen zanger gadegeslagen, die ons wel op weinig woeliger vlak verplaatst, maar de grenzen van den omtrek des vijvers vergeten doet, wanneer hij bijwijlen de wieken klept als de zwanen, welke wij er zoo statig, zoo sierlijk op drijven zien, als hij er voor ons eene halve wereld in weêrkaatsen doet, niet enkel aan deze zijde een hofgesticht, en aan gene zijde een lindenlaan, maar ook hen, die in het eerste bewind voeren; maar ook hen, die in de laatste spelevaren, ten arbeid spoeden en slooven, maar ons den ganschen Haag, maar half Holland in zijne krachtige, kernige korte zinnen weêrgeeft: Huygens, wiens standbeeld op het eilandje in den vijver staan moest. Of als gij duldt, dat ik de vergelijking verder voortzette, is er tusschen dat vocht en zijne verzen niet de overeenstemming, dat beide zich soms in te engen band voelen gekneld, als de herfstadem over het eerste giert, als de hartstogt zich in de laatste lucht geeft?—Een onderscheid echter voegt het ons evenmin voorbij te zien, het verschil in diepte tusschen die twee; doch wie heeft ooit een beeld geëischt, dat meer dan voor een derde toepasselijk was? En daarom aarzelen wij niet, u, voortgaande, eene hollandsche poëzij te herinneren, beurtelings zachtkens en zoetkens ruischende als eene beek langs bloemrijken boord, beurtelings eenen stouten golfslag slaande, als de Zuiderzee op de zoomen der kust, waar een vervallen torentje het voor ons in aandoenlijk belang van weidscher tinnen wint;—eene beek, al de schalkheid verklappende, van welke zij getuige was, toen de zonnestralen door de bosschaadje drongen, die zich luisterende naar haar gemurmel boog[R91]—de binnenzee, al de kracht verkondende, waarvan zij bewustzijn heeft, hoe luttel voor de woeling harer wateren de muur bezwijkt, door haar sedert eeuwen gebeukt. Gij herkent de zangster van Hooft, aan hare dubbele gelijkenis, spiegel van allen lust, geesel van allen dwang; verzen, die ruischen als golfjes, door den adem van het westen gestreeld; verzen, die bulderen als baren, door den schrik van het noorden gezweept; een' stoet van nimfen, die spelemeit; een verdrukt volk, dat zijne boeijen breekt; doch waartoe meer tegenstellingen, die u van zelve in het oog vallen, overvloed van deze als het weelderig minneliedje en het majestueuze treurspel opleveren?—Eene laatste vergelijking toeft ons voor eene veelzijdiger poëzij, dan eene der drie vermelde heeten mogt, voor de poëzij van Vondel, vaart, vijver, beek en binnenzee overtreffende,—al huwde ook zij op hare beurt zoowel het kalme aan het keurige, als het schalke aan het stoute,—een woud, een wereldstroom![R92] Oneindig verschillende, als het geklank zijner golven, van de plek, waar hij oorsprong neemt, in droppels den bergwand afgesijpeld, tot de plaats, waar hij het dal van zijne donders daveren doet, in waterval bij waterval neêrstortende,[R93] zijn ook de melodijen van Vondel's muzijk. Hoe die stroom wegrukt, en meêsleept en voortwielt, wat hem weêrstaat;—hoe hij zich schijnt te verlustigen in het afspiegelen van wat hem aanlacht! Zie, daar kronkelt hij de vlakte in; daar wordt hij de grens van gewesten; daar splitst hij rijken, zong Borger te regt;[R94] landschappen zonder tal drenkende uit zijnen overvloed; hoofdsteden de schatting brengende der staten, waarover zij gebiên. En echter, geen schoon der natuur, geene pracht der kunst vermag hem te boeijen, die voortbruist over verbreede bedding; voortbruist, beken en vloeden in zich opnemende; voortbruist door de loofzaal der eiken, als langs het koningshof, door geen van beide geboeid, even of er weelde school in de vaart, als gold het de verovering eens nieuwen gebieds. Het wordt zijn deel; andere schatten voert hij mede; andere voorwerpen spiegelt hij af; andere hindernissen wijken—het landvolk aan zijne zoomen, de schepen op zijn glinsterend vlak; de burgerij der steden, welker torenspitsen opdoemen in het verschiet; alles juicht hem toe, alles dankt hem, die scheidspalen slecht, die de volken vereent;—verder stroomt hij, verder ten onmetelijken oceaan, bij wiens grootheid hem duizelt, in wien hij zich verliest,—als de muze van Vondel het deed, toen zij in den „Lucifer” het „Driemaal Heilig” gezongen had.[R95] Immers, waar zou ik eindigen, indien ik mij verpligt achtte, ieder vroeger punt van vergelijking als met den vinger aan te wijzen, in elke van de sympathiën des dichters, in de eindelooze afwisseling der onderwerpen, door hem bezongen, in de wereld zijns tijd, door zijn werk omvat? Wereld, herhalen wij, want gelijk het vasteland den woudstroom onvoldaan laat, verlangde ook Vondel, in eenen anderen zin dan den straks aangegevene, naar zee, volgde zijn adelaarsblik iedere verschijning op deze, bragt zijn adelaarsgreep ook van daar allerlei buit meê: Willem Schouten aan America's zuidelijken uithoek, den naam zijner vaderstad vereeuwigende;[R96]—Piet Hein, met de voor Spanje bestemde schatting der nieuwe wereld onze havens inzeilend;[R97]—Lourens Reael, op reize naar Oostindiën onder de keerkringszon zijn kusjens dichtende[R98]—gij zoekt hen aan deze wanden vergeefs; luister naar Vondel, als ge wenscht naar hunnen lof; luister naar zijn voorspel van dien van Maarten Harpertszoon Tromp,[R99] wiens roem het volgende tijdvak vervullen zou, ware de Ruyter niet reeds geboren, niet reeds aan boord. Of als gij eindelijk, die woelige buitenwereld moede, met den dichter een' blik in onze binnenhuizen wilt slaan, en niet tot schreijens toe wilt worden bewogen door zijn „Konstantijntje”,[R100] en geen italiaansch penseel waardeeren wilt in zijn meesterlijk „Kerstlied”,[R101] verkwik u dan—ik weet niet waarom ik aarzelen zou, de hulde aan den open' zin van Vondel met den lof zijner bruilofsdichten te voltooijen—verkwik u aan zijne zangen der liefde, vol gloeds, het is waar, mits ge vol gezonden gloeds zegt; weelderig, ik geef het u toe, maar zooals weldige naturen het zijn in den bloei harer kracht! Lofliederen van den echt, in één woord, zooals een volk er gaarne zingen hoorde, er zingen mogt, dat zich voor het zinnelijke van den band niet schaamde, dewijl het voor al het zedelijke van dien eerbied had. Vondel was ook de dichter van „d' Opregtste Trouw”[R102].
Vergeef mij zoo ik uw geduld op te zware proef heb gesteld, door mijne schetsen der vier vernuften, welke Frederik Hendrik in ons museum omringen;—vinde ik mijne verontschuldiging in het doel, waarmede ik het wagen durfde. Er wordt maar weinig zin voor het schoone in de schilderkunst vereischt, om in Govert Flinck's „Doelenstuk” een groot talent te genieten, om de zoogenaamde „Nachtwacht” van Rembrandt van Rhijn te roemen, als nimmer geëvenaard, om den „Schuttersmaaltijd” van Bartholomeus van der Helst, ondanks de schennis, aan het meesterstuk gepleegd, het hoogste der drie te bewonderen.[R103] En echter, hoe het genot dier gave, in geringe mate als ze ook mij ten deele viel, hoe het verdriedubbeld werd, telkenmale als de tijd, waarin die groepen uit het leven werden gegrepen, als de toestanden, waarin de meesters iederen dier mannen hadden aangetroffen, als het huisselijk en het openbaar verkeer onzer vaderen, als hunne gedachten en gevoelens in één woord, mij levendiger voor den geest stonden; als ik—val mijner vermetelheid niet hard—in de werken hunner schrijvers eene wijle met hen had geleefd. Het was mij bij ieder bezoek, of wij vertrouwelijker bekenden waren geworden; het was me,—maar beproef het op uwe beurt, bid ik u, onder den indruk van Huygens, van Hooft, van Vondel bovenal. De historische beteekenis dier voorstellingen eener heldhaftige burgerij in hare wapenpraal; in haren uittogt, om te schieten naar den vogel; in hare tentoonspreiding eener voor den eenvoud des volks voorbeeldelooze tafelweelde, zal u duidelijker worden, dan uit de vermelding in den catalogus, uit zijne waarschijnlijkheden en zijne gissingen. Gij zult gevoelen, zooals zij het deed, welk een werk voltooid was in de vrijverklaring onzer gewesten, van wege geheel Europa, door den vrede van Munster; gij zult in haar de vereeniging van alles wat groot en goed was veraanschouwelijkt zien. En hare deugden daargelaten, „de wereld zien ze uit uwe werken,” zouden zij tot ons zeggen; „het overige blijve tusschen uw geweten en God!” hare deugden daargelaten, wedde ik, dat het meesterstuk der Hollandsche schilderschool u levenslust leeren zal. Het is slechts eene der openbaringen van harmonie tusschen hoofd en hart.
[Illustratie: XXVII. No. 857. A. VAN DYCK, (1599–1641) _Prinses Maria van Engeland en Prins Willem II_
(bij Potgieter vermeld als vermoedelijk voorstellend een harer broeders).]
[Illustratie: XXVIII. No. 1135. BARTHOLOMEUS V. D. HELST (1613–1670) _De Schuttersmaaltijd_ (fragment).
(Luitenant _Johan Oetgens van Waveren_ wenscht zijn kapitein _Corn. Jansz. Witsen_ geluk met het sluiten van den vrede.)]
[Illustratie: XXIX. No. 2016 REMBRANDT: (1606–1669) _Nachtwacht_ (1642) (fragment: _Frans Banning Kok_).]
[Illustratie: XXX. No. 925. GOVERT FLINCK (1625–1660) „_Doelenstuk_”—_Schuttersfeest bij het sluiten van den vrede 1648._ (fragment: _Kapitein Joan Huydecoper_).]
Tegenstelling bij tegenstelling dringen zich onzen geest op, als wij in het museum de schilderij gadeslaan, die het overgangsstuk verdient te heeten tusschen het vijf en twintigjarig stadhouderschap van Frederik Hendrik, en de wijle dat Willem II dezelfde betrekking bekleeden mogt. Wij bedoelen Antonie van Dijck's beeldtenis van {XXVII} prinses Maria van Engeland; „aan de zijde van haren broeder, den hertog van Gloucester,”[R104] zegt de catalogus, hoe ongeloofelijk dit ook zij, daar die derde zoon van Karel I pas in 1645 geboren werd, en de schilder al in 1641 stierf. Immers—wij keeren tot onze tegenstellingen terug—immers, dat doek brengt ons niet enkel uit de Hollandsche school tot de Vlaamsche over,—voor zooverre gij in van Dijck slechts den leerling van Rubbens ziet,—het troont uwe fantasie ook in andere rigtingen mede. Onwillekeurig lokt de naam van hem, die het vorstelijk kind penseelde, dat later de gemalin van Willem II werd; onwillekeurig lokt van Dijck u uit, zijn leven te Londen over te stellen tegen dat der drie meesters te onzent, wier werken we u straks ter studie aanbevalen: Govert Flinck, Rembrandt van Rhijn, Bartholomeus van der Helst. Gij verlustigt er u in, het lot van geniën in eene monarchie te vergelijken met dat van geniën in eene republiek; den gunsteling der Stuart's, met den vriend van Six.[R105] En echter, voor een ander hoofdstuk dezer schetsen, dan dat, 't welk in zijn opschrift: ~Historiële Portretten~, het doel aangeeft, u eenige oogenblikken bij deze verzameling te bepalen om den wille harer veraanschouwelijking onzer geschiedenis, voor een andermaal blijve de sombere stoffe bewaard: van Dijck in weelde, Rembrandt in armoê, beide groot, beide beroemd, beide ongelukkig te doen zien. Het is eene derde tegenstelling waartoe wij ons door het overgangspunt voelen genoopt. Hoe verre is het er van, dat deze zich maar bepalen zoude tot die, welke bij den eersten blik in het oog valt, onze burgerij de vreugdebeker opheffende, dewijl de vrede is gesloten, dewijl hare onafhankelijkheid werd erkend,—tegenover de vorstelijke kinderen, wier lauwe levenslust het gevolg schijnt der schaduw, welke het naderend onweder reeds over hunne hoofden werpt. Er is in de laatste voorstelling al de statelijkheid, al het koninklijke, dat de droefgeestige Karel I liefhad; schoon het om Willem II's toekomstige gemalin niet wemelt van paadjes, wier leden de spaansche kleederdragt in sierlijke plooijen omgolfde; schoon der schilderij de vurige rossen en de vlugge hazewinden ontbreken, wier bewegingzucht de meester zoo wel te waardeeren wist, bij de deftigheid door dat hof bewaard[R106]. Verlaten moge zij daar staan, indien ge met mij het meisje het meest gadeslaat,—verlaten van edelliên en edelvrouwen, door van Dijck in de galerijen der Britsche grooten vereeuwigd; hare houding verraadt hare afkomst, en er is ernst in die trekken, ernst haren leeftijd vooruit. Laat de dag aanbreken, waarop de edelliên, die wij thans ongaarne aan hare zijde missen, (al zou de meester ons die maar hebben vertegenwoordigd, opmerkelijk door de kleur hunner handen,—de kostbare kant, die zij droegen, beschamende,—opmerkelijker nog door de nauwgezette kleingeestigheid, waarmede ieder hunner zich van het hofceremoniëel kweet) als mannen zullen gesneuveld zijn in Marston-Moor en bij Naseby;[R107]—laat de dag aanbreken, waarop de edelvrouwen, wier blondheid, dank zij den schilder, wereldvermaard is geworden, zich door hare trouw in het ongeluk schooner zullen onderscheiden dan door halskraag, die in keurigheid geene weêrga had;—laat de dag aanbreken, waarop het voorhoofd van koning Karel I, door van Dijck ons bewaard, in de blankte, die het onderscheidde, voor de eerste maal zijns levens blozen zal, blozen tot de kruin, bij het naderen des beuls: Maria van Engeland, ge ziet het haar aan, Maria zal het ongeluk waardiglijk dragen, waardiger dan de knaap, die haar ter zijde staat, wie harer broeders hij dan ook zij. „Arme Maria!” zegt gij misschien; zegt het, niet geheel door het kinderlijke van haar voorkomen misleid; zegt het, zonder te vergeten, dat zij toen[R108] reeds zes jaren met den jeugdigen, overjeugdigen Willem II was gehuwd geweest; dat zij toen aan zijne hand over de burgerij stond, ons hier in drie stukken veraanschouwelijkt, op ieder van welke één der hoofdpersonen óf den naam draagt van een der geslagten, die op het leven van dien vorst eenen belangrijken invloed oefenden, óf zelf den invloed uitoefenende was. Och, dat eene volgende uitgave van den catalogus, in plaats der slordig gestelde berigten, waarmede in den tegenwoordigen de meesterstukken onzer oude school worden afgescheept, die treffende bijzonderheden toelichtte! Welke was de betrekking, waarin de van Waveren van den {XXVIII} „Schuttersmaaltijd” tot den Amsterdamschen burgemeester, Antonie Oetgens van dien naam,[R109] stond; was de geschilderde misschien de man zelf, die met zijnen ambtgenoot, Pieter Hasselaer, den prins te gemoet werd gezonden, toen de vroedschap besloten had, Zijne Hoogheid aan het hoofd der bezending uit de Algemeene Staten niet te ontvangen? De {XXIX} „Frans Banning Kok,” heer van Purmerland,[R110] hoofdfiguur op Rembrandt's „Vogelschieten,”—want „Nachtwacht” luidt hier kwalijk,—was, het lijdt naauwelijks twijfel, geen ander dan het lid des Raads, dat bovengenoemden heeren met nog vier leden werd toegevoegd, om zich bij den prins te verontschuldigen over het geweigerde gehoor in die vergadering; de commissie, aan welke Z. H. in gramme woede toebeet: „dat hij wel Duitsch verstond, en geenen uitlegger noodig had,” toen een der heeren hem de meening des raads verduidelijken wilde. Welligt was {XXX} Joan Huydecoper, heere van Maarsseveen, op Govert Flinck's „Doelenstuk,” dezelfde raad, die grave Willem Frederik van Nassau bij Welna zoo eigenaardig den aftogt ried, dreigende, dat de regeering op Zijne Doorluchtigheid den storm zoude loslaten, die haar zelve dreigde; welligt was hij het, zeg ik, hoe zeer het volgens het boeksken van het museum, dat voor mij ligt, onmogelijk is, want naar blz. 22, is Govert Flinck in 1616[R111] gestorven, schoon hij dat stuk ter gedachtenis van den vrede van Munster heet te hebben geschilderd. Volsta dit vlugtig woord ter opwekking, om den indruk dier stukken te doen winnen in veelzijdigheid;—wij keeren tot ons onderwerp weêr, ons zelven geluk wenschende, dat de scheppingen der oude kunst niet, als het belang, dat het algemeen in haar plagt te stellen, zijn verflaauwd; dat een blik op die schilderijen nog genoeg is, om onze tegenstelling te voldingen[R112].—Maria, de dochter der Stuart's, in tegenwoordigheid eener burgerij, die hare vreugde over het sluiten van den vrede botviert aan den disch van Van der Helst; maar deze tevens veraanschouwelijkt door haar optrekken ter wacht, door hare wake in het geweer, van Govert Flinck; Maria, de dochter der Stuarts in tegenwoordigheid van burgers, die, in andere woorden uitgedrukt, vaardig zijn, zich uit de armen der weelde los te rukken, om andermaal voor de vrijheid pal te staan; Maria, de dochter der Stuart's, verkrijgt, in dat licht gezien, eene hoogere beteekenis, dan eene der gemalinnen van onze vroegere stadhouders,—optredende aan de hand van Willem II.
[Illustratie: XXXI. No. 1245. W. V. HONTHORST (1604–1666). _Prins Willem II_ (1626–1650) (geschilderd in 1661).]