Chapter 1
Produced by Anna Tuinman, Eline Visser and the Online Distributed Proofreading Team at http://www.pgdp.net
JAN EN FLORENCE
JAN EN FLORENCE
DOOR
LOUIS COUPERUS
[Illustratie]
L. J. VEEN--UITGEVER--AMSTERDAM
BOEK-, COURANT- EN STEENDRUKKERIJ G. J. THIEME, NIJMEGEN.
JAN EN FLORENCE.
Lezer, ik meen, dat ik u zoo ongeveer het interessantste verteld heb van mijn Spaansche indrukken. Zeker, ik zoû u nòg meer kunnen vertellen, ik zoû silhouetjes van Spaansche steden als Cadiz in het Zuiden, als Zaragoza in het Noorden voor u kunnen doen rijzen; ik zoû u nòg meer van het Prado kunnen vertellen; ik zoû u van Goya kunnen vertellen en van den Monserrat bij Barcelona... maar... maar... het is reeds zoo lang geleden, dat ik daar was, het was in het voorjaar en nu, nu is het alweêr December, en een Münchner zomer is er tusschen geweest, en ik ben terug in Florence en het is reeds Kerstmis en Spanje, het is reeds zoo ver, zoo ver terug geweken...! Wat leven wij snel, snel, snel! Zoo snel zelfs, dat mijn snelle pen het leven niet bij kan houden. Ook zoû ik veel methodischer van natuur moeten zijn dan ik ben, om u nu nog maar altijd van Spanje te gaan door vertellen: een land, dat ik reeds meer dan zes maanden geleden verliet zonder héel veel treurenis. Blij Spanje te hebben gezien, voel ik geen nostalgie naar Spanje en denk ik er niet weêr te keeren, al spijt het mij om het Prado. Ja, om het Prado spijt mij dat. Want, weet ge, de Romeinsche en Florentijnsche muzea, het Vaticaan en de Uffizi, die zijn van _mij_, die zijn mijn eigendom. Die zijn misschien ook van den Staat of de Stad, van den Paus of van ù, dat weet ik niet heel goed, maar het interessantste van de zaak is, dat ze zijn van _mij_. Ik heb ze eenvoudig genaast, door er heel dikwijls, sedert jaren, te komen. Gecompliceerder was mijn diefstal dan ook niet. En nu behooren ze mij toe, met alle hunne schatten. Ik ken er ieder hoekje van, en in ièder hoekje heb ik er schatten... En ik ben er zóo ontzaglijk rijk in schoonheid, als zelfs Pierpont Morgan--of hij de Gioconda bezit of nièt bezit: dit laat ik in het midden[1]--nooit worden zal!
Maar--het Prado bezit ik niet. Het Prado bezocht ik tien of twaalf maal, en dat is maar toeristen-arbeid, dat is heelemaal niet genoeg om een muzeum eerste-klasse te naasten en zulk een schat bij uwe andere schatten te voegen. Dus, het Prado zal ik nóoit bezitten. En dat gevoel,--het gevoel van een rijkaard, die nòg meer bezitten wil--maakt mij wel eens wrevelig en nijdig. Maar "pazienza", als ze hier zeggen. De Hermitage in St. Petersburg bezit ik waarachtig ook niet; ja, zelfs het Rijksmuzeum te Amsterdam, waar de gelegenheid tot naasting toch vaak zich voor deed, is misschien voor een kwart maar zoo een beetje van mij... Wat zal ik u zeggen, men apprecieert nóoit wat op zijn weg ligt. Het is de oude geschiedenis van het Geluk, dat de mensch vèr zocht. Terwijl het aan zijn voet lag. Het sprookje van het blauwe bloempje, dat de dichter zocht aan de andere kant der oceaan, terwijl het bloeide in zijn tuintje. Zoo was het Rijksmuzeum mijn blauwe bloem en zoo zal ik mij moeten vergenoegen, als een ontevreden rijkaard, met mijne schatten in Vaticaan en Uffizi. Maar toch ben ik nièt zóo nijdig of ik deel ze gaarne met u.
Dit is allemaal maar een beetje praten en eigenlijk deed ik toch beter u te onderhouden over Cadiz, Zaragoza of minstens over Goya. Dat ik het nièt doe, is eigenlijk de schuld van mijn vriend Jan. Ik weet niet of ge u hem nog herinnert. Hij duikt sporadiesch op in deze feuilletons. Als in deze feuilletons, duikt hij ook sporadiesch op in mijn leven. Van mijn schooltijd af, duikt Jan als een onverwachte perluuk door mijne dagen op. Het meest, als ik heelemaal niet aan hem denk, als ik hem... vergeten ben. Ben ik hem vergeten, heeft Jan in drie maanden geen brief van mij gehad, dan ontmoet ik hem (letterlijk) op den hoek van een straat, en loop hem tegen het lijf. Hij vertegenwoordigt voor mij een Hollandsch element van nuchterheid, gezond verstand, gemengd met een tikje zich niet toonen willend gevoel. Hij is werkelijk zéer waardeerbaar, in het buitenland. En ik mag over hem schrijven. Hij heeft nooit--als mijn vrouw of mijn vriend Orlando--de pretentie gehad mij te verbieden over hem te schrijven. Ja, ik vermoed zelfs, dat, als hij zich onverwachts vermeld ziet, in deze bladen, hij zich gevleid voelt. Hoewel hij mij dat nóoit heeft gezegd!
Jan is dus de schuld, dat ik u nièt meer over Spanje schrijf, nu deze reis al zóo lang achter den rug is. Want toen ik Jan de laatste maal tegen het lijf liep--een paar weken geleden--op den hoek van Tornabuoni en Strozzi (hij beweerde, op weg naar mij toe), toen zeide Jan tegen mij:
--Zeg, Louistje, die feuilletons van je--het moet er heusch uit, hoor--die worden langdradig. Beste kerel, jij bent toch óok een Hollander, al denk je je ontworteld aan den vaderlandschen grond. Vier feuilletons over Boabdil, vier over den Cid, vier over Velasquez! Heusch, dat is geen màat! Je schrijft voor een courant, met tusschenpoozen van zes dagen. Wordt toch weêr wat luchtiger en schrijf liever eens over... nièts! Ik ten minste, eindigde Jan; kàn niet, als ik mijn krantje lees, zoo veel slikken van Spaansche schilderijen, die ik nooit gezien heb of zien zal. Gelukkig ben je met de Gothische kathedralen heerlijk discreet en oppervlakkig gebleven.
Lezer, mijn vriend Jan vertrok na vijf dagen, mij in het onzekere latend wanneer ik hem weêr tegen het lijf zal loopen en op welken hoek van welken straat. Maar indruk lieten zijne woorden achter op mijne gevoelige ziel, als zij, helaas, altijd veel te veel doen. Ik ben een zwak mensch: als ik een compliment krijg, vind ik dat héel natuurlijk, en waardeer het ter nauwer nood; als men mij blameert, als de Duitscher zegt, rimpelt zich de effenheid mijner ziel als het water, waarover de bries strijkt... Heeft men u gezegd, dat ik héel onverschillig was voor wat men van mij dacht? Maar hoe is het mogelijk: ik beef om de opinie van mijn medemensch!
Neen, over Spanje schrijf ik u niet meer. Jan heeft mij duidelijk doen voelen, dat het genoeg was. En ik schrijf u dus over... nièts. Want dat schijnt interessanter te zijn dan Cadiz, Zaragoza of Goya. Eigenlijk schreef ik u liever over Goya. En zoû het ook gemakkelijker zijn over Goya te schrijven dan... over niets. Maar het màg niet.
En dan, Jan heeft gelijk: Spanje is al weêr zoo diep terug gezonken in het Verleden en deze feuilletons mogen niet stoffig worden maar moeten bedauwd blijven door de frischheid der aktualiteit. Zijn wij dus weêr samen in Florence terug, mijn lezer?
Ge zult mij zeggen, dat ge Florence--ook al waart ge er nooit--nu, aan mijn hand, wel kent. Dat de Uffizi ù ook bijna toe behooren. Dat ge nu alles weet van mijn paleis--sedert de markies dood is, spreek ik vrijer van _mijn_ paleis, ook al toeft de markiezin nog beneden--van mijn heerlijke kamers, mijn hangenden tuin met sentimentvollen kloostermuur--van mijne gele rozen en goudvischjes, van mijn portier Antonio in sombere livrei en met eerbiedig beleefden groet en glimlach. Ge zult mij zeggen, dat ge nu wel weet, dat ik erg prettig word aan gedaan als ik de breeden, granieten trap van mijn paleis op ga, na glimlach en groet van Antonio. Ja, het zal u zelfs niet zeer interesseeren, dat ik die deftige trap statiger op ga als ik Antonio's blik sympathiesch mijn rug voel volgen--hij _blijft_ toch de portier van een Florentijnsch paleis--dan als ik 's nachts om éen uur met mijn sleutels binnen kom (_ik_ alleen, in het paleis, heb sleutels: alle de anderen moeten om elf uur binnen zijn!!) en vlug met mijn lucifer-kaarsje die zelfde trap op vlieg, terwijl Antonio mij uit zijn loge en bed toe roept in de nacht:
--Heeft u de _portone_ goèd gesloten, meneertje??
Neen, dat alles, ge weet het nu wel. Maar als Spanje dan Jan niet meer interesseert en mijn Florentijnsch paleis ù niet meer, o lezer, dan zal ik maar,--om u toch ièts te schrijven over... niets--vertellen hoe Jan over Florence denkt. Want dàt, vermoed ik, interesseert u beiden, vooral Jan, die zich dol graag, _tel que_, "gedrukt" ziet, de ijdele vent!
* * * * *
Florence, orakelt Jan; die stad, die je (dit tegen mij) altijd zoo vol lyrisme verheerlijkt... Florence is toch maar een klein, stoffig zoo niet modderig provinciestadje, waar niet veel om gaat. Laten we nu eens al die mooie muzea en kunstschatten, die jij genaast hebt, achterwege laten. Wat blijft er dan over? Een stad zonder modern leven, een stad, zoo klein, dat je eigenlijk noch auto, noch rijtuig, noch tram van noode hebt, een stad, zonder eenig bestaansmiddel dan de weinige vreemdelingen, die er nog komen, want je zegt zelve, dat de stroom veel minder wordt, de laatste jaren, dat de Engelsche dames gaan dwepen, verder-op, aan de boorden van den Nijl, waar ze over den rand van Cooks pleizierboot te vergeefs naar lotossen spieden. Een stad waar 's morgens niets te doen valt--we kunnen nu nièt altijd de oude meesters bewonderen--dan bij Gilli een pasteitje te eten en een vermouth te drinken, terwijl de Florentijnsche "jongens" kringetjes staan te spugen op het trottoir, om nu maar niet te beweren, dat zij zich wel eens vergeten in de winkel zelf. Een stad, waar 's middags alleen wat te wandelen valt door de melancholieke, mistige Cascine of dito Viale dei Colli, waar je niemand tegen komt, om dan in een _tea-room_ te stranden, tot je tijd voor je diner daar is. Terwijl de avonden zelden esthetiesch gevuld worden door ook maar bescheiden theatergenot, daar al die gribussen, die _jij_--dit tegen mij--weet uit te vinden om het Florentijnsche avondpubliek te bestudeeren, als je het noemt, _mij_ te ignobel zijn. Een stad dus van wat? Van Nièts!! En als je eens over nièts wil schrijven, eindigde Jan; nu goed, haal er nièt Fra Angelico en de Medici bij; spreek liever over de horribele winkels vol reproductie-kladderkunst en afgrijselijke Carrarische marmers, vol smakelooze mozaïektafeltjes en goedkoope goud- en zilversmederij--zoo geschikt om cadeautjes te koopen voor tante en nichtje en de meid--; spreek van het gevaar, dat je loopt overreden te worden langs dien ridiculen Lung'-Arno, door den snob, die tòch meent een auto te moeten nemen in dit kleine nest van een stad en als je dan eindelijk eens een goèd artikel over je geliefde onder de blanke (?) steden geschreven hebt, laat mij je dan verzekeren, Louistje-lief, dat je beter deedt eens naar Holland te komen, naar Amsterdam, ja naar Den Haag, ja, naar Arnhem, om weêr eens besef te krijgen van nu niet een wereldstad maar toch een levende stad, waar wat om gaat, waar je onze moderne schilders ziet werken, waar je goede muziek hoort, waar je in een hedendaagsche omgeving leeft, zonder alleen maar te behoeven te dwepen met de Medici en Fra Angelico!
Deze peroratie, beste lezer, had plaats in Jans hôtelkamer, waar hij Hollandsch flegmatiek--wij zijn het soms--bezig was zijn valies te pakken met degelijk Hollandsch linnengoed.
Ik heb, helaas, niet de gave van altijd te antwoorden als geschikt zoû zijn. Ik heb in vreeslijk hooge mate den "geest van de treden der trap". Twee minuten te laat valt mij als met een hellen bliksemschicht het geestige antwoord te binnen, dat ik had moeten geven, om waardig te zijn mede te doen in de conversatie-dialoog van een Fransche vaudeville. Helaas, het is onmogelijk dan de "treden der trap" weêr op te gaan. Dit maal schichtte de helle bliksem mij door het brein toen ik in de lift Jans hôtel door daalde. Onmogelijk het chasseurtje te bevelen weêr te stijgen naar de verdieping, die ik juist verliet en... Jan met mijn laten geest te verblinden. Ik had mij te veel moeten schamen. Ik verbeet dus in stilte mijn ergernis om Jans depreciatie van Florence en om mijn eigen domheid. Ik voelde mij om beiden zeer melancholiek. En liep thans droef langs de Lung'-Arno. Ik werd bijna overreden door de automobiel van een snob. Te meer omdat er een Londensche mist witteweefde over den koepel van Santo Spirito, over de cypressen van Monte-Oliveto, den achterkant van den Borgo S. Jacopo en den Ouden Brug. San Miniato was geheel opgezogen in namiddagnevel, grauwig blank. Eigenlijk vond ik die nevels en misten wèl mooi, maar... ze maakten mij heel melancholiesch om Jans woorden: ik mòcht ze niet mooi vinden, want Jan (die oud wordt) kwam hier voor de zon, die hij dacht te vinden, hoe ik hem ook geschreven had, dat Nice àltijd warmer en zonniger blijft. Ik meende dus, dat het beste maar zijn zoû, mijne vrouw en onze vrienden te gaan vinden in het Grand-Hôtel, om er thee te drinken en den _tango_ te zien dansen--mondain genot in Florence, hoe Jan ook scheldt op hare kleinsteedschheid--toen ik mij bedacht, dat mijn vrouw zéer zeker met dien witten namiddagmist bij haar eigen thee en houtvuur gebleven zoû zijn. Ik sleepte mij dus weemoedig naar huis, peinzende over Jans woorden. Ja, als je niet leefde met de Medici, als je niet dweepte met Fra Angelico, wat deedt je dan eigenlijk in deze doode, kleine stad vol oude kunst?? "Sale petit trou de Florence", hadden Fransche kennissen drie dagen geleden mijn lieve stad gescholden. Neen, de vreemdelingen beminden Florence niet meer. Zij zochten er iets ànders dan wij er twintig jaren geleden zoeken kwamen: lieve, bleeke, mediævale emoties. Zij zochten er auto's, Grand-Hôtels, en _tango_. Neen, zoo wàs Florence nog niet. Er wàs nog altijd Fra Angelico in San Marco en de Madonna della Stella was er terug(?)... en de Gioconda zelfs was er terug gevonden!!! Gebenedijd Florence! Maar ook dit was waar, dat de stad dóod was, een beetje stervende, al deed ze modern en juist dat dóod-gaan òm dat modern-doen, was iets navrants: dan was Brugge misschien oprechter dood... Want het nieuwe, moderne leven van Florence... was dat wel eigenlijk goèd en vitaal...?
Zoo ver was ik gekomen met mijne door blankgrauwen mist omsponnen bespiegelingen. Ik naderde reeds _mijn_ paleis... Toen ik op eens getroffen werd door een aanplakbiljet. Het biljet vertelde mij, dat er in de Via Cavour een tentoonstelling geopend werd van de Italiaansche futuristen, schilders der Toekomst. Dat aanplakbiljet in de doode, mistige Florentijnsche straat, wekte mijne belangstelling... Nieuw leven? Werkelijk? Nieuw leven waakte op onder jeugdige Florentijnen? Jan had ongelijk...?
Ik zocht, koortsig, de Florentijnsche Nuove Giornale. Ik zocht meerdere bizonderheden omtrent de Futuristische tentoonstelling: ik las de namen van Severini, Boccioni, Carrà... En tevens las ik, dat, in het Teatro Verdi--waar wij zoo gaarne boven, op den engelenbak, den Trovatore gaan hooren--een lezing zoû gehouden worden, eene uiteenzetting van principes door de Futuristische groep der poëten, Marinetti aan het hoofd...
* * * * *
Het duizelde mij een beetje. Ik had naar Jan willen toe vliegen om hem te zeggen, dat hij nog een paar dagen blijven moest, om de nieuwe schilders te zien, de nieuwe dichters te hooren... Maar te gelijker tijd wist ik nièt of ik blijde was Jan te kunnen zeggen, dat Florence niet dood was, dat er jong leven trilde in Florence... of dat ik heel treurig was, misschien wel omdat het zoo mistte en heelemaal geen uur en licht was om naar San Marco te gaan om nog eens voor de honderdste maal Fra Angelico te bewonderen.
Zoodat ik maar droefgeestig naar huis ging, waar mijne vrouw mij troostte voor mijne vage melancholie met warme thee en warm houtvuur...
* * * * *
En ik zag, zonder Jan, de schilders en ik woonde, zonder Jan, de lezing bij in het van opgewondenheid trillende Teatro Verdi en als ge het mij vergunt, zal ik er u spoedig van vertellen...
[1] Juist toen ik dit schreef, schreeuwden de _strilloni_ of courantenventers, dat zij in Florence gevonden was!!
VREEMDELINGENHAAT.
Niet waar, het is een nieuw, een futuristiesch gevoel--wij spreken niet meer van modern, maar van futuristiesch--en gij hadt misschien niet gedacht, dat er zoo iets als vreemdelingenhaat bestond in Italië, in Florence. Mij heeft die eerste uiting van dit nieuwe gevoel ook een weinig versteld doen staan, zoo als àlle nieuwigheid u een weinig versteld doet staan--heel weinig echter maar, omdat wij geleerd hebben ons te beheerschen--en dan nog alleen maar stil in u en onzichtbaar voor de buitenwereld, omdat onze poze er eene is van nèrgens ons over te verbazen, zelfs niet al had een luchtvaarder de maan of Mars eensklaps bereikt. Maar trots die poze, mag ik toch wel, o lezer, u over dit nieuwe Italiaansche, Florentijnsche gevoel onderhouden, want tusschen u en mij is geen aanstellerij noodig: ik beken u ten minste maar vrij-weg véel, dat mij ontroert.
Toen dus Papini's redevoering: _Contro Firenze passatista_ ongehoord--om het durend laweide van het publiek--nièt tot mij was door geklonken, las ik haar in het tijdschrift onzer nieuwe generatie: Lacerba. Las ik haar ge-intrigeerd, glimlachend, bekoord en werd het bijna eens met den bitteren redenaar, ook al was ik zelve een vreemdeling. En kan ik niet na laten u er hier van de quintessens te vertalen:
Ik ben hier niet--zegt Papini--om u voor de honderdduizendste maal te vertellen, dat Florence is "wieg der kunsten", "Athene van Italië", "gloeihaard der Renaissance" en "vruchtbare moeder der genieën". En hij gaat door met te zeggen, dat deze vruchtbare moeder hare geniale zonen altijd vervolgd heeft, en dat, ofschoon hij Florentijn is en zijne stad lief heeft, haar verwijt, dat zij alleen leeft in "passatistische bigotterie" en éen groot muzeum van zich maken laat, ten dienste van "al de transalpijnsche en transatlantische apen, die uit stappen aan het station van Santa-Maria Novella".
Hoewel ik natuurlijk mij moet rekenen onder de transalpijnsche apen, ben ik niet al te beleedigd, gij zult later wel zien, waarom. Papini vloekt dan tegen het Florence, dat leeft en teert van de vreemdelingen. "Van den huurkoetsier tot den groot-hôtelier en den schoenenjongen en den antiquiteitenkoopman toe, is de Florentijn de allernederigste dienaar en allerlaagste uitzuiger van... al die bovenvermelde apen. Zie de straten aan: overal hôtels, pensions, café's voor de vreemdelingen; vreemdelingen-reisbureaux en tea-rooms, winkels van antiquiteiten van stelers en heelers, van copieën van beeldhouwwerken en schilderkunst, van fotografieën en ge-illustreerde briefkaarten, van nieuw-oude goudsmeêkunst en "souvenirs" aan Florence in brons, ijzer, majolica, hout en bord-papier. Daarbij is alles muzeum: paleis en kerk en klooster en loggia." En Papini wil nieuw leven in Florence scheppen, wil zijn stàd niet éen muzeum zien voor de "vreemde apen", wil niet hebben, dat, als een winter de zaken in Florence slecht gaan, er gezegd wordt: er zijn dit jaar ook zoo weinig vreemdelingen. Hij wil ook niet, dat, ter wille der vreemdelingen, de oude namen der straten onder de nieuwe blijven vermeld en dat op alle straathoeken versregelen van Dante op marmeren platen herinnering wekken aan huis of personen of voorval, die Dante tot deze regelen bezielde. Hij wil Florence een nieuwe, futuristische stad, waar het jeugdige, Florentijnsche geslacht, vrij van alle "passatisme", leve in de idealen der Toekomst, in de bewondering van "vrije woorden"--verzen zonder rijm of rythme--van dynamische of chemische of natuurkundige schilderijen en van eene levensbeschouwing, die anti-filozofiesch en anti-moralistiesch is. En dan wil hij al de Amerikaansche snobs, al de Duitsche Professors, al de arme, oude Engelsche dames, al de Fransche haastige toeristen en de Italiaansche Dantisten... in de Arno gooien en Florence voor de Florentijnen behouden.
* * * * *
Er is in ieder nieuw ideaal iets waars en iets moois, al kan het ook den beminnaars van het Oude onaangenaam aan doen en al kan het door een vurige, jeugdige welsprekendheid zonder mededoogen worden geuit. Wij hebben ook om en bij '80 zoo vurig en mededoogenloos gescholden tegen een ouder, letterkundig geslacht. De futuristische, Italiaansche beweging is echter gericht tegen passatistische kunst èn passatistiesch leven en mogen wij het wraken, dat er in de jonge, Italiaansche ziel een nieuwe behoefte ontwaakt, een brutaal en frisch levensideaal zich verheft boven alle waardeering van het Oude? In dit land, in dit volk is sedert eeuwen het Heden gedrukt gebleven door den zwaren rijkdom van het Verleden. Hoe wij het Verleden ook lief hebben, wij moeten het Heden zijn recht laten te ademen--en niet te verstikken--te leven--en niet te vegeteeren. Wij moeten het jonge geslacht zich zijn eigen weg laten zoeken, al lijkt óns die weg niet sympathiesch, een weg tusschen vele puinhoopen door van wat wij, gevoeliger, beminden, een weg door een schel, hel, braak landschap, zonder tinten van weemoed, zonder schaduwen van sentiment, zonder droom en zonder verteedering. Want deze allen, die ons lief zijn, de Italiaansche futurist kent haar niet. De blik, die naar den verren horizon staart, ziet scherp uit en wil niet den mist van den traan of het waas eener stemming van aandoening. Hij kent niet de bekoring van stof en spinneweb, van patine, van wat verbleekt is en wat getaand, van wat roest en wat is gebrokkeld, gebroken. Hij wil vergeten, dat hij is een kind der eeuwen en wil slechts de zoon van het Oogenblik zijn; ja, àls hij droomt, droomt hij zich de Vader der Toekomst. Hij wil een kunst, die anders zal aandoen dan àlle, gewezene kunst; hij wil een litteratuur, die anders zal spreken, een muziek, die anders zal klinken, een architectuur, die anders zal rijzen; hij wil een leven, anders dan vele geslachten geleefd hebben. Hij wil iets nièuws. Wàt hij wil, is hemzelven niet geheel duidelijk... maar mogen wij hem dit kwalijk nemen als hij jeugdig is, vurig en brutaal?
Papini--al ben ik maar een aap van over de Alpen, geschikt om met de andere vleet in de Arno te worden gesmeten--heeft gelijk als hij tegen het vreemdelingen-Florence scheldt. Want de intelligente aap--ik meen, vreemdeling--en als ik mij bij de apen tel, mag ik toch wel bij de intelligente gerekend worden, hoop ik--heeft evenals Papini een afkeer van het snobisme, dat, òm Florence--en geheel Italië daarna--gezien te hebben, enkele dagen hier vertoeft en dan meent iets in zijn herinnering, hart en hersenen te hebben opgestoken van al het schoons, dat het oude Florence haar waren beminnaar nog altijd schenkt, in afwachting van de schitterende Toekomst, die haar jeugdigste genieën op roepen. Ook hij, wil wel in de Arno gooien--zoo niet, menschlievender, toeristen, professoren, jonge huwelijksparen en oude vrijsters--dan toch wel heele winkels vol van afschuwelijke nadoenerij in leelijke kleur en verknoeid marmer. Hij twijfelt alleen die intelligente aap, of het wel goed gezien is van een stad als Florence, en wij kunnen er bij voegen een stad als Venetië en half-Rome, iets anders te maken dan wat zij noodlottig geworden is: iets als éen groot muzeum. Waar het Verleden rijk is geweest en vele sporen na liet, blijft de Toekomst ge-emailleerd met dat Verleden en waarom zoû dat niet mogen? Waarom mag Florence, ik meen het oude Florence, dat zich strekt van Pitti, van Uffizi tot San Marco toe... niet éen groot muzeum blijven? Is er geene ruimte genoeg, maagdelijke ruimte om te bouwen, schilderen, muziek te maken, in een woord te léven op futuristische wijze tusschen dat oude Florence en Fiesole? Men zegt, dat Marinetti zoo rijk is: waarom koopt hij niet terreinen bij Fiesole, en sticht een futuristiesch Walden?
* * * * *