Jan en Florence

Chapter 2

Chapter 23,406 wordsPublic domain

Wie echter meenen mocht, dat men alleen op futuristiesch terrein zich bewegen moet, om de eerste symptomen van een vreemdelingen-antipathie in Italië te bespeuren, vergist zich. Er gist iets hier in den lande ook in niet-futuristische kringen. Er is iets veranderd in de stemming, o, niet meer dan een schakeering, een nuance, een heel fijne, nauw waarneembare _sfumatura_, maar die toch voor wie Italië van vroeger kent, wèl is waar te nemen. Vroeger--twintig jaren geleden--was Italië het land der nog jonge Eenheid; het had veel door gemaakt, het bloeide niet, het was op den rand van staatsbankroet, de eene bankinstelling na de andere sprong. Abyssinië en de slag van Adua hadden het een knak gegeven als geene andere Europeesche natie zich zoû laten welgevallen van een exotiesch volk, dat "gecivilizeerd" moest worden. Maar de vreemdelingen stroomden Italië toe--het was er vól belang om oude kunst voor Duitsche professoren en jeugdige "Eheparen", voor Engelsche oude vrijsters en Amerikaansche oude-wereldbezoekers. En het was er zoo goedkoop, veel goedkooper dan in Duitschland, Engeland, Amerika: de toerist kreeg een mooi agio-cadeautje, telkens als hij bij de een of andere bijna springende bank zijn credietbrief prezenteerde. En de Italiaan beschouwde de "vreemdelingen" als de niet-geïnteresseerde weldoeners van zijn land. Zij voerden hem een zeker cosmopolitisme toe, eene nieuwe hygiène: het hôtelwezen werd geperfectionneerd, er werden mooie tweedeklasse-compartimenten ontworpen voor den spoorweg, en, vooral in het bijzijn van "vreemdelingen", spoog de Italiaan niet meer op den grond, in spoor, theater, kerk of straat. Dit is àlles nu veranderd. Italië is een bloeiende, rijke, jeugdige groote-Mogendheid geworden, hare stem klinkt door in het Europeesch concert, haar imperialisme--ofschoon niet meer dat van Crispi--heeft succes gehad in Tripoli en de Italiaan--en de futurist niet alleen--doet den vreemdeling duidelijk merken, dat hij hem niet meer van noode heeft. Ja, hij heeft zelfs die zekere bravoure verkregen, die... den parvenu, den jeugdigen parvenu onder de staten kenmerkt: hij meent, dat hij niets meer van den vreemdeling noodig heeft, noch zijn geld, dat hij hier passatistiesch verteeren komt, noch wat ook uit der vreemdelingen landen: geene Duitsche eruditie en geen Engelsche stoffen, geen Fransche automobielen en geen Hollandsch linnen: hij heeft alles zelf, hij maakt alles zelf; en verkoopt alles "den vreemdeling" minstens voor den zelfden prijs als hij vroeger voor alle die ge-importeerde zaken vroeg. Hij is er achter gekomen, dat hij kunstschatten bezit en bezoekt die nu zèlve, met vrouw en kinderen, een Italiaansche Baedeker in de hand; hij steekt, de nieuwe Italiaan, den neus in den wind, vooral tegen den vreemdeling en doet hem duidelijk merken: als je het niet goed vindt in mijn land of duur of dit of dat... blijf dan weg; wij hebben zulke vreemde snoeshanen nièt meer noodig...

Of hij heelemaal reeds hierin gelijk heeft, laat ik in het midden: zeker is het, dat hij véel meer dan twintig jaren geleden spuugt om u heen, waar gij u ook bevindt, dat hij rookt in niet-rooken-wagons en dat hij zijne vroegere natuurlijke hoffelijkheid tegen den "vreemdeling" verliest. Vergeten wij echter niet, dat dèze Italiaan een nieuw geslacht en... een nieuwe stand, die vroeger niet bestond toen er tusschen aristocratie en volk nauwelijks middenstand bestond; vergeten wij niet, dat de middenstand nu is toe genomen, dat iedereen thans is _impiegato_, _professore_, _avvocato_, _maëstro_, _ingegniere_, _studente_. De _impiegato_ is wel eens een biljetuitgever aan een stationloketje; de _professore_ schoolmeester in een dorpje van de Abruzzen, de _avvocato_ regelt zijn processen op het trottoir van Gilli en de _ingegniere_ zouden wij bij ons een eerzaam aannemer noemen, terwijl de _maëstro_ de piano betingelt van een cinema en de _studente_ een twaalfjarige schooljongen is. Deze allen formeeren den nieuwen parvenu-Italiaan en zijn het niet-sympathische maar toch wel vitale element tusschen de uitbloeiende aristocratie en het eigenlijke volk, dat alle beminnelijke kwaliteiten van vroeger behield: het element, dat wellicht in futuristische tijden gelouterd uit den smeltkroes te voorschijn zal komen.

Wie weet, dàn wijzen zij ons, de apen, wellicht voor goed de deur, Papini aan het hoofd. Papini, de welsprekende, die echter éen ding vergeet, of... _niet weet_: nl., dat de vreemdelingen reeds niet meer in Florence komen, als zij vroeger kwamen in passatistiesche horden, de vreemdelingen, die heelemaal niet meer zoo dol op Fra Angelico en Botticelli zijn als Papini nog meent en ze voor de voeten werpt; de vreemdelingen, bij wie Italië niet meer in de mode en niet meer _en vogue_ is; de vreemdelingen, die vèrder gaan waar de mode _en vogue_ hen leiden, naar winter-sportplaatsen, naar Egypte, naar Japan...

Want de vreemdelingen, die in Italië nog komen en die in Italië steeds terug komen zullen en terug, zijn--à part de haastige toeristen, die eigenlijk niet meê tellen--de oude aanbidders, de sentimenteele zielen, die in het nieuwe Italië, trots den nieuwen vreemdelingenhaat, nog altijd--heel passatistiesch--_blijven_ zoeken, de onverbeterlijken! wat van het oude Italië overbleef.

En zij zullen wel langzamerhand uit sterven, Papini, en binnen twintig jaar kunt ge àl de muzea sluiten, en al de hôtels en tea-rooms en vreemdelingen-reisbureaux ook, en zal het de moeite nièt loonen den enkelen, resteerenden vreemdeling--in de Arno te smijten!

DE GIOCONDA, FUTURISTEN EN VREEMDELINGEN.

Ik had zeker nooit kunnen denken, dat in het kleine hôtelletje Tripoli-Italia--ook Stella d'Oriente genaamd--hôtelletje, dat ik bijna iederen dag passeer, op een geheimzinnigen dag een verver, die zijn vaderland wilde wreken op de roovers van diens kunstschatten, de Gioconda terug zoû brengen! Ik had zeker nooit kunnen denken, dat dat zelfde hôtelletje ooit rechtmatig zijne vele namen zoû kunnen wijzigen in dien éenen naam: "_Albergo Gioconda_"... dat het fier beweert nu te zullen doen. En ik had ook nooit kunnen denken, dat wij ooit de Gioconda zouden zien in... de Uffizi alhier!!

En toch is dit alles gebeurd. En was de vreeze in ons hart: zoû de Gioconda, die wij gingen zien, wel waarlijk de Gioconda zijn?? Wij, menschen, zijn zóo sluw geworden om elkander voor den gek te houden... Wij zijn immers lang niet zeker of de weêr in San Marco te bewonderen Madonna della Stella... wel die van Fra Angelico is... Wel, wij traden de Uffizi binnen... Een drukte van politie en van belangstellenden! Men heeft de laatsten op dertigduizend geschat, dien eersten dag, dat Monna Lisa receptie hield in haar oude vaderstad! De schatting kan wel juist zijn. Het stond ten minste zwàrt voor de poort van de portrettenzaal. Ik werd langzaam maar zeker plat gedrukt tusschen een Romeinsche keizerbuste, een Engelsche maar dikke dame, wier horizontale hoedepluim mij hardnekkig in het linkeroog boorde en een goud gegalonneerde kolonel van de artillerie, die reeds van zijne dames gescheiden was... Kolonel en ik hadden elkaâr reeds beleefd excuzes gemaakt, dat ons beiderlei rug en maag onzacht tegen elkaâr werden op geschommeld door een dringende menigte, die dreigde àlle Romeinsche keizerbustes omver te werpen. Kolonel, zeide ik; het is aan ù gezag uit te oefenen... U is de aangewezen persoon om te beletten, dat hier geen massamoord gebeurt, uit innige liefde voor de Gioconda... De kolonel was gevleid, verhief een gedistingeerde commando-stem tegen een "maresciallo" van de carabinieri, die in het perspectief onmachtig toe zag. Kolonel en "maresciallo" samen wisten een zekere orde te brengen in de van liefde voor de Gioconda bezeten menschenchaos, het geen tot gevolg had, dat de horizontale pluim der Engelsche maar dikke dame mij niet meer boorde in het oog en dat ik... tusschen Engelsche dame, "Maresciallo" en kolonel henen slipte, de deur in, en mij plòts, met niet meer dan een vijftigtal anderen bevond vóor de "reine du jour".

Op straat nog had ik gedacht: als ik in eens en dadelijk mijn schrik-van-schoonheid om haar heb... is _zij_ het, en niet haar sluw nagebootste kopie. Het gedrang, de Engelsche pluim, de Italiaansche kolonel, de Romeinsche keizerbuste hadden mij bijna de geheele Gioconda doen vergeten. En daar, plòts, onverwachts, daar rees zij voor mij op, iets hooger dan ik verwacht had, die haar nog zocht op de zelfde hoogte, van waar zij te Parijs ons toe lachte... iets hooger, afgezet met een barrière, tusschen een wacht van _guardie_ en _carabinieri_ en met iets van een prinses, die audiëntie verleent. En ik voelde mijn kleinen "schrik", zoo dra ik haar zag en ik twijfelde geen oogenblik. Ik moet zeggen, dat om mij getwijfeld werd... De vingers waren te lang, een barstje links ontbrak en een craqueluretje rechts. Nu, als zij dan een sluwe kopie was... dan heb ik eerbied voor den meester, die haar na-konterfeitte! En geloof ik, dat die meester de eigen schim van Leonardo is, die vertoornd uit den hemel gedaald was om het onrecht hem gedaan, te herstellen. Maar heusch, ik, voor mij, kon niet twijfelen. Hoe zoû het mogelijk zijn, dat dit beeld, daar ginds voor mij, niet _de_ Gioconda ware! Wie zoû kunnen hebben nà schilderen dit gehéel met een gouden wemeling overwaasde glimlachende gelaat-tegen-landschap! De tijd, misschien nog meer dan Leonardo, schiep ons dat gouden waas, dat als een mist van zonneschijn is opgedoemd in der eeuwen loop over des meesters kleuren. Zulke verwording-van-tint... _is_ zij na te schilderen? Het zachte waas heeft een blos van rozig goud gegeven aan de even geronde wangen, aan haar en bijna onzichtbaren sluier, den zoom recht boven het voorhoofd. De gouden mist speelt in de kuiltjes bij den glimlach. Het gouden waas ligt als een spinnewebbe van goud gespreid over het zwartig bruin en grauwig zwart van het over den boezem gefronste gewaad, over de donker, donker purperen bovenmouwen, over de _vieil-or_ en geplooide ondermouwen. Dat zwart en grauw en bruin, dat donker purper en _vieil-or_, het is alles verworden tot eene fluweelige doezeling van bijna niet noembare tinten, maar allen schemerig heen door het gouden gedons. De Tijd werkte meê, met Leonardo en hij zoû niet ontevreden zijn, als hij zien kon wat de Tijd gewrocht had. O, de Tijd doet soms zulke mooie dingen aan het eigen werk der menschen!...

* * * * *

Ik had dien avond in _La Résurrection des Dieux_ willen herlezen wat Merejkowsky ons gegeven heeft van Leonardo en van Monna Lisa Gioconda. Maar... het leven is soms zóo druk, ook al vereenvoudigt men het, egoïstiesch-weg, nog zóo zeer... als ik poog te doen. Er zoû dien avond de lezing zijn van de Futuristen in het Teatro Verdi, en daar Jan immers gezegd had, dat Florence zich nièt tot modern leven bezielde, móést ik er wel heen om te zien of hij zich niet schromelijk vergiste. En zoû ik niet meer aan de Gioconda denken en vooral niet in Merejkowsky lezen. En begaf ik mij op weg naar het theater, wat vroeg, om een goede plaats te hebben. Het zoû toch een belangrijke avond zijn, niet waar: de Futuristen, Marinetti aan het hoofd, zouden den volke verklaren wàt zij wilden hervormen, niet alleen aan poëzie en schilderkunst, ook aan plastische kunst, aan bouwkunst, aan muziek, aan politiek, ja aan het geheele leven!

En Jan dorst nog verkondigen, dat Florence niet meê deed aan moderniteit! Maar Jan wist het niet en Florence... het was een gloeihaard van modernisme! Waarom was hij nu juist weêr vertrokken, die vreemd Hollandsche, Hollander blijvende zwerveling! Die altijd critizeerende perluuk-aan-de-hoeken-der-straten! Hoe _peccatissimo_, dat hij nu niet meê met mij kon gaan! Ik ging dus zonder Jan. Voor het theater veel politie, _guardie_ en _carabinieri_. Maar wat verwachtte men dan? Een opstand? Van de futuristen tegen de... passatisten, zoo als zij zelve noemen, die het niet eens met hen zijn?

Toen ik boven op de _loggione_ was op gestegen, begreep ik het in eens. Men vreesde voor een oproer van... de passatisten tegen de Futuristen. Het theater was reeds vol, vol, vol. Duizende, duizende Florentijnen, waaronder zekerlijk duizende passatisten en enkele tientallen Futuristen. Lieve Hemel, als Jan dat gezien had, hoe hij verbaasd zoû geweest zijn over de belangstelling der Florentijnen voor het allermodernste. Het Futurisme! O niet alleen in kunst, Futurisme in geheel het leven! Dat wilden de Futuristen!

Zij waren nog niet verschenen. Maar reeds huilde, brulde, gilde, galmde, dreunde, donderde de geheele zaal en het duurde zoo... den geheelen avond. De Futuristen, zij werden toen zij op traden, om te verkondigen wat zij te zeggen hadden, ontvangen met aardappelen, honig, bloemkolen en sina's-appelen, en deze allen in min of meer passatistischen toestand. En het passatistische publiek der duizenden huilde, brulde, gilde, galmde, dreunde en donderde den geheelen avond door. Het was klaarblijkelijk tègen het allermodernste, tegen het Futurisme der tientallen. Maar dat Futurisme, het bestond toch. Wàt was het? Wat wilden Marinetti en de zijnen: die zeven, acht andere dappere jongens, die daar om een groene tafel geschaard zaten, als de ministers van de Toekomst. Ik wist het dien avond niet. Ik ben het dien avond niet te weten gekomen. En toch... spraken zij _allen_, over kunst, muziek, over Verleden en Toekomst. O, de dappere zeven, acht Toekomstministers! Géen woord van hunne redevoeringen, gedichten en imprecaties was te hooren. Maar zij, zij gingen dóor door het pandemoniesch geweld. En zij waren te bewonderen om hun moed, om hun volharding, ook om hunne oprèchtheid. Marinetti werd gewond aan zijn oog met een projectiel, aardappel of rotte ui. Het deed er niet toe: hij ging door. Hij schold het publiek--_passatiste!_--uit, zoo als het hèm uit schold: jou gèk! Maar was het niet léven, belangstelling? Neen, Jan heeft ongelijk. Jan, je hebt ongelijk. Florence, dien avond trilde van leven, van belangstelling. Vóor en tegen, wat de ministers van het Futurisme decreteerden. "Jullie moesten in het gekkenhuis worden op gesloten!" riepen de duizenden. Ik bevond mij in een loge, vòl studenten. "Maar hóor toch wat zij te zeggen hebben!" schreeuwde éen student tegen de duizenden.

Ik keek hem met trillende bewondering aan. Hij was achttien jaar, leelijk als het geen Italiaan veroorloofd is te zijn, maar straalde van koorts, emotie en enthoeziasme. "Hunne theorieën zijn pràchtig!" riep hij uit. "Zij willen een nièuw leven, zij willen een nièuwe Toekomst: hóort toch wat zij te zeggen hebben!!" Ik greep hem bij den arm. "Zeg mij wat zij willen!" riep ik uit. Hij schreeuwde het mij in het oor. Ik verstond het evenmin als ik het verstond van het podium af. Het tumult was oorverdoovend. Ik heb nooit nog zoo een tumult gehoord. Jan was er doof van geworden, maar bekeerd. Jan zoû gevonden hebben, hadde hij dezen avond bij gewoond, dat Florence bràndde van nieuwe verlangens tegen oude sleur en passatisme in...

* * * * *

Het is heerlijk jong te zijn. Er is niets anders. In de liefde en in de kunst, in levenswijsheid en strijd tegen wat niet vooruit wil, is er maar éen ding waard: jong te zijn. De Futuristen, dien avond, waren jong, al is Marinetti ook reeds kaal. Zijn kaalheid is een troost voor alle passatisten: men behoeft geen Italiaanschen krullekop te hebben om... jong te zijn, ja, om futurist te worden. Maar er is iets anders: als men passatist _geboren_ is, kan zelfs geen fee van modernisme u herscheppen in een Futurist. En zoo blijf ik, ook zonder zwarte lokken, helaas, maar passatist. Ik ben passatist geboren. Ik zal passatist sterven. Ik heb het Verleden lief. De Futuristen haatten het. Ik heb de Gioconda bewonderd. De Futuristen schelden haar uit als "die oude croûte, vaan van snobisme, riool van internationale imbeciliteit, en die maar weêr in dat graf van een Louvre begraven moest worden!" Het is héel jong zoo te roepen. Bij ons is in den jare '80 nooit zoo geroepen geworden. De Futuristen zijn jonger dan onze Tachtigers ooit geweest zijn. Zij vergrepen zich niet aan Vondel en Rembrandt, die groote passatisten. De Futuristen vergrijpen zich aan àlles, wat niet futuristiesch is.

Er is nòg iets anders dan "heerlijkheid" in jeugd. En dat is verbijsterend voor passatisten: er is dit: dat de jeugd... altijd gelijk heeft. Zelfs al uit zij zich oneerbiedig, heftig, ja ploertig... er ligt toch een waarheid, verborgen soms, in hare innigste sensatie. Zij heeft het tòch bij het rechte einde. Mijn pas geboren neefje, ook al schreeuwt hij zijne longen en mijne ooren stuk, heeft gelijk als hij schreeuwt. En heeft alléen gelijk. Zijne moeder en zijne kindermeid, die hem verbieden willen, hebben ongelijk. Een jongen van twaalf jaar heeft eerder--voor de Toekomst--gelijk dan een jeugdige meester-in-de-rechten en deze weet het beter dan alle professoren te zamen. Dit is géene ironie; dit is voor mij een wreede maar besliste waarheid. Als men echter niet meer héel jong is, is het beter dit nièt hardop te zeggen. Daarom laat ik het liever drukken in Het Vaderland.

* * * * *

Nu weet ge misschien wel iets van de lezing--de onhoorbare, want tumultueuze--der Florentijnsche Futuristen, maar ge weet nog, vermoed ik, niet heel veel van de Futuristen zelve. Om u van hen te vertellen zullen wij niet alleen naar de tentoonstelling hunner schilderijen gaan, waarvan gij trouwens al gezien hebt in Den Haag en Rotterdam. Om u te vertellen wat zij méer nog wenschen dan enkel wiskunstig, natuurkundig, en chemiesch te schilderen, moeten wij samen hun tijdschrift lezen. Hun tijdschrift heet _Lacerba_. Waarom? Wat beteekent _Lacerba_? Lezer, ik heb het geïnformeerd bij het leelijke en enthoeziaste studentje. Hij heeft het mij verteld, maar ik heb het niet begrepen. Ik ben te passatistiesch. Ik geloof, dat hij mij gezegd heeft, dat Lacerba een vurige bestrijder van... Dante was. (Daar ik geen Dantist ben, ja zelfs meer van Petrarca en Boccaccio hou, dan van dien somberen Dante, somber zelfs in het Paradijs, weet ik niet van Lacerba). Dat Lacerba ook wel kan zijn L'Acerba, de (vrouwelijk) wrange... Mij wel. Dat Lacerba ook wel kan zijn La Cerva, de Hinde (???) Lezer, ik heb het nièt begrepen. Ik ben te passatistiesch. En ik ben... te Latijnsch van ziel en de Futuristen zijn misschien niet meer zoo heel Latijnsch, om elkander goed te begrijpen.

Ik vraag u dus excuus voor deze heel vage verklaring van den titel des futuristischen tijdschrifts. Zoodra ik meer zekerheid heb, sein ik u die. Nu echter moet ge alleen maar aannemen, dat het tijdschrift _Lacerba_ heet en ons op de hoogte bracht van alles wat, door het geweld onhoorbaar, verkondigd was geworden op dien memorabelen avond in het Teatro Verdi. Ik wist nu de namen der dappere, jeugdige ministers der Toekomst. Marinetti, Cangiallo zijn dichters; Boccioni, Carrà, Soffici, zijn schilders; Papini is anti-filozoof, Tavolato is immoralist en Scarpelli is... gelegenheids-vrijwilliger (?)

Sedert Michelangelo, vertellen ons de Futuristische schilders (waarom niet anti-schilders?) is er géene beweging zoo interessant geweest als de hunne. Zij zijn nièt _contro-natura_, want zij zijn _contro-arte_... Zij willen een plastiesch dynamisme, de éentijdigheid der bewegingen en gemoedstoestanden...

[Waarom kan uit dit alles, zoo geen emotioneel-passatistische kunst, niet ièts groeien? Iets, dat nog slechts in kiem ligt in de chemische, natuurkundige, wiskunstige schilderijen, die ge ook in Rotterdam en Den Haag hebt gezien; in de Onrustige Danseres met de tien neuzen en de twintig paar voeten of in Vrouw + Huis + Ontploffende Flesch...? Ik wil het niet ontkennen, want al heeft mijn pas geboren neefje zeker iets veel nieùwers in zijn zwezerik-breintje... ook Boccioni, Carrà en Soffici kunnen daarom voor dit futuristiesch moment wel gelijk hebben].

Maar schilderkunst, ja zelfs beeldhouwkunst met "gecompenetreerde vakken" zijn niet het gehéele leven. De Futuristen hebben ook een politiek program. Het is vóor Libyë en tegen de socialisten. Het is zeer nationalistiesch en... tegen de Vreemdelingen.

Dit laatste is misschien vooral voor een vreemdeling in Italië wel het meest een klap in zijn gezicht en ge zult mij ten goede houden, dat ik, arme passatist en vreemdeling, vóor ik u onderhoud over deze zeer moderne en futuristiesche vreemdelingenhaat--zoo nieuw in Italië--eerst op adem moet komen...

Want, ziet ge, àls het nieuwe geslacht, het futuristische geslacht de vreemdelingen haten gaat, ingeënt wordt met vreemdelingenhaat, dàn...

Maar basta, niet waar, voor van daag! Het nieuwe motief is belangrijk genoeg om rustig te worden beschouwd, in mijn volgende Dagboekblad...

SENTIMENTALISME TEGEN FUTURISME.

De obsessie van het Futurisme laat mij nog niet heelemaal los. Juist dat vermoeden, dat de jeugdige, allermodernste, ja futuristische Florentijnen gelijk zouden kunnen hebben, bijna zoo gelijk als mijn pas geboren neefje, doet mij denken aan wat wij, die geen Futuristen zijn, toch tegenover hùn nieuwe wijsheid te stellen hebben.

En dan wordt het mij duidelijker en duidelijker, dat, om Futurist te zijn, de twintigste-eeuwer vooral in zijn ziel géen sentimentalisme moet voelen, even weinig als mijn pas geboren neefje, dat ook alleen aan de naaste Toekomst denkt: de Toekomst van de hem dan toe komende moeder- of andere melk... En waarom is het dus voor òns zoo moeilijk Futurist te zijn, zelfs al erkennen wij, dat er wel wat goeds kan zijn in de nieuwe beweging? Omdat wij bijna allen niet alleen passatisten maar vooral sentimentalisten zijn, gebléven zijn, niettegenstaande alle reeds gedane pogingen om het sentimentalisme in ons uit te roeien.