Chapter 6
Ons mannelijk toilet eigent zich aan ons moderne leven en is daarom alleen reeds--betrekkelijk--aesthetiesch, is daarom alleen reeds "schoon". Eenmaal aangenomen de niet meer klassieke, noch Renaissancistische, maar twintigst'-eeuwsche en betrekkelijke "schoonheid" van ons moderne leven, waarin wij nu eenmaal bestaan, is ons modern mannelijk toilet in zijne hoofdlijnen goèd en "schoon". Het kan het ten minste zijn. Laten wij eerst eens zien naar de modesten onder ons. Ten minste, als u een "chauffeur" een modeste onder ons wilt rekenen. Dan vormen zoo een uniform-achtig chauffeursbuis van laken of leêr, met die _leggings_ en met zoo een pet een absoluut aesthetiesch kostuum; het geheel geeft iets forsch, iets flinks aan de chauffeursgestalte en het is even harmoniesch met deze als de toga-plooien waren aan een waardige senator-gestalte op het oude Romeinsche forum. Meestal neemt de mannelijke gestalte--eerder dan de vrouwelijke, die grilliger waagt en zich daarom wel eens vergist--de precies vereischte, niet alleen praktiesch maar ook uitsluitend harmoniesch aesthetische omhulling aan: zij deed dit met toga, chitoon en chlamys, met harnas, wapenrok en Renaissance-riddergewaad; zij deed dit onder Veertienden en Vijftienden Lodewijk; zij deed dit ook in onze dagen. En als wij iets "absoluut leelijks"--want dat is ons mannelijk toilet misschien wèl--zoo kunnen beredeneeren, verontschuldigen, verdedigen en recht laten wedervaren, dan wordt het een "relatieve schoonheid" en dàt is het maar, waartoe ik komen wilde en waartoe ik ook ware gekomen zoo ik, koning en niet feuilletonist, over ons mannelijk toilet hadde gepeinsd. Neen, ik zoû ook in zoo hooge pozitie geene algeheele andere mode hebben voorgesteld. Ik zoû mij tevreden hebben gesteld met reverswijziging en...
Toch niet. Ik zoû ons avondtoilet hebben gewijzigd en ik zoû er beslist succes meê hebben, dat wed ik om alles. Ware ik koning Edward geweest of ware ik nu nog koning Alfonzo--de een was elegant en de ander is jong--dan hadde ik den zwarten rok gelaten voor plechtige avondgelegenheid, dan hadde ik den gekleurden rok in de mode gebracht voor wereldsch feest of festijn. En alle _gentlemen_ of _caballeros_ hadden mijn voorbeeld gevolgd. Voor oudere heeren de donkerblauwe, de kastanjebruine, de ijzergrauwe rok... Waarom niet? Waarom niet de zwart satijnen korte broek en het fluweelen vest, dat den verschillenden glans van satijn en laken doet in zijn dofferen gloed samen smelten? Aan laakbare kuiten zoû te verbeteren zijn. En dan voor de jongeren vooral de licht grijze rok, heel licht grijs, heel elegant, heel besmettelijk, absoluut adorabel en onpraktiesch, nauwlijks een kort seizoen durende, duivegrijs, tortelgrijs, voor de woèst eleganten zoo een beetje met een roze of mauve weêrschijn er door heen; het vest heel licht grijs satijn; de _culotte_ doodeenvoudig zwart satijn, de kouzen zwart, de escarpins zwart. Waarom zoû ik niet succes hebben met mijn gekleurden rok? En weet ge, de dartelen onder ons--er _zijn_ wel eens dartele en zelfs behaagzieke mannen--ze zouden het dan kunnen _wagen_ in plaats van de witte das aan het fijne linnen, geplooide of gerimpelde overhemd een kanten jabot te lanceeren, behoudende boord en manchetten gewoon als wij dragen; alleen maar even zoo een kanten jabot, er als bij toeval aan gespeld in plaats van het witte dasje: dat zoû zijn voor een elegant bal en niet voor altijd. "Doe je je jabot van avond aan?" zoû men elkander vragen. Duur zoû mijn mode wel zijn; zoû de ernstige onder ons met éen gekleurden rok in zijne garderobe kunnen volstaan, ge begrijpt, de dartele zoû naast den tortelgrijze ook hebben een licht blauwe, een hazelbruine, een staalkleurige en een, niet geheel zeker van smaak, zoû er bij wellicht een violette bestellen! Nu, enfin, een dónkerpaarse, waarom niet? Kunnen wij altijd in de kleurstemming komen van een ander en waarom is een lila rok nu niet goed als onze jagers wèl in scharlaken mogen verschijnen?
Ik vind die roode rokken niet mooi, ik heb ze altijd grof van smaak en opzichtig gevonden. Ware ik koning, mijn jagende edellieden zouden ze mogen behouden, omdat dat rood wel aardig op vlakt tusschen het groen van veld en bosch, maar omdat ik het wild, dat ik op mijn vorstelijke tafel zoû zien, toch door anderen zoû laten dooden, zoû ik zelve geen rooden rok bezitten...
Gekleurde rok, gij, die wel eens aan den horizon onzer mannelijke mode schuchter doemde, koning, _ik_, zoû u brengen in eere! En ik weet zeker, iedere _gentleman_ of _caballero_, zoû zich in schuld willen steken, zoo noodig, voor een blauwe, een bruine, o voor een tortelgrijze...!
* * * * *
Maar ik ben geen koning en zal het nooit zijn, zelfs niet van Albanië. En daarom zal ik er maar niet aan denken ièts aan ons mannelijk toilet te kunnen wijzigen en het zelve ook maar dragen als het gedragen wordt, in relatieve schoonheid. Troosten wij ons het geheele leven door niet met relatieve? Laten de wèl gebouwden onder ons er dus niet àl te veel over tobben, dat hunne athletische vormen iet wat te loor gaan in een veston en een broek; laten de minder goed gebouwden het dus zegenen, dat hen ons moderne toilet flatteert. En dragen wij ons mannelijk toilet, trouw blijvende aan de algemeene lijnen en kleuren, dan toch met personeel cachet. Het zijn de kleinigheden, die ons troosten in dit leven. Is de algemeene kleur en lijn ook misschien "absolute leelijkheid", er is véel aan te verstellen. Vooral voor ons eigen gevoel, en daar komt het toch maar op aan. Als wij onszelve elegant voelen in ons mannelijk toilet, moet het oordeel van den zeldzamen aestheticus onder ons absoluut koud kunnen laten. En die élégance vóelen wij vooral als wij beginnen met reeds het begin van ons toilet te verzorgen. Als wij een elegante bazis leggen... Ik hoop, dat ge mij begrijpt: ik vind het zoo vervelend over "ondergoed" te spreken. Het is zoo een leelijk woord. Laat het dan ten mìnste smaakvol, soupel, zijde-achtig zijn en prettig ons omsluiten in fijne maliën. Eenmaal diè elegante bazis gelegd, bouwen wij met vaster vertrouwen het ensemble omhoog van ons slechts betrekkelijk "schoon" toilet. Maar het eenvoudigste donkere kostuum kan welbehagelijk aan voelen om onze leden, en, om dit gevoel, schoonheid worden door gemakkelijke, losse, prettige lijnen: de "opzet" is alles, in het leven, in de kunst, in onze kleeding...
* * * * *
De "opzet" is ten minste een voornaam iets en de "kleinigheden" of einddétails aan het slot zijn wederom voorname dingen. Laat een minister, een notaris, een predikant nooit iets anders dragen dan een zwarte of hoogstens donkerblauwe das--(die laatste voor den minister alleen); laat verder óns met onze das trouw harmonieus blijven aan onze stemming. Een das is aan ons toilet een voornaam détail: zelfs de elegante man kan, zoo hij voor "stemming" vatbaar is, op een triestigen dag wel eens behoefte hebben een lekker oud pak aan te doen: hij zal echter zijn das zorgzaam kiezen in stemming-kleur en steeds de knoop er van goèd leggen. Wie geen das weet aan te doen is nooit elegant. Wie een das kiest met te sprekend figuur is nooit een stemmingvolle das-aandoener. De effen das, en die in bijna àlle tinten, is de das voor wie elegant is en stemming-wisselend. Zoo een das geeft beminnelijk vrij spel in onze opgelegde toiletslavernij. Voor den Italiaan geeft de zakdoek een eveneens zoo beminnelijk vrij spel. Mag de elders geboortige _caballero_ of _gentleman_ wel eens een schuchter piekje doen verschijnen uit linkerzak, aarzelend puntje, dat absoluut niets zegt, de Italiaansche zakdoek doet meê met de stemming. Fronst zich het voorhoofd van den bezitter, om zorg, kwaad humeur of wat ook, dan... verdwijnt de zakdoek geheel. Verheldert zich de zieleatmosfeer, dat wipt de zakdoek te voorschijn maar losser dan bij anderen volksaard. Is er echter blijdschap en azuur in dezelve, dan fladdert, vroolijke slip, langere wimpel de lucht in...
* * * * *
Hoed, wandelstok, handschoenen, bloem in het knoopsgat, wat zoû niet voor u te bepeinzen zijn! Ieder onderdeel van het mannelijk toilet is minstens eenige bespiegelingen waard, en het heeft mij wel eens verwonderd, dat een elegante sonettendichter nooit eens die onderdeelen of bovendeelen van ons toilet heeft gewaagd te bezingen in een gevoelvollen sonnettenreeks. Mijn taak, o lezer, is eene modestere. Mijn taak is alleen u even te hebben doen denken aan de relatieve schoonheid van ons mannelijk toilet. Ik ben overtuigd, dat gijzelve, zoo gij er thans behoefte toe gevoelt, even ernstig gewichtig als ik, zult kunnen bepeinzen over deze gewichtige vraagstukken:
Is het dragen van een hoed op éen oor geoorloofd voor den _gentleman_ of _caballero_...
Moet, dit aangenomen zijnde--bij het groetend af nemen van den hoed, dien hoed weder (argeloos) in de zelfde schuinte worden op gezet of nièt?
Moet de zakdoekslip, de vroolijke, de blijde, de wimpelende, zoo de zakdoek ter neuze gebracht is... wederom ten zak worden in gestoken met een poging om de zelfde lengte van slip te verkrijgen...?
Is het beter in natneuzige dagen een bij-zakdoek bij zich te hebben? Of staat, op het moment der snuiting, het nièt goed zakdoek te zien bij zakdoek?
Is de wandelstok een vereischte voor de aflijning der mannelijke maar elegante silhouet?
Is er een datum van lente om de handschoenen uit te laten, mede te dragen of te supprimeeren?
Zijn juweelen "gedistingeerd" of nièt "gedistingeerd" of hangt dit van de persoon af?
Is het beter de steel van een anjelier vast te _spelden_ achter den revers of verdient het aanbeveling gebruik te maken van het trensje, dat voorzienige kleedermakers niet na laten te dier plaatse aan te brengen?
Bepeins de gewichtige vraagstukken zelve, o lezer. Natuurlijk, _ik_ zoû ze voor u kunnen bepeinzen. Ik zoû over ieder gewichtig vraagstuk, hier boven vermeld, een paar bladzijden kunnen geven, met ja of neen, met pro en contra. Maar ik doe het niet. Want de voornaamste kwaliteit van een schrijver is... te zwijgen op het moment, dat hij den lezer tot bepeinzen heeft opgewekt...
En ik wil u niet te lui maken: ga dus rustig zelve aan den gang!
DE MASKERS.
Het was zeker wel iets heel aardigs in de Pergola--het oudste maar steeds elegantste theater van Florence--de Maskers, de Italiaansche Maskers, te zien herleven. Wij hebben ze vooral gezien in de stukken van Goldoni. Ik kende Goldoni eigenlijk al heel weinig; in mijn Italiaansche lessen bij mijn vader had ik, een éeuw geleden, wel eens Goldoni in gezien maar hij had mij verveeld en nu dat hij zich aan mij geopenbaard heeft op een Italiaansch tooneel, heeft hij mij daar-en-tegen niet anders dan geamuzeerd, vind ik die achttiend'-eeuwsche "oude pruik" wel een heel geestig en zelfs fijn psychologiesch auteur, te vergelijken met Molière en daarbij nog bekorend door een zeker eigenaardig en fijn parfum in stijl en manier, iets dat waarlijk allerliefst was, delicaat en exquis. Een stuk als "Schoonmoeder en Schoondochter", dat zoo lichtelijk had kunnen ontaarden in flauw conventioneele klucht, was alleraardigst van fijn ouderwetschen, achttiend'-eeuwschen humor en zielekennis, terwijl de "Verstandige Vrouw"--een achttiend'-eeuwsche Griselidis-geschiedenis--misschien nog bekorender was omdat een absoluut nièt modern maar toch wel in vroegeren tijd bestaanbaar en zeer lieflijk en daarbij geestig vrouwekarakter ter scène gebracht werd: de "verstandige vrouw", die véel duldt van haar echtgenoot omdat ze hem lief heeft en zijne vrouw is, tot zij hem eindelijk wint door haar "verstandigheid", haar trouw, haar geest, haar lieftalligheid.
In deze aardige stukken, wier bizonder parfum ons even vergeten deden Bernstein-achtig psychologie-raffinement, Grand-Guignol-bliksemeffect en wat meer zij van onzen eigenen tijd, was de charme nog verhoogd, doordat eenige rollen gespeeld werden door de "Maskers", zoo als dat in Goldoni's tijd gebruikelijk was.
* * * * *
Ik heb wel eens in vroolijken Carnavalstijd gedacht--maar in Nice, niet in Florence--: denk eens, dat de wereld en het leven nièts dan Carnaval was, altijd Carnaval en dat wij allen nièts anders waren dan Pierrot en Arlekijn en Colombine, met maskerzielen, maskeravonturen, maskerlief en -leed... Een gekke gedachte natuurlijk, alleen in Carnavalspret of... idem -weemoed te denken! Maar in zoo een stuk van Goldoni zijn het leven en de wereld, zoo dan niet heelemaal, toch wel voor de helft "Carnaval" en geestig en bekoorlijk en soms gevoelvol "Carnaval". Want zijn de deftige rollen meestal "de graaf" en "de markiezin" en zijn de jeugdige rollen meestal Florindo en Rosaura--de geliefden, die elkander "krijgen" ten slotte--de andere, de reliëfrollen komen den Maskers toe en zij gedragen zich wel zonderling Carnavals-achtig in die zelfde deftige of liefdevolle achttiend'-eeuwschheid. En zoo zagen wij tusschen de gepoederde pruiken en paniers over kanten onderhoepel, tusschen de fluweelen rok met jabot en korte broek met kuiten, tusschen _mouches_ en complimentjes en fadeurs zich bewegen de Maskers van Pantalone, den Venetiaanschen koopman, van Arlecchino en Brighella, de twee Bergameske knechtentypen; zoo zagen wij in het zevendtiend'-eeuwsche kluchtspel der "Vergeefsche Voorzorgen" den barren Capitano Spaventa, die bang is zelfs voor het houten zwaard van Arlekijn, den Bologneeschen Dokter Balanzon, wiens welsprekendheid geen einde neemt; Tartaglia, den stotterenden notaris en Colombine, het kamerkatje, zij dartelend àlle stukken door. Aardige, speelsche types, onschuldig--ons misschien bijna te onschuldig--naïve, dartele, grappige, geestige of zelfs flauwe maar steeds weldadig primitieve karaktercreaties van het theatergenie, waren zij in de stukken van Goldoni vooral charmant van kleur en carnavaleske onwaarschijnlijkheid, met eene onwerkelijkheid vól aplomb, zoo als zij zich bewogen in hunne typische, kleurige pakjes, zoo als zij de intrigue verslingerden of ontwikkelden met hunne marionet-gebaren, zoo als zij redeneerden en "facéties" verkochten, door hunne maskermonden heen. Het tooneel werd door hen plotseling zéer primitief, bijna origineel, het verloor àlle moderne vooruitgang van theatraliteit, alle latere ingewikkelde benadering van realiteit of modernste Reinhardt-stylizeering: het deed, met éen dartelen sprong terug, denken aan de eerste eeuwen, toen de mimen tijdens het Dionyzos-feest zich het gelaat fardeerden met droesem van wijn, tot Aeschulos de eerste maskers uitvond, met den tragischen grijns, die den stap op hooge tooneelbroozen, op plechtstatige cothurnen onvermijdelijk maakten. De komische grimas was in deze maskers verworden tot de zwarte tronie van Arlecchino, het gesnorde, goedige bakkes van Pantalone, de brutale snuit van, met zijn mantel arrogant wapperenden, Brighella. En door familie-moeilijkheidjes, schoonmoeder- en dochteroneenigheidjes, door cicisbeo-intriguetjes, door humeur-incompatibiliteit van boozen man en geduldige vrouw weefden de Maskers hun humor, hunne dartelheid, zelfs hun gezond verstand heen, tot het geheel werd voor ónze geblazeerde oogen en geesten een allerliefste frischheid, iets kinderlijks, een bevallig poppenspel voor groote menschen, misschien niet iederen avond te genieten, maar zeer zeker als afwisseling, als iets historiesch en antiquariesch niet anders te volgen dan met bekoorde oogen en glimlach en een geboeiden geest...
* * * * *
Deze Maskers ontstonden in vroegere en latere eeuwen, in kleinere en grootere Italiaansche steden: zij ontstonden om boert en klucht, zij ontstonden ook om satire, om de waarheid ongestraft nu en dan eens te kunnen zeggen tegen vorstelijkheid en geestelijkheid. Arlecchino zelfs willen de geleerden terug brengen tot de antieke, oud-Latijnsche Atellaansche kluchten--de boerden, geboortig uit Atella, de Campanische stad, beroemd om haar quasi-dommen, droog komieken humor. Arlecchino boogt daarbij op zijne Bergameske legende: dat hij een beminde, arme jongen was, wien zijne rijkere makkers, om hem een feestgewaad te bezorgen, ieder een stukje laken of zijde brachten. Rood, geel en blauw geruit of gedriehoekt van nauwsluitend gewaad, slank en lenig, sluw en leep, is Arlecchino bij Goldoni de knecht van markies of gravin, of verkleedt hij zich ook als de bedottende Armenische koopman in antiquiteiten. Maar Arlecchino is zelfs vóor Goldoni,--waar hij contrast moet vormen met achttiend'-eeuwsche hoffelijkheid en élégance--zelve een eleganter type geworden: hij is niet zelden de dichterlijke minnaar, kinderlijk en beminnelijk, dwepend en melancholiek en benadert zoo den Franschen Pierrot: hij verwisselt dan zijn houten zwaard, waarmeê hij kapitein Spaventa (Angst)--Plautus' ouden _Miles Gloriosus_--op de vlucht jaagt, voor guitaar en mandoline. Colombine wordt nièt op hem verliefd maar heeft toch wel medelij met hem en het publiek verteedert om Arlecchino's dichterlijke weekhartigheid: het voelt de eigene betere ziel in de even geknakte, gratieuze figuur van den bont beruiten weemoedeling, die plots onder kluchtigheid zijn te groote smart verbergt. Brighella, in het wit, met groene tressen en tresjes versierd, en met zijn brutaal masker met baard, is, even als Arlecchino, meestal de knecht van adellijken meester of meesteres: hij wappert laatdunkend met zijn wijden, waaienden mantel; hij rammelt met de hem toe vertrouwde sleutelbos; hij is niet op zijn mondje gevallen; hij is van alle markten thuis; dol op intrigue, is hij een onwaardeerbare dienaar voor verarmden of verliefden meester.
Dokter Balanzon, uit Bologna afkomstig, dien soms een zwart fluweelen papegaaineus maskert, is wijsgeer, geneesheer, geleerde, advocaat, astronoom, naar mate het den schrijver van het kluchtspel past. Hij verliest zich in zijn eigen woordenstroom; hij is de satire op de breedsprakige geleerdheid; geheel in het zwart gekleed, is hij met zijn kakatoe-profiel een sobere belachelijkheid, die, niet jong, daarbij wel eens verliefd wordt op de blonde Rosaura of Isabella en de verwikkeling der intrigue samen wart, tot Florindo, de _jeune-premier_ of Leandro of hoe hij heeten moge, met de Liefde als hulp weet te zegevieren over alle "onnoodige voorzorgen" van barren vader, boozen broeder of voogd.
* * * * *
Maar een der aardigste maskers is zeker wel Pantalone--dei Bisognosi--als Goldoni hem noemt. Want in de stukken van Goldoni is deze Venetiaansche koopman meestal de Pantalone der Behoeftigen: hij is slim maar mild, hij is koopman maar met een eerlijk, goed hart, en daarbij is hij de verpersoonlijking van het gezond verstand. In zijn roode buis en broek, met zwarten mantel en baret en met vooral zijn lang gesikte masker, is hij in "Schoonmoeder en -dochter" de vader van het burgermeisje, dat den jongen graaf heeft gehuwd en niet overweg kan met de oude, pretentieuze, coquette gravin-moeder, tot dat Pantalone zijne dochter op het hart drukt: heb toch tàct met zoo een aanzienlijke, adellijke dame als je schoonmoeder is; bedenk, dat jij toch maar een koopmansdochter bent, wees toch altijd beleefd en eerbiedig tegen over zoo een aanzienlijke gravin... De beredenaties van den gemoedelijken Pantalone zijn doortrokken van een vroegeren, ouderwetschen geur: standsverschil, kaste-eerbied worden er in gehuldigd met een charmanten eenvoud: als de dochter klaagt, dat zij, zelfs in huis bij haar schoonmoeder--want het jonge paar woont, naar gewoonte, in bij het gravelijk schoonouderpaar--geen voegzaam kleed krijgt trots haar grooten _dot_, en niet naar de _conversazione_ meê mag, is het milde Pantalone, die haar een gevulde beurs in de hand glijdt. En zijn beminnelijke persoonlijkheid geeft aan het blijspel eene carnavaleske typeering maar eene van goedhartigheid en vooral verzoenend gezond verstand, die doen bedenken, dat ook in de carnavalswereld niet alles dol of dwaas of blague behoeft te zijn.
* * * * *
De Italiaansche Maskers zijn legio. En zij zijn meestal allen kwijnende of... geheel dood. Wie weet nog van Cassandrino en Cassandro en Coviello, wie van Facanapa, Gianduja en Menighino; wie bemoeit zich in Rome nog met Meo Patacca en Marco Pepe; zelfs Mezzettino en Pasquariello, Pulcinella, Rugantino, Ruzzante, Scapino, Scaramuccio slepen kwijnende bestanen voort. Misschien is alleen de Florentijnsche Stenterello, de droogkomieke waarheidszegger, die met zijn afgezakte kous en pruikestaartje wel eens welke klucht ook, zelfs "Charlies Tante", op de mindere Florentijnsche planken doorspekt met _would-be_ humor, de eenige levende onder hen gebleven. Zij waren te velen, deze grappenmakers. Zij zijn ook voor onzen tijd te naïef, te eenvoudig, te goedmoedig gebleven. Want zij waren nooit scherp satiriesch, zij waren nooit prikkelend pervers; hunne hansworsterijen, amoureus of kritizeerend, bleven steeds binnen de grenzen van het hoorbare en oorbare, van het zegbare en droogkomiek-wederlegbare: op kwinkslag volgde kwinkslag: dit alles is den modernen schouwburgbezoeker te lang, te langedradig, te saai, te goedig, te peper- en zoutloos geworden voor zijn geblazeerden smaak en de Maskers, de arme, aardige, lieve Maskers, zij hebben zich meer en meer tusschen de coulissen terug moeten trekken...
Maar ze een enkelen keer weêr te zien, als wij ze in de Pergola hebben gezien, en vooral in de stukken van Goldoni, was heusch eene bekoorlijkheid. De groote, kleurige poppenkast maakte onze àlles genoten hebbende geesten even weêr kinderlijk jong...
En na der Maskers naïve spel bevroedden wij eerst weêr hoè blasé eigenlijk die moderne geesten in der jaren loop geworden zijn!
CONVERSATIE.
Ik had eigenlijk hierboven een veel levendiger titel willen plaatsen: nl., de allitereerende titel: _Klapaaien_ en _kletsen_. Maar misschien is _klapaaien_ niet bepaald een akademiesch woord en zekerlijk is _kletsen_ een léelijk woord en omdat men wel eens in een titel een zekere fadeur moet te pas brengen om niet dadelijk àf te stooten, wil ik heden zoo diplomatiesch zijn om mijn titel niet _te_ schilderachtig vulgair maar liever meer onbeteekenend belofteloos te kiezen terwijl ge toch nu reeds weet, dat de lekker klinkende _kl_-klank mij véel meer speelde door den geest, dan het weinig zeggende woord van goede educatie, dat ik hier boven stelde.