Jacob Martens: Een verhaal uit de zestiende eeuw
Part 7
Jacob had het venster van zijn kamer geopend, en, op het kozijn geleund, staarde hij naar buiten, in den schoonen zomernacht. Vóór hem lag de donkere stad, maar 't was er niet, zooals anders op dit uur, rustig en stil. Verwarde geluiden stegen op uit den nacht; gejoel en psalmgezang, geschreeuw en getier, dan weer de galm van een Geuzenlied. Van tijd tot tijd werden de donkere straten even verlicht door een rossen gloed, als er een troep, met harstoorts of pekkrans zwaaiend, daarheen trok.
En plotseling stegen er uit die duisternis vreemde geluiden op, nu schril en schetterend en schel, als het hoongelach van duivelen, dan brommend en loeiend, als een monster in doodsangst. Het galmde en schaterde door de nauwe straten, en de Gentsche burgers, die deuren en luiken eerst angstig gesloten hielden, vertoonden zich nu met ontstelde gezichten aan hunne vensters, om te weten welke helsche macht er over hunne stad was losgelaten.
Ook Jacob boog zich, verwonderd en ontsteld, voorover. Het gebriesch, het gillend gegalm kwam nader en nader, een tierende hoop kwam langs de "dulle Griete" de Vrijdaegsmarkt op, verlicht door hunne pekfakkels,--wrongen van zeildoek of werk, in teer gedoopt en aangestoken. Het rosse licht viel op de mannen en opgeschoten jongens, die voor aan den stoet liepen. Zij waren voorzien van lange, blinkende instrumenten, waarin zij bliezen met de volle kracht hunner longen, onder het geschater der omstanders. Eén oogenblik stond Jacob verbaasd; toen begreep hij wat er gaande was, en hij schaamde zich voor zijn angst. Die instrumenten waren de orgelpijpen der Antwerpsche kerkorgels, door de beeldstormers naar Gent gebracht, en uitgedeeld onder het grauw.
En al gillend en huilend voorspelden ze den ondergang van de heiligenbeelden te Gent.
Den volgenden morgen was Jacob al vroeg op straat. Hij vreesde, dat zijn vader hem zou verbieden, het ouderlijk huis te verlaten en een koortsachtige nieuwsgierigheid dreef hem naar buiten, om te zien wat er zou gebeuren. Want dat de beeldenstorm dien dag naar Gent zou overslaan, stond vast.
Het was druk op straat. De meeste gildebroeders hadden zich uit eigen beweging naar hunne loopplaatsen begeven, en wachtten op de bevelen hunner overlieden. Evenals den vorigen avond trokken er troepen volk door de stad, soms benden opgeschoten knapen, tierend en schreeuwend, blijkbaar in hun element, maar ook wel andere groepen, mannen met stroeve gezichten en saamgeknepen lippen, of anderen, met wilde, dwepende oogen, die in woeste geestvervoering de Datheensche psalmen zongen. Het volk stroomde naar het Raadhuis, waar de overheid, de zes en twintig "mannen oprechte", en de overlieden der twee en vijftig ambachten en der wevers, waren vergaderd, onder voorzitterschap van den Hoog-baljuw. Jacob volgde den stroom en bevond zich weldra voor het eerwaardige gebouw. Juist kwam hij er aan, toen hij een groep burgers zag, die de trappen van de hooge stoep opklommen. Hij herkende terstond eenige der voornaamste Gereformeerden en aan hun hoofd, met een grooten, gezegelden brief in de hand, bevond zich de roerige Lieven Ongena,--die weinig vermoedde, dat die gang hem binnen weinige maanden het hoofd zou kosten.
Na eenigen tijd kwam de deputatie terug, ditmaal vergezeld door een wacht van hellebaardiers. Het gezicht van Lieven Ongena glom van genoegen, zijne onrustige oogen flikkerden zenuwachtig en met luider stem riep hij het volk toe:
--"De beelden worden weggenomen op last van Mijnheer den Hoog-Baljuw! Naar St. Baef!"
--"Naar St. Baef! Naar de kerk!" jubelde het volk. "Weg met de Santen! Weg met de afgodsbeelden!"
En juichend, onder het zingen van psalmen en Geuzenliederen, trok men naar de hoofdkerk.
Vol verbazing over de zonderlinge toegeeflijkheid van den Hoog-baljuw sprak Jacob Martens een van de leden der deputatie aan, dien hij kende.
--"Zeg mij toch eens, Meester Geleynsz, hoe heeft Lieven Ongena dàt er door gekregen?" vraagde hij nieuwsgierig.
De Gentenaar lachte spottend.
--"Ze zijn daarginds met blindheid geslagen of zot!" zei hij. "Lieven Ongena trad stout voor den Hoog-baljuw en zeide, dat er last was, om de beelden uit de kerken weg te doen. "Van wien is die last?" vraagde men. "Van de hoogste Majesteit!" zei Lieven en hij wees op zijn verzegeld perkament. En zoudt ge 't gelooven? de ezel liep in den strik en zei, dat hij 's Konings bevel moest gehoorzamen. Lieven Ongena bedoelde natuurlijk, dat men de beelden moest afwerpen volgens den last des Heeren, in het tweede gebod."
Zóó was het. Het ongelooflijke was geschied. Al is 't niet aan te nemen, dat de weifelende Adolf van Bourgondië inderdaad meende, dat er een bevelschrift der hooge Regeering was, om een daad te plegen, die zij moest verfoeien, hij verschool zich achter die bewering, om oproer te voorkomen. "De beelden zouden ordelijk worden weggenomen en geborgen, en niemand zou eenig geweld plegen."
Maar zoo hij gemeend had, op deze wijze den storm te bezweren, het mislukte hem deerlijk. Wat Lieven Ongena wellicht had beloofd, hij was er de man niet naar, om een volksbeweging te leiden. Nauwelijks waren de kerkdeuren van St. Bavo geopend, of het volk, door eenige Antwerpsche beeldstormers geleid, drong de kerk binnen en begon het werk der verwoesting.
Waar men zoo spoedig de ladders, de touwen en het overige gereedschap vandaan haalde, begreep Jacob niet, maar in een oogenblik stonden de hooge leeren tegen de zuilen der kerk en jonge gasten klommen als katten naar boven. Om het hoofd der heiligenbeelden werd een strop geslagen. "Berg je beneden!" klonk het en een schaar van mannen en vrouwen spanden zich juichend aan het afhangend touw. Nog een oogenblik en het zware beeld stortte van zijn voetstuk en viel op de zerken te pletter.
Van een geregeld wegnemen en opbergen der beelden en schilderijen, zooals de leiders misschien hadden bedoeld, kwam niets. Het volk was niet te houden. Jacob Martens, die niet ver van het altaar het werk der verwoesting aanschouwde, zag met ontzetting de uitbarsting van den wrok van het lang geplaagde volk. Het aantal van hen, die eigenlijk het werk deden, was niet zoo groot, maar de schare stond er bij, en zag het aan, met kennelijk welgevallen, soms met luide toejuiching. Hij zag, hoe eenige jonge knapen zich van een langen sliet hadden meester gemaakt en er onder luid gelach de schoone schilderijen, de meesterwerken der oude Vlaamsche school, die de wanden der kerk versierden, mee stuk stieten. Geschilderde glazen en fraai houtsnijwerk, gouden en zilveren kelken en gedreven koperwerk, alles werd vernield en vertrapt door de fanatieke menigte, die van kunst geen begrip had en in dit alles slechts de symbolen zag van een eeredienst, dien zij verfoeide.
Het altaar was tot nog toe gespaard. Het was, alsof een zekere schroom de beeldstormers had weerhouden zich te vergrijpen aan wat velen hunner in hun jeugd heilig was geweest. Nu vloog echter een schippersknecht de trappen op, stiet de gewijde kaarsen omver en rukte het ciborium open. Hij nam den monstrans en hield dien een oogenblik in de hoogte, terwijl hij spottend den priester nabootste. Toen opende hij de vaas en nam er de gewijde ouwels uit.
--"Melis! Melis! Jan de Witte!" [1] juichte het volk.
--"Wie wil een God?" schreeuwde de schipper. "Wie er aan een niet genoeg heeft, kan er twee krijgen."
--"Ik! Geef hier!" klonk het van alle kanten.
--"Pak aan!" En in een oogenblik waren de ouwels verdeeld onder het tierende volk, dat er met baldadigen spot allerlei ruwe grappen mede uithaalde.
In minder dan een uur was de trotsche hoofdkerk een ontredderde romp en de beeldstormers, die zagen, dat de overheid hen hun gang liet gaan en zelfs geen poging waagde om het oproer te onderdrukken, togen naar de andere kerken en de kapellen der kloosters, om daar het werk der verwoesting voort te zetten.
Jacob raakte met het volk op straat en zag de joelende menigte aftrekken. Juist stond hij besluiteloos, of hij de beeldstormers zou volgen, of naar huis terugkeeren, toen hij een man den hoek der straat zag omslaan, in wien hij tot zijne blijdschap Franciscus Junius herkende. Hij snelde den predikant tegemoet.
--"Wat een dag, Eerwaarde! Hebt gij 't gezien? Wat zal daarvan worden?"
--"Wat daarvan worden zal, is den Heere God bekend!" zeide hij. "Maar ik vreeze zeer, dat die van onze religie door deze onberaden daad zelf de koorden hebben gedraaid, waarmede men ze ter slachtbank zal sleepen!"
--"Maar de beelden in de kerken..."
--"Zijn stomme afgoden! Hun tijd zou vanzelf wel gekomen zijn! Niet met hen behoorde men te beginnen, waar het geldt, de zuivere Kerke Christi te stichten. Maar het dwaze volk ziet slechts aan wat voor oogen is!"
--"Maar als toch uw vriend Treslong gelijk heeft? Als dit het begin van den opstand was...?"
Een pijnlijke glimlach speelde om de lippen van den Franschman.
--"Wellieve broeder," zei hij vriendelijk, "ge zijt nog jong en moet de menschen nog leeren kennen. Jan Blois van Treslong heeft een hart van goud en is dapper als een leeuw, maar hij is allerminst een staatsman. In den strijd kunt ge op hem rekenen, maar niet in de ure der beproeving!"
--"Neen," ging hij voort, terwijl hij peinzend voor zich uit staarde. "Deze beweging komt te vroeg, en zij had ook zóó niet moeten komen. Dit volk heeft geen leiders. Er moeten nog andere tijden komen, eer de mannen zullen opstaan, die het groote werk zullen volbrengen. Op Gods tijd zal Hij den Mozes zenden, die Zijn volk verlossen zal uit het diensthuis van Egypte!"
--"Maar als nu toch de edelen zich eens aan het hoofd zetten der beweging?"
--"De edelen? Reken niet op hen! O, ik heb ze wel doorzien, daarginds te St. Truyen. Wat al lichtzinnigheid, en eerzucht en valsche ijver! Ge zult het zien: de Roomsche edelen zullen zich thans terugtrekken en de Gereformeerde zullen bevreesd zijn voor de gevolgen van hun optreden. Neen, jonker Martens, onder hen schuilt de Mozes niet!"
Al sprekende waren zij op de Vischmarkt aangekomen, waar Junius eenige leiders der Gereformeerden hoopte te ontmoeten. Hun aandacht werd weldra getrokken door een oploop. Een hoop volk, grootendeels bestaande uit vischwijven en straatjongens, had zich verzameld bij den ingang der overdekte halle, op de plaats, waar nog dien morgen het groote kruisbeeld had gestaan. Toornige kreten en nu en dan een daverend gelach stegen uit den hoop op.
Naderbij gekomen, zagen Junius en Jacob Martens, dat een aantal opgeschoten kwajongens een ouden monnik plaagden en sarden. Zij hadden een kring om den ouden man gevormd en wilden hem niet doorlaten, voor hij hun de absolutie had gegeven, die zij met luid misbaar van hem eischten. De monnik van zijn kant verkeerde blijkbaar in een toestand van dolle opgewondenheid. Het oude gezicht was hoogrood gekleurd, hij dreigde de spottende knapen met de gebalde vuist en schold en vervloekte hen, beurtelings in het Vlaamsch en in slecht Latijn.
--"Apage te, Satanas! Voort, kettersch gespuis, uitbroedsel der hel! Maledicat vos Deus omnipotens! Blijf af van den gezalfde des Heeren met je vuile drakenpooten!"
--"Absolutie, pater, geef ons de absolutie!" schreeuwden de bengels, terwijl zij den ouden man aan zijn pij heen en weer trokken. "De absolutie! Dan laten we je gaan!"
--"Dat moet niet voortgaan!" zei Junius verontwaardigd. "Kom, jonker!"
En door Jacob geholpen, stiet hij de grinnekende vischwijven op zijde en bevrijdde den ouden man uit de handen zijner plaaggeesten.
--"Meent gij de zaak des Heeren en die der Kerk te dienen door het mishandelen van een grijsaard?" voegde hij de verblufte knapen in gebroken Vlaamsch toe.
De toon van gezag, waarmede hij hen toesprak, en zijn deftige kleeding boezemden den ruwen klanten ontzag in. Toch zouden ze zich waarschijnlijk niet lang hebben laten terughouden, zoo een paar hunner den predikant niet hadden herkend.
--"Ds. Junius! De Waalsche predikant!" werd er gemompeld, en de aanvallers traden bedremmeld terug.
Maar de oude monnik, wel verre van den man dankbaar te zijn, die hem van zijn kwelgeesten had bevrijd, trad bij het hooren van dien naam met een van woede vertrokken gezicht op den predikant toe.
--"Zijt gij Junius?" krijschte hij. "De sectaris, de aartsketter, de verloopen Hugenoot? Gij zijt de aanstoker van deze plonderfielen, de deken van deze rabauwige tempelschenners! Geef mij het zilveren zegel terug, dat die dieven uit St. Jan hebben gestolen! Ze hebben het u gebracht..."
--"Man, wat raaskalt gij? Wat weet ik van uw zegel?" riep Junius.
--"Gij zijt de dief, ja, de dief!" gilde de oude. "Geef het terug, Judas!"
Met uitgestrekte grijpvingers drong hij op den predikant aan, maar de omstanders hielden hem tegen.
--"Ziet gij wel, Eerwaarde," riepen zij, "dat de paap bezeten is? Laten wij hem in 't kanaal gooien, om te zien, of hij drijft."
--"Laat den man gaan!" zei Junius met gezag en in het Fransch vervolgde hij tot Jacob: "De schrik heeft den oude zinneloos gemaakt!"
Tierend en scheldend verwijderde zich de oude monnik.
Junius wendde zich tot zijn metgezel.
--"Zoo zal het gaan!" zeide hij. "Wij zullen worden beschuldigd, dat wij deze zaak hebben gewild. Wat eenige baldadigen en onbedachte ijveraars hebben bedreven, zal op allen worden verhaald. En dat juist thans! Weinig dingen, die Mevrouw van Parma en haar raadgevers zóó van pas konden komen, tot schade van de goede zaak en de Kerke Christi. Doch, de Heere God regeert!"
VI.
Bij het uitbreken van het oproer, bij het vernemen van het stoutmoedig optreden der beeldstormers was de Landvoogdes eerst radeloos geweest. Zij vreesde het ergste; zij had zelfs uit Brussel willen vluchten en slechts met moeite, bijna met geweld, hadden Oranje, Egmond, Hoorne en Viglius haar kunnen bewegen, van dien stap af te zien. Toen had zij, bevreesd voor den omvang der oproerige beweging, bewilligd in een verdrag, waarbij de plakkaten werden geschorst en de openbare prediking aan die van de Nieuwe Religie werd toegestaan. En inderdaad, wat de Regeering op dat oogenblik door geen geweld van wapenen had kunnen verkrijgen, het werd door dit besluit als met een tooverslag bereikt. De oproerige bewegingen hielden op. De Geuzen legden de wapenen neder en de mannen van Vlaanderen en Brabant keerden tot hun dagelijkschen arbeid terug. Zij wilden niet opstaan tegen hun Landsheer. Zij verlangden slechts vrijheid, om hun God te dienen naar de inspraak van hun geweten, zonder voor zichzelf en voor hun dierbaren te moeten vreezen voor de gehate Inquisitie, voor kerker en schavot.
Wat ook misschien in die dagen van woeling de politieke bijoogmerken mochten zijn van de leiders der beweging, het volk deed niet aan politiek. Het vroeg slechts naar datgene, wat het het naast aan het hart lag,--waarop het een heilig recht had. En in een lange en bange worsteling heeft dat volk bewezen, dat het voor dat recht alles veil had!
Maar toen Margaretha van Parma zag, dat de storm voor het oogenblik was bezworen, herademde zij, en weldra bleek het, dat zij zou doen, wat zij kon, om aan de bepalingen van het haar afgedwongen verdrag te ontkomen. De beeldstormers werden overal met de grootste gestrengheid vervolgd,--dit was te begrijpen--maar ook de bepalingen omtrent de vrije prediking des Woords werden niet nagekomen. Overal, waar men er kans toe zag, werd den Hervormden de voet dwars gezet.
En ondertusschen wapende zich de Landvoogdes om een tweeden opstand met geweld te kunnen onderdrukken. Zij nam troepen in dienst, die onder aanvoering stonden van hare getrouwe aanhangers, en zij schreef aan den Koning, dat hij toch spoedig zou komen om den oproerigen geest der landzaten voorgoed te fnuiken...
Met een bedrukt hart zat Vrouwe Martens in haar bidvertrek.
Zij was in zware zorg. Het was haar spoedig genoeg ter oore gekomen, dat haar zoon zich had bevonden onder de beeldstormers van St. Bavo. De Hoog-baljuw had het den president zelf meegedeeld: zijn spionnen hadden Jacob Martens gezien; zij hadden ook gezien, hoe hij, in gezelschap van den beruchten ketterschen predikant Junius, de hoofdkerk had verlaten. Op de hevige verwijten, die men hem had gedaan, had Jacob geantwoord, dat slechts een begrijpelijke nieuwsgierigheid hem naar buiten had gedreven, dat hij aan de beeldstormerij geen deel had genomen en dat hij die woeste uitspattingen der vernielzucht zeer zeker niet goedkeurde. Zijn ouders hadden hem nauwelijks geloofd in hun angst en hun opgewondenheid,--en voor dien angst was er reden genoeg. Vrouwe Martens wist van haar man, dat de Regeering, een oogenblik onthutst, weldra weer moed had gevat, toen zij zag, dat de beweging geen verdere gevolgen had, en dat zij zich gereed maakte voor een vreeselijke wraakoefening. Zij kon het doen, want het aantal der ontevreden edelen, ontnuchterd en verschrikt door de gevolgen van hun verzet, hadden de zaak der vrijheid verlaten en zich aan hare zijde geschaard. Zelfs Egmond, de stadhouder van Vlaanderen,--een der "drie Heeren", die het de Landvoogdes soms zoo bang maakten,--stemde in met de plannen voor een geduchte strafoefening en zou eerlang persoonlijk zijn gewest bezoeken, om er de vervolging der schuldigen te leiden.
Hoe gemakkelijk kon Jacob in die vervolging worden betrokken! Ja, wat meer was, hij was schuldig volgens de plakkaten, door zijn omgang met Junius, die zelfs bij de Moderatie buiten de wet was gesteld. Welke gevolgen zou dit alles hebben voor Jacob zelf? En ook voor zijne ouders?
En meer dan dit alles kwelde de vrome Katholieke de angst om het zieleheil van haar kind, haar bittere smart, dat hààr kind, hààr zoon was afgedoold van de immers toch alléén zaligmakende Moederkerk, dat het besmettelijk euvel der ketterij ook hem had aangetast en dat hij voor eeuwig verloren was. Zij had hem lief, op hare wijze, een liefde, die zich nimmer toonde in eenig zacht of liefkoozend woord, die zij immer zorgvuldig verborg, als een zwakheid, die zij zich schaamde, maar toch een echte, sterke liefde, die er niet voor zou hebben geschroomd, om haar eigen zaligheid te verbeuren, als zij er die van haar zoon mee had kunnen koopen. Vele uren had zij doorgebracht op haar bidstoel; tallooze malen gleden de kralen van haar rozenkrans door hare vingeren, als zij de Moedermaagd, haar bijzondere patronesse, smeekte, om haar zoon terug te voeren van zijn doolweg, om hem te redden van de eeuwige pijnen der hel, om hem te behoeden ook voor de gevolgen zijner dwaasheid in de naaste toekomst, voor het zwaard van den beul misschien!
Ook ditmaal was zij weder verzonken geweest in het gebed, maar het had haar geen troost gebracht. Droevig staarde zij naar het Mariabeeld: de Moeder Gods moest toch weten, wat in haar omging, zij, die zelve van zoovele smarten was doorstoken, aan den voet van het Heilige Kruis.
Zij had haar nood geklaagd aan haar biechtvader, den goeden, ouden pastoor der St. Jacobskerk, maar de grijsaard had haar niet veel troost kunnen geven, en haar slechts opgewekt tot vurig gebed en--berusting. En berusting was wel het moeilijkst voor een natuur als die van Vrouwe Martens.
Plotseling staarde zij strak voor zich uit. Een licht rood kleurde haar bleeke wangen. Een gedachte was in haar opgerezen, die redding kon brengen: dat was eene verhooring van haar gebed, eene ingeving van de Heilige Maagd!
Zij zou zich wenden tot den geleerden en vromen prior van het Dominicaner klooster. Vader Anselmus, een man, die gezien was bij hoog en laag, om zijn edel hart en zijn kloek verstand, en van wien slechts de inquisiteur Titelman en zijn aanhangers beweerden dat hij te laks was in zijn ijveren tegen de ketters.
Vrouwe Martens kende den prior. De eerwaardige man, die anders zijn studeercel zelden verliet, had haar en haar echtgenoot enkele malen bezocht, om te spreken over zekere landerijen van het klooster, welke grensden aan een stuk land van den president. Zij had toen een goeden indruk ontvangen van de kalmte en het beleid, waarmede Vader Anselmus de zaken behandelde. Later had hij zijn bezoek herhaald; er was toen ook gesproken--kon het wel anders?--over den toestand des lands, en hoewel de vurige ziel van Vrouwe Martens geen vrede kon hebben met de rustige beschouwingen van den ouden priester, die haar halfheid en lafheid toeschenen, een weifelaar slechts waardig als Hopperus, toch had zij als goede Roomsche een diepen eerbied voor zijn priesterlijk ambt en geestelijke waardigheid. Wellicht gevoelde zij, dat hij de afdwalingen van haar zoon zachter zou beoordeelen dan zij zelve het vermocht.
Snel stond zij op. Na zich als een goede huisvrouw overtuigd te hebben, dat Klaartje en Madeleine, zoowel als hare dienstboden, het haar opgedragen huiswerk inderdaad behoorlijk volbrachten, hing zij haar huik om en verliet het huis. 't Was stil op straat, een doodsche, leege stilte, na de opgewondenheid van weinige dagen geleden. Het was of Gent, na de woeste oproerkreten en de uitspattingen van den beeldenstorm, verschrikt over eigen roekeloosheid, thans sidderend den slag afwachtte, die dreigde, dreigde--en maar al te spoedig en te onbarmhartig zou treffen.
Vrouwe Martens had weldra het klooster der Dominicanen of Predikheeren bereikt: een statig gebouw, aan den waterkant van de gekanaliseerde Leye, die hier langs steenen kaden door de stad stroomde. Zij noemde haar naam aan den broeder-portier, en weldra stond zij in de kloosterbibliotheek tegenover den prior.
Zij begon haar verhaal, eerst stroef en kort,--maar de meewarige blik van den grijsaard, die haar lijden begreep, boezemde haar vertrouwen in en maakte haar tong los. Tranen, heete tranen van smart en teleurstelling, vloten de fiere vrouw langs de wangen; zij sidderde voor het eeuwig heil van haar zoon, maar niet minder haast leed zij, onder de krenking van haar trots, wanneer zij dacht aan al wat haar eerzucht van Jacobs toekomst had gedroomd,--droomen, die wel nimmer verwezenlijkt zouden worden. Wat zou het lot zijn van den ketter, den rebel?
De grijze priester had haar zwijgend aangehoord.
Toen zij uitgesproken had, schudde hij droevig het grijze hoofd.
--"Het zijn booze tijden, Vrouwe Martens!" zeide hij, "en ik vreeze zeer, dat nog boozere in aantocht zijn. De afval is groot--en men zal dien nog grooter maken door onverstandige strengheid. Wat men had moeten trekken met koorden der liefde, heeft men willen drijven met den staf van het geweld,--en nu moet men wel voortgaan op dien weg. Wel moeten onze zonden groot zijn voor Gods aangezicht, dat Hij zijne Kerke aldus bezoekt."
--"Maar de ketters en sectarissen zijn toch vijanden van God en zijn Kerk, Vader," zei Vrouwe Martens heftig.
--"De ketters zijn de dwalende schapen der Kerk," zeide de prior kalm. "De goede herder moet ze terugbrengen tot de kudde, en ze niet heendrijven naar de grijpende wolven."
--"Maar de Inquisitie, Vader..."
--"De Inquisitie is goed bedoeld, maar verkeerd begrepen. Zij moest ten zegen en ter redding zijn, en zij is een vloek geworden voor deze landen. De Inquisitie moest zijn de arts, die de krankheid naspeurt, de wonde peilt om haar te genezen, niet de rechter, die de misdaad zoekt om haar te straffen. Ook gij, dochter, met uw echtgenoot, hebt dwaas en zondig gehandeld tegenover uw zoon."
Trotsch hief Vrouwe Martens het hoofd op; een scherp antwoord rees haar op de lippen, en al de eerbied, dien het ambt en de leeftijd van den prior haar inboezemden, was noodig om haar te beletten het te uiten. Toch kleurde zij van ergernis.