Jacob Martens: Een verhaal uit de zestiende eeuw
Part 8
--"Wat natuurlijker," ging Vader Anselmus voort, "voor een jong en edelmoedig herte, dan dat het medevoelt met ellendigen en verdrukten. En hoe snel komt de onbedachte jeugd er niet toe, om partij te trekken voor wat haar verdrukt schijnt, zonder te vragen naar de oorzaak van het leed, dat zij wil verzachten. Uw zoon heeft gedwaald, maar 't is de dwaling van een edel gemoed. En in plaats van hem met liefde te leiden hebt ge hem met harde, bittere woorden bejegend, en hem zóó voortgedreven op zijn weg, voort naar de sectarissen, tot gij zelve vreest, dat hij betrokken zal worden als medeschuldige aan hun heiligschennend werk."
Jacobs moeder boog bedroefd het hoofd.
--"Maar wij willen hem redden," ging de prior voort. "Ik geloof met u, dat de regeering de rebellen zwaar zal straffen, en dat wie in de eerste hitte des toorns worden getroffen, voor velen zullen boeten. Maar de "vrijheid" van ons klooster, ons recht van vrijplaats, is nog nimmer aangetast. Spreek met den president, en breng ons uw zoon, voor eenige weken, voor eenige maanden misschien. Men zal den zoon van den president van Vlaanderen, wiens ijver voor de zaak des Konings bekend is, niet al te zeer zoeken, meene ik. Men zal ook deernis hebben met zijne jonge jaren. Hij zal hier veilig zijn, en als hij wil, kan hij de studie der oude Heidensche schrijvers weder opvatten, waarbij ik hem gaarne naar mijne zwakke krachten zal bijstaan."
Vrouwe Martens slaakte een zucht van verlichting. Dit voorstel bracht inderdaad redding. Zelfs al wilde men Jacob vervolgen om zijn omgang met Junius, en het deel, dat hij, zij het dan als lijdelijk toeschouwer, had genomen aan de beeldstormerij, onder de hoede der Dominicanen zou hij veilig zijn. En wie kon er beter geschikt zijn, om hem van zijne kettersche afdwalingen te genezen, dan een heilig man, als de prior?
Maar haar gelaat betrok weder.
--"Ik vreeze, Eerwaarde Vader," zeide zij onrustig, "dat mijn zoon zóó is aangetast door het gif der ketterije, dat hij mogelijk niet zal inzien, wat tot zijn heil dient en zal weigeren, zich onder uw hoede te stellen. Dat ik het van mijn kind getuigen moet! Hij is onze gehoorzame zoon in alle dingen, maar in zake van deze rebellie en ketterije hebben wij geen invloed meer op hem, zijn vader, noch ik. Zouden wij dan... met geweld..."
Vader Anselmus schudde afkeurend het hoofd.
--"Geen geweld en geen dwang, dochter, het zou den knaap slechts verbitteren, en daarbij,--nog is alles in gisting, nog hebben die van de Calvinische secte grooten aanhang in de stad,--het ware wellicht niet geraden. Er zijn andere wegen om een jeugdigen dwaas te redden, al is het tegen zijn wil. Luister! Kom morgen met uw zoon naar den vesperdienst in onze kapel. Na den dienst zal een der broeders u tot mij leiden. Ge verlaat het klooster,--en ge laat het mij over met den jonker Martens te spreken. Zoo ge hem misleidt, het is voor zijn welzijn. Een tijd van stille afzondering zal hem heilzaam zijn en met de hulpe van onzen heiligen Patroon geef ik hem u terug als een gehoorzamen zoon en een goed Christen."
Blijde stemde Vrouwe Martens in met het voorstel van den prior. Met een verlicht hart verliet zij het klooster en zocht, thuisgekomen, aanstonds den president op, met wien zij een langdurig onderhoud had.
Op bevel van zijn vader had Jacob sinds den beeldenstorm de ouderlijke woning niet verlaten. Hij wilde zich in alles, waar hij het kon en mocht, een goeden en gehoorzamen zoon toonen. Het smartte hem, dat hij zijne ouders een groot verdriet moest aandoen, maar mocht hij, ja kòn hij anders? Hij kon haar niet dooden, die diepgevoelde overtuiging, die er leefde in zijn ziel en die het beste was, wat hij bezat. Hij kon evenmin huichelen. Wat kon hij dan anders, dan zwijgen, dulden, en afwachten?
Inmiddels kropen de dagen traag voorbij. Zijn boeken en zijn Liesveldsche Bijbel, dien hij met zijn geuzenpenning zorgvuldig verborgen had gehouden, waren zijn eenige troost. Berichten van zijne vrienden konden hem niet bereiken, want president Martens had strenge bevelen gegeven, dat niemand bij zijn zoon mocht worden toegelaten. Wat hij nog vernam, hetzij door de fluisterende gesprekken der dienstboden, die hij opving, of uit de weinige woorden, die zijne ouders aan tafel wisselden, waren geruchten over de dreigende houding der Regeering, over den toorn des Konings en over de ellende, die de oproerige edelen en hun aanhang over het land brachten. Zijn vader was kortaf en stroef, zijne moeder, als altijd, hard en koud, Madeleine behandelde hem met smalende minachting en wees elke poging tot verzoening af. Alleen zijn zuster trachtte hem te troosten, maar haar troost baatte hem niet veel. De goede Klaartje kon maar niet begrijpen, waarom Jacques opeens zoo koppig en dwars was geworden. Wat konden hem toch die Geuzen schelen, die oproermakers, waarvoor zij bang was en die kettersche predikanten, wier eenige toeleg immers was, de menschen in 't verderf te storten. Haar biechtvader had het haar verzekerd en haar moeder geloofde het ook. Waarom kon Jacques weer niet zijn als vroeger en ter misse en te biecht gaan? Dan zou alles weer goed zijn en met Madeleine zou het dan ook wel weer in orde komen, want die hield zich maar boos.... En haar mooie, blauwe oogen keken den armen Jacques verwijtend aan.
Niet weinig was Jacob verwonderd, toen zijne moeder hem, op zachter toon dan gewoonlijk, verzocht haar te vergezellen naar den vesperdienst in de kapel van het klooster der Predikheeren. Die kapel was nog ongeschonden. Was het toeval? Hadden de hooge kloostermuren haar beschermd, of was de gunst, waarin de Predikheeren zich bij het volk mochten verheugen, hun in deze woelige dagen te stade gekomen? Hoe het zij, de kapel was niet door de beeldstormers bezocht en het klooster had geen last geleden. Het kon niemand verwonderen, dat Vrouwe Martens, nu haar parochiekerk, de oude St. Jacobus, was vernield en ontwijd, den dienst ging bijwonen in de stille kapel.
Jacob was terstond bereid; hij was verheugd over dit bewijs van toenadering. Zelfs al meende zijne moeder, dat hij, door haar te vergezellen, tegen zijn overtuiging handelde en dat hij reeds begon te wankelen, dan mocht hij toch haar wensch niet weerstreven. Hij nam zijn bonnet en den korten Spaanschen mantel, die toen reeds door aanzienlijke jongelieden werden gedragen, en hij maakte zich gereed zijne moeder naar het Dominicanerklooster te vergezellen.
Toen hij zijn kamer verliet, en de breede trap afdaalde naar het voorhuis, ontmoette hij de beide meisjes. Madeleine wierp hem een vreemden, spottenden blik toe, terwijl zij coquet met een medaille van Onze Lieve Vrouwe van Halle speelde, die aan een snoer van gouddraad om haar hals hing. Klaartje echter viel haar broeder onstuimig om den hals, en kuste hem, met tranen in de oogen.
Juist wilde hij haar vragen, wat toch haar tranen en haar hartstochtelijke teederheid beteekenden, toen de gebiedende stem zijner moeder in het voorhuis klonk. Met een kus en een schertsend woord maakte hij zich los uit de armen zijner zuster, en na een hoffelijken groet aan joffer de Bette, snelde hij ijlings naar beneden.
De avond was reeds gevallen, toen moeder en zoon het klooster bereikten. De groote poort, die anders des morgens en des avonds open stond, om de geloovigen, die dat mochten verlangen, de gelegenheid te geven de mis of de vesper in de kloosterkapel bij te wonen, was thans, met het oog op de onrustige tijden, gesloten. Ook het kloosterklokje klepte niet: de klokken der kerken en kapellen van Gent, die anders zoo vroolijk jubelend konden beieren bij mis of vesperdienst, zwegen nu over de ontwijde bedehuizen en de kapel der Dominicanen stemde in met den algemeenen rouw der Kerk. Mogelijk wenschte men ook wel de aandacht van het nog altijd oproerige gemeen niet op het klooster te vestigen.
De ijzeren klopper dreunde op de eikenhouten deuren; het gebaarde gelaat van den broeder portier verscheen een oogenblik voor het getraliede luikje; toen ging de poort open en Vrouwe Martens trad met haar zoon binnen.
Een tweede binnenpoort, eveneens van zwaar eikenhout, met ijzeren bouten en klinknagels beslagen, gaf toegang tot het "claustrum", het eigenlijk gezegde klooster, afgesloten van de woelige wereld daarbuiten. Zij bevonden zich nu in de groote kruisgang, die heenleidde naar de verschillende gedeelten van het reusachtig gebouw. De dienst zou spoedig beginnen. Van alle kanten verschenen de spookachtige gedaanten der monniken, in hunne witte pijen, met de kappen diep over de oogen getrokken en de handen gevouwen onder het zwarte scapulier, om zich op te stellen in het claustrum voor den gang ter kapel.
Vrouwe Martens en Jacob gingen den zwijgenden stoet voorbij en betraden de kloosterkerk. Een jonge monnik, geknield bij de deur, bood hun het wijwater aan en met een donkeren blik zag de moeder, dat haar zoon de heilige gave met een lichte handbeweging afwees.
In het middenschip der kapel gekomen, in de ruimte, voor de geloovigen buiten het klooster bestemd, knielde Vrouwe Martens neder, terwijl Jacob bleef staan in de schaduw van een der zware pilaren, waar hij den dienst onopgemerkt kon bijwonen. Een oogenblik nog, en de witte stoet der monniken, door hun prior voorafgegaan, schuifelde de kapel binnen. De monniken en conversen namen hun plaatsen in, het hamertje van den prior gaf het teeken, allen stonden op en de krachtige mannenstemmen hieven een "Gloria in excelsis!" aan.
Met ongeduld wachtte Jacob in de schaduw van zijn pilaar op het einde van den dienst. Als meer jonge menschen, die zich pas een eigen overtuiging verworven hebben, was hij geneigd tot eenzijdigheid en overdrijving. Hij vergeleek den vormendienst der zingende monniken met de eenvoudige verkondiging van het Woord Gods onder den blauwen hemel, het Latijnsche kerklied met het goed-ronde Vlaamsch der Datheensche psalmen, het versierde altaar met de flikkerende kaarsen bij het zonlicht, dartelend door het jonge gebladerte ter "groene preek",--en met minachting wendde hij zich af van de oude religie en hare vormen, die zijne Gereformeerde vrienden hem hadden leeren minachten als "Paepsche mommerijen". Hij had op dat oogenblik geen oog voor de schoone mystiek van den Roomschen eeredienst; hij vergat, dat ook die vormen eens nieuw waren geweest, dat ook zij eens uitdrukking waren geweest van het geloof eener strijdende gemeente en dat die vormen op zichzelf niet verwerpelijk waren, als de inhoud maar aanwezig was: waarachtig geloof en verootmoediging des harten;--hij zag er slechts de symbolen in van een godsdienst, die niet troostte, maar vervolgde, die wilde heerschen in stede van te dienen, en dien hij, en duizenden met hem, hadden leeren haten en verachten.
De dienst was geëindigd. De witte gedaanten der monniken verdwenen door de deur der kapel, maar nog altijd lag Vrouwe Martens, in gebed verzonken, naar het scheen, op haar knielbank. Jacob wachtte, tegen zijn pilaar geleund, geduldig, tot zijne moeder gereed zou zijn met hare devotie. Op dat oogenblik trad een monnik de kapel binnen; hij ging op de geknielde vrouw toe en scheen haar iets in te fluisteren.
Vrouwe Martens stond op.
--"De Eerwaarde prior wenscht mij te spreken, Jacob," zeide zij, weer op zachter toon dan gewoonlijk. "Wacht hier op mij. Uw verblijf in het huis Gods zij gezegend!"
Verbeeldde hij het zich, of was het een vreemde, schuwe blik, waarmede zijne anders zoo fiere en strenge moeder hem aanzag?
Jacob zette zich neer en wachtte. Droomerig staarde hij naar de gele vlammetjes der waskaarsen, naar het matte schijnsel van de eeuwige lamp voor het altaar. Het was doodstil in de kapel. De dikke kloostermuren lieten geen geluid van buiten doordringen en het klooster zelf scheen uitgestorven. Zonder dat hij het wist of wilde, vielen zijn oogen toe.
Hij ontwaakte met een lichten schrik en een gevoel, alsof hij niet langer alleen was. Een oogenblik moest hij zich bezinnen, waar hij zich bevond. Hij zag om zich heen. De broeder-sacristijn was bezig, om, geholpen door twee convers-broeders, de kaarsen te dooven en de kapel weder in orde te brengen.
Naast hem stond een lange gestalte, in de witte pij der orde. Het gelaat was verborgen in de wijde kap, maar aan het gouden kruis op de borst herkende Jacob den prior.
--"Is mijne moeder gereed?" vroeg hij verward.
--"Uwe vrouw moeder is reeds lang vertrokken," zeide de prior bedaard en ernstig. "Wees gerust, een vertrouwd man heeft haar begeleid."
--"En ik, die haar moest vergezellen? Zij zal meenen, dat ik zonder haar ben heengegaan!" zeide Jacob. "Vergeef mij, Vader," vervolgde hij haastig. "Mijne moeder heeft u misschien verzocht met mij te spreken. Een andermaal gaarne, maar thans moet ik terstond naar huis. Mijne moeder mag niet denken.."
--"Uw moeder weet, dat ge hier zijt, jonker," viel hem de prior in de rede. "Het is op haar verlangen, dat ik u heb opgezocht. Het is haar wensch en ook die van uw vader, dat ge eenigen tijd hier bij ons zoudt vertoeven, als onze gast."
Verschrikt staarde Jacob den monnik aan. Hij begon te begrijpen. Het was hem een oogenblik of de steenen vloer der kapel onder hem wegzonk. Men wilde hem in het klooster gevangen houden.
Hij herstelde zich en wierp een snellen blik naar de deur der kapel.
--"Ik kan uw gastvrijheid niet aannemen, Eerwaarde Vader," zei hij met een stem, waaraan hij tevergeefs trachtte de noodige vastheid te geven. "Ik moet gaan."
Hij deed een stap naar de deur. Was het toeval, dat de beide gespierde leekebroeders zich daar thans bevonden? Ze waren ijverig bezig met hun arbeid en schenen niet op hem te letten, maar hij kon de deur niet bereiken, zonder hen voorbij te gaan.
Vader Anselmus leide hem de hand op den schouder.
--"Als onze geëerde gast," herhaalde hij, langzaam en met nadruk. "Ik vertrouw, dat het zóó zal zijn, jonker, en niet als een ongehoorzame zoon, die zich de tucht ontwassen waant."
--"Als een ongehoorzame zoon," mompelde Jacob, terwijl hij den prior met een bleek en ontsteld gelaat aanstaarde.
--"Uw ouders wenschen u te behoeden voor de gevolgen van uw dwaas en onvoorzichtig gedrag in de laatste maanden," zeide Vader Anselmus met gedempte stem, terwijl hij den jongen man doordringend aanzag. "Het was hun uitdrukkelijke wensch, dat wij u onder onze hoede zouden nemen. "Eert uw vader en uwe moeder" is een gebod, dat, naar ik meen, ook nog onder de nieuwe religie in eere wordt gehouden."
Jacob boog het hoofd. Een stroom van aandoeningen en verwarde gedachten overstelpte hem.
--"Onze broeder-gastmeester zal u uw kamer wijzen," zei de prior kalm en beslist. Toen ging hij voort, met meer hartelijkheid, dan Jacob van den strengen man had verwacht:
--"Wees niet zoo bedroefd en ontsteld, mijn zoon. Wij meenen het wel met u. Gij kunt bij ons uwe studiën voortzetten. Ik zelf zal uw leermeester zijn, en ge kunt hier rustig toeven, tot het onweer, dat dit ongelukkige land bedreigt, zal zijn afgedreven."
De prior gaf den broeder-sacristijn een wenk. Deze verwijderde zich en kwam weldra terug met een anderen monnik, den broeder-gastmeester, wien Vader Anselmus met een kort woord de zorg voor zijn gast opdroeg.
Met een stommen groet volgde Jacob zijn gids, die hem voorging naar een der cellen, die voor logeerkamers waren ingericht. Hoffelijk doch kloek wees hij het aanbod van den monnik af, die hem aanbood zijn avondeten voor ditmaal naar zijne cel te doen brengen.
Zijn gemoed was vol. Hij, Jacob Martens, de zoon van den president van Vlaanderen, in een kloostergevangenis! En daar listig heen gelokt door zijne moeder! O, nu begreep hij haar afscheidswoord!
Zijne verbittering belette hem, over de handelwijze zijner ouders billijk te oordeelen. Hij kon er op dat oogenblik niet aan denken, dat er liefde kon schuilen in hunne zorg, om de gevaren, die hij niet kende of niet telde, af te wenden van zijn hoofd. Al wat een jong en vurig gemoed moet voelen, als het zich ziet gedwongen te buigen voor harden dwang, als het zich moet schikken in het onvermijdelijke, kookte en bruiste in zijn binnenste en deed zijn hart kloppen en zijn oogen branden. Hij trachtte te bidden, maar het was te onstuimig daarbinnen. Hij kon zijne gedachten niet verzamelen, zijne ziel niet verheffen tot den Heer.
Eindelijk wierp hij zich, bedroefd en afgemat, op het eenvoudige bed, maar het duurde lang, eer hij den slaap kon vatten. Eerst tegen den morgen viel hij in een onrustige sluimering. Toen hij wakker werd, waren zijn bovenkleederen, die hij had afgelegd, verdwenen. In hunne plaats vond hij een witte pij van de Dominicaner-orde met het korte scapulier der novicen.
VII.
Vader Anselmus was een te verstandig man en een te goed menschenkenner, om zijn "gast" aanstonds over zijne "kettersche gevoelens" te onderhouden.
Nauwelijks had Jacob zich dien eersten morgen niet zonder weerzin in het kloostergewaad gekleed, of een leekebroeder verscheen in zijn cel, om hem te zeggen, dat de prior hem wenschte te spreken.
Jacob moest wel gehoorzamen: hij zag zeer tegen dat onderhoud op, want hij vreesde, zijn godsdienstige gevoelens te moeten verdedigen tegen den statigen kloostergeleerde, voor wien hij, als een natuurlijk gevolg van zijp opvoeding en de gewoonte van jaren, een heimelijk ontzag had. Doch het onderhoud viel hem bijzonder mede. De prior sprak met geen enkel woord over het gevreesde onderwerp, doch deelde hem eenvoudig mede, dat hij op zich genomen had de studiën van zijn gast te leiden, tot deze weer naar de Leuvensche School zou kunnen terugkeeren. Hij wees Jacob de Grieksche en Romeinsche schrijvers aan, die hij had te bestudeeren en spoorde hem aan tot vlijtigen arbeid; de tijd moest in het klooster niet in ledigheid worden gesleten. De vroegdiensten behoefde hij niet bij te wonen, maar de prior rekende er op, dat Jacob bij de mis en den vesperdienst niet zou ontbreken.
Het werd gezegd op een kalmen toon van gezag, die geen tegenspraak toeliet. Toen Jacob een enkele toespeling waagde op het hem opgedrongen kloosterkleed, antwoordde de prior, dat het een eere was, het kleed van den Heiligen Dominicus te mogen dragen, en dat het zeker niet te veel verlangd was, dat jonker Martens, in ruil voor de gastvrijheid, die hij genoot, zich schikte naar de regelen van het huis, dat hem een schuilplaats bood. Met een enkele handbeweging werd hij daarop ontslagen.
Met zeer gemengde aandoeningen keerde Jacob naar zijn eigen cel terug, die uitzag op den ruimen kloosterhof. Hij had zich dat onderhoud heel anders gedacht. Hij had gemeend, zich te moeten verdedigen, zijn geloof te moeten handhaven tegen den fellen aanval van een geleerden priester der Roomsche Kerk, even bekwaam in de godgeleerdheid als in de dialectiek, hij had er op gerekend, dat hij zou moeten protesteeren tegen gewetensdwang, hij had zich bijna een aanstaanden martelaar gewaand,--en niets van dat alles was geschied. Hij had eenvoudig een taak gekregen, als een gewoon scholier. Hij had zich in den geest gewapend tot een hevigen strijd,--en hij had geen tegenstander gevonden. Op zijn overspanning volgde natuurlijk een toestand van matheid en moedeloosheid,--en dat was het juist, wat Vader Anselmus had verwacht en gewenscht.
Jacob zette zich aan zijn taak en trachtte in de verzen van Virgilius de gedachten, die hem kwelden, te vergeten. Hij had er aan gedacht, te weigeren om de viering der mis bij te wonen, maar na zijn nederlaag zonder strijd--de zwaarste beproeving voor een karakter als het zijne--ontbrak hem daar thans de veerkracht toe. Toen de kloosterklok het teeken gaf, nam hij zijn plaats in, achter in de rij, die zich opstelde in de breede kruisgang en ging hij mee ter kapel. Wel knielde hij niet neder, toen de officieerende broeder den monstrans ophief, om de hostie ter vereering aan de geloovigen te toonen, maar het scheen, dat niemand daar op lette.
De dag kroop voorbij. De prior had zijn maatregelen goed genomen en zijne bevelen werden stipt uitgevoerd. Noch in den refter, de eetzaal van het klooster, waar de monniken zwijgend aten, terwijl één hunner voorlas uit een kerkvader, noch in het recreatie-uur, dat in den kloosterhof werd doorgebracht, wijdde iemand eenige bijzondere aandacht aan den jongen gast. Men behandelde hem beleefd en vriendelijk, maar juist, alsof hij al jaren in het klooster had doorgebracht.
Eindelijk sloeg het uur van den vesper. Moe van den ingespannen arbeid, was Jacob thans blijde, dat hij naar de schoone kloosterkapel kon gaan. Hij troostte zich met de gedachte, dat de psalmen Davids, die straks door de monniken zouden worden aangeheven, toch dezelfde liederen waren, als de kloeke psalmen van Datheen, die hij ter "groene preek" uit den mond der Vlaamsche landlieden had gehoord. En toen de broeders psalm 138 aanhieven, luisterde hij aandachtig en weldra stemde hij mede in:
"Si sumpsero pinnas meas diluculo et habitavero in extremis maris,"
"Etenim illuc manus tua deducet me, et tenebit me dextera tua."
"Et dixi: forsitan tenebrae conculbalunt me, et nox illuminatio mea in deliciis meis."
"Quia tenebrae non obscurabuntur a te"... [2]
"De duisternis is voor U niet donker," klonk het na in Jacobs ziel. God sprak tot hem door Zijn Woord, want het wàs toch Zijn Woord, dat hem daar uit het Latijnsch kerkgezang tegenklonk. Hij gevoelde zich getroost en bemoedigd: God was ook in het klooster, Zijn rechterhand zou hem houden, op Zijn tijd zou het alles goed worden.
De dagen verliepen en werden tot weken en nog altijd was Jacob in het Dominicaner klooster.
Hij studeerde er vlijtig onder de leiding van den prior, die zich een streng, maar uitstekend leermeester toonde. Bezoeken ontving hij niet. Wel kreeg hij brieven: soms een enkel stroef woord van zijn moeder, maar daarentegen lange en hartelijke brieven van Klaartje, soms in deftig Fransch, soms in wat onbeholpen Vlaamsch. Clara schreef hem over zijn vader, die thans dikwijls door de Regeering werd geraadpleegd over de zaken des lands, over Madeleine, die een uitnoodiging had aangenomen van hare bloedverwanten te Brussel, omdat zij zich in Gent niet veilig achtte voor de vileynighe Geuzen, zooals zij zeide. Madeleine had met veel opgewondenheid geschreven over de feesten, die zij had bijgewoond,--want ook de treurige toestand des lands kon den Brusselschen adel niet tot ernst stemmen--en, zoo liet het zusje er niet zonder onrust op volgen, zij schreef zoo herhaaldelijk over Thierry de St. Foy, die bij meer dan een gelegenheid haar cavalier was geweest.
En als Jacob zulk een brief had ontvangen, dan liep hij met een bleek gezicht en saamgeknepen lippen zijn cel op en neer en dan kwam er van het werken weinig. Hij had Madeleine afgestaan, hij had zichzelf en zijn jonge liefde verloochend, zeker, zeker!--en toch was er op den bodem van zijn hart nog een heimelijke hoop, dat hij het offer niet zou behoeven te brengen, dat ook voor Madeleine nog eens het licht der waarheid zou opgaan en dan...
Dan was het weer over de onrust der tijden, dat Klaartje schreef: wel wat verward, want het goede kind kon de verschillende partijen niet wel uit elkander houden. Zij klaagde maar over de "quellagiën ende de errueren", de troebelen en de twisten, die den vrede van haar jong leven waren komen verstoren en die haar haar broeder en haar vriendin hadden ontroofd. Toch vernam Jacob van haar, dat op last van Egmond een aantal van de hoofden der beeldstormers waren gevat, en dat zij weldra zouden worden terechtgesteld.