Chapter 4
Zij waren de voorloopers, de spionnen. Zij waren de spionnen der spreeuwen, die, ergens, in hun spreeuwendomein bestookt werden door, wie weet, sperwers misschien, enkele haviken. Buiten Florence, in een Mediceïsche villa, ergens tusschen ilex, pijn en tamarisk van de Florentijnsche heuvelen dreigde een tragedie, die de menschen niet zagen. Bereidde zich een volksverhuizing voor. Naderde een Noodlot, eene Verschrikking... Hoe vreemd, hoe vreemd! Die kleine beesten, die vederschepselen, aan wie alleen de lucht schijnt toe te behooren en ter nauwer nood het getakte der boomen, die lucht-vrijen, die vogelvrijen--_quantité négligeable_ voor òns, menschen--die beesten, die alleen piepen en krijschen kunnen--zingen niet eens--die vlieg-, piep- en krijschbeesten, die in òns menschenleven nièts zijn: zij maakten vreeslijke dingen door! Zij voelden daarginds, in de heuvelen, de Verschrikking, hun Noodlot naderen... Haviken, sperwers, wie weet het... uilen misschien, die nestelen in torenruïne's of verbrokkelde muren... En zij, de spreeuwen, zonden spionnen uit en verkenners, voorloopers, ik meen voorvliegers. Die fladderden langs de Cascine aan maar bevonden het daar zeer bevolkt met allerlei groote vogels. Die fladderden toen boven Florence, de stad...
Waarom juist boven de stad? Zij meenden misschien, dat de stad der menschen, in de winters, voedsel zoû verschaffen aan hongerige, door het Noodlot bedreigde spreeuwen. Zij deelden zeer zeker dergelijke boodschap mede aan wie hen hadden uit gezonden. Zij verzekerden tevens, de voorvliegers, dat er in Florence tuinen waren, hangende tuinen, met dicht geboomte. Tuinen, éen tuin vooral, die alléen bewoond was, des avonds, door een onnoozele bevolking van musschen... Meerdere voorvliegers verkenden dat jaar met de eersten den hangenden tuin. De musschen piepten toen schel en protesteerden tegen; de tien spreeuwen fladderden weêr hóog en verdwenen...
Het volgende jaar, tegen den winter, scheen het Noodlot daar ginds--haviken, sperwers, uilen?--vreeslijker te dreigen. Spreeuwen fladderden af en aan; onze musschen protesteerden heviger...
Maar dit jaar is het _gekomen_. Daar ginds, op de Florentijnsche heuvelen, in de Mediceïsche villa, is dit jaar iets vreeslijks gebeurd. Een Balkan-oorlog, die een volksverhuizing tot nasleep had... Een vogelvolk-tragedie, door een vogelnoodlot op geroepen. Uilen, sperwers, haviken... of alleen een strenge winter?
Wat weten wij van het Noodlot der vogels? Ik weet alleen, dat, een morgen, er een vreemde, donzige stilte wazigde over den tuin. En toen ik, de blinden open, in den tuin zag, bespeurde ik, dat de stille sneeuw die nacht heimelijk was neêr gevlokt. Langs de warrelende en brekende en brokkelende dakenlijnen, die den tuin omzoomen met schilderachtige gevallen van roestbruin en grauwgrijs, langs schoorsteenen en windwijzer, langs ramen en raampjes trokken zich de mollige randen dons, of het Noorden was neêr gesneeuwd op het Zuiden. In den tuin lag het blanke dons op de breede bladeren van latania-palmen en hing het tusschen de ijle stammen van bamboe. De Januari-bloeiende camelia's blankten van bleeke bloemen, die schenen sneeuw en blankten van sneeuw, die scheen bleek gebloemte. Ook de oleanders bloeiden van sneeuw Het vijvertje was overvliesd en de vischjes waren gedoken. En de musschen waren reeds, na huiverige ochtendhymne, uit getogen naar hunne bezigheden...
En dien middag _gebeurde het_. De tuin was iets minder mooi geworden in een bleeken zonnestraal, die dadelijk verzwijmd was, en de musschen, zich voor bereidende tot avondhymne, keerden terug. Maar te gelijker tijd wolkte het zwart aan uit het Westen en de musschen, door de eerste maten der hymne heen, piepten angstig. En de wolk streek dichter en dichter, het scheen wel een zwarte sneeuwwolk te zijn, die dreigde neêr te dalen, maar het wàs geen sneeuwwolk; het was het spreeuwvolk! En het vreeslijke spreeuwvolk, als een Barbaarsche invazie, als een duistere demonenhorde, met wijde fladderende vlerken en spitsen snavel en snerpend geroep zonk plotseling donkerend, dreigend en krijschend neêr, ontlastte zich als een zwarte hagel over den kleinen, vierkanten tuin van Zuidergeboomte in wintergewaad, van palm, bamboe en oleander in sneeuwgedooi en viel als een geesel Gods te midden der verschrikte musschen. Want de spreeuwen hadden daar ginder hun Noodlot ondervonden en ontvluchtten het naar den hangenden tuin en zij werden er zelve een dreigend Noodlot, een Noodlot voor onnoozele musschen.
De musschen zongen geen hymne meer; zij piepten en vlogen in dwarrelende kringen en de moedigsten hunner pikten. Maar de groote spreeuwevlerken overfladderden de musschewiekjes en spreeuwen en musschen warrelden samen tot éene vreeslijke verwarring, tot een heroïschen strijd in de lucht tusschen de daken en onder de wolken, strijd naar welken de menschen keken. De menschen keken op uit de straten. Keken uit door de ramen en ook de katten kwamen kijken. Het waren de gootkatten en dakkatten: het waren de katten, die, 's nachts verliefd, weten van dwalingen langs dakeranden en lunaire ontmoetingen met fosfor-oogige katers en in den zinkenden avond, in de grauwe avondluchtstemming, vol bedreiging van méer sneeuw tusschen dooi heen, silhouetteerden hunne ronde ruggen en kronkelstaarten en steile snorren tusschen dakpanlijnen en schoorsteenverschieten. En als de menschen zagen de katten naar den vogelstrijd tusschen tuin en lucht. Toen... vlogen de musschen van daar, een zwakke, verwarde horde, die verfladderde... waarheen? Waarheen... in de donkerende nacht van natte dooi en dreiging van sneeuw? Waarheen... in de huiverige velden tusschen de Florentijnsche winterheuvelen, waar sperwer en havik heerschen, terwijl in de brokkelmuren der stad verborgen de uilen houden de wacht? Waarheen... in het avontuur van het duistere Onbekende...?
De katten, niet meer nieuwsgierig en zich schikkende noch spreeuw noch musch te zullen vangen, zigzagden de daken af en de menschen gingen door en trokken zich van de ramen terug. Maar iets vreeslijks was gebeurd, niet minder vreeslijk dan in den Balkan en in Turkije. Want wàt is voor de goden dimensie?
En die nacht was geen rust in den hangenden tuin. Er bleef het gesnerp der spreeuwen krijschend en krassend door snetteren als met het vlijmend geslijp van messen. De geheele tuin was vòl spreeuwen. Hoe velen overvulden den tuin? Hoe velen waren sperwer, havik of uil ontvlucht? Vreesden zij ook hièr den sterkeren vijand, dat zij geen nachtrust vonden...?
Zij hebben sedert de nachtrust niet gevonden. Wij, menschen, onverschillige menschen, wij slapen door de tragedie heen en de katers en katten, onverschillig als wij, dwalen over de dakeranden en bespreken reeds met elkaâr rendez-vous voor Februari en Maart, wat meer lente-achtige maanden... Maar de spreeuwen vinden geen nachtrust. Zij vreezen, dat ook hier de roofvogels hen overvallen zullen of zij vreezen misschien zelfs voor de musschen...
Zij verschijnen iederen avond, tegen schemeruur, in grootere, grootere horde, de spreeuwen. Steeds worden zij vreeslijker, demonischer, dreigender, zwarter, wanhopiger. In hunne ziel gaat vertwijfeling om. Is het honger of is het angst? Wij menschen, wij weten het niet en de zoo filozofische katten en katers, die het evenmin weten, wènschen het niet eens te weten. Maar den spreeuwen, hun gebeurt het Noodlottige...! Wij, menschen, kunnen er alleen naar raden. De katers en katten halen niet hunne schouders er om op maar ronden er toch om de ruggen. Maar de spreeuwen zijn de wanhoop nabij. Hunne avondhorde wordt immer dichter. Hun wanhoopswolk barst immer zwarter, verschrikkelijker los over den tuin. De tuin, de in de lente lachende tuin, is als een nauwe helkrocht geworden. Een gruwelbalg vol vogelellende. Duizende spreeuwen in de vallende nacht zoeken er twijg en tak. Die zij niet vinden. Er is geen twijg en tak voor duizende spreeuwen. Duivelsche vluchten, zwermen in het ronde, hoog in de lucht, zwarte stippen, de spreeuwen. En dalen schreeuwende neêr. Dan zit spreeuw tegen spreeuw op twijg en tak, angstig, vol wanhoop, ons onbekend, in spreeuweziel. En wie geen twijg of tak te bezetten vond, vliegt weêr wanhopig omhoog, krijscht en kreist door de lucht, doorcirkelt de duisterende nacht en laat zich dan, in wanhopigen drom, vallen, als een neêr gesmeten troep verdoemelingen... En dichter zit spreeuw tegen spreeuw op twijg en tak en snerpt het messengekras krijschender op. De takken buigen onder den spreeuwenlast. De twijgen breken onder zoo vele spreeuwen. Dezen morgen zag ik een tak gebroken! En in den morgen blijft de tuin gehavend achter, na de uitvaart der duizende spreeuwen. Maar in den avond wordt hij weêr overzwermd door meerdere en steeds meerdere spreeuwen...
De musschen... zij pogen angstig terug te komen: zij zwerven elders takloos en twijgloos rond. De musschen, zij zitten op den uitersten dakrand, boven den versleten fresco-muur, die is als de muur van een klooster. Zij zitten op een schuchter rijtje en kijken naar beneden, in den tuin, maar wagen niet den tuin aan de spreeuwen te ontnemen. De musschen zitten hopeloos... En plotseling vliegen de musschen op want een groote kater sloop achter hen aan...
* * * * *
Zie daar naderen de spreeuwen weêr, nu de bleeke winterzon is gevallen achter de daken! Zie, daar cirkelen hunne duivelsche horden! Hoog in de lucht stippelen zij, als vliegen, als muggen. Dàar, krijschend, storten zij neêr!! De takken buigen onder hun last. De twijgen kraken er onder en breken... En nooit zijn zij in rust. Daar vliegen zij allen weêr op! Duistere demonen van wanhoop en angst en vertwijfeling fladderden zij tegen de nachtlucht...
Begrijpen zij iets van òns, van onze stad, van ons menschen, ons menschelijk leven? Neen, zij weten ter nauwer nood, dat wij bestaan. Zij meenen, dat de stad een natuurverschijnsel is en dat de mensch is een toeval, onder hún vlucht. Zijzelve, zij, de spreeuwen, zijn de werkelijkheid. Zijn het leven, de strijd. Strijd tegen sperwers, die hen overwonnen; strijd tegen musschen, die zij overwonnen. _Zij_, zij zijn het epos. _Zij_, zij zijn de tragedie. En zij, zij weten niets van ons, omdat wij zoo groot zijn. En wij, wij weten niets van hen, omdat zij zoo klein zijn. Hoewel hunne strijd, hunne tragedie, hun epos niet anders zijn dan de onze.
UN UOMO FINITO.
Te kritizeeren heeft mij nooit toe gelachen. Als schrijver van boeken recensie's te schrijven over andere boeken scheen mij steeds weinig interessant: ik vond het interessanter zelve een ander boek te schrijven dan eens anders boeken te recenseeren. Maar principes heb ik niet. En waarom zoû ik u heden niet in plaats van over een landschap, een schilderij, een stemming mogen vertellen over een boek? Ik heb nooit en nergens gezegd, dat ik nóoit over een boek zoû schrijven.
_Un Uomo Finito_ is het laatste boek van Papini--zijn voornaam vermeldt hij nooit[1]; ge herinnert u wel, Papini, die de vreemdelingen haat en ze allen in de Arno wil smijten om Florence voor de Florentijnen te behouden. Papini is even over de dertig--de Futuristen _zijn_ niet zoo jong--en heeft reeds tien jaren letterkundige carrière achter zich, hoe wel hij vaak verzekert, dat hij de "letterkunde" haat.
Zijne letterkundige vrienden schenen gezegd te hebben, dat Papini, na het geen hij gedurende tien jaren geschreven had, _finito_ was. Het woord was misschien door hen geuit omdat Papini, in een bui van levensontmoediging, geruimen tijd gezwegen had. En nu heeft Papini, om tegen die uiting zijner vrienden te protesteeren een autobiografie geschreven, die hij noemt _Un Uomo Finito_ en het is over dit prachtige boek, dat ik u heden wil onderhouden.
Een boek van letterkunde, van "litteratuur", die de auteur zegt te haten ook al bemint hij vele schrijvers? Neen, misschien niet. Ik geloof niet, dat de schrijver van _Un Uomo Finito_ éen oogenblik heeft gedacht met zijn laatste werk mede te werken aan de litteratuur van zijn land, of te scheppen een werk van kunst. Hij heeft in zijne bobbelende, borrelende, kookende en dan hartstochtelijk ziedende zinnen niets anders willen geven dan de trotsch oprechte, ruw eerlijke openbaring van zijn eigen ik, zoo als hij dat zelve doorzag. Maar hij heeft, vermoedelijk zonder het te willen, méer gedaan. Hij heeft ons niet alleen gegeven de autobiografie van een schrijver; hij heeft ons tevens gegeven het beeld-in-woorden van ieder modern jong dichter, denker en schrijver, niet alleen in Italië, maar in geheel Europa.
Het boek van dezen zoo persoonlijken levenswijsheidzoeker en levenswaarheidwiller is geworden meer dan zijn eigen zieleboek: van af de eerste bladzijden af heeft ieder, die in zich heeft gevoeld den woelenden aandrang, de willende gedachte en het wellende woord, ieder, die zich heeft gevoeld geboren te zijn om mèt dat woord neêr te schrijven wat hij dacht en voelde, zich weêrspiegeld gezien, minstens een broederlijk beeld herkend of een weêrschijn van zusterziel zien òp glanzen. Het is misschien méer dan wat de schrijver, die zoo trotsch is en zoo alleen en eenig zoû willen zijn, Alfa en Omega aller zielen, ja God zelve en met zich beginnen schepping, wereld en leven, behagen zoû gegeven te hebben, maar er is niets aan te doen. Hij _is_ niet eenig en alleen en in het verhaal van het eenzame, leelijke kind, dat lezen wil en leeren, voor wie het gedrukte woord het kabbalisme in houdt van levenswijsheid en -waarheid, dat zijne stuivers op spaart om boeken te koopen en, eindelijk toegelaten in den tempel der boeken, de Bibliotheek, in een schuchteren eerbied aan vangt de groote denkers en dichters, de groote wijzen en weters der wereld te doorbladeren... is een heugenis van jeugdig verlangen naar wetenschap en wijsheid, naar dichter- en denkerwoord, dat weêrklank zal vinden in veler anderer heugenis. _Alles_ te willen _weten_, alles; het _complete_ in zich te bereiken: dat ideaal, dat ideaal van het kind, dat denker geboren is en dat zich reeds, jong, af scheidt van de speelkameraden, om te peinzen over zich en anderen, over den mensch en de wereld... is het niet de naïve mateloosheid, die méerdere denkende kinderen zich hebben gedroomd, vóor dat het meêlijdend glimlachend Leven hen intoomde,--toomde in hunne ruischende vaart, en hunne steigerende zielerossen leerde zich zachtaan trappelend te schikken in een noodlottig gareel? De hoofdstukken, waarin Papini van zijn droeve kinderjaren vertelt, van zijn grauw pessimisme--hij ziet het landschap om Florence àltijd regengrauw, mistig, treurig, nevelig, melancholiek: hij zegt zelve, dat hij de zòn nièt ziet--en van zijn alles-willen-bereiken zijn het mooiste, dat ooit geschreven is door een eindelijk ièts bereikt hebbend en denkend mensch met een terugblik naar de eerste jeugd. Hoe wàar niet dat willen samenstellen een àlles bevattende Encyclopedie, omdat alle geraadpleegde niet àlles gaven, nooit alles. En dan de teleurstellingen en de inkrimpingen der illuzie, tot de Universeele Encyclopedie, langs de poging toch nog een rationalistische Bijbelkommentaar te geven, geworden is een den schrijver zelven vervelende kritiek van den Romancero des Cids!
Het groote, àlles, willen... en dan een kleinigheid geven, een détail: het goddelijke wenschen en het menschelijke zijn: het gedroomde Babel zien in een storten tot den molshoop aan zijn voet: is het niet de naïve tragedie geweest, van alle jonge dichters, die reeds in hunne kinderjaren waren wat zij zouden worden, ja wellicht méer reeds dan dat? De immense ambitie's met de hemeldiepe neêrstortingen uit ijle wolk in duistersten afgrond en dan toch weêr de geknakte wieken uit willen slaan... Papini gaf in deze bladzijden niet alléen weêr zijn eigene jeugdige eerzuchten; hij gaf weêr strijd, overwinning en nederlaag van alle menschelijke Eerzucht.
En misschien was dit te doen zéer verre van zijn eerlijke, hoogmoedige, zich goddelijk wanende ziel.
* * * * *
Wij weten uit het boek van Papini, dat meer dan tien jaren geleden--hij geeft nauwgezet den datum aan--er in Florence een jonge generatie reeds bestond, vòl van de nieuwe ideeën, die zelfde ideeën bijna, die bij ons na '80 den frisschen wind door het duffe huis hadden doen waaien. Er is, geloof ik, in wijderen kring weinig bekend van deze eerste "futuristische" pogingen en van het tijdschrift, dat Papini en de zijnen toen stichtten en dat zij "Leonardo" noemden. Maar lees eens in _Un Uomo Finito_ dat hoofdstuk over de stichting van het tijdschrift, lees van het enthoeziasme dier jongelui van twintig jaren, die, omdat het café voor iederen dag te duur was, met elkaâr kwamen op straat, met elkander liepen te redeneeren en te filozofeeren op straat, meestal in regen en nevel van koud namiddaguur, die regen en nevel, waarin Papini altijd zijn Florence ziet--en ge zult een hoofdstuk hebben gelezen, waardoor klòpt de polsslag en hartslag van jeugd, van denkende, willende, zoekende jeugd: een hoofdstuk van schoonheid, waarmeê futurisme even min iets te doen heeft als passatisme, een hoofdstuk van schoonheid voor alle tijden en alle richtingen. Lees hoe de Italiaansche Tachtigers (maar zij in 1903) zijn bij een gekomen als samenzweerders eerst in het nota-bene akademische atelier van een jongen schilder, toen in een zaal van het destijds aan allerarmste huisgezinnen verhuurde Palazzo Davanzati en meer en meer zult ge worden gevangen in sympathie voor wie destijds reeds het tegenwoordige Futurisme voorbereidden. Zij hebben zekerlijk niet zóo veel gegeven als onze Tachtigers gaven, zij hebben zich weêr verspreid, zij zijn ontrouw geworden aan de nieuwe leus hunne namen zijn geen blijvende klanken geworden: misschien alleen Papini zelve--zij, die zijne vrienden na tien jaren arbeid _Un Uomo Finito_ noemden--is staande gebleven tusschen ontrouw en lafheid, tusschen zwakte en groeiende onverschilligheid: alleen hij, de sombere, bittere vreemdelingenhater met zijn immer denkend en denkend brein en met zijn innige verachting voor "litteratuur" is tusschen den drang der nieuwe, dringende, stuwende jaren blijven staan en òm hem hebben zich verzameld de allerlaatste Toekomstelingen, die thans van zich spreken laten. Wier namen óok nog nauwelijks klinken--Papini's naam klinkt het hoogste steeds op, naast dien van Marinetti--maar wier silhouetten de bezoeker van het Café Reininghaus, dat der "Roode Buisjes", iederen namiddag om de tafeltjes zitten ziet vol enthoeziasme en bediend door de in Florence zoo bekende scharlaken gedoste kellners van het bekende café met de tijdschriften in alle talen.
* * * * *
In muzikale lijn van stijging en daling en stijging--de schrijver betitelt zijn boek van _andante_ over _appassionato_ en _tempestose_ langs _solenne_ en _lentissimo_ naar nieuw hoopvol _allegretto_ toe--schakelen zich de fijne hoofdstukken van dit boek en geven na de immense ambitie's en enthoeziasmes de wanhopige, smartvolle neêrstortingen maar ten slotte ook de nieuwe verwachtingen. Neen, hij is géen _Uomo Finito_, als zijne vrienden hem dachten. Hij voelt zich geen _Uomo Finito_, deze schrijver, die geen "litterator" wil zijn maar die gedàcht heeft zijn geheele leven en wien de wijsbegeerte op voerde naar de duizelingwekkende hoogtes der menschelijke geestes-eerzucht tot hij de wereld, de Waarheid, God meende te vinden in alléen zichzelven... Dat hij neêr gestort is van zulke toppen in afgronden van vertwijfeling, wie zoû er hem niet om beklagen, wie er hem zijn te grooten trots niet om vergeven! Indien hij dan _finito_ is--hij zegt het ons zelve--dàn is hij dat omdat hij te vele en te groote en grootsche dingen heeft willen bereiken; als hij nièts meer is, dan is hij dat omdat hij àlles heeft willen zijn... Zoo eindigt zijn trotsch slotwoord. Maar wie zal in ernst van den schrijver van dit bijna volmaakte boek--volmaakt zoû ik het noemen willen, indien het hoofdstuk over de Liefde, dat nièt overtuigend is maar er volledigheidshalve schijnt toe gevoegd, geschrapt was--durven beweren, dat het gedàan met hem is? Integendeel schijnt hij mij toe de grootste geest der hedendaagsche Italiaansche litteratuur, laat hem dan vrij de "litteraire" élégances verachten. Schijnt hij mij toe het brutale, trotsche, ongenaakbare genie der nieuwe Italiaansche geestelijke wereld, laat hij dan vrij spugen op allen, wie de menschheid de etiquette van "genie" om den hals hangt. Hij heeft, zonder dat de vergelijking zoû zijn door te voeren, voor mij iets van Van Deijssel; hij laat mij ten minste dènken aan Van Deijssel. Zijne ruwe, onbehagelijke woorden, zijn vierkant proza, zijn warsheid van àlle zoeking naar het bevallige, zijn zeker nièt die van den zoeker, die de woorden beminde om henzelve. Maar zijn virile, booze blik, zijn hevig gepassioneerd gebaar, zijn doortrillende barytonale stem hebben een overweldigende bekoring en _Un Uomo Finito_ is de zwaar krachtige, forsch mannelijke roep van een levend, een hèftig levend man, die de Toekomst voor zich ziet open wijken en zich ten nieuwen strijd gordt, trots àlle nederlagen van het Verleden.
[1] Giovanni.
KORTE NOTITIES.
De spreeuwen zijn plotseling weg... De zwarte demonenhorde is plotseling vervlogen. Op een middag, als ik uit wil gaan tegen zonsondergang, om de rozige en blauwe tinten te genieten, die smelten door het opaal heen van mist, dat op wemelt uit de Arno, zegt Antonio, de portier, tegen mij:
--Heeft u wel gezien, meneertje, dat de spreeuwen niet zijn terug gekeerd.
Ik kijk naar de lucht: het is waar, de vreeslijke vogels, die op _dit_ uur gedurende twee maanden een hellekrocht hebben gemaakt van onzen tuin... zijn niet terug gekomen. Op de straat kijken de menschen, de _badauds_ van Florence, ook naar de lucht en te vergeefs.
--Komen ze misschien niet wat later? vraag ik.
--Neen, zegt Antonio beslist, die het schijnt te weten. Ze zullen niet meer komen. Ze zijn weg...
--Waarheen? vraag ik en wacht mij wel aan Antonio te vertellen, dat ik hoogst lyriesch heb gefantazeerd over vogels, vogelestrijd en vogelnoodlot...
--Naar Sicilië, zegt Antonio. Ik ken Sicilië als mijn zak. Die vogels, die duizende spreeuwen, gaan nu naar Sicilië, waar zij gaan nestelen en eieren leggen, tusschen de rotsen aan zee. En weet u hoè ze gaan?
--Neen...
--Is u wel eens de zee over gestoken?
--Jawel, Antonio. Ik ben van Napels naar Palermo gegaan...
--Welnu, zegt Antonio; die spreeuwen, die gaan net als u. Per stoomboot.
--Per stoomboot?!
--Ja, ze nemen àlle stoombooten, die disponibel zijn. Ze bezetten iederen mast en ze reizen zoo, zonder zich te vermoeien. Ze denken vermoedelijk, dat die stoombooten met masten er voor hen zijn...
--Wat een gekke beesten! Maar waarom, Antonio, _overwinteren_ ze hier? vraag ik, die altijd het naadje van de kous wil zien. Het is toch in Sicilië _altijd_ zachter dan in Florence??
Antonio peinst na.
--Ze zullen van reizen houden, meneer. Net als u. De dieren en de menschen, dat is alles precies het zelfde.
--Maar waarom reizen ze dan niet naar Afrika? Daar hebben ze toch meer warmte en...
Antonio vindt mijn vraag heel bedenkelijk en moeilijk op te lossen.
--Ik weet het heusch niet, meneer, zegt hij verlegen. Maar heusch, nù gaan ze per stoomboot naar Sicilië om nesten te bouwen en eieren te leggen...
Ik maak een vaag, Italiaansch gebaar, dat "pazienza" beteekent... En ga door... Boven mij blijft de hangende tuin geluideloos... De spreeuwen zijn niet meer terug gekomen en de verjaagde musschen... weten nog niet, dat de spreeuwen--over wie ik zoo lyriesch heb gefantazeerd--de stoomboot hebben genomen naar Taormina en Syrakuze om tusschen de rotsen te nestelen en eieren te leggen...
* * * * *