Chapter 3
Geheel ons leven is sentimentalistiesch aan gedaan. Van af onze naïve blijdschap om het Nieuwe Jaar, dat wij elkander goed en gelukkig wenschen, tot aan Kerstmis toe, op welken avond wij een denneboom versieren met brandende kaarsjes, klatergoud en prezentjes, verloopen onze dagen in een sentimentalistische lijn. Vooral Oude Jaar is een sentimentalistiesch oogenblik. Onze geboorte is omringd met sentimentalisme, met larmoyante teederheid van tantes, die een gulden aan de baker geven--zoo deze passatistische dame zich nog in de kraamkamer bevindt--van nichtjes, die héel kleine sokjes hebben gebreid, van slemp en roze of witte muisjes; onze verjaardagen zijn roerende oogenblikken; ons huwelijk is in een vloed van tranen geweekt; onze dood zelfs wordt sentimentalistiesch omdoezeld met veel vertrouwen in weêrzien, met rouwvertoon en grafkrans, met tranen en dikwijls onheelbaren weemoed. Bloemen en emblemen, kinderlijke symbolen en allegorische versiersels doen dienst bij alle deze sentimentalistische dagen. Spreuken en speechen, toast en preêk, grafschrift en nieuwjaars- en Kerstmis-kaartjes, deze allen zijn de sentimentalistische litteratuur, die in gebonden en ongebonden stijl, alle die gevoelige feest- of rouwdagen vergezelt. En wij kunnen moeilijk buiten dit alles... O geloof niet van mij, dat ik mij boven ons algemeen sentimentalisme stel! Ik word even als gij geroerd door een Kerstmis-kaart, een woord aan een graf of een bruiloftsdisch, een spreuk, speech, toast of preêk! Wij kunnen dat alles beredeneeren als passatistiesch sentimentalisme, als minderwaardige gevoeligheid, als kinderlijke en naïve behoefte aan kleine aandoeningen, woordjes en traantjes maar als het oogenblik dàar is van uw geboortedag, huwelijk, Kerstmis, Nieuwjaar of smart aan een geopend graf zoudt gij het en ik met u zeer missen, zoo er niet een zekere mate van dat juichende of klagerige naar ons toe kwam. Wij kunnen er niet buiten en ik ben overtuigd, dat men, om goèd Futurist te zijn, er buiten moet kunnen. Maar de meesten van ons zijn nog de onverbeterlijkste sentimentalisten, wier oog gauw vocht wordt en wier romanesk hart nog immer éven ontroerd wordt door de ouderwetsche romance-lyriek, die vooral werkt op onze traanklieren. Ge begrijpt, dat ik spreek van de massa, van het groote publiek en niet van de enkele hooge, groote, vrije geesten onder ons, die trots hunne hooge, groote vrijheid toch nog heelemaal niet Futurist zijn, Futurist met het koude, ontvankelijke, leêge hart: maagdelijk reservoir, voor Alles Wat Komen Gaat... Neen, de meesten van ons hebben een hart overvol als een antiquiteitenwinkel zonder leêg plekje om ièts meer bij te zetten, in wier zacht lauwe atmosfeer zij zich verknussen over al de dierbare overgeërfdheidjes van vele geslachten voorouders... En de eigen vaderen en grootvaderen hebben het meest van die allen, omdat wij ons hen het bèst herinneren, invloed op ons na gelaten al meenden wij ook éenmaal, in onze prille jeugd, absoluut verschillende van hun antieke ge-aardheid. Intusschen zijn wij allen opgegroeid vol Biedermeiertjes in onze ziel. Het "groote publiek" is het kind gebleven van zijn vader in stropdas, zijn moeder in crinoline. Het voelt diep in zich, trots machinevooruitgang en aviatiek, de "romance" weenen en minaudeeren. Welk boek leest het "groote publiek" het liefst? De roman van naïef mysterie met gestrafte ondeugd en beloonde deugd. Zola heeft er nièts tegen kunnen doen met geheel zijn immens talent. Kon hij op de wereld terug komen, hij zoû verbaasd staan dat groote publiek--véel tijd om te lezen heeft het niet meer--te zien stróomen in de cinema's, waar die aller-ouderwetsche aandoeningen, met lachje en traan, worden te zien en te voelen en te koop geboden voor minder dan een roman kost. Gedurende uren lang glimlacht en grient het groote publiek als het de gestolen kindertjes bidden ziet tot God en de brave schoorsteenvegertjes de slachtoffers ziet worden van boeven en megeren. Teringachtige moeders worden door elfjarige dochtertjes met theaterengelgebaren verpleegd en verzorgd tot de schatrijk geworden geliefde eindelijk terug komt en alles eindigt met romance-geluk en geld. Ja, ik wed: als het meisje "dat neder zat aan d'oever van een snellen vliet" "den rijken heer ontmoette, die innig werd aan gedaan"--ik meen in de cinema--geheel het "groote publiek" óok weêr innig aan werd gedaan. Van schilderkunst wéet het groote publiek wèl, dat het niet "artistiek" is, om het "onderwerp" een schilderij mooi te vinden, maar stil in zich heeft het toch altijd gedweept met onderwerp-schilderijen, vooral dramatische en gevoelige en wat de muziek aan gaat, weet ge wel, dat als men hier in Florence de _Sonàmbula_ geeft de zaal nòg voller is dan bij den _Trovatore_?? En waarom? Omdat de lieflijke, melodieuze muziek van Bellini nog meer dan het dramatiesch romantische accent van Verdi... de muziek der _romance_ is, de muziek onzer grootmoeders, de muziek der zachte, huilerige, weemoedige, ouderwetsche liefde-en-verdrietelijkheden, die een vreemd wellustig souvenir in de meeste onzer zielen op roept... Wij zijn modernen: het doet er niet toe. In ons bloeit het vergeet-mij-nietje van het Sentimentalisme en wij moeten het nu en dan bedauwen met een traan en bestralen met een aangedaan lachje...
* * * * *
En hoe nietig ook dit Sentimentalisme schijnt, het is een kracht in ons--omdàt wij er niet buiten kunnen--en de meesten van ons zullen het, onbewust of bewust, stellen tegenover den brutalen drang der Futuristen, die het in zich hebben verstikt, omdat zij meenden, dat het hen verzwakte. Wie overwinnen zal? Wel, de Futuristen natuurlijk, want de Toekomst overwint altijd, al werpt zij wel eens hare eerste baanbrekers als passatisten over boord, zoodra zij het Heden geworden is. Het Futurisme zal overwinnen: ik ben overtuigd, dat er eene periode zal komen, waarin anders gedicht, geschilderd, gemuziceerd, gepolitizeerd, geléefd zal worden dan in onze dagen. Maar zoodra het Futurisme gezegevierd hebben zal, zal er iets onverdelgbaar menschelijks weêr op bloeien als een veldje vergeet-mij-niet tusschen al de aangekweekte futuristische bloemen, en dat onverdelgbaar menschelijke zal blijken te zijn het Sentimentalisme...
Al zoû het alleen maar zijn het Sentimentalisme der dàn oud geworden Futuristen, die terug zullen blikken op den nu zoo fellen strijd hunner jeugdige jaren...
Misschien zijn hunne "vrije woorden" niet veel meer dan reeds jaren geleden Van Deyssel ons gaf in "Bergen en Menschen" en Gorter in de verzen na "Mei": de futuristische dichters lijken mij niet iets te geven, dat wij al niet reeds lang geleden gekend hebben. Hunne schilderijen zijn wel iets nieuws: beweging, geur, emotie, snelheid, "dynamische volumen" te willen schilderen is, geloof ik, nog nimmer gepoogd. Moet ik mij schamen zoo passatistiesch te zijn om te bekennen, dat ik voor die schilderijen van Severini, Boccioni, Carrà, Russolo, Soffici staande, nièts gewaar word van "dynamische volume", geur of emotie en alleen iets begrijp van hunne emotioneele snelheid? Die mij echter niet aan doet met "schoonheid",--welke zij toch beweren te blijven eeredienen--vermoedelijk omdat ik mij de "schoonheid" nog te sentimentalistiesch voorstel...
Tóch wil ik niet alles verwerpen wat deze heeren doen. Ik heb met eenigen goeden wil--neen, laat ik oprecht zijn--ik heb plóts in een revelatie gezièn, met eigen oogen gezien, dat ons modern leven in moderne straat in moderne stad véel had van een beweging-volle, "dynamische", futuristische schilderij. Ik zat bij Gilli te snoepen, maar bij den kleinen Gilli, in de Via Calzaioli. Die straat is nauw en vol, niet waar. Welnu, ik zat in den winkel en keek uit door het groote glazen raam. Een rij groote _pannetoni_ of Kerstkoeken op een glazen plaat brak voor mijn oog het doorzicht af met een regelmatige massa bruine tulbanden en boven de _pannetoni_ gingen en kwamen de hoofden der voorbijgangers en onder de _pannetoni_ hunne broeken en rokken en schoenen. Dit was niet alles: spiegels, ter zijde in het kijkraam en spiegels van boven weêrkaatsten de beweging op straat onder en boven en ter zijde der tulbanden met een vreemd gedwarrel van omgekeerde koppen en beenen, die naar boven staken. Door het gelijkmatig verdeelde middaglicht, waren de schaduwen weinig en was er bijna geen perspectief, zoo dat voorbijgangers en Kerstkoeken schenen te bestaan in "gecompenetreerde vakken" of liever in een énkel diepteloos vak van hoogte en breedte. De rijtuigen op straat zelfs deden meê aan die diepteloosheid en de paarden liepen--om de weêrkaatsing der spiegels--zoo wel op hunne koppen als op hunne beenen. Automobielen gebaarden in dubbel dynamiesch beeld. En het gekste van dit gekste levensbeeld was, dat op de muur ter overzijde der straat een rij reclameplaten zes of zeven blauw gerokte juffrouwen vertoonde, die, identiek de eene aan de andere, zich bogen met een lijn van gratie en, gedecolleteerd, een blooten arm strekten naar het glaasje Strega-likeur, dat zij wilden aan bevelen. Om het gemis aan diepte-licht waren deze zeer groote, half naakte, blauw gerokte juffers een vlak-bije horizon van monsterachtige wezens vlak achter het spiegel-gebroken straatgewoel en ook zij waren doorsneden door de lange rij tulband-achtige Kerstkoeken. Een groot nummer, 18, dat van het overzijdsche huis (misschien was het een ander nummer...) deed zeer futuristiesch-kabbalistiesch ter zijde der blauwe juffen aan.
Dit alles zag ik met eigene oogen, terwijl ik mijn vermouth dronk. En ik begreep in eens, dat ik aanschouwd had een prachtig geval voor een futuristiesch schilder, een geval, als het moderne leven wel meer onze nieuwste artiesten zal geven...
Maar "schoonheid" vond ik nièt in het geval en Sentimentalisme even min. En vooral om het gemis van het laatste vermoed ik, dat dit straatgeval mij niet zoo heftig dynamiesch aan deed als het Soffici of Carrà zoû hebben aan gedaan.
En voelde ik het zóo dor in mij, dat ik meende liever de Uffizi eens in te loopen om mijn Sentimentalisme zoowel te gelijker tijd te voeden als te verpuren...
Want in de Uffizi is het zuiverder aan te kweeken dan in een cinema en wij moeten niet vergeten, dat wil het een kracht zijn tegen het koude, dorre, maar ijverende, maar jeugdige Futurisme... het vooral een zuivere, een hooge, een edele kracht moet zijn en van Sentimentalisme Sentimentisme moet worden.
DE DROOMEN.
Ik heb van nacht gedroomd, dat...
* * * * *
Wat is het vreemd, dat wij droomen! En wat is het eigenlijk gêk! En wat weten wij er eigenlijk weinig van! Van Eeden heeft ons in De Nachtbruid veel moois van droomen gezegd en doen denken, en zelfs Duitsche professoren,--die ik niet gelezen heb--vertellen veel van droomen, maar toch weten wij eigenlijk weinig van droomen en is het heel vreemd en heel gèk, dat wij droomen... Droomen wij eigenlijk wel ooit van mooie, lieve, dierbare dingen? Zoo ooit, zij blijven toch de uitzondering... Is de droom "als een droom", dan waarlijk is de droom de uitzondering... Meestal zijn de droomen vreemd en gèk... Zijn wij dan de onmachtige slachtoffers van plaaggeesten en demonen? Wie weet, wie er om ons dwalen, als wij in de nacht roerloos liggen in onbewustheid? Sluipen de plaaggeesten en demonen binnen in onze voor elkaâr steeds geslotene ziel? Wie weet de geheime poorten en geheime gangen van onze zielen? Wie, waar zij open zich sluit en doortocht verleent aan subtile, duistere geesten, die als inbrekers zijn in het onbewaakte zielehuis! Er zijn de hôtelratten, die, zwart omgoten, duister dwalen door gangen en zalen en binnen sluipen in de kamers en zich achter een koffer of in een kast verschuilen; des nachts zijn er ook de zieleratten, die, zwart, duister sluipen onze dan opene zielen binnen en zich verschuilen in geheime schuilhoeken om te voorschijn te gluipen als wij zelve geheel onbewust zijn... Zijn zij het, die donkere gnomen, die ons de rare dubbellevens doen leven, die meestal schoonheid en vreugde missen en willen zij ons iets brengen uit de diepte der Hel...?! Zelden houdt hen een engel tegen en ik moet wel gelooven, dat géen bewaarengel staat achter ons bedde. Zij hebben vrij ingang en spel. Zij weten voor ons op te roepen wijde kasteelen als dwaalhoven, waar wij steeds op de zelfde corridor onszelve tegen komen tot een doodzweet ons uit breekt; zij sluiten ons op in donkere hokken en geven ons dan vliegkracht, zoo dat wij òp vliegen als gevangene torren en steeds met de hoofden bonzen in de hoeken der doosnauwe cellen of zij werpen ons uit luchtballonnen, van torens, tot de ademen ons stokken of minstens jagen zij ons, zwevende, hooge trappen af in eenzame huizen. Zij doen ons ons hàasten voor vreemde reizen om toch niet te laat te komen aan huiveringwekkende stations en het is ons onmogelijk onze kleêren aan te trekken en wij vergeten telkens, telkens wat en komen altijd te laat of loopen wanhopig den trein na, vliègen hem na, zonder hem in te halen... Zij weten onze hoofden te ledigen, onze hersenen tijdelijk te rooven en met vreemde leêgtes onze breinen te vullen en er dan zelve in rond te draaien in zwarte, wijde ruimtes, die zich uit cirkelen als heelallen... of zij weten ons onvoegzaam te kleeden in drukke menigtes en obscene gebaren te hebben tegenover personen van aanzien, die alléen streng kijken en verder zich niet storen aan onze vreemde ongemanierdheid en zij laten ons plotseling stil staan, in ons hemd, op den hoek van een straat en voor ons op doemen een Groot Getal...
* * * * *
Maar het is soms of nièt alleen de gnomen en kwelgeesten toegang vinden in onze alleen in den droomslaap ontslotene ziel... Onze Dooden sluipen vaak binnen, zéer vaak... Zij gedragen zich meestal tegen over ons vreemd, en vermoedelijk begrijpen wij hen niet... De Dooden, die eenmaal lief tegen ons waren, gedragen zich in den droom niet zelden koud tegen ons en koel en toonen geen blijdschap des wederziens en schijnen ons kleine beuzelingen te verwijten, hebben ons onbegrijpbare grieven thàns tegen ons... Een Doode, die niet ons immer lief had als wij van hem verwachten mochten, nadert ons echter met een berouw en ontroering en de armen uitgestrekt en teedere liefkoozing en _wij_ zijn het dan, die koel zijn en koud tegen over deze late betooning van liefde... Nimmer openbaren onze Dooden ons voordeelige geheimen of verklaren zij ons duisterheden van leven en dood. Zij gaan als onwillig onze zielen in en verlaten die weêr zonder heimwee. Zij laten vreemde melancholiën achter in onze ochtendmoede, wakkere zielen. Zij zijn vermoedelijk slechts binnen geleid door de kwelgeesten: ik heb soms de treurige gedachte, dat zij ons niet herkennen, als zij binnen ons zijn... Hoe kunnen zij anders zoo koud zijn, die ènkele berouwvolle Doode uitgezonderd? Wanneer zullen zij ons éens troosten, met een ènkel woord of gebaar, in ons moeilijke leven, dat ligt uitgevloeid in den tijdelijken nachtdood, als een ebbende zee aan het zand van een wijden woestijn... Zijn er dan nooit hemelsche geesten, een ènkele weldoende elf, die onze droomschimmen binnen leidt? Worden ooit binnen geleid de astrale lichamen, van wie wij beminnen en die ver zijn? Omhelzen wij óoit in den droom het dierbare wezen, dat ver is en aan wie wij dien dag zoo vaak dachten? Wiens brieven liggen bij ons hoofd, onder ons kussen, wiens liefde ons aanzag uit innige oogen, dien dag, in onzen wàkenden droom? Des nachts leidt niemand wie lief ons is binnen. Geen levende dierbare vindt de geheime poort en gang onzer ziel. Een noodlottigheid doet hem die nooit vinden. En onze droom wordt nooit een beminnelijk ernstig vizioen...
* * * * *
Het blijft meestal een snelle, warrelige, dwaze kaleidoscoop, maar zonder schoonheid. De vizioenen glippen, glijden, vergaan... Kàn men orde brengen in dezen nutteloozen chaos? _Is_ het mogelijk, dat onze zielskracht leiding geeft aan het vreemde spel, dat de geheime krachten niet leiden willen voor ons? Is uit dit verwarde zielmateriaal op te roepen schoonheid en troost? Beduiden deze cinematografische trillingen ièts of nièts? Moeten wij er henen raden, moeten wij ze begrijpen, moeten wij er henen reiken met onze onmachtige hersens en handen? Kan ik ooit droomen wat ik wil? Kan ik ooit op roepen in den droom den lieven geest, die mij waarschuwt? Zal er ooit tusschen mij en hem wederzijdsch geven zijn? Zoo hij mij een voorteeken op roept, zal ik het ooit kunnen ontcijferen? Zijne getallen, die hij mij voor toovert, reken ik hen ooit goed na? De Italiaan, naar hen, speelt zijn lotto-spel en àlle droombeelden, bij hem, zijn getal, volgens welke hij speelt. Ik speel niet en vergéet de getallen. Wie weet, wat zij mij reeds te vergeefs hebben willen spellen in onbegrijpbare cijferkunst! Wie weet hoe dikwijls ik reeds een datum heb veronachtzaamd en een rijkdom geweigerd heb! Ik weet het niet. Ik weet niets. Ik ben een slaap behoevende moede man. Ik lig neêr in donkere nacht. Mijn ziel staat open, een onbewaakt huis. _Zij_ sluipen binnen, zij doen met mij wat zij willen... zij spelen met mij, in mij, om mij hun steeds onverstaanbaren scherts. Zij grinniken hun kwade ironieën. Ik kan niets tegen hen. Ik lig als geboeid en begrijp hen niet...
Als ik ontwaak, is mijn zielehuis dicht. De morgen rijst grauw in mij op, de dag licht moedeloos op, ik voel geen levenskracht in mij, ik ben treurig, te treurig om den dag te beginnen...
Toch heb ik goèd geslapen...
* * * * *
En van nacht heb ik gedroomd, dat...
* * * * *
Of het de schuld was van Rampolla, wiens verloren testament toch heusch geen indruk op mij gemaakt heeft, weet ik niet, maar ik heb gedroomd, dat ik tot Paus verkozen was. Niets is verder van mij dan deze gekke eerzucht, in het werkelijke leven. Maar in den droom gebeurde het. Ik werd tot Paus verkozen. Ik was natuurlijk in een nachthemd, het klassieke gewaad, dat u omhult, als u in den droom iets zeer gewichtigs maar vreemds gebeurt. Een stoet purper sleepende kardinalen trad mijn kamer binnen. Hoewel die kamer vrij ruim is, zoû het in werkelijkheid onmogelijk zijn voor een stoet purper sleepende kardinalen er binnen te treden. Maar in den droom wijken de dimensies, worden wanden ijl, zijn meubels doorzichtig, boren spiegels diepe perspectieven. De kardinalen vulden mijn kamer en spiegels en de oudste beweerde, dat ik tot Paus gekozen was.
Het angstzweet brak mij uit.
--Zij zijn gek! riep ik--heel verstandig--uit. Hoe komen zij er aan _mij_ tot Paus te kiezen!
Maar de kardinalen knikten zeer gewichtig, dat _ik_ gekozen was.
Ik had het stikkend warm in mijn zoo passend gewaad.
--Ik weiger! riep ik fier, tot de kardinalen.
Zij meesmuilden als alleen in den droom kardinalen kunnen meesmuilen. Maar achter mij voelde ik mijn vrouw verschijnen. En zij boog zich aan mijn oor:
--Je kan dat zoo niet weigeren, fluisterde zij. Er is een groot traktement aan verbonden...
Ik dacht na. De slotsom mijner overdenkingen was, dat ik van meening veranderde en uit riep:
--Ik neem aan!
De kardinalen herademden. Ik had hen willen vragen hoe groot mijn Pauslijk traktement was. Ik deed het niet, uit discretie. Het zoû vermoedelijk nog al aangenaam zijn en ruim. Zij waren nu om mij bezig met allerlei pontificale gewaden. Zij schenen mij voegzaam te willen kleeden, waar in zij gelijk hadden. Ik was nieuwsgierig naar al de Latijnsche namen dier verschillende kleedingstukken en vroeg ze aan de kardinalen. Zij fluisterden mij ze in maar ik verstond ze niet. Ik kreeg een prachtig kanten koorhemd aan en een wit brokaten kazuifel en een goud brokaten dalmatiek en zij hingen nog allerlei dingen van goud en borduursel om mij en aan mij. Plotseling fluisterde de oudste kardinaal tot mij:
--Wij leiden je (_sic!_) nu naar de kerk, maar straks komt de kardinaal-staatssecretaris met je praten over de politiek...
Heete rillingen liepen mijn rug over. Maar wisten ze wel, die kardinalen, dat ik niet eens Katholiek was!! Een vrijdenker, neen, een heiden, een aanbidder der antieke goden! En de politiek, van af een Vaticaansch standpunt? O God, o God, riep ik in stilte, sta mij bij! Wàt moet ik straks zeggen...!
Het werd een cauchemar. In de verte opende zich een kerk. Maar het was nièt de St. Pieter. Er klonk vaag orgelgerommel, er klonken doffe stemmen van zingende menigte...
--Ze zijn gèk, dacht ik nog eens; _mij_ tot Paus te hebben verkozen...!
De mooie gewaden wogen heel zwaar. En wàt zoû ik in Godsnaam straks zeggen tegen dien kardinaal-staatssecretaris!!
De nachtmerrie--het wàs er nu eene--verpletterde mij. Ik _woû_ niet dom en belachelijk straks zijn... Ik _zoû_ met dien kardinaal-staatssecretaris straks spreken... over de politiek! O God, o God, het was verschrikkelijk!! Wat had ik gedaan! Hoè had ik dat kunnen aannemen... zelfs om een aangenaam en ruim traktement!
--Ik zal _ten minste_ waardig binnen gaan, schroefde ik mijzelven op, want ik beefde van angst op mijn voeten, die in blanke muilen staken.
Ik vouwde mijn handen waardig, precies zoo als ik dat wel eens den Kardinaal-Aartsbisschop in Florence had zien doen, in den Dom. En voelde mij dièp ongelukkig, om mijn vrijheid, die weg was, om die zware kleêren, die vreeslijke komedie, om dien kardinaal-staatssecretaris, die straks met mij zoû komen onderhandelen... over de Vaticaansche politiek!!
* * * * *
En toen werd ik wakker. Het was benauwd in de kamer en buiten zwoelde scirocco. En mijn edredon lag héel zwaar over mij heen. En ik voelde mij klam van lichaam en zwaar van hoofd...
Maar, o God, de zàlige verrukking van, wakker, niemand meer te zijn dan mijn arme zelf... en geen Paus meer te zijn, géen Paus!!!
DE SPREEUWEN.
Waarom zoû ik u niet over de spreeuwen schrijven en het geval "spreeuwen" boeken in deze Bladen? Moet ik er niet--willen zij iets beteekenen--de volledigheid in betrachten en als ik van mijn hangenden tuin--die van de markiezin--vertel, moet ik u dan niet van de spreeuwen vertellen?
Eertijds waren het de musschen. De musschen van Florences kwartier, waar ons paleis rijst, huisden allen en eensgezind in de boomen van den hangenden tuin. Ge moogt van de musschen denken wat ge wilt, ik heb wel een zwak gevoelentje voor zulke onpretentieuze en toch geestige en gevoelige vogels als musschen zijn. Onze musschen zelfs waren zeer welopgevoed. Zij zongen in den vroegen morgen een ochtendhymne en verdwenen dan naar hunne bezigheden. Zij kwamen tegen den avond met een avondhymne terug en gingen dan slapen op tak en twijg. Er was wel eens een _battibecco_ over dien twijg en dezen tak, maar iedere musch vond een plàatsje en de nachtrust spreidde zich.
Tot op twee jaar geleden. Wat is het toch vreemd, dat in het leven der dieren, die om ons zijn, zoo veel ontsnapt aan de menschen. Vooral in het leven der vogels. De kleine vliegeniers, die boven ons, om ons zweven, geven ons niet veel van hun leven en misschien, dat hun leven mij juist daarom interesseert. Welke drama's spelen zich niet af tusschen de gevleugelde horden. Kleine Balkan-oorlogen en revoluties misschien, vreemdelinghaat-tragedies en bloedige strijd-om-het-leven: ik weet niet wat al meer. Een feit is het, dat twee jaar geleden een paar groote, donkere vogels, twee, drie, meer niet, tusschen de musschen bij het huis-keeren verschenen. Hunne krijschkreten klonken plotseling door de rustige musschenhymne door. Maar zij vlogen weg, zij keerden zelfs niet den volgenden avond terug.