Jacob Martens: Een verhaal uit de zestiende eeuw

Part 6

Chapter 63,828 wordsPublic domain

Toen Jacob het ouderlijk huis had verlaten en den weg naar de Brugsche poort had ingeslagen, bleek het hem weldra, dat de groote gebeurtenissen van den dag zich in de bijzondere belangstelling van de Gentenaren mocht verheugen. Het was bijzonder druk en levendig op straat. Groote troepen nieuwsgierigen trokken in de richting van de Brugsche poort en vele eerzame burgers en winkeliers, bevreesd voor oproer of openlijke rebellie, hadden voorzichtig hunne luiken gesloten. De dienaren van den Hoog-baljuw hielden zich schuil of traden zoo bescheiden mogelijk op, blijkbaar niet op hun gemak. Van tijd tot tijd trokken kleine troepjes burgers, met ernstig en vastberaden gelaat, gewapend met pieken en "goedendags", ja sommigen zelfs met vuurroeren, door de woelende menigte heen en het volk maakte ruim baan en men wees ze elkander aan en fluisterde, dat dàt nu de ketters, de Sacramentarissen waren. Van een poging der overheid, om de preek te beletten, bleek niets. Alles ging rustig zijn gang.

Toch bespeurde Jacob, toen hij het terrein naderde, voor de godsdienstoefening bestemd, dat de leiders van de beweging hunne voorzorgen goed hadden genomen, en dat men, als het noodig mocht zijn, geweld met geweld zou keeren. Van de talrijke wagens en karren had men op de wijze der ouden een wagenburg gemaakt en bij de toegangen tot de zoo omheinde ruimte stonden gewapende wachten. Een groot aantal der mannen, die de afgezette ruimte vulden, waren mede gewapend: speren, bijlen en vuurroeren flikkerden overal in de stralen der Julizon en overal zag men ernstige, vastberaden gezichten. Indien de Hoog-baljuw het mocht wagen, de vergadering te storen, waren de gevolgen niet te voorzien.

Maar Adolf van Bourgondië, Heer van Wokkene en Hoog-baljuw van Gent, was allerminst de man, om op eigen verantwoording tot zoo forsche maatregelen over te gaan. Hij wist te wel, hoe gespannen de toestand was: een enkele onvoorzichtigheid en geheel West-Vlaanderen kwam in opstand! En zoo liet men de Gereformeerden rustig hun gang gaan.

Toen Jacob Martens het afgesloten terrein betrad, wisselde hij een groet met Daniël, den boogschutter van Poperingen, die, op zijn armborst geleund, mede de wacht hield bij den ingang. De forsche, jonge Vlaming wierp hem, grinnekend van pleizier, een blik van verstandhouding toe; een vergadering als deze, met de wapens in de vuist, waarbij men het gezag openlijk tartte en nog kans had op een gevecht bovendien, was juist een kolfje naar zijn hand.

Voor het overige geleek het tooneel, dat de jonge man thans aanschouwde, veel op dat van Gentbrugge. Ook hier waren kramers en boekverkoopers, thans in grooten getale uit Antwerpen overgekomen, druk bezig met het venten van bijbels en andere verboden boeken, die gretig werden gekocht en openlijk meegedragen. Er was meer moed en zelfvertrouwen onder het volk. Men voelde zich sterk genoeg, om de plakkaten des konings openlijk te trotseeren. De Reformatie was in Vlaanderen een geduchte macht geworden, waarmee de regeering zou hebben te rekenen.

Terwijl hij zich langzaam een weg baande naar de houten stellage,--ook ditmaal weder een boerenwagen, met eenige planken gedekt,--die tot kansel zou dienen, bemerkte Jacob Pieter de Welle, die in ernstig gesprek was gewikkeld met twee mannen, die blijkbaar tot de hoogere standen behoorden. De een droeg het gewaad van een edelman, in de stemmige kleuren, die nog altijd de Geuzen-edelen van de voorstanders der regeering onderscheidden; de baret, met een veder getooid, en de lange degen bewezen echter zijn rang. Om den hals droeg hij aan een rooden sluier een vreemdsoortig sieraad, dat Jacob niet kende: 't was een zilveren medaille, waaraan drie kleine napjes bengelden, van 'tzelfde metaal.

De ander was een nog jong man, met een bleek, fijn besneden gelaat en donkere oogen, eenvoudig in 't zwart gekleed.

De Welle had blijkbaar zijne beide metgezellen op den jongen Martens opmerkzaam gemaakt, want de drie mannen traden op hem toe.

--"De jonker van Treslong en de Eerwaarde Junius wenschen kennis met u te maken, jonker Jacob," zei de koddebeier op dien eigenaardigen toon van eerbiedige gemeenzaamheid, waarmede hij tot den zoon van zijn meester sprak.

Jacob zag op met blijde verrassing, want het waren twee beroemde namen, die hij hoorde: twee namen van goeden klank onder allen, die God wilden dienen naar de inspraak huns harten en die het wèl meenden met de vrijheid des lands.

Jan Blois van Treslong, de broeder van den lateren admiraal van Zeeland, met de beide Marnixen misschien de eenige "ridders zonder vrees of blaam" in die woelige dagen, waarin zooveel zelfzucht, zooveel eerzucht, zooveel lichtzinnigheid en wereldzin schuilden onder den mantel van vrijheidszin en patriottisme. De edele kampioen der ontwakende vrijheid, die welhaast de martelaar zou worden voor zijn schoone zaak. En Franciscus Junius, de jonge Fransche edelman, uit Genève naar de bedrukte Fransche gemeente te Antwerpen als predikant gezonden, die weldra zulk een groot aandeel zou nemen in den heiligen strijd tegen geloofsdwang en Inquisitie, de mede-arbeider der edelen en de getuige van hun verbond, maar die ook de eenvoudigen dorst stichten door Christelijke vertroosting en gebed, terwijl door de vensters van de geheime vergaderplaats de vlammen van den mutsaard flikkerden, waarop daar beneden op het plein de bloedgetuigen den marteldood stierven voor dezelfde goede belijdenis, die hij daar verkondigde. De getrouwe herder, die, overal vervolgd en belaagd, toch van de kudde niet wijken wilde, en daarbij de ontwikkelde man, met den ruimen blik, die verder zag dan de welmeenende, maar vaak bekrompen ijveraars, naast wie hij streed, en die zoo vaak door hun onberaden ijver zooveel bedierven, maar die zich toch niet afwendde van den heiligen strijd, trots verdachtmaking en verkeerd begrijpen; de theoloog, die voor de eenvoudige Limburgsche boeren predikte, en de aan hare zaligheid wanhopende krankzinnige wist te brengen tot Christus, en die eenmaal een sieraad zou zijn der Leidsche hoogeschool.

Jacob Martens wist natuurlijk niets van de beide mannen, dan dat hij ze in den laatsten tijd, dikwijls had hooren noemen, door de eene partij als steunpilaren der "gesuyverde Gereformeerde religie", door de andere als twee sectehoofden der kettersche Sacramentarissen en rebellen tegen 's konings gezag. Hij wist echter, dat het mannen van beteekenis waren en beantwoordde beleefd hun hoffelijken groet. De Welle verwijderde zich op een wenk van Treslong en voegde zich bij de gewapende bewakers van het terrein.

--"Het verheugt mij te zien, jonker Martens," zeide Treslong, "dat uw goede stad Gent voor Antwerpen niet onder wil doen. Wij dachten niet, dat de onzen het wagen zouden, ter preek te gaan onder de wallen der stad. Vreest gij, dat de overheid wat tegen ons in 't schild voert en dat zij trachten zal de vergadering te verstoren?"

--"Mij dunkt van niet," zeide Jacob, "de Hoog-baljuw is geen man van geweld. Hij zal niets doen, dan op bevel der hooge Regeering. Trouwens, hier te Gent was de vervolging in zaken van religie nooit hevig."

Het gesprek werd in het Fransch gevoerd ter wille van Junius, die de landstaal nog niet volkomen machtig was.

--"Een goede tijding, dat laatste, voor onzen broeder Junius," zeide Treslong. "Hij denkt een poos te Gent te vertoeven, om de broeders te bemoedigen, vooral hen, die uit Frankrijk zijn overgekomen, en om er te werken voor de zaak van ons verbond."

--"Ik ben hier in Gent niet meer in gevaar dan elders," zeide Junius met een fijnen glimlach. "Ge weet, ze hebben ons predikanten uitgesloten van wat ze de "moderatie" noemen, maar men vaart toch flauwelijk voort met de vervolging, en ik meen, dat wij eenige rust zullen hebben, tot de Heeren Bergen en Montigny, die eerlang met een zending naar den Koning zullen vertrekken, teruggekeerd zullen zijn van hunne reize. Toch past het den Christen, te waken voor zijne veiligheid en God niet te verzoeken en ik zal mij verblijden, als ik hier eenigen tijd in rust en veiligheid kan doorbrengen. Ik heb reeds met verscheidene broeders kennis gemaakt. Zijn er ook onder de edele geslachten van Gent aanhangers der Reformatie, jonker Martens?"

--"Onder de gezeten burgers en onder het volk zijn vele Gereformeerden," antwoordde Jacob, "maar onder den ouden Gentschen adel zijn er slechts weinig. De Imbyze's misschien. Jonker Jan van Imbyze..."

--"Een vurig ijveraar!" riep Treslong.

Op het bleeke gelaat van Junius speelde een glimlach.

--"Er zijn veel zulke ijveraars onder onze edelen!" zei hij droog.

--"En gelukkig!" riep Treslong met een vroolijken lach. "Ja, Junius, schud het hoofd maar! Als de Koning aan onze beden geen gehoor wil geven, als het zwaard moet spreken, dan zult ge zien, wat onze jonge adel vermag!"

--"Ik hoop het!" zei Junius, maar zijn gezicht betrok.

--"En ook in u groeten wij blij een nieuwen bondgenoot, jonker Martens," ging de geestdriftige jonge edelman voort. "Maar zeg mij, waarom draagt ge ons bondsteeken niet. Laat mij u er mee mogen versieren."

Hij nam den rooden sluier met den zilveren penning van den hals en hing hem Jacob om. Deze dankte hoffelijk voor het geschenk en bekeek den penning nieuwsgierig. Aan de eene zijde vertoonde die het borstbeeld van den koning, aan de andere een gesloten pelgrims- of bedelaarstasch. Ook de zilveren bekertjes hadden den vorm der zoogenaamde bedelaarsnapjes.

--"Fidèles au roi jusq'à la besace!" lachte Treslong, terwijl hij naar het randschrift wees. "Wij zijn de bedelaars, de Geuzen! Ge weet, zoo noemde ons Barlaimont, de oude vrek. We zijn nòg bedelaars! We smeeken bij den Koning om ons goed recht, om vrijheid van geloofsdwang, om handhaving van de vrijdommen van den adel en de steden. Wij smeeken nog, maar als wij vorderen gaan..."

--"Komt," zeide Junius, "onze wellieve broeder Modet zal zoo aanstonds optreden. Laat ons dichterbij gaan, anders kunnen wij niets verstaan."

Inderdaad verscheen weldra de forsche gestalte van Modet op den kansel en zijn zware stem klonk over de opeengepakte volksmenigte. De schare der toehoorders was hier veel grooter dan te Gentbrugge. Het terrein lag zoo dicht bij de stad, en de overtuiging, dat de overheid toch niets tegen de wèlgewapende ketters zou durven ondernemen, had vele nieuwsgierigen naar de "groene preek" gelokt, terwijl bovendien op alle wegen en paden in den omtrek posten waren geplaatst, die de voetgangers uitnoodigden om aan de godsdienstoefening deel te komen nemen.

Voor het overige werd die gehouden op dezelfde wijze als te Gentbrugge. Het scheen echter, dat de algemeene opgewondenheid zich van den prediker had meester gemaakt. Hij had tot tekst gekozen Exodus 20: 4 en 5 en heftig viel hij in zijne uiteenzetting van het tweede gebod den beeldendienst der Roomsche Kerk aan, "de verdoemelijke afgoderij der Papisten ende Baälsdienaren", zooals hij dien noemde. En toen hij, medegesleept door zijn eigen woorden, met wilden ijver betoogde, dat men ze "zoowel uit het oogh, als uit het hert behoorde te werpen," zag Jacob Martens hoe Treslong met fonkelende oogen als aan de lippen van den spreker hing, terwijl Junius verdrietig het hoofd schudde.

Het doopen van een kind, volgens de wijze der Gereformeerden,--'t was de eerste maal, dat dit in het openbaar geschiedde--waarmede de godsdienstoefening werd besloten, wekte algemeene belangstelling, niet het minst onder de aanwezige Roomschen, waaronder er velen waren, die meenden, dat de "Sacramentarissen" evenals de Wederdoopers den kinderdoop verwierpen.

Daarop werd de wagenburg afgebroken en onder het zingen van de thans reeds populair geworden psalmen van Dathenus trokken de Gereformeerden in kleine groepjes huiswaarts.

--"Ge waart niet voldaan, Eerwaarde Heer?" vraagde Jacob aan Junius, die peinzend de zingende groepen nakeek.

--"Ik vreeze zeer, dat onze wellieve broeder Modet, door zijn ijver voor de zuivere leer vervoerd, de aandacht der schare al te zeer vestigt op die uiterlijke vormen, die, zoo ze verkeerd zijn, toch het wezen der religie niet raken," zei de Fransche predikant. "'t Is gevaarlijk, in deze dagen de hartstochten van het volk te prikkelen!"

--"Ei wat!" zei Treslong luchthartig. "Een klein oproer zou niet ondienstig zijn voor onze plannen! 't Zou Madame doen inzien, dat wij het meenen en dat er niet met ons valt te gekken!"

Een lang man, in het zwart gewaad van den gegoeden burgerstand, trad haastig op hen toe.

--"Wat zegt ge er van, Eerwaarde?" vraagde hij in gebrekkig Fransch, terwijl zijn onrustig flikkerende grijze oogen zich beurtelings op Junius en diens metgezellen vestigden. "Een man Gods, nietwaar? Een tweede Elia! Daar moet het heen! Of wij al klagen en bidden, het helpt niet. Wij moeten de handen aan het werk slaan en den gruwel der afgoderij uit ons midden wegdoen! Is het geen schande, dat de ware Kerk moet vergaderen onder den blooten hemel, terwijl onze kerken tot Baälstempels zijn gemaakt. Wat zegt ge, Eerwaarde? Er zijn genoeg rappe gasten onder de gilden, die op een woord van u..."

--"Ik heb van niemand den last of de roeping ontvangen om dat woord te spreken, Lieven Ongena," antwoordde Junius rustig. "Zie toe, dat de vijanden der gezuiverde religie geen oorzake vinden om ons van oproer en van verstoring van 's Konings vrede te betichten."

--"Maar de afgoderij der Paapschen...." begon Lieven Ongena.

--"Ons is het niet gegeven, in zoodanige zaken iets te doen, hetzij dan dat wij een wettige roeping hebben, broeder," zeide Junius. "Het is de wil des Heeren, dat alle dingen eerlijk en met orde geschieden. Wij spreken hierover nader."

Met een verlegen groet droop de drukke man af, blijkbaar ontevreden, maar toch zonder verdere tegenspraak.

--"Zoo ziet ge, dat de woorden van onzen broeder Modet in vruchtbare aarde vallen," zeide Junius, die hem hoofdschuddend nazag. "Ik vrees, jonker Martens, dat ons bange en droeve tijden te wachten staan."

Hij nam afscheid van Jacob, terwijl hij diens aanbod om hem te begeleiden heuschelijk afwees, hetzij omdat hij den jongen man te weinig kende, hetzij omdat hij den zoon van den president van Vlaanderen in geen moeilijke positie wilde brengen, door hem in kennis te stellen van de woning, waar hij zich schuil hield.

Treslong, die het gesprek van zijn vriend met Lieven Ongena met blijkbaar ongeduld had aangehoord, fluisterde Jacob bij het scheiden in:

--"Mocht het aan den dans gaan, jonker, en mocht ge lust hebben een slag te wagen voor de gezuiverde leer en tegen de Inquisitie, kom dan te Antwerpen en vraag er in de taveerne "de Fonteyne" naar hopman van der Aa. Die zal u meer zeggen!"

Toen Jacob dien avond thuis kwam, ontvluchtte hij de donkere blikken van zijn vader en moeder en het minachtend glimlachje van Madeleine op zijn kamer. Hij haalde den Geuzenpenning te voorschijn, het heilig verbondsteeken, gekozen door hen, die de verre strekking van hun daad niet begrepen, een scherts, die eerlang zulk een vreeselijk angstige beteekenis zou krijgen. Voor Jacob was het aanvaarden van den bondspenning heilige ernst. Hij was thans voorgoed aan de heilige zaak der vrijheid verbonden,--en hij had afstand gedaan van wat hij zich gedroomd had als het hoogste geluk, het offer aan zijn hoog Ideaal.

V.

Hoe was het begonnen? Wie waren de aanstichters geweest? Wie had het bevel gegeven tot de noodlottige daad?

Als een dreigend onweer was het komen opzetten over Vlaanderen en Brabant. De spanning was al grooter geworden; een uitbarsting was onvermijdelijk en de Regeering stond machteloos om het naderend onheil te keeren. De landvoogdes drong bij den Koning aan op een antwoord op hare voorstellen, op toegeven aan de dringende eischen der tegenpartij, om een burgeroorlog te voorkomen, en Philips draalde.... draalde... en draaide en zocht uitvluchten, wel vast besloten om nimmer toe te staan, wat hij vooralsnog niet openlijk durfde weigeren.

Nog den 7den Augustus had Margaretha den Koning geschreven en aangedrongen op een spoedig antwoord op hare voorstellen omtrent de bijeenroeping der Staten. De rust des lands, zoo schreef zij, hing van dat antwoord af, ja, voor dat het kon zijn aangekomen, zou misschien reeds de burgeroorlog zijn ontbrand.

En de landvoogdes had juist gezien. Den 14den Augustus, den dag vóór Maria Hemelvaart, brak het onweer los.

Tusschen de Schelde en de Leye, in de nabijheid van St. Omer, verscheen plotseling een hoop volk, voorzien van bijlen, ladders en touwen, die het werk begonnen. Het eerst moesten de kapellen en kruisbeelden langs de wegen het ontgelden, maar weldra vielen de beeldstormers de kerken en kloosters in en om St. Omer aan. Den 13den hadden 500 Geuzen het klooster en de kerk van den Heiligen Antonius bij Belle aangevallen en alles wat er aan den Roomschen eeredienst herinnerde, vernield. Als een lawine nam de beweging toe, honderden sloten zich bij de beeldstormers aan, zoowel de vurige ijveraars als de boeven en landloopers, die te dien dage het platteland onveilig maakten. Op Maria Hemelvaart werden de kerken en kloosters te Richebourg, Estères, Laventhie, Meenen, Meter, Vrulle, Capelle, Gevinchy, Lorgies en die rondom Yperen bestormd en de beelden en de altaren verbrijzeld, terwijl die van de stad Yperen zelve den volgenden dag aan de beurt waren. In drie dagen tijds waren meer dan vierhonderd kerken en kapellen verwoest.

Den 20sten Augustus begon de beeldstorming te Antwerpen, 't Was er juist kermis en de stad was vol vreemd volk, terwijl de aanvoerders der beweging tevens een schoone gelegenheid hadden, om hunne aanhangers ongemerkt binnen de stad te brengen. Het eerst was de schoone hoofdkerk aan de beurt: de beelden, de schilderijen, het orgel, alles werd er vernield, terwijl de andere kerken en kapellen hetzelfde lot ondergingen. De magistraat was machteloos tegen de volkswoede en liet, na een vruchtelooze poging om de kathedraal te redden, de beeldstormers begaan. Van vijf uur in den avond tot 's morgens waren de verwoesters aan het werk en toen waren ongeveer dertig kerken en kapellen vernield.

Van Antwerpen sloeg de beweging over naar Gent.

Nauwelijks waren daar de geruchten van wat er in de groote Scheldestad was voorgevallen bekend geworden, of er ontstond een hevige beweging onder het volk. Men wist wel, wat er in de laatste dagen op het platteland was voorgevallen, maar dat telde niet. Doch nu te Antwerpen! Men had dan gedurfd! De ure der bevrijding was gekomen! De macht der geestelijkheid, waarvoor men zoolang had gesidderd, was nietig gebleken, en de regeering zelve had niets durven ondernemen, toen het Gereformeerde volk optrad en de teekenen der paapsche afgoderij neerwierp en verbrijzelde en de kerken zuiverde. Waarom niet te Gent zoo goed als te Antwerpen?

Zoo had men geredeneerd en gevraagd en het gerucht liep door de stad, dat er des anderen daags--het was de 24ste Augustus--op de Vischmarkt een groote volksbijeenkomst zou plaats hebben, waar men de zuivering der kerken te Gent zou bespreken. Het "Vive le Geus" had den geheelen avond luide door de stad geklonken. Groote troepen volks liepen zingend rond. Soms klonken op de slepende wijzen van Clement Marot, de Datheensche psalmen door de straten, dan waren het weer Geuzenliederen, plotseling ontstaan, vervaardigd door onbekende dichters, maar die in enkele dagen door het heele land werden verspreid en gezongen.

"Alle de Santen sijn gaen duyken, "Sy en doen geen miraaklen meer!"

Zoo zongen de Gentsche Geuzen en de magistraat, de geestelijkheid en dat gedeelte der burgerij, dat de regeering en de oude religie trouw was gebleven, ze wachtten vol onrust en bekommering op de dingen, die komen zouden.

Jacob Martens was dien avond vroeg naar zijn kamer gegaan. In het anders zoo vroolijke huisvertrek was het de laatste dagen weinig opwekkend. De president correspondeerde druk met de regeering te Brussel, en wanneer hij in den huiselijken kring verscheen, was zijn voorhoofd bewolkt en zijn toon kort en barsch. Het gelaat van Vrouwe Martens stond strenger dan ooit en hare woorden vielen koud als ijs en scherp als staal op haar zoon, den afvallige van zijn Koning en zijn Kerk. Madeleine bejegende hem koel en bits; met een smadelijk glimlachje zag zij neer op den dommen dweper, die zijn overtuiging dorst stellen boven haar, en Klaartje keek hem verschrikt met haar groote blauwe oogen aan, als kon zij het vreeselijk feit maar niet begrijpen, dat haar broeder een Geus, een ketter was geworden.

De gebeurtenissen der laatste dagen hadden Jacob verontrust en ontsteld. Hij kon wat hij zag en hoorde niet overeen brengen met de eischen van Gods Woord en van zijn geweten. De ruwe baldadigheid der beeldstormers stuitte hem tegen de borst. De domme vernielzucht, die alles verwoestte en vertrapte wat schoon en liefelijk was, wat door de vrome vereering van vele eeuwen was gewijd, deed hem pijnlijk aan. Hij had den geloofsmoed der Hervormden bewonderd, hij had de macht hunner overtuiging erkend, hij had de kracht van hun geloof aan zijn eigen ziel ervaren,--maar was het noodig, om de zuivere Kerk van Christus te stichten, dat men zoo rauwelijk brak met het verleden? Eerde men den Christus, als men het kruisbeeld smadelijk vertrapte?

De meesten zijner geloofsgenooten meenden het. Zij juichten de beweging met geestdrift toe en zij verwachtten blijkbaar, dat hij doen zou als zij. Was het dan misschien tòch een Gode welgevallig werk, dat zoo vele ernstige, vrome mannen het verdedigden en prezen? Was het laakbare zwakheid, gehechtheid aan de Paapsche afgoderij, zooals zijne geestverwanten het noemden, dat hij deze dingen niet zien kon zooals zij?

Franciscus Junius alleen scheen er over te denken als hij. In de laatste dagen had hij den Franschen predikant, die zich nog altijd te Gent ophield, herhaaldelijk ontmoet, en hij had het bleeke, verstandige gelaat meer dan eens peinzend en bedrukt gezien. Junius zeide niet veel van de beeldstormerij. Hij was blijkbaar van oordeel, dat bij de algemeene opgewondenheid een afkeurend of waarschuwend woord niet zou worden aangehoord en dat hij, die het te kwader uur sprak, den invloed kon verliezen, dien hij in de moeilijke dagen, die aanstaande waren, maar àl te zeer zou behoeven. En hetzij terecht of ten onrechte, Junius verzette zich niet openlijk tegen den beeldenstorm, althans niet, toen die wellicht nog ware te keeren geweest.

Toch keurde hij de beweging niet goed, Jacob wist het zeker. Hij had met den predikant over het Couter gewandeld, toen de drukke ijveraar, Lieven Ongena, beweeglijk als altijd, op hen was toegeschoten, en hen met luidruchtige betuigingen van blijdschap en instemming had verhaald, wat er te Antwerpen was voorgevallen. "Weldra," zoo verzekerde de man, "zou het volk te Gent het voorbeeld der Antwerpsche broeders volgen. Zou het dan, naar het oordeel van den Eerwaarden Junius, geraden zijn, zelf mee de hand aan het werk te slaan en als leider dier beweging op te treden?"

Junius had den opgewonden man kalm en met een fijnen glimlach aangezien.

--"Wellieve broeder," had hij gezegd, "wij moeten alleen datgene doen, waartoe wij van God geroepen zijn. Gij hebt hiertoe geen gewone roeping, want ge zijt geen Magistraat en ge hebt geenerlei wettige bevoegdheid of autoriteit. En ge hebt ook tot dit werk geen buitengewone roeping, want ge vraagt mij om raad, en dat zoudt ge niet doen, als ge wist, dat ge tot dit werk van God geroepen waart."

Lieven Ongena had op zijn neus gekeken, en had zich hoofdschuddend verwijderd, blijkbaar uit zijn humeur, omdat zijn ijver zoo weinig werd gewaardeerd.

Maar anderen hadden gesproken, zooals hij. De beeldenstorm van Antwerpen had onder het volk luide toejuiching gevonden; er was gisting en woeling in de stad.