Chapter 5
Wij hebben van morgen met Papini kennis gemaakt. Hij is met Maurits Wagenvoort bij Gilli gekomen om onze kennis te maken. Hij ziet er heelemaal niet uit als een weerwolf, die naar alle vreemdelingen bijt. Hij is ook niet zoo leelijk, als hij zelve meent in _Un Uomo Finito_. Hij is klein, een beetje bleek, even schuchter, een tikje verlegen en zijn krulharen, waarop hij trotsch is, krinkelen langs den rand van zijn hoed. Ik heb hem gezegd, dat ik zijn boek zoo mooi vond en hem zoo sympathiek vond, al woû hij mij in de Arno smijten. Toen heeft hij even bleekjes geglimlacht. Hij heeft niet veel gezegd, maar wat hij zeide, zeide hij met een zachte stem. Hij ziet er heelemaal niet zoo brutaal en woest uit als hij wel eens schrijft. Hij heeft bijna een Noordelijke ziel en ook zijn tengere lichaam en zijn bruine krulletjes zijn niet Italiaansch. Hij is voor mij _niet_ Italiaansch maar toch wel sympathiek. Ik zeide hem, dat hoewel ik geheel van hem verschilde, ik toch iets broederlijks in hem gevonden had, toen ik zijn boek las... En toen heeft hij weêr bleekjes geglimlacht. Hoewel hij even verlegen is, bijna schuchter, heeft hij toch iets trotsch. Ik geloof, dat hij, op dit oogenblik, de innigste, de stil in zich gevoelvolste, misschien wel de grootste schrijver van Italië gaat worden.
Ik heb nooit bij een Italiaan zoo een Noordelijke ziel van halftint ontmoet...
* * * * *
Het is op eens lente geworden... Maar het zal wel niet zoo lang blijven. Ik heb met wellust mijn pels, mijn dikke jas, mijn dunne jas, alle bouffantes en écharpes naar de maan verwenscht en ben er op uit gegaan zonder iets van hunne vervelende bescherming. Tot wanhoop van mijn vrouw.
--Moet je weêr ziek worden? Om zoo te loopen? Het is toch maar Februari!
Het is gek, maar ze blijven me altijd beschouwen zoo een beetje als een stout kind. Het wordt nu heùsch te gek. Iedereen weet mijn leeftijd en ik _wil_ uitgaan zonder overjas als het mij belieft.
Mijn vrouw laat mijn dunne jas brengen in de loge van Antonio.
--Antonio, als meneer het op straat in eens koud krijgt, kan hij gemakkelijk even zijn jas halen, hoor ik haar zeggen.
... Je begrijpt, dat ik op straat, ook al _vind_ ik het te koud zonder jas, te trotsch zal zijn om dat te bekennen... En dat de dunne jas dus in allen gevalle op Antonio's bed zal blijven vertoeven.
Op straat is het... inderdaad frisscher dan ik mij had voor gesteld. Geen nood... je loopt ièts vlugger, _zonder jas_. Ik zie met minachting naar iedereen, die nog een jas draagt. Je ziet zelfs nog wel een pels! Wat een koûkleum! Voor dames is bont een coquetterie, voor heeren wordt het een zware, belemmerende bejaardheid. Wat loop je vlug, zoo in de lentekoû, in het bleeke zonnetje, _zonder jas_! Als ik een kop chocolade gedronken heb bij Gilli en drie pasteitjes heb gegeten, ben ik heerlijk warm. Het is lente...
Ik loop in bij den bloemist en vraag hem of de bloemen goedkooper zijn geworden. Gedurende Januari mocht ik geen bloemen koopen: ze schenen te duur te zijn. Nu heb ik twaalf arums durven bestellen. Ze zijn zulke decoratieve bloemen in een groote, wijde vaas, net zwanekoppen en halzen, op de beweging hunner lange stengelen, zoo tusschen hunne eigene waterplantbladeren in.
Morgen steek ik ook een anjelier in mijn knoopsgat. Van daag vond ik het nog te gek: zoo een éerste bleeke lentedag... Maar dan, wie weet: morgen regent het misschien...
Maar van daag, hè, je herleèft...!!!
* * * * *
Ik had vergeten, dat het Carnaval is. Want in Carnaval-dol Nice zal je nooit het Carnaval vergeten. Maar in Florence, in Italië, waar "Carnevale" samen hangt met schouwburg-opening op Santo-Stefano-dag en Carnaval dus maanden duurt zonder ooit heel aardig of gezellig Carnavalesk te worden, vergeet je Carnaval...
Toch, niet iedereen. Gisteren nacht kwam ik thuis van de opera, tegen éen ure. En liep ik terug door het kleine Spada-straatje, wel eens verheerlijkt in deze bladen. En op den hoek van het kleine Moro-straatje--vlak op den hoek waar rijst _mijn_ paleis--trof mij zachte muziek. En herinnerde ik mij, dat het Carnaval was.
In waarheid, daar op het nauwe hoekje van de twee stille straatjes, stond een troepje mannen en groote jongens. Een had er een mandoline en begeleidde de guitaar-melodie van een ander. Zij waren geen wandelende muzikanten: zij waren eenvoudig uit voor hun pleizier, met hunne instrumenten. Om hen had zich wat nachtpubliek verzameld en in het midden daarvan dansten drie paren mannelijke sekse met elkaâr. Vrouwelijk element scheen naar bed, want ontbrak.
De muziek tingelde en tengelde beminnelijk zacht op, daar op dien hoek, waar juist _mijn_ paleis verrijst. Het nachtpubliek was vol stillen aandacht. En de drie paren dansten met ingetogen genieting, met week, droomerig rythme, met wellust om dansen en enkel dansen in sierlijke samenlijning. Er was een soldaat bij en die danste met een zwartkrulligen jongen en die dansten te samen of hunne levensbestemming samendansen was. Hun rythme was tusschen de nauwe, donkere huizen--de katten keken toe van de dakeranden--als een golf stil, ingetogen levenspleizier. Er was niets buitensporigs aan, niets karikaturaals, niets obsceens. Het was heel innig, zacht, vreugdig en mooi.
--Het zijn Milaneezen, waardeerde het nachtpubliek, nu en dan uit spiedende of politie nader kwam...
Ik waardeerde mede, niet wetende van Milaneesche dansreputatie. En toen de muziek af trillerde en de dansers stil hielden, zeide ik tot den soldaat:
--Je danst goèd... met je vriendje!
De soldaat glimlachte mij, gelukkig van dansgenot, toe en zeide hoffelijk:
--En nu... zeker met ù?
En hij boog reeds zijn armen om mij heen en beval:
--_Avanti, la musica!_
--Neen, neen, weerde ik zachtmoedig af. Het is wel Carnaval maar zie je... ik wóon hier boven, in het paleis, en...
En bij mijzelf bedacht ik snel, dat kruideniertje, schoenmakertje en wie weet nog meer--àllen, die mijn gedistingeerde persoonlijkheid kennen in Spada-straatje--wel ergens in dien donkeren straat uit een raam konden gluren, bedacht ik, dat Antonio, onze deftige portier, ja, mijn eigene vrouw, zoo ze zich buigen zoû op dit nachtelijk uur uit haar venster, mij jùist op dien hoek, in een twijfelachtig lantarenlicht, zoû kunnen zien dansen bij guitaar en mandoline, met een soldaat, tusschen nachtpubliek en ging tevens de navrante spijt door mij heen, dat ik in Nice bèst had kunnen dansen op straat of plein met een _piou-piou_, maar in Florence, aan den voet van _mijn_ paleis, _niet_!!
En weerde ik dus zachtmoedig af...
Maar het scheen zonder veel energie. Want de soldaat herbeval:
--_Avanti, la musica!_
Er scheen iets medesleepends te schuilen in guitaar en mandoline en in den danslust van den Milaneeschen infanterist, want vóor ik het wist, schetste ik reeds, zoo rythmiesch ik het vermocht, ènkele luchtige fantazie-walspassen met mijn soldaat... dàar, op den hoek van Spada en Moro, onder de elk oogenblik open dreigende vensteroogen van... _mijn_ paleis, nachtpubliek om mij heen en de katten nieuwsgierig toe ziende van de dakeranden...
Thuis vond ik mijn vrouw maar even wakker, doorzongen haar slaap van mandoline- en guitaarmuziek, die waarlijk zònder burengerucht was volvoerd, zóo artistiek en bescheiden...
En dorst ik haar niet vertellen, dat haar echtgenoot om éen ure 's nachts, op hoek van Spada en Moro, bijna onder hare vensters, Carnaval had gevierd,--o, èventjes maar--met een infanterist uit Milaan. Want Carnaval en Carnaval zijn twee en Florence en Nice zijn twee en wie spreekt van _zijn_ paleis, mag 's nachts niet dansen op den hoek bij dat paleis...
Maar ik geloof wel bijna zeker... dat niemand van de Spada-bewoners het gezien heeft en de katten zijn zoo discreet...
LENTESTEMMING.
Het is wel heel flauw maar het is nu eenmaal zoo: als de temperatuur iets milder wordt, als het felste van winter voorbij is en de lucht iets zoeler blauwt, als de mimoza hare trossen te gelen aan vangt en de sering te groenen haar blaadjes, dàn... gaat de dichter van de lente zingen! De goede man heeft het al jaren--om niet te zeggen: eeuwen--gedaan; hij is er dikwijls belachelijk om geweest: hij deed het òf te vroeg, als zijn toehoorder nog rilde bij de kachel òf te laat, als de lente eigenlijk reeds lang zomer had moeten zijn en in Italië doet hij het reeds in Februari, omdat werkelijk ieder Februari-zonnetje er reeds lente-achtig aan doet. Hij doet het ieder jaar en scheidt er nóoit meê uit want het is _plus fort que lui_ en hoe meerdere jaren hij het gedaan heeft, hoe minder hij het kan nalaten: nauwlijks rilletrilt de lentestemming in de lucht of... jawel, daar heb je het weêr: onze dichter vat weêr zijn luit of lier en zingt weêr zijn oude liedje.
* * * * *
Beste lezer, laat den stakkert dat nu maar doen en bespotten wij hem niet te veel. Het is nu eenmaal een zoete manie van den armen kerel, om zich en ù voor den gek te willen houden met de bloemetjes en de vogeltjes en het in zijne povere verzen te doen voorkomen, dat hij erg veel pleizier heeft met het leven voort te gaan omdat hij zijn oude winterjas weg bergen kan in de naftaline. Maar _wij_, die géen dichter zijn, die meer praktiesch dan theoretiesch ofschoon ook meer filozofiesch dan poëtiesch zijn aan gelegd, laten wij--zonder zonder ons voor den gek te laten houden door de lyrische ontboezemingen van den dichter--nu eens nuchter met elkaâr beschouwen, wat onze "lentestemming" eigenlijk is, als we een oogenblik de bloemetjes en de vogeltjes eens kunnen vergeten.
Welnu dan, toen wij van morgen op stonden en onze ramen openden, waarlijk, rilletrilde lentestemming in de lucht, maar de eigenaar van ons hôtel of villa--is ù nog zoo ouderwetsch in uw eigen huis te wonen??--had direkt van die lentestemming geprofiteerd om de centrale verwarming stop te zetten en daar het in huis meestal niet zoo spoedig lente is als buiten, was het bepaald koud in onze slaapsaletten en bibberden wij meer bij ons toilet, dan in de strengste winterkoude. Dit is natuurlijk iets van geen belang, als mimoza-twijg geelt en seringblad groent en mag ons ook niet in onze lentestemming fnuiken: laat ons echter niet zóo enthoeziast zijn als onze dichter en bergen wij ònze wintergewaden nog niet in de naftaline; geloof me, de dichter is al verkouden geworden van louter enthoeziasme.
En zien wij nu in den spiegel. Het blauwere licht uit den hemel valt in ons trouwe glas, dat ons vaak onze winterfacie weêrspiegelde. Die winterfacie... wij hadden ons er aan gewend; het was een eenigszins ernstige, bedrukte winterfacie, die, als zij geschoren, gewasschen, verzorgd was een zekere deftige gerezigneerdheid vertoonde aan den (beroerden) winter... Nu, dat wij echter in de lentestemming blikken in ons spiegelglas, met een beetje naïve vreugde in oog en glimlach, nu... schrikken wij van het ons toe gekaatste lente-gelaat, dat ons eigen schijnt te zijn! Ons teint is er met den winter niet rooskleuriger op geworden, enkele hanepoten méer om onze oogen zijn niet te ontkennen--of zoû het alleen de weêrschijn zijn van dat onbefloerste lentelicht?--en geheel onze naïef vreugdige uitdrukking heeft iets... belachelijks verkregen, bijna zoo belachelijk als de lenteverzen zijn van onzen armen stakkert van een dichter. Enfin, wij zullen bij alle deze kleinigheden nu maar niet stil staan en om een anderen indruk te verkrijgen, dan die ons tragiesch lente-gelaat ons inprentte in onze teleurgestelde ziel, weiden wij een vagen, cirkelvormigen blik over onze kamer. Onze kamer in lentelicht, onze kamer in lentestemming. Wat is het behang verschoten gedurende den winter! Wat hebben onze winterpassen het tapijt af gesleten! Wat zijn onze meubels dof en oud! Wat is zelfs onze spiegel getaand! Hoe beduimeld en moê zijn die boeken! Wat een stof ligt er in dàt kleine hoekje daar: hoekje zelfs niet zichtbaar in winterstemming geweest! Die aquarel daar... hoe vaal is haar tint! De fotografieën... zijn zij verbleekt? Welk een waas van vergaanheid ligt er over heel die arme kamer, die we toch zoo beminden! Het is of uit alle hoeken de spinnen van Emeralda zullen te voorschijn kruipen om éen groot webbe te weven over onze kamer en haar tot het Verleden te maken! En... als we niet oppassen, dan zijn wij er zelve ook bij, met onze naïve, tragische, en even belachelijke lentegelaten. Enfin, _never say: die! Never give up! Corraggio, avanti, Savoia!_ Laten wij ons, in de lente, niet treurig doen stemmen door ons gelaat en onze kamer. Ik ben overtuigd, dat als wij ons met zorg hebben gedost, en de straat op zijn getogen, ons hart bonzen zal van lentestemming. Vooruit dus en een bevallig voorjaarskostuum worde samen gesteld! Kasten worden geopend, koffers zelfs. Wèg met dat zware wintergoed! Maar... daar de vroege lente ons verrast heeft vóor wij op weg waren naar onzen tailleur, moeten wij het wel heden doen met een pakje van het vorige jaar. O wanhoop, hoe valt het ons tegen, dit toch in Oktober nog zoo dierbaar weg gelegde demi-saisonnetje en dit even lente-achtig gestreepte jasje! Of is het weêr dat lentelicht uit de blauwende lucht? Maar dan is dat lentelicht iets erbarmingloos en ik begrijp niet, dat ik in mijn dassendoos geen enkele das vind, die mij dat zelfde licht, in geribde zijde of soepel satijn, ietwat sympathiesch terug spiegelt!
O tragische lentestemming, lezer, voor ù en mij, die géen dichter geboren zijn en niet de gewoonte hebben dadelijk, in Februari, al te dwepen met de bloemetjes en de vogeltjes, om het "renouveau" van ons beider harten er nu maar heelemaal buiten te houden. Want, wees overtuigd, als wij--zulke prozaïsche menschen als gij zijt en ik--van morgen op nieuw verliefd werden, zoû het voorwerp onzer lentevlamme, als ons eigen gelaat, als onze kamer, ja als ons vestonnetje, en onze das, ons met den tweeden blik onzer critische oogen desilluzioneeren, en meer dan das, kamer en wezen zoû ons eigene hart en ziel ons belachelijk en stoffig en glansloos voorkomen! Want het lentelicht, want de lentelucht, want de lentestemming, helaas, _zijn_ erbarmingloos en al behoeven we niet dadelijk den zelfmoord te plegen, die de statistiek ons als menigvuldig aanwijst in het getijde der bloemetjes en vogeltjes... ontmoediging sloop wel in ons binnen en ik vrees, dat wij eerst véel massage moeten verduren om onze winterrimpels--ten minste voor onze illuzie--wèg te wrijven, groote-schoonmaak moeten hebben doen houden en naar onzen tailleur en chemisier moeten zijn geweest, vóór wij werkelijk in "ònze" nuchtere, wufte lentestemming zijn kunnen komen...
* * * * *
Ik geloof eigenlijk, dat _daarom_ onze belachelijke dichter gelijk heeft. Kijk, wij--gij en ik--wufte, nuchtere, poëzielooze menschen, wij kunnen wel eens ongelijk hebben, door ons zoo te laten van de wijs te brengen door een onbefloersten schijn van nieuw lentelicht: over ons zelven, over onze dingen en zielen en kleêren. Ten minste, héel gelukkig waren wij niet van morgen, en hoewel wij het beste hopen van de massage, al die boodschappen, die wij te doen zullen hebben, zijn héel vermoeiend en na die vermoeienis kunnen wij ons niet eens uitstrekken op onze chaise-longue, daar Mietje of Diomira met dwijl en emmer reeds verschenen is aan den horizon. En daar ik, o beste lezer, o prozaïsche lezer, o gij over uw wintergelaat, stoffige kamer en kostuum van verleden jaar tobbende lezer, altijd probeer gelùkkig te zijn in dit soms heel erg ongelukkige leven, heb ik het snoode plan u van daag stiekum in den steek te laten en mijn armen, ouden, belachelijken dichter op te zoeken! De goede kerel, in zijn zolderkamertje--waar heelemaal geen _chauffage-central_ is--zal mij vermoedelijk ontvangen in zijn oude winterpak, met héel veel stof en beduimelde dichtbundels om zich heen, maar wij zullen niet lang op zijn mansarde verblijven; wij zullen zelfs de stad ontvluchten en omdat _ik_ toch altijd schatrijk ben, zal ik hem op een auto trakteeren, zoo dat hij ten spoedigste er uit is... Laat mij u verzekeren, dat het gehobbel over Florences ellendige buitenwegen hèm heelemaal niet uit _zijne_ "lentestemming" zal brengen; laat mij u verzekeren, dat hij, trots de benzine-stank van onzen taxi niets anders zal ruiken dan de lente-aromen van Fiesole's allerliefste viooltjes en dat hij eenmaal, op de cypressenheuvelen, die nieuw groen kegelen tegen de blauwe lentelucht, ieder jaar zoo belachelijk door hem bezongen, alleen ooren zal hebben voor die vogeltjes, voor die vervelende lentevogeltjes, die ieder jaar hun nestje bouwen en ièder jaar hun eitjes leggen, welke eitjes ièder jaar mijn arme, oude poëet weêr met nieuw enthoeziasme bezingen gaat... Weet ge, ik zal hem niet storen. Ik zal hem rustig laten liggen in het gras van den tuin der goede Franciscaner-broeders. Ik zal hem daarna mede nemen naar de ruïnes der antieke arena en misschien zal hij er een vizioen van de vervlogen antieke eeuwen zien. Ik zal er zelfs geduldig hooren naar zijn ontboezemingen, naar zijn ieder jaar reeds gehoorde lyriek, over de vogeltjes, over de bloemetjes. Zelfs over die van zijn altijd jonge hart. Ik zal zèlfs niet lachen als de goeiert me gaat vertellen van zijn "liefde", in een gevoelvol sonnet. Want weet ge, eigenlijk hoû ik wel van den sukkel en word ik--om het ù nu te verklappen, maar niet oververtellen, hoor!--een beetje weldadig sentimenteel aan gedaan door àl den onzin, die hij jaar in jaar uit maar voort gaat ons op te dreunen: van de bloemetjes en de vogeltjes en van de lente en van zijn hart...
* * * * *
Maar als ge misschien mórgen-ochtend--ik ben overtuigd, dat het mòrgen-ochtend weêr "winterstemming" zal zijn (heel gerezigneerd over mijn gelaat, kamer, toilet en ziel)--als ge misschien mòrgen-ochtend, met grauwe lucht en een parapluie, meê wilt gaan naar onzen tailleur en chemisier, dan zouden wij het een en ander reeds kunnen bestellen om geprepareerd te zijn op een volgende lente-attaque, dan kan Mietje of Diomira op haar gemak groote-schoonmaak houden en dan zullen we onze nieuwste rimpels maar niet te véel tellen, vooral omdat onze kamers dan wat schooner zullen zijn en onze lentegewaden zich zéker zullen geëigend hebben aan zoo een dreigende "lentestemming", vooral als wij niet vergeten elkaâr een boeketje Fiesolaansche viooltjes in het knoopsgat te steken...
Ze te bezingen, behoeven wij niet: dat doet voor ons wel onze arme stakkert, u weèt wèl, onze oude poëet.
MANNELIJK TOILET.
Er komen soms gewichtige overpeinzingen in mij op, die ik, om ze niet te vergeten, wil boeken in mijn Dagboek. Het waren heden overpeinzingen over ons mannelijk toilet en ze zullen mij niet met rust laten, voor ik ze in woorden heb overgezet; ze zullen mij dan niet meer kwellen: zóo stort een lyriesch dichter zijn leed of geluk om zijne liefde uit in sonnetten of liederen; zoodra hij de drukproeven dier liederen en sonnetten heeft gecorrigeerd, is hij véel van zijn leed en zelfs ièts van zijn geluk kwijt, en als mijne woorden, die overzetten zullen mijne overpeinzingen over ons mannelijk toilet, zijn verschenen tot heil mijner lezers, wil ik ook niet mij meer laten kwellen door zoo gewichtige gedachten, als mij in gaven onze vertuitingen des lichaams.
* * * * *
Leelijk? Ons mannelijk toilet leelijk...?? Ik moet even, even nadenken. Het is zoo dikwijls gezegd en de menschen praten elkander na, soms zonder zich er van bewust te zijn. Is ons modern mannelijk toilet leelijk? Ik geloof, nu ik na denk, bijna van niet. Ik besluit, nu ik heb na gedacht, van niet. Ons mannelijk toilet is niet leelijk.
Stel voor, dat ik, die nu--ten minste van daag--slechts ben een schrijver over gewichtige vraagstukken, een heel ander iemand was; stel voor, dat ik was koning van Engeland of Spanje. Heb even verbeeldingskracht, o lezer, en stel u voor, dat ik koning ben, van het een of andere rijk, alleen nièt van Albanië. Dan zoû ik, naast minder gewichtige vraagstukken, misschien ook in mijn vorstlijke hersenen kunnen gedachten koesteren of het niet wenschelijk ware door mijn soevereinen invloed wijzigingen op te roepen aan ons modern mannelijk toilet. Het zoû zelfs mij wel een eerzucht zijn snit van rok, rokvest, veston, pantalon een zekeren anderen draai te doen aan nemen, dan zij reeds jaren lang om onze mannelijke leden namen en ik zoû het, geloof ik, als koning van Spanje of Engeland, wel héel aardig vinden, als een mode, die ik in het leven geroepen had, werd na gevolgd over de geheele beschaafde wereld! Wat zoû ik daar trotsch op zijn! Stel u toch eens voor, dat, binnen enkele jaren, dan iedere man--willen wij, om niet het onuitstaanbare "heer" te zeggen, liever spreken van "gentleman" of "caballero" in plaats van "man"?--dat dus iedere "caballero" of "gentleman" de revers droeg, die ik had voor geschreven aan mijn hof-tailleur, uit Madrid of misschien uit Londen! O zalige heerlijkheid, o gestreelde ijdelheid, o extaze van snobisme, die dan mijn hart zoû vervullen en geest, zóo, dat ik beiden geheel wijden kon aan andere staatsbelangen. Het zoû mij versterken in de zekerheid, dat ik om koning te zijn in de wieg was gelegd...
Goed, heel goed: een verandering aan revers zoû te creëeren zijn door mijne vorstelijke bemoeiïngen; lieve hemel, zij geschiedt reeds zonder deze! Maar... zoû ik òoit het wijs en goed vinden, als aesthetiesch ontwikkeld koning, onze geheele kleedij in haar bestaanden vorm over boord te werpen: zoû ik ooit wagen te decreteeren: leelijk zijnde geoordeeld het mannelijk modern toilet, hult koning Luiz of Lewis de zooveelste zich voortaan--ter navolging aan allen, gentlemen of caballeros--in een toga, in een chitoon, in een chlamys, in een riddergewaad uit de een of andere verleden eeuw, in plooien, in witte waden, in Renaissance-brokaat, in kant met strikken en _aiguillettes_? Het zoû heel mal zijn, zoo ik dit waagde. Ten allereerste omdat... ik vermoedelijk alleen--nu ja, met twee, drie gunstelingen of vleiers--zoo gehuld zoû blijven en de anderen, zelfs de meest elegante snobs, de nieuwe mode ontzettend lastig of duur of onpraktiesch zouden gaan vinden, in het moderne leven. Mijn decreet zoû geen succes zijn. Ik zoû een zonderling worden geoordeeld. En onderdanen en niet-onderdanen zouden gelijk hebben.