Part 10
Het is een hollandsche avondstond: van vrijers krielt het om de deur van een lief kind, maar geen lachje lokken ze op hare lippen, schoon de linkers eenen schalken blik op haar slaan: schoon de linkers een praatje maken met de pruilster. Mooi meisje als zij is, heeft zij dan ooren noch oogen voor dat windje, dat door de elzentakken suizelt, in wier lommer zij zit; dat de elzentakken strookt of hij ze lief had; voor het water, dat slaat tegen het walletje aan hare voeten, of kabbelen kussen waar? Lustigjes ruischt het, lustigjes bruischt het; de bloempjes wiegelen heen en weer in de dubbele weelde van avondwind en avondzon, een landschap, dat geuren wasemt, een landschap, dat drijft in gouden luister. Klaare, luister! leer lagchen, leer lieven als alles om u heen!—Och, het is den doove gepreekt, in dubbelen zin, want Klaare vaarwel zeggende, om den wille van hen, tot wie wij het woord voeren, wed ik, dat er onder mijne lezers zijn, die het eerste liedje wel wat wulpsch achten, die in het laatste den zedelijken zin voor levensvreugde voorbijzien. Anders oordeelden de tijdgenooten van Hooft, die eerstelingen toejuichende; immers spijt den schroom, dien de schalke zangster mooi Machteld inboezemde, verwierf het geestige boekske de gunst des publieks, de gunst onzes volks, dat zich had vrijgevochten van dubbele dwingelandij. Het voorgeslacht bezat zin voor alles wat waar is, voor natuurdrift als voor togt des harten; voor begeerten als voor beminnen; hoe het talent zich ontwikkelen en veredelen kon, toen de studie van geenerlei openbaring der liefde het werd ontzegd! Of hebt gij nooit opgemerkt, dat hij, die de dartele drift gloeijendst schetste, tevens gelukkig slaagt, als hij ons de heilige huwelijkstrouw schildert; hoe de vingeren van Hooft even goed de greepen der lier wisten als de greepen der luit! Lees dan zijne klagt van Amalia van Solms over prinsen Frederik Hendrik's beleg van den Bosch,[R63] waaruit al de teederheid, al de trouw van den echt spreekt, al volgt de dichter de ouden, Ovidius,[R64] meen ik inzonderheid, na; al schijnt hare Hoogheid te gelooven aan heidensche goden en godinnen. Laat ons billijk zijn in onze berisping; het karakter der kunst van Hooft was oorspronkelijkheid, al herinnert zij u bijwijlen Grieksche, Romeinsche en Italiaansche modellen. Twee eeuwen zijn sedert voorbijgegaan, en geen onzer dichters ontschaakt den Olympus zijne onsterfelijken meer; doch begrijpt daarom ieder onzer geleerden, dat het thans zijne taak is, de jeugd door de studie der oude wereld in staat te stellen tot ontwikkeling der nieuwe?—„Schoon prinssenoogh!” begint het dichtstuk, dat Frederik Hendrik's gemalin sprekende invoert, bekommerd over den uitslag van een beleg, door Delprat en Bosscha op nieuw in het licht gesteld, als een der heldhaftigste feiten des stedenwinnaars;—maar sla zelf het meesterstukje in de mengeldichten op. Gij zult het mij dank weten het u te hebben herinnerd; ge zult met mij hulde doen aan die bevallige beschrijving der geneugten van den echt, tegenover de stoute schildering der gevaren, aan den krijg verknocht; hulde aan de gevoelvolle uitdrukking van den angst, die haar martelt, bij de gedachte, dat ieder schot des vijands op het hoofd met witte veeren is gemunt. Boven alles zult gij den schoonen trek bewonderen, die het besluit: den wensch van Amalia, haren Hendrik ter zijde te mogen zijn, onafscheidelijk ter zijde als zijn zwaard, zoo glorie meer gelden mag dan leven en liefde beide, dan vrouwe en dan kind, een zoon, een zoon van vaders naam! Bedriege ik mij, is er niet iets vertrouwelijks, vriendschappelijks, vereerends voor prins en poëet beide, in die idealisatie der verbindtenis van den eerste door het vernuft van den laatste? Of zou Frederik Hendrik zich niet gevleid hebben gevoeld, toen Hooft hem het dichtstuk aanbood; Hooft, die niet enkel de eerste meistreel[R65] der Hollandsche minne, die ook de voorstander der Hollandsche vrijheid was? Amsterdam, ons vaderland, hadden er reeds van gewaagd, hoe hij, die omstreeks zijne zonnige twintig de dichter der liefde was geweest, tien jaren later door den bezielenden geest zijns tijds werd geblaakt; hoe zijne zangster in den „Geeraert van Velzen” en in den „Bato” der vrijheidszucht had botgevierd, die erfelijk scheen in zijn geslacht.[R66] Amsterdam, ons vaderland, verbeidden toen, na verloop van het tweede tiental jaren, de Nederlandsche Historiën van zijne hand. Een andermaal welligt een woord over de verdiensten dier treurspelen, in verband met hunnen tijd; thans vergenoege u, na de vermelding van den afkeer van allen dwang, alle dwingelandij, door haar bij ons volk vernieuwd, eene enkele opmerking. Veelzijdig vernuft als zij was, schijnt Hooft zich in de tragische, als in de erotische poëzij slechts ten doel te hebben gesteld, door een paar proeven zijnen landgenooten den weg te wijzen. Even als hij in het herdersdicht door eene vrije navolging van Marino, in het kluchtspel door eene verhollandsching van Plautus had gedaan,[R67] schijnt hem van jongsaf de gedachte te hebben aangelagchen, door de rozen der liefde en de lauweren der kunst ook de palmen der historie te mogen vlechten. „Hendrik de Groote” was maar een voorbereidende oefening op een te onzent schier nog te ontginnen veld; het „Huis der Medici” slechts eene verpoozing van het onderzoek, voor het eerste deel der „Nederlandtsche historiën” vereischt—[R68] het is op het laatste werk dat zijn roem rust; het is aan het laatste werk, dat hij de liefde zijner landgenooten van geslacht tot geslacht heeft dank te wijten;—of had ik den verleden tijd moeten bezigen, en „rustte” en „had dank te wijten” zeggen?
Waarom zouden wij het verhelen, dat het beurtelings staren naar iedere der beide beeldtenissen, waardoor op ons Museum Pieter Corneliszoon Hooft werd veraanschouwelijkt, thans andere gewaarwordingen in ons opwekt, dan het hollandsch hart te voelen plagt, wanneer het zich weleer verlustigde in het gâslaan der mannelijke schoone gestalte van onzen minnezanger, der hoffelijke houding van hem, die voor een' onzer schranderste staatslieden gold! De Keyzer's penseel is even verdienstelijk gebleven: moge de vaag der eerste jeugd voor Hooft voorbij zijn geweest, toen deze hem schilderde, ge ziet den oogen zijne begaafdheden zoo goed aan, als der handen hare bevalligheid; een weinig verbeelding, en het is u zelfs als gaat gij met hem ten hove, luttel dagen na den druk van zijnen „Hollandschen Groet,” toen de burgerij, volgens dat vers, Frederik Hendrik, na den overgang van den Bosch, „een zegeboog bouwde van gebogen harten!” Ook Bramer's voorstelling is onverflaauwd; Hooft's baard moge grijs zijn geworden, Hooft's harte is nog groen.[R69] Omstuw hem op den huize te Muiden van de geniën en gratiën zijns tijds, van Casparus Barlaeus en Constantyn Huygens, van Leonora Helleman en Tesselschade Roemers, van wie meer tot eene camaraderie[R70] behoorde, die de geestigste ter wereld heeten mogt, en ik wed, dat zijn vernuft vonken schiet, dat van al de overigen beschamende. En echter, wij herhalen het, ondanks den triomf van het talent dier beide meesters, blijkbaar in ons aanvullen hunner voorstelling, in de schetsen des verledens, waartoe zij ons verlokten, echter grijpt ons bij die schilderijen dikwijls weemoed aan; daar Hollands grootst genie ook voor Hooft zelfs geenen zweem van eerbied betoonde;—dewijl Bilderdijk's wrevel ook hem haat toedroeg. Er steekt niets verbazends in, dat beider beschouwingen van onzen opstand tegen Spanje verschilden, als beider beginselen, maar er zijn oogenblikken, waarin men twijfelt aan de toekomst onzes volks, wanneer men den lateren geschiedschrijver aanhang verwerven ziet ten koste van den vroegeren, schoon de eerste—de regtzinnige—uit liefde voor het monarchale, zelfs Alva, zelfs Philips in zijne bescherming neemt, ja, deze bij Hollanders verdedigen durft; terwijl de andere—de wijsgeerige—ons gemeenebest „gewrocht” hield, „door de zienlijke hand Gods,” die „den nooit volpreezen prinse Wilhelm, wijsheit en wakkerheit verschafte, om, als schipper en stuurman tevens, in d'uiterste noodt, zoo wel heilzame orde te geven, als geduuriglyk aan 't roer te staan.” Verre zij het van ons, te beweren, dat Hooft's begrippen over het regt ter regering helder waren als die van Bilderdijk: „~périsse le monde plutôt qu'un principe~.”[R71] Maar de weifeling van die van Hooft schijnt ons uit zijnen toestand, uit zijnen tijd te verklaren, zoo ze, trots de driedubbele scheldwoorden van hoeksche, staatsgezinde, aristocraat, niet te vergoêlijken zij. Heeren[R72] heeft beweerd, „dat de Hollanders republikeinen zijn geworden, dewijl zij geenen meester konden vinden;” zoo ik het woord, dat voldingend wederlegd is, hier herhale, het geeft mij gelegenheid op te merken, dat wie ook lust gevoelde iederen vorst, iederen voogd uit den vreemde ter hand te gaan, „de beste bestevaer” Cornelis Pieterszoon Hooft[R73] onder dezen niet te tellen valt. In de dagen van Leycester liep hij gevaar van gevangenis, gevaar van eenen smadelijken dood te sterven, om zijn voorstaan der vrijheid, om zijne verkleefdheid aan het huis van Nassau. Eene beschimping van het burgemeesterschap, door den weleerlijken grijsaard sedert waardig bekleed, moge lachwekkend zijn, logenstraffen doet zij het feit niet. Ongezochter verbeelden wij ons, voert het tot de vraag: welke de begrippen waren, die hij zijnen zoon over de betrekking van Oranje tot ons gemeenebest, onzen staat, ons wat ge wilt, inboezemde? Geen geloof aan regt ter regeren van dezen door Gods gratie; geen' rang van rigter, aan de Israëlitische Theocratie ontleend. Hooren wij hoe Hooft zelf er zich in zijne opdragt der „Historiën” aan Willem's derden zoon over uitlaat: „My,” zegt hij, „my heught noch, hoe ik in myne kindsheit, mijnen zaalighen Vaader hoorde zeggen, dat hy de nakomelingen van zijnen Heere, den Prinse hooghloffelijker gedachtenisse, niet aanschouwen kon, zonder dat hem de vernieuwing van 't geen wijlen zijne vorstelijke Doorluchtigheid voor deze landen gedaen en geleden had, tot weenen beweeghde.” Een woord vol menschelijk, vol redelijk gevoel, de getrouwheid uitdrukkende van eenen Hollander, van eenen Hervormde, aan hem, dien hij geloofs-, dien hij gewetens-, dien hij schier iedere andere vrijheid verschuldigd was. Het laat in het midden, zal men zeggen, wat aan de Staten en wat aan den Stadhouder stond;—het verklaart niet, hoe de zoon zich het kroost des Zwijgers verknocht gevoelde. Voorwaar, de staatkundige verlichting onzer voorvaderen geschiedde door geene wonderwerken, alleronverwachtst, allerovertuigendst tevens. Zoo iets, de strijd van sympathiën in het voor het overige bedaarde brein van onzen historieschrijver tuigt van het tegendeel. Hooft, zeiden we vroeger, had Italië bezocht, Hooft verwijlde eenigen tijd te Florence; de heuschheid, er hem door den huize Medicis betoond, deed hem naderhand „de rampzaligheden der verheffinge” van dat huis te boek brengen. Het werk biedt eenige merkwaardige plaatsen aan, waarop de evenaar van des schrijvers meêgevoel wankelen blijft tusschen der vorsten zucht naar gezag en der landzaten liefde voor vrijheid. Onwillekeurig wekken zij bij u het vermoeden, dat hij de heerschappij der eersten slechts duldbaar acht om het goede, dat deze te weeg brengen kan. Hoe het zij, wrangst wordt zij geboet door hen die er vurigst naar staan. „Huisselijke bitterheden hebben voor David de weelde van het koningschap gezult; weldig is de fortuin van Augustus over den staat, wrevel voor hem in gezin en nakroost geweest;—wij leeren het eerste uit de heilige, wij leeren het laatste uit de wereldrijke letteren,” heet het. En duidelijk wordt het u, dat hij de redene van regering besloten hield in „het verkwikken der middelbare, en het intoomen der uitstekende burgeren, in het verwekken van ieder in het gemeen tot liefde voor het wettig bestuur zijns vaderlands.” Voeg bij zulk eene beschouwing aller geschiedenis, den wederstand, door Hooft's vader en de tijdgenooten van dezen den toenmaligen wettigen heer uit gemoedelijke overtuiging geboden; voeg bij deze de studie der oude letteren, welke met de voorbeelden van vrijheidszin, door de Romeinsche republiek nagelaten, dweepen deed. Wat wint men er bij, door met Bilderdijk allen, die voor dezen prikkel niet doof waren, om hunne dwaasheid uit te lagchen; of erger nog, allen die gezet bleken op het behoud der vrijheid, tot welker verwerving zij zich geregtigd hielden, om hunne denkwijze te lasteren? Wat men er bij wint? buiten de zege van een beginsel, eene lofspraak op Maurits, niet dien van Nieuwpoort, maar dien van zestien honderd achttien,—als had Bilderdijk nooit het torentje des Binnenhofs aangestaard, waaruit deze toezag, hoe het grijze hoofd zich bukte,[R74]—en eene verguizing van Jan de Witt, niet enkel bij het eeuwig edict, maar ook in zestien honderd twee en zeventig—als ware de schim des vermoorden aan Bilderdijk op het Groene Zoodtjen nimmer verschenen. Stel er eens tegenover wat ge er door verliest: Het geloof aan de eerlijkheid van de helft der groote mannen, op welke ons vaderland trotsch was; het geloof aan den zedelijken zin eener verschijning, als die van ons gemeenebest in Gods wereldbestuur. Holland, het hervormde Holland, dat den overigen staten van Europa eene wijle het voorbeeld geven mag, door zijn streven het genie van het oude met het genie van het nieuwe te doen zamensmelten;—Holland, dat vorstenheerschappij en volksvrijheid verzusteren wil, boezemt belang in, al slaagt het slechts ten deele;—maar Holland, hetzelfde Holland, dat bewonderd werd aan het hoofd der beweging in het godsdienstige als in het staatkundige, dat Holland laakbaar te heeten, als strijdige beginselen in zijnen boezem naar bevrediging streven in eene andere gedaante der dingen; dat Holland te doemen tot stilstand, tot achteruitgang... God zij gedankt, dat de tweede Willem de Eerste slechts ~grondwettig~ koning wilde zijn! „God, d'allerbeste, d'allergrootste, geve dien heerlijken gekroonden boome,” schreef Hooft in de meergemelde opdragt aan prince Frederik Hendrik van Oranje, „geeve dien heerlijk gekroonden boome, wiens dorren ons met gewisser angst benaauwen zou, dan 't versterven van den ruminalen[R75] de roomsche gemeente, die 't voor een voorspook van den val des rijx hield: God geve dien gedurighlijk te groeijen, en met zijne bloeijende telgen, alle onderzaaten tegen de Spaansche hitte en allerlei onweeder te beschaduwen en te beschutten.” Wij schrijven, wij zeggen het hem van harte na. Maar wij wenschen tevens met hem, dat zijne historie, zoowel in onze burgerlijke als in onze vorstelijke jeugd eene vlam van ijver naar glorie stoke, eenen gloed van graatigheidt, om de dappere daden van landsluiden, medeburgeren, bloedverwanten, voorzaten en voorouderen te achterhaalen of verbij te streven, dat zij ons volksvrijheid en vorstengezag verzusteren leere door wetten, welke, beiden grenzen aanwijzende, beiden waarborgen;—dat zij dit doe, in tegenoverstelling dier geschiedenis des vaderlands,[R76] op welke zelfs de bladzijde, die den lof van de Ruyter verkonden moest, niet vrijbleef van de vlekken des lasters. Onze vroegere geschiedenis behoort tot een gesloten tijdvak, beweerde men, toen achttien honderd dertien het wenschelijk maakte, dat zeventien honderd vijf en negentig wierd vergeten; doch dezelfde vorst, die het voorbeeld gaf, hoe men de heugenis van de geschillen der achttiende eeuw had uit te wisschen, stelde, door den druk der archieven van zijn huis, ter volkomener studie der zestiende eeuw en hare opvolgster in staat. De eeuw van Willem I, de eeuw van Willem III: waarlijk, als de geest der vaderen uit die dagen ons volk onder de regering van hunnen eersten koninklijken nazaat hadde bezield, deze zou roemrijker voor beide gesloten zijn: hij ware gelukkig ten grave gedaald. Bij de hoogere beginselen, dan die van het monarchale, door beide vorsten geëerbiedigd;—bij die beginselen, welke den eerste den moed gaven op te treden voor een verdrukt volk, al was die verdrukker Philips van Oostenrijk, heer van Spanje, heer der beide Indiën;—bij die beginselen, welke den laatste aan Groot-Brittanje eene staatsregeling deden geven, waaraan het anderhalve eeuw van weergaloozen bloei was verpligt;—bij de teleurstellingen der laatste vijf en twintig jaren te onzent eindelijk, in zoo menig opzigt te wijten aan de onverschilligheid der natie, bij dat alles wenschte ik vorst en volk beide te kunnen bewegen tot meêgevoel voor alles, dat bij Hooft meêgevoel wekte: vaderland, vrijheid, vooruitgang.
Open zin voor het leven zijns tijds, voor wat er goeds en groots school in den vorst en het volk zijner dagen, wie werd er in mildere mate meê bedeeld, dan het genie, tot welks beeldtenis wij u maar schoorvoetend brengen, ons herinnerende, hoe vóór jaren in onzen „Gids” aan Vondel met roskam en rommelpot[R77] regt werd gedaan, regt als onze eerste, onze schier eenige hekeldichter eischen mogt. En echter, wat is mijne taak ligt, vergeleken bij die des talents, dat vroegere veeten te verklaren, dat overdrijving te ontschuldigen, dat bitterheid te berispen had, terwijl het veraanschouwelijkte, hoe de slagen en steken der satyre doel troffen door de hand, die ieder harer wapenen zoo wel te hanteren wist! Er werd begaafdheid van velerlei aard vereischt, om den vinnigen Vondel op nieuw te doen bewonderen door eenen tijd, die zich verhief op zijne verdraagzaamheid, liever, die zijner eigene laauwheid lof zong;—als de vertegenwoordiger onzer vaderen tegenover de vorst, welke de geliefdste der grootste mannen uit zijn huis heeten mag, heeft Vondel iets beminnelijks, dat geene aanbeveling behoeft. Toch wenschte ik, dat u de beeldtenis, toenmaals van hem geschilderd, nog voor den geest stond, die beeldtenis met gerimpeld voorhoofd, met gefronsde wenkbraauwen, van verontwaardiging zwaar—tot er vonken uit die adelaarsoogen schoten, op het oogenblik, dat hij gevoelde zijne prooi te hebben gegrepen en vaneengescheurd; waarna hij haar ter zijde wierp, de dunne lippen maar even door den glimlach der wraak gekruld. Vergelijk haar, zou ik dan zeggen, vergelijk haar met dit aangezigt, door Jan Lievensz gepenseeld, louter goedrondheid, louter goedheid zelfs, met oogen, niet in dweepzieke droomzucht drijvende, neen, opziende in vrolijke verrukking, als had het gerucht hem de mare gemeld der inname van eene dier vele vestingen, welker verovering hij bezong; als zag hij in het verschiet de oranjevaandels hunne banen uitslaan op de bestormde bressen van den Bosch, Wezel of Maastricht. De eerste is Vondel, die de laatste jaren van Maurits gedenkt; de tweede is Vondel, die de zegepralen van Frederik Hendrik toejuicht;[R78] Vondel, een goed hater, een beter vriend, vurig in beide, wederzin en genegenheid, doch die, het zij tot zijne eer opgemerkt, in Mouringh nooit den medegrondlegger des Staats, nooit den held uit het oog verloor; die van Frederik Hendrik nimmer eenigerlei geschenk ontving. Lakende en prijzende uit overtuiging, en uit die alleen, doet de eerbied, voor den overwinnaar van Nieuwpoort aan den dag gelegd, het verwijt, dezen toegevoegd, in de vraag: „Waarom zijn kling zich in de kerktwist had gemengd?” te zwaarder wegen;—wordt de hulde, aan den stedeveroverenden Vrederijck[R79] gebragt, te waardiger offer, door het onafhankelijke standpunt waarop de dichter tegenover dien vorst stond. Onafhankelijk standpunt? vraagt men misschien. Prins Frederik Hendrik had zich in zijn kabinet door den heer van der Mijle „Palamedes” doen voorlezen, had er met welgevallen naar geluisterd: ziedaar, wat Vondel's harte won; prins Frederik Hendrik heette der onderliggende partij niet ongenegen; ziedaar, wat Vondel wist.[R80] Vóor het eerste zijn hart nog winnen kon, ja, eer dat treurspel zelfs het licht zag, gaf Vondel blijk, dat zijn weten, wat die vorst voor het vaderland worden zou, verder ging;—of hebt gij nooit gelezen, hoe hij hem begroette, bij de aanvaarding van het stadhouderschap? hebt gij nooit zijn „Princeliedt” ingezien?[R81] O, dat wij minder in den vader onzer poëzij, ik wil niet zeggen de onbaatzuchtigheid, want wie beweerde ooit, dat iets zoo laags als baatzucht in een genie, zoo groot als dat van Vondel, viel?—maar minder de onafhankelijkheid van geest voorbijzagen, waardoor de hollandsche dichtkunst zich in niemand edelaardiger vertoonde, dan in hem, en tegelijk in niemand vermogender was: zelfverloochenende en heerschappij-voerende tevens. „Prince Frederik Hendrik,” zegt Vondel's levensbeschrijver,[R82] „prince Frederik Hendrik, anders zoo mild jegens poëten, wanneer ze zijne overwinningen met hunne dichten vereerden, bewees hem nooit eenige gunst—om zelf ongunst te mijden;—wel wetende, hoe kwalijk de man bij predikanten en contra-remonstranten aangeschreven stond.” Zeldzaam, zonderling blijk zelfs, hoe men boeten kan voor zijnen invloed bij de burgerij;—duidde Vondel misschien die veronachtzaming, of wilt ge, die tot onregtvaardig wordens toe vèrgedrevene voorzigtigheid den vorst euvel? Laat zegezangen en lierdichten u antwoord geven, luide de „Geboorteklock”[R83] van Willem van Nassau, zoone van Frederik en Amalia, andermaal! Welligt is geen wicht ter wereld ooit dichterlijker welkom geheeten, dan die eersteling der huwelijkskoets van zijn geliefd vorstenpaar. Vondel huldigt in dat lofdicht, even als Hooft het in zijne klagte deed, den smaak zijns tijds, door den Grieken hunne godin der liefde te ontleenen; maar als gij, kunstregter onzer dagen, voor een oogenblik vergeten kunt, dat het stuk in den Hage speelt, dan nemen de minnegoodjes ook u gevangen, de minnegoodjes, die Amalia nog vuriger blaken, nog vuriger naar de verbeide wederkomst van haren gemaal verlangen doen. Vreemd, het is waar, vreemd klinkt het kouten van een cupidootje, vooral wanneer het der prinses op haar leger in éénen adem verhaalt, èn hoe Frederik belaagd en belonkt wordt door zeegodessen, wanneer zijne kiel de schuimende golven klieft, èn hoe hij voor Brussel de oorlogsfakkel steekt in Isabelle's priëelen;—eene stuitende mengeling van de denkbeeldige en wereldlijke wereld;—maar des ondanks, welk eene aanschouwelijkheid van schildering in den droom, in de beschrijving van het borduursel van Amalia; welk een overvloed van schoonheden! Wij vermelden alleen, dat Vondel genoeg vleier was, om de liefelijke lente van dat jaar aan de vergevorderde zwangerschap der prinses toe te schrijven; dat op de geboorte van het wicht een veldtooneeltje volgt, 't geen den toekomstigen dichter der „Leeuwendalers” verkondt. Het is bruiloft in de weide; het is boter tot den boôm; de koe is klaverkiesch, vol visch zijn de fuiken; de leeuwerik kwinkeliert; de vijverberg, vol tiers, weêrgalmt van: „Leve de jonge Wilhelm!” Doch genoeg, doch te over voor onze grenzen, om u op te wekken, zelf nog eenmaal die poëzij te genieten; zelf te zien, op welke wijze Vondel deel nam in eene geboorte, die vorst en volk om het zeerst verblijdde. Zijne krijgsklaroen schettert vast voor Grol; hij zingt den Boschdwinger en Wezelwinnaar alreede zijnen zegezang![R84] „Oordeel heusch van hem,” voert Vondel in den aanhef van het eerste, van zich zelven sprekende, Frederik Hendrik toe: „oordeel heusch van hem, die geen leidstar kent als 't licht, dat op uw helmtop blinkt!” Waartoe die beden? vragen wij onwillekeurig;—of moest de schim van Mouringh aan zijnen broeder den dichter niet benijden, die zoo de eerste verovering van dezen vereeuwigde? Welk een blik vergunnen beide dichtstukken in het gemoed van Vondel, in dat van zoovelen, als hij uit den volke vertegenwoordigde!