Part 1
+----------------------------------------------------------------+ | | | OPMERKINGEN VAN DE BEWERKER: | | | | De tekst in dit bestand wordt weergegeven in de originele, | | verouderde spelling. Er is geen poging gedaan de tekst te | | moderniseren. | | | | Bladzijde-nummering is verwijderd. Afgebroken woorden aan het | | einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Voetnoten zijn | | hernummerd en verplaatst naar het eind van de alinea met de | | verwijzing. De aantekeningen zijn hernoemd en hernummerd. | | | | De in het origineel als cursieve tekst is weergegeven | | als _cursief_. Uitgespatieerde tekst is weergegeven als | | ~uitgespatieerd~; vette tekst als #vet#. De kantlijnnoten zijn | | verplaatst naar de lopende tekst en weergegeven als {noot}. | | | | Overduidelijke druk- en spelfouten in het origineel zijn | | gecorrigeerd. Variaties in spelling zijn behouden: | | o.a. met/zonder accent, met/zonder koppelteken, met/zonder | | extra spatie, lopende tekst vs. voetnoten/aantekeningen. | | | | Aan het eind van het boek volgt een overzicht van de | | aangebrachte correcties. | | | | De illustraties zijn beschikbaar bij de html-versie van dit | | e-boek op https://www.gutenberg.org/ | | | +----------------------------------------------------------------+
POTGIETER I
[Illustratie: E. J. POTGIETER.
1808–1875.]
NEDERLANDSCHE BIBLIOTHEEK
ONDER·LEIDING·VAN·L·SIMONS
E. J. POTGIETER.
JAN, JANNETJE EN HUN JONGSTE KIND
HET RIJKSMUSEUM
Met Inleiding en Aanteekeningen van L. S. en vier-en-veertig afbeeldingen
[Decoratieve illustratie]
2e Druk.
UITGEGEVEN·DOOR·DE MAATSCHAPPIJ·VOOR GOEDE·EN·GOEDKOOPE LECTUUR—AMSTERDAM
INHOUD:
L. S. TOT INLEIDING 5
#Jan, Jannetje en hun jongste kind.# 19
AANTEEKENINGEN OP ID. DOOR L. S. 57
#Het Rijksmuseum.# 65
AANTEEKENINGEN OP ID. 205
#Gedichten# door Potgieter aangehaald:
C. HUYGENS: _Scheepspraet_ 225
P. C. HOOFT: _Heilige Venus_ 227
_Galathea_ 228
_Rozemondt, hoor di_ 229
_Klaare wat heeft er_ 230
_Klachte der Princesse van Oranje_ 231
JOOST V. D. VONDEL: Fragment uit _Geboorteklock van Prince Willem II_ 233
_Huig de Groot's Verlossing_ 235
_Wellekomst van H. de Groot_ 236
Uit: _Roskam_ (op P. C. HOOFT) 238
_Klinkert_ op de reize van den Hoornschen meerman W. C. SCHOUTEN(1618) 239
Uit: _Lof der Zeevaart_ voor LOURENS REAAL(1618) 240
_Vrye Zeevaart_ voor M. H. TROMP 241
_Konstantyntje (Kinderlyk)_ 243
_Kerstlied_ 243
_Oprechtste Trouw_ (Reizang uit _Gysbreght v. Aemstel_) 245
_De Monsters onzer Eeuw_ 247
_De Ridderschap van Amsterdam_ 248
BEREDENEERDE LIJST VAN AFBEELDINGEN 249
TOT INLEIDING.
Dat Potgieter en zijn werk, hoe weinig ~populair~ beide ook lijken mogen, te eeniger tijd in den wijden kring der lezers van onze bibliotheek moesten worden ingeleid, stond al van haar stichting af bij mij vast. Doch zooveel staat er mede op de lijst mijner eigen uitgeef-verlangens, en „alle ding zijn beurt” is ook voor mij onvermijdelijke wet!
Nu echter komt die beurt eener openbare herdenking aan den stichter van „De Gids,” aan hem, die zelf in onze 19e eeuw gids geweest is voor velen, en die dit ook geweest is voor mij. Wij allen vinden in onze groei-jaren, terwijl zoovele opvoeders, onderwijzers, leeraren zich met ons bemoeien, schier altijd buiten dien kring een of meerderen, dichters, denkers, schrijvers, binnen wier aantrekkingsmacht we geraken en die dan grooter invloed op ons gaan oefenen dan de meesten onzer officieele vormers. En ik kan niet terugdenken aan mijn burgerscholier-jaren, of onder de mannen in wier geest ik me gevangen voelde, zie ik Potgieter voor me herleven, Potgieter, den stoeren en sterken vaderlander; Potgieter, den bewonderaar van onze zeventiende eeuw; Potgieter, den schrijver wiens stijl den geest lenig maakte en wiens gevoelswarmte diep innig gloeide onder den ruigen korst;—Potgieter, den vijand van Jan Salie. Als navolging tuigen mag van verkregen invloed—de eerste pennevrucht die ik, op 18-jarigen leeftijd, mocht doen drukken, was geheel ingegeven door zijn „Jan, Jannetje en hun jongste kind,” een satyriek betoog dat Jan Salie aan zijn hofje ontkomen was![1]—En als ik, sintsdien iets heb mogen bijdragen, in geschrift, in woord en daad, om onze volksslofheid te keeren en onze volkskracht te verhoogen,—de inspiratie in mijn jonge jaren van den „dege degelijkste” onzer 19e eeuwers ontvangen, mag zich een goed deel daarvan toerekenen.
[1] In het tijdschrift ~Nederland~ van 1881, onder pseudoniem LEONIDAS: „~Jan Salie is los~.”
En 't is daarom dat ik mezelf zoo gaarne de taak stelde, dezen bundel bij onze lezers in te leiden, en hem te geven wat hij, buiten Potgieters eigen werk, scheen te vragen—
* * * * *
Dat was, allereerst, een poging om den mensch en den schrijver in korte trekken te teekenen, vooral gelijk ze zich voordoen in zijn beide stukken, die hier volgen.
In zekeren zin: overbodige arbeid, want èn de mensch èn de schrijver groeien er heel sterk voor ons uit. In het Rijksmuseum wandelend, dat toen nog de kleine verzameling in ons Trippenhuis was, (386 nummers telde de catalogus!) maar waarin toch ook al een kern van meesterstukken hing, heeft Potgieter zich niet allereerst geboeid gevoeld door de schoonheid, die er van hen uitstraalde, doch door hun inhoud. Juister gezegd, het waren niet eerst schoonheidsontroeringen die zij in hem wekten, doch aandoeningen van geestelijken aard, die hun voorstellingen in hem gaande maakten. Hij wandelde er rond en in zijn nog jonge brein—hij was eerst 36 jaren toen hij dit stuk schreef—droeg hij al bij zich een schat van verworven kennis van hollands oud leven, van hollands geschiedenis, van hollands dichtkunst der 16e en 17e eeuw; een beeld van het voorgeslacht dat een ~droom~beeld was van stoer en kleurig leven, van een ontwikkeldheid van „alle krachten en gaven.” En zijn wandelingen in dat museum waren hem aanvullingen en versterkingen van dat beeld; hij kwam er de mannen en vrouwen aanschouwen van wie, omtrent wie, hij gelezen had, en zijn vertoeven aldaar werd hem tot een verrijzenis van heel dit verstorven en betreurde verleden.
En kwam hij er uit, naar buiten—dan ontmoette hij er nog al te zeer de lauwe, slappe lucht, die het tijdperk van 1815–1830 bij ons te lande gekenmerkt had; die wèl, tijdens de worsteling met België, door wat frisscher wind verjaagd scheen, maar die weer, toen de korte opleving had uitgeleefd, door sterke apathie vervangen leek. „De jaren (van 1815–1835) kenmerkten zich,” schrijft ~Jonckbloet~[2] „door een treurig gebrek aan zelfstandigheid en pit, door oppervlakkigheid en karakterloosheid”—„lauwheid en flauwheid kenmerkten ook nog een groot deel van deze periode.”—En zoowel ~Groen van Prinsterer~ als ~Van Lennep~ spreken van de grootspraak en de zelfverheffing, die ondanks die vadzigheid en volgzaamheid heerschten, terwijl ~Thorbecke~ aan den eerste in 1831 eveneens over de ijdele zelfverheffing klaagde.[3]—~Helmers~ in zijn „Hollandsche Natie” had dien zeepbel aangeblazen; tal van nog mindere dichters bliezen niets stevigers. De geliefkoosde kanselredenaar was de altijd gematigde en vlakke ~v. d. Palm~, wiens „goedige stijl” door ~Geel~ was gehekeld; de geliefkoosde romanschrijver onze zeker wel onderhoudende doch al heel ondiepe ~Van Lennep~. Van de 17e-eeuwers was ~Cats~ nog altijd 't meest in tel, en zelfs ~Staring~ had te veel pit om, ofschoon 19e-eeuwer, bijzonder te worden gelezen. Zeker, er was velerlei reactie tegen al die slapheid, sufheid, zelfgenoegzaamheid in geboorte. „De Gids,” in 1836 vooral door ~Potgieter~ gesticht, was er éen centrum van; ~Bilderdijk~'s volgelingen vormden een ander; ~Thorbecke~ een ander; aan onze Hoogescholen begon het licht der nieuwere Godgeleerdheid en van het wetenschappelijk bijbelonderzoek te dagen; ook met ~Matthijs de Vries~ en ~Jonckbloet~ de wetenschappelijke studie van taal en letterkunde te ontkiemen. ~Aernout Drost~ en mejuffrouw ~Toussaint~ zouden een dieperen en kleuriger historischen roman vooral uit de 16e en 17e eeuw geven; ~Beets~ en ~Kneppelhout~ een frisscher humor doen kennen; ~Bakhuizen van den Brink~ de geschiedbeoefening tot wetenschap en kunst tevens verheffen; ~Potgieter~ zelf zou niet ophouden tegen de slappe onbeduidendheid zijner tijdgenooten de dege degelijkheid te stellen „waaraan wij ons volksbestaan, onzen volksrijkdom, onzen volksroem, onze volksdeugden verpligt zijn,”—en dat immers ook het beginsel der Gidsredactie was „waarvan zij in het ~afbreken~ en in het ~opbouwen~ beide uitging.”[4]—Hij zou ijveren tegen „bekrompen kieschheid,” die „zich ergert aan de waarheid der 17e eeuwsche voorstellingen!” hij zou blijven pleiten voor die „ontwikkeling aller gaven van den menschelijken geest, onder den invloed der beide geniussen, die hem wieken bedeelen: ~vrijheid~ en ~vroomheid~.”[5]
[2] Jonckbloet. Geschiedenis der Ned. Lett. 19e Eeuw, 1e deel; 340.
[3] Aangehaald bij idem; 342.
[4] Potgieter over Huygens' „Cluyswerk.”
[5] Id.
* * * * *
En daar hebt ge, in enkele toetsen, den man zelf voor u; den man die ~Cats~ verwierp, om de vlakheid en slapheid van zijn geest; die de kernige kortheid van ~Huygens~' beeldende taal prees als een geneesmiddel tegen populaire lamzaligheid, voortgekomen als hij die kernigheid oordeelde uit liefde tot studie, uit een hoog begrip van kunst. De man die ~Huygens~ boven ~Cats~ verhief om het steviger ruggemerg van zijn karakter, om de inniger oprechtheid van zijn ruime vroomheid. Al wat slap, al wat half, al wat bekrompen, al wat kleinzielig was, vond een stoeren vijand in dezen Gids, die zijn volk wilde leiden uit het enge kringetje van zijn dijkenland naar een ruimer wereld, en tegelijk geen enkelen lofredenaar op dat volk iets toegaf in warme waardeering voor al wat het geweest ~was~. De glorie van onzen ~gouden~ eeuw, geen ander heeft haar zoo sterk gezien, heeft haar zoo devotelijk aanbeden als ~Potgieter~. Maar bij hem was die vereering allereerst spoor tot ernstige studie; wat haar dichters, haar reisjournalen, haar geschiedschrijvers hadden nagelaten, kende hij, en indien hij het beeld van haar grootheid en kracht al vermooide, het was niet om zich zelf en zijn landgenooten te sterken in een ijdel zich vergapen er aan, en verheffen er op; integendeel om ze te sterker te doordringen van eigen kleinheid, om hun te feller prikkel in het bloed te jagen tot het weer bereiken, althans voor een deel, van de hoogte waarop hij het voorgeslacht zag staan.—
En niet alleen hun hoogte. Ook hun genieten van de volheid des levens. Geestelijk sterke als hij was, heeft ~Potgieter~ echter nooit in het vergeestelijken van het leven alléén eenig heil gezien. De robuste zinnelijkheid van het voorgeslacht, hun vermogen om de levensvreugd te genieten trokken hem, die nooit gehuwd, en nooit sterk verliefd schijnt geweest te zijn, niet minder aan dan hun denken en doen. „Ontwikkeling van ~alle~ krachten en gaven,” de lijfspreuk die ge in de twee volgende stukken herhaaldelijk ontmoeten zult, was immers de hunne geweest.—Hij mocht de dartelheid van hun minneliedjes en klucht, den openen werkelijkheidszin hunner taveerne-schilders er te liever om, omdat zij de kunst verstaan hadden dien levenslust te paren aan hun vroomheid, en deze aldus schoon te houden van lateren femelzucht; omdat zij de vrijheid in de zelfontwikkeling hadden weten te vereenigen met de gebondenheid aan een hoogere wet, die de kern en het wezen aller echte vroomheid zijn moest. Blijheid en gemoedsdiepte; kracht en gevoel, hadden zij ze niet tot die hoogere eenheid samengesmolten, die ~Potgieter~ voor zich zelf vond?—En indien wij thans nuchterder kijk hebben op veel van dat 17e eeuwsche leven, en tot de ontdekking komen, dat ~Potgieter~ veel er in ~anders~ zag dan koele observatie thans heeft doen kennen, dan winnen we, hetgeen we aan de 17e eeuw verliezen, in hem terug. Want dat beeld, dat hij van háár ontwierp, was immers spiegelbeeld van zijn eigen innerlijkheid!—
* * * * *
~Potgieter~, tot 1865 redacteur gebleven van ~De Gids~; toen—in ridderlijkheid partij-trekkend voor zijn jongeren vriend ~Busken Huet~—het geliefde tijdschrift moedig verlatend, heeft er in die dertig jaren tal van artikelen, kritieken, verhalen en gedichten in gegeven; heeft ook na dien tijd tot zijn dood, in 1876, nog geschreven, en zijn letterkundige nalatenschap is dan ook aller-belangrijkst, al heeft hij feitelijk, behalve zijn uitvoerig gedicht ~Florence~, geen werk van grooten omvang voltooid. Zijn tijdgenooten en vrienden, ~Zimmerman~, ~Beets~ en ~Huet~, hebben persoonlijke herinneringen aan hem uitgegeven; en onder de jongeren hebben de heeren ~Groenewegen~ en ~Albert Verwey~ het hunne gedaan, om hem bekend te maken en meer lezers tot hem te brengen. Dat hun dit ruim gelukt is, zou ik ganschelijk niet durven zeggen. Schrijvers als ~Potgieter~ moeten eenmaal tevreden zijn met een kleiner kring van lezers dan aan een ~Van Lennep~ ten deel kan vallen. Al wat hij weet, al wat hij doordacht en ervaren heeft, heeft deel aan de geboorte van zijn geschriften en in het neerschrijven werkt het instrument van zijn geest als een eigenaardige zeef, die het gladde en kleinere achterlaat, en alleen het kernige, gekartelde, gemarkeerde, stevige, doorgang gunt naar het papier. Ik heb straks al een paar woorden aangehaald uit zijn verdediging van ~Huygens~' kernachtigheid, ik zou de geheele passage even willen overnemen, omdat ze zoo sterk ~Potgieters~ eigen schrijfwijze kenschetst:[6]
[6] Kritische Studien: ~Huygens' Cluyswerck~.
„Men ziet het—de duisterste onzer dichters (Huygens is er niet zelden voor uitgekreten) behoorde tot die zangers, welke hunne uitdrukking zorgvuldig wogen en lang overpeinsden. Maar waartoe toch, vraagt men welligt—en de school van ~Cats~ vroeg het in de dagen van Constantyn, en de middelmatigheid bauwt het haar in onze dagen na—waartoe dat streven naar het kernige en korte? Waarom van den lezer zooveel moeite geëischt, als de oplettendheid waarop Huygens aanspraak maakt, het nadenken, waartoe Huygens verpligt, (ook) de studie, welke Huygens vergt, in zich sluit?—Eer wij antwoorden, vergunne men ons de opmerking, dat alle stijl ter wereld bijwijlen aan overdrijving lijdt; dat ieders trant soms in manier ontaardt; dat elke overdrijving, iedere ~manier~ afkeuring verdient. Niemand zal dus verwachten, dat wij Huygens in onze bescherming zullen nemen, waar hij aan deze euvelen hinkt. Alles, wat wij ter vergoelijking zijner gebreken hebben in te brengen, nadat wij van zijne duisterheid hebben afgeschreven wat op rekening der ~verouderde taal~, wat ~vooral op die van den gewijzigden kunstsmaak~ moet worden gebracht, wat is het anders dan dat zij ons minder dan die der populaire lamzaligheid stuiten, ~dewijl het beginsel, uit welks verkeerde toepassing zij geboren werden, ook nog in de verbastering eerbied eischt~?—Het was liefde tot studie; het was een hoog begrip van kunst!”—
Ook als wij Potgieter lezen, hebben wij, begin 20e-eeuwers, wel wat op rekening van verouderde taal en van gewijzigden kunstsmaak af te schrijven! (herkent ge in de uitdrukking den koopman niet?) Wij denken er niet meer aan, de aanvoegende wijs deftiglijk te gebruiken; iemand sprekend in te voeren, en hem te laten zeggen: „denk niet dat ik er mijn beroep om smade,”—„De kroone des wouds,” „vooral dewijl ik” zijn uitdrukkingswijzen, wier deftigheid ons afschrikt. Maar geheel de trant van een betoog, als ik hier boven afschreef, zijn we immers ontgroeid!—We zouden den gedachtengang, dien ik 't laatst spatiëerde, eer aldus uitdrukken: „Maar zijn gebreken hinderen ons minder dan die van de populaire lamzaligheid, omdat de liefde tot studie en 't hoog begrip van kunst, waaruit zij voortsproten, waardeering blijven vragen, ook waar zij, te ver doorgevoerd, in verbastering ontaarden.”—Mijn omschrijving, intusschen, behoeft ge slechts met P's volzinnen te vergelijken om te bemerken dat haar 't rethorische rithmus vreemd is, waar de zijnen op golven. Het plechtstatig-indirecte, het beeldsprakig-omschrijvende, het grammaticaal-omslachtige van P's zegswijze was eenmaal èn het vers èn het proza van zijn tijd eigen. Wat hem moeilijker leesbaar maakt dan zijn tijdgenooten is vooral dat hij, indirect schrijvend en dus ~doelend~ zonder te ~noemen~, ons in het nadeel stelt van zijn veelwetenschap en kennis, en we niet altijd raden kunnen wàt hij beoogde, en wat van zijn beschrijving het betuurde middelpunt—voorwerp of gedachte—was. Vooral in zijn twee hier gekozen stukken, waaraan heel zijn kennis der 16e en 17e eeuw ten grondslag ligt, is dat menigmaal het geval, en ik wil wel bekennen, dat het mij, bij het neerschrijven der aanteekeningen, meermalen was of ik raadseltjes te ontcijferen had. Doch als dit wat moeite vergt—er is zekere genoegdoening in het ontschild-~hebben~ van een noot, zoo de vrucht maar goed blijkt. En wat ~Potgieter~ ons te zeggen had, is de moeite van een rustig-ontschillen waard. Heeft men eenmaal het geheim van zijn trant te pakken, dan is de vreemdigheid ook wel spoedig overwonnen!—
* * * * *
Na deze algemeene opmerkingen zullen een paar over de twee werken zelf moeten volgen. Aanvankelijk lag, laat ik het vooropstellen, alleen het geven van een geïllustreerde uitgaaf van het ~Rijksmuseum~ in het door een onzer abonnés geopperde plan. Maar de allegorie van
JAN, JANNETJE EN HUN JONGSTE KIND,
op oudejaarsavond van 1841 geschreven, is zoozeer het praeludium tot het langere opstel geweest,—dat ik toch eigenlijk niet kon nalaten haar te doen voorafgaan. Jan en Jannetje—dat zijn de figuren, waarin P. zich ons Holland uitbeeldt, vader en moeder van een talrijk kroost. De figuratie lag als voor de hand voor zulk een goed kenner van onze taal als Potgieter. We kennen immers allen ~Janmaat~ en ~Jan Compagnie~; we kennen ~Jan Hen~, ~Janhagel~, ~Jankalebas~, ~Jan Klaassen~, en al in de 17e eeuw immers had W. D. Hooft in zijn ~klucht~ van ~Jan Sali~ dezen naam tot kenschets van een sukkel gebruikt! ~Potgieter~ had de groep maar te voltooien—en hij deed het met vernuft, met valsch vernuft ook wel (maar dat is de verleiding van het genre!) en, vooral, hij deed het met den zin van den kleurrijken schrijver, die oud-hollandsche binnenhuizen met de pen weet te schilderen, en uit het gemoed van èen, die Jan en Jannetje hartelijk liefhad, en die in Jan Salie hun en zijn ergsten vijand wist. Alles heeft de sukkel, de machtelooze, de durfniet voor Jan en de zijnen bedorven: Jan's macht ter land en ter zee; Jan's handels- en ondernemingslust; Jan's open levenszin, Jan's letterkunde, Jan's tooneel, Jan's kunst—en hartgrondig moet het er uit: „Ik schaam me dat ik zijn vader ben!—Moeder, morgen moet Jan Salie naar een hofje!”—We zien de vergelijking tusschen de 17e en de 18e en 19e eeuw, die het eigenlijke thema voor het Rijksmuseum zal worden, al in de kiemen zich ontwikkelen; naar Vondels zegswijze is 't, of in deze oudejaarsbespiegeling: „het zaad voor het toekomende (stuk) is gezaaid!”—Vooral de kennis en waardeering van Vondel, Hooft en Huygens boven Cats, straks zoo uitvoerig uit te werken, gaan al spreken. Als we nu Cats hebben leeren vergeten, Huygens waardeeren, van Hooft en Vondel genieten—we hebben er zeker niet weinig Potgieter voor te danken, al meten we weer onzen afstand van hèm er aan, dat alleen-kernigheid en vroomheid, die samen hèm tot Huygens trokken, òns minder zeggen dan Hoofts gevoelige beeld-taal, dan Vondels grootmogendheid over taal, gevoel, verbeelding.—
HET RIJKSMUSEUM.