Jacob Martens: Een verhaal uit de zestiende eeuw
Part 5
Het was geen woord van opbeuring en vertroosting, dat de strijdende en lijdende gemeente van Vlaanderen van dezen forschen voorvechter der Reformatie ontving. In Modet--een onzer groote auteurs heeft het terecht gezegd--was vooral het revolutionaire karakter van de Hervorming dier dagen belichaamd. Zijne predikatie was in de eerste plaats een geweldige aanval op wat hij de "paepsche afgoderije" en de "verdoemelijke oudwijfsche fabelen van het pausdom" schold. Het klonk Jacob vreemd in de ooren, toen hij daar alle ceremoniën en kerkelijke gebruiken, die hij van zijn vroegste jeugd af had leeren eerbiedigen, als onafscheidelijk verbonden met godsdienst en vroomheid, met ruwe welsprekendheid hoorde verguizen en bespotten, toen hij het Sacrament der Mis, het middelpunt van den Roomschen eeredienst, met felheid hoorde aanvallen en ontwijden. Hij voelde zich angstig en beklemd, en als hij om zich heen zag, las hij op de gezichten der ademloos luisterende toeschouwers hun volle instemming met die vreeselijke woorden, zag hij de harde trekken op die verweerde gezichten en de vlammende oogen, die gloeiden van fellen haat en verterenden ijver.
Maar de geweldige prediker, de stoute bestrijder van Rome, had toch meer te geven, was toch dienaar des Evangelies! Toen hij sprak over de "oefeningen der godtsaligheyt", werd zijn toon anders. Wat waarachtige godzaligheid was, hoe men die zou oefenen in deze zware tijden, hoe men ze zou ontvangen, door de genade van Christus alleen,--het werd de ademloos luisterende toehoorders in forsche taal uiteengezet. Het werd Jacob wonderlijk te moede. Hij werd medegesleept door den geweldigen ernst, de machtige overtuiging van den spreker; hier was een man, die wist en innig gevoelde, dat hij stond tegenover zijn God, dat er niemand was tusschen zijn God en hem en die zijne hoorders ook van die overtuiging zocht te doordringen. Geen middelaar tusschen den zondaar en zijn God, dan de eenige Middelaar, Christus Jezus!
Zonder dat hij het wist, had Jacob Martens in die gewichtige stonde zijns levens de groote leidende gedachte der Reformatie gevoeld en verstaan.
Maar waarom haperde Herman Modet? Waarom zweeg hij, na nog eenige volzinnen te hebben uitgesproken? Wat beteekende dat rumoer bij het hek, dat toornig gemompel onder de luisterende menigte en het angstig opdringen der vrouwen?
Jacob zag om en ontdekte weldra de oorzaak der opschudding. Een ruiter trachtte, met den blooten degen in de vuist, door het volk heen te dringen, terwijl hij zijn paard liet trappelen en steigeren, om ruim baan te maken. Achter hem zag men de speren flikkeren van eenige gewapenden.
Het was Cornelis Croese, de schout van Gentbrugge, een ijverig aanhanger der regeering en een brutaal, ondernemend man. Zoodra hij vernomen had, dat de Sacramentarissen zich onderstonden, om binnen zijn rechtsgebied, met volslagen verachting der plakkaten, een openbare preek te houden, had hij, zijne beide dienaars en een paar pachters der kerk opgeroepen en gewapend en was moedig naar de plaats getogen, waar, naar men hem had bericht, de predikatie zou plaats hebben, om de vergadering uiteen te drijven en zoo mogelijk den geuzenprediker te vatten. De menigte was veel talrijker, dan hij zich had voorgesteld, maar aan moed ontbrak het den Schout niet. Hij spoorde zijn paard aan, terwijl hij zijne dienaars beval hem te volgen, en met een: "Staat ons bij, luijden, zoo gij den Koning trouw zijt!" trachtte hij heen te dringen naar den wagen, die Modet tot kansel diende.
Er volgde een oogenblik van onbeschrijfelijke verwarring. De schare stond een oogenblik als besluiteloos. De vrouwen gilden en kreten, de mannen mompelden dreigementen en verwenschingen, maar bleven werkeloos, terwijl zij onrustig rondzagen,--naar een uitweg of een leider. Modet was van den wagen afgeklommen en de groep getrouwen, die er om heen stonden geschaard, namen den prediker in hun midden en drongen langzaam naar het bosch eikenhakhout, waaraan het weiland grensde.
Schout Croese zag het en hij begreep, dat zijn prooi hem ging ontsnappen. Hij dreef zijn paard aan en sloeg met de platte kling naar de opeengedrongen menschenmassa, die hem den weg versperde.
Zijn drift werd zijn ongeluk. Het wapen trof een jonge vrouw aan het hoofd en bracht haar een bloedende wonde toe: de vrouw zonk neer, meer door schrik dan door den slag.
En nu won de toorn en de verontwaardiging het van de vreeze!
--"Slaat dood den beul! Slaat dood den papenknecht!" klonk het van alle kanten.
Het volk was ongewapend, maar de puinweg werd een arsenaal: een steen gonsde door de lucht en rukte den Schout den hoed van het hoofd. Het voorbeeld vond navolging. Een hagelbui van groote en kleine steenen troffen paard en ruiter, terwijl de schoutendienaars, opgedrongen door eene woedende menigte, geen gebruik konden maken van hunne wapenen, ook al hadden zij gedurfd.
--"Slaat dood!" de oude aanvalskreet der strijdbare Vlamingen, klonk aan alle kanten. Schout Croese zag, dat het bloedige ernst werd en dat hij te veel had gerekend op het ontzag voor de justitie. Bebloed en gekneusd door de steenworpen, wierp hij zijn rapier weg en wendde den teugel.
Een luide juichkreet, een stormachtig: Slaat dood! Men had zijne beweging, gezien en begrepen! De Schout gaf het op! De Schout vluchtte!
Een aantal jonge boeren drongen op, het mes in de vuist, om hem tegen te houden.
Maar oudere, bezadigde mannen kwamen tusschenbeide. Met geweld en doodslag, met den moord van een grafelijk ambtenaar, werd de zaak der jeugdige Kerk niet gediend. Half met geweld, half door overreding, maakten zij ruim baan voor den Schout, en Cornelis Croese reed spoorslags weg, onder het uitjouwend gejubel der menigte.
Van een hervatten der godsdienstoefening was geen sprake meer. De schare verspreidde zich, sommigen opgewonden en vol hoop, anderen vreesachtig en terneergeslagen. Ook Jacob Martens ging met de Welle naar diens woning, om tegen het vallen van den avond naar Gent terug te keeren.
Allerlei aandoeningen vervulden hem en voerden strijd in zijne ziel. Hij gevoelde, hoe de kloof, die hem van de zijnen scheidde, steeds breeder en dieper werd. Modet's prediking had hem machtig aangegrepen en de strijd van zijn volk tegen vreemde dwingelandij en geloofsdwang, dien hij reeds sinds lang met belangstelling en sympathie had aanschouwd, scheen hem meer en meer een heilige strijd, en mede te kampen een heilige plicht. Maar--hij moest zich losscheuren van zooveel, waarmee hij was opgegroeid: meeningen, gewoonten, sympathieën, ook een zeker onbestemd geloof in dingen, die hem, naar hij dacht, altijd onverschillig waren geweest en waarvan hij zich nu toch zoo moeilijk kon losmaken, nu het er op aan kwam, om er afscheid van te nemen, voorgoed.
En zijne ouders! En Madeleine!
Met een bedrukt hart betrad Jacob Martens in den avond van dien dag het ouderlijk huis.
IV.
Ongeveer vier weken na de onstuimige "groene preek" te Gentbrugge zat Jacob Martens op een schoonen Julimorgen in den "hof" van het ouderlijk huis, bijna aan de voeten van Madeleine de Bette, die hem haar sierlijk eikenhouten spinnewiel in de schaduw van een bloeiende linde had doen dragen en hem met behaagzieke speelschheid een laag bankje had aangewezen, waarop hij zijne schoone gebiedster mocht voorlezen uit de Historie van Amadis van Gaulen, of van Palmeryn van Olyven, de Hollandsche vertalingen van Spaansche ridderromans, waarmee joffer Madeleine dweepte.
Jacob was niet naar Leuven teruggekeerd. De politieke toestand in den lande werd steeds moeilijker, de oppositie tegen de invoering van de Inquisitie steeds heviger en de partij der Gereformeerden trad overal, maar vooral in Vlaanderen en Brabant, steeds stouter op. President Martens, die zeer wel bemerkte, dat de sympathieën van zijn zoon meer en meer uitgingen naar den kant der "sectarissen ende rebellen", zooals hij ze noemde, had het voorzichtiger geacht, den jongen enthusiast onder zijn persoonlijk toezicht te houden. Hij wist door den Hoog-baljuw, dat Jacob in de laatste weken herhaaldelijk was gezien in gezelschap van verdachte personen, van dezulken, die onder zware suspicie stonden van te zijn besmet met de kettersche gevoelens der Sacramentarissen en tegen wie men wel gaarne krachtig zou zijn opgetreden,--als men maar gedurfd had!
Ook Vrouwe Martens, de strenge moeder, die onder haar hard uiterlijk toch een schat van liefde verborg voor hare kinderen, had met blijdschap vernomen, dat haar zoon niet naar de universiteit zou terugkeeren, voor de algemeene opgewondenheid in den lande was bedaard. Met klimmende onrust had zij gezien, hoe Jacob meer en meer overhelde tot de kettersche gevoelens, hoe hij--naar de overtuiging der geloovige, ijverende Roomsche--zijn eeuwig heil dreigde te verbeuren door te luisteren naar die gevaarlijke geuzenpredikers, die wervers voor het rijk van den Satan! Nog ging hij met haar ter Misse, als zij hem verzocht haar te begeleiden, maar zij zag het maar al te wel, zijn hart was niet bij de heilige plechtigheid, hij was verstrooid en onrustig.
Scherpe en harde woorden had zij reeds gesproken; zij zelve leed er onder, maar zij was geen teedere moeder, die het vertrouwen harer kinderen wist te winnen. En toch voelde zij thans dubbel die leemte en de fiere vrouw ging gebukt onder het leed, dat zij niemand toonde.
O, die Geuzen! die verwaten edelen vooral, rebellen tegen hun Kerk en hun Landsheer! Waren zij niet weder samengekomen te St. Truyen, in 't Luiksche, om ongehinderd te kunnen samenspannen tegen het wettig gezag? Gingen er geen geruchten over de ongehoorde eischen, die zij de regeering zouden stellen? Men zou voorwaar het volk geen enkele religie voorschrijven, maar een iegelijk vrij laten in zijne keuze! Een snood bestaan, om den ketterschen leeraars vrijheid te geven, het onwetende volk ter helle te voeren! Er waren er, naar men zeide, die tegen den Koning wilden opstaan, om met geweld te verkrijgen, wat men in het Smeekschrift had gevraagd. En haar eenige zoon zou de zaak dier ketters en rebellen voorstaan!
IJveriger en trouwer dan ooit nam de arme Vrouwe Martens hare godsdienstplichten waar, en zoo was zij ook dezen morgen naar de St. Jacobskerk gegaan, om er den schutsheilige van haar zoon aan te roepen, om er te bidden voor het zieleheil van haar kind.
En Madeleine, blijde, dat het strenge oog der ijverige huismoeder haar niet gadesloeg, had zich gehaast, om het huiswerk, dat op haar rustte, over te dragen aan de goedhartige Klaartje en had Jacob naar den hof geroepen, om er zich te vermaken met de avonturen der dolende ridders en met het kwellen van haar trouwen bewonderaar, dien haar behaagzieke plaagzucht geen oogenblik met rust liet.
Het scheen, dat de merkwaardige lotgevallen van den dapperen Palmeryn Jacob ditmaal niet konden boeien. Hij was verstrooid en afgetrokken. Hij haperde nu en dan en versprak zich. De schoone Madeleine bemerkte het.
--"Als je soms genoeg van mijn gezelschap hebt," zei ze spijtig, "laat ik je dan toch vooral niet ophouden!"
Jacob keek verschrikt op.
--"Ja, zeker!" vervolgde de vertoornde schoone schamper. "Als je soms verlangt naar het gezelschap van je geuzenpredikanten, ik weerhoud je niet, hoor!"
--"Madeleine!" zei Jacob, en hij wilde haar hand vatten, maar zij stiet hem terug.
--"Je meent er niets van!" pruilde zij. "Je zit hier voor mij te lezen, maar je hart is er niet bij. Wie weet, waar? Misschien bij een of andere ketterinne! Je bent er tòch zoo vol van!"
Jacob deed het eenige, wat hij in deze omstandigheden kon doen: hij wierp zijn boek weg, vatte het weerstrevende handje en sloeg zijn arm om de leest der spijtige joffer. Het draadje brak...
De verzoening was spoedig genoeg tot stand gekomen, maar Jacob begreep, dat hij zich toch moest verdedigen.
--"Ik kan het niet helpen, Madeleine, dat ik thans geen vermaak heb in deze Walsche poëterijen, die u zooveel vreugde en jolijt geven," zei hij ernstig. "Mijn hart is vol van andere dingen!"
--"Zie je nu wel!" pruilde het meisje.
--"Van u, allerliefste! Ge hebt er de eerste plaats in!" verzekerde Jacob haastig. "Maar zeg, begrijp je er niets van, dat men bezig kan zijn met ernstiger gedachten in deze dagen, nu het gaat om de vrijheid des lands en om wat dienen kan tot onzer zielen zaligheid!"
Een minachtende trek plooide het mondje van Madeleine.
--"Ga je mij een sermoen houden, Jacques?" klonk het spottend. "Voor onzer zielen zaligheid zorgt de Kerk met hare genademiddelen, zegt mijn biechtvader, en zoo bekreune ik mij daar niet om. En 's lands vrijheden? De Koning is onze Heer en hij doet, wat den lande oirbaar is,--zoo zegt je vader en ik houd dit met hem. 't Is een schoone weg, om een ambt te verkrijgen van de regeering, als je eenmaal magister zult zijn, wanneer je nu gaat heulen met hen, die snoode rebellie drijven tegen hun wettigen Overheer en de Heilige Kerke! En onze schoone plannen, Jacques? Gelden die je niets?"
Jacob zag de driftige spreekster aan met teer verwijt.
--"Zonder jou is de toekomst, is het heele leven mij niets, Madeleine," fluisterde hij, "maar wat, als ik eens niet kon doen, wat je wenschte? Als ik geen post van deze regeering mocht aannemen?"
--"Geen ambt van de regeering? Maar ik wil in Brussel wonen, heb ik je altijd gezegd!" pruilde het bedorven kind.
--"Als we elkander liefhebben, Madeleine..."
--"Och, wat liefhebben! Je hebt mij niet lief, anders zou je niet zoo naar zijn! Alles opgeven ter wille van dat minne volk, van de Geuzen en de ketters! Een fraaie zaak!"
--"De Pallandts, en de Nassau's, en Brederode zijn toch geen min Geuzenvolk, Madeleine!"
--"Oproerkraaiers zijn het, die spelen met vuur! Ik heb het den president hooren zeggen! Ze verleiden het domme volk, dat wordt aangehitst door de kettersche predikanten, en ze storten het volk en zichzelf in 't verderf! Als de Koning komt..."
--"De Koning is onze rechte Heer, dien God behoede, maar onze rechten en vrijheden moet hij ons laten! En--die van St. Truyen hebben gelijk--ieder diene God naar de inspraak zijns harten, zonder geweld of molest."
--"Je hadt geuzenpredikant moeten worden, Jacques!"
Jacob wendde zich driftig om en liep zenuwachtig het tuinpad op en af. Toen wendde hij zich weder tot het meisje.
--"Je oordeelt over wat je niet kent, Madeleine!" zeide hij met kwalijk bedwongen aandoening. "Ik wilde zoo gaarne, dat je met mij waart in deze zake! Ga na den noen met mij mede."
--"Waarheen? ter preeke?" vraagde zij spottend.
--"Wist je dat dan?" vraagde Jacob verrast.
Madeleine barstte uit in een schaterend gelach.
--"Zoo heb ik dan waarlijk goed geraden? Domme jongen, dacht je, dat ik naar de "groene preek" zou gaan? Wat zou ik mijn biechtvader zeggen? En wat aan je moeder?"
--"Je zegt, dat ik je heb meegetroond, en dat zal de waarheid zijn. Al heeten we niet verloofd, we behooren elkander toch toe en zou ik mijn bruid niet mogen heenleiden, waar zij de waarheid kan leeren verstaan, zonder een priester te vragen?" riep Jacob heftig.
--"Je bruid? Zoover is het lang niet. Ik heb het jawoord niet gegeven, dat ik wete! En als je je zoo aanstelt als een rustre en een vileijn, zal 't er nimmer van komen ook!"
't Was koel en bits gezegd en Madeleine nam haar spinrokken weer ter hand en begon met veel ijver haar draadje te hechten.
--"Madeleine!" riep Jacob.
--"Och, ga toch heen! Ga heusch maar naar je kettersche preek! 't Spijt me, dat ik je vroeg in den hof te komen!"
Jacob stond een oogenblik besluiteloos. Toen boog hij stijf en verwijderde zich langzaam.
Madeleine keek hem met een spottend glimlachje na.
--"Hij ziet er goed uit, als hij boos wordt!" prevelde zij. "Hij is knapper dan Thierry! Als hij die grillen uit het hoofd wilde zetten, dan... Of het waar zou zijn, wat Thierry beweert, dat hij goede vooruitzichten heeft op faveur en avancement in den dienst van den hertog van Aerschot...?"
Het spinnewiel snorde niet meer. De jonkvrouw keek peinzend voor zich uit, en zij glimlachte, want zij zag zich op de feesten aan het hof te Brussel--de gevierde koninginne van den dag!
't Was in minder vroolijke stemming, dat Jacob Martens zich naar zijne kamer begaf. Hij had van dat onderhoud zoo veel gehoopt! Hij zou Madeleine overtuigen, dat de zaak der vrijheid een heilige zaak was, dat de godsdienst iets meer, veel meer was, dan zij tot nu toe had gemeend; niet een gedachtelooze sleur van vormendienst, maar een aangrijpende werkelijkheid, waarvan hij de macht in zijn eigen hart en leven begon te ervaren. En ze zou naar hem luisteren, want zij had hem immers lief! En nu,--hij had niet eenmaal durven aandringen: haar spottende glimlach, haar koele toon hadden hem de woorden van de lippen genomen. Hij had gevoeld, dat alles, wat hij zou kunnen zeggen, vergeefsch zou zijn.
Was Madeleine dan voor hem verloren?
Want dat hij niet kon terugkeeren op den weg, dien hij zich gekozen had, stond bij hem vast. Hij overschatte de beweging der edelen, als duizenden met hem deden. Hij zag in hen de voorvechters der vrijheid, van het recht der vrije Nederlanden tegenover de aanmatigingen van het gezag. En in zijn geestdrift voor het edele doel zag hij niet de lichtzinnigheid en wereldzin, de onedele bijbedoelingen van velen onder hen, die zich hadden geschaard aan de zijde van de bestrijders der regeering. Maar hijzelf meende het eerlijk. Met al den gloed zijner jeugd, met den ingeboren vrijheidszin van den Vlaming had hij het schoone ideaal der vrijheid omhelsd; en hij wilde er voor strijden en lijden, als het zijn moest.
Daarbij, was het eerst slechts zijn weerzin geweest tegen Inquisitie en geloofsdwang, die hem had heengedreven naar de zijde der Hervormden, de geloofsmoed der martelaren, de gloed der onstuimige prediking, hadden hem verder gebracht dan hijzelf had vermoed. De indruk, dien hij te Gentbrugge had ontvangen, dat deze menschen iets hadden, dat hij miste, dat zij een overtuiging bezaten, die hun het hoogste was, was hem bijgebleven. Hij had hun godsdienst vergeleken bij zijn eigen kalm indifferentisme, en hij had zich geschaamd. Als wat de Kerk leerde waarheid was, als Jezus Christus was gestorven voor de zonden der wereld, als de zonde zulk een verschrikkelijke macht was, dat de Zone Gods, om haar te overwinnen, in den dood had moeten gaan,--dan hadden de ketters gelijk, die den zondaar rechtstreeks leidden aan den voet van het kruis, hem stelden tegenover een barmhartigen, machtigen Verlosser, dan had de Kerk ongelijk, die de Moedermaagd en de heiligen en den schutspatroon en ten slotte nog den priester had geschoven tusschen den zondaar en den Christus.
Zóó had Jacob gepeinsd en gevraagd en gezucht. Het was hem niet moeilijk gevallen in deze dagen, nu de regeering bevreesd was voor uiterste maatregelen, en hare tegenpartij steeds stouter optrad, zich een Liesveldschen bijbel te verschaffen. Hij had dien veilig geborgen op zijn kamer en hij las er vlijtig in, des morgens vroeg en des avonds, als hij zeker was, niet gestoord te zullen worden. En meer en meer begon hij de "nye leere" te verstaan, meer en meer werd het licht in zijn ziel, en al stond hij nog van verre, hij begon de waarde te beseffen van het heil, dat in Christus is.
Kon hij ook de zijnen, die hem lief waren, leiden op den weg, dien hij had gevonden? De president, op het punt van den godsdienst tamelijk onverschillig, beschouwde toch elke afwijking van de leer der Kerk als eene aanranding van het gezag, dat hij diende; zijne moeder was een strenge Roomsche, en de goedaardige Klaartje zou bij het eerste woord, dat haar aan "ketterije" deed denken, van schrik en ontsteltenis zijn verstijfd. Maar Madeleine? Hij zag het wufte kind in den schoonen glans, waarin zijne jonge liefde haar hulde. Haar vurige geest, haar kloek verstand zouden het schoone van het ideaal der vrijheid, de waarachtigheid van een godsdienst, die zijn macht bewees in het leven en sterven zijner belijders, moeten begrijpen en waardeeren, meende hij. Hij zou trachten haar belang in te boezemen voor de dingen, die hem zoo na aan het hart lagen en zij zou luisteren en volgen, eerst uit liefde voor hem, dan uit heilige overtuiging!
Hoe jammerlijk was zijn eerste poging mislukt!
Maar hij zou het er niet bij laten. 't Was natuurlijk, dat een jonkvrouw in al de vroolijke rust van haar onbezorgde jeugd, niet aanstonds wilde luisteren naar ernstige woorden, naar de groote vragen des tijds, die zoo dringend een antwoord eischten. Hij zou wachten, hij zou bidden... ja bidden voor Madeleine, want ook dat had hij geleerd, sinds weinige weken.
Maar als zijn gebed niet werd verhoord? Als Madeleine hem niet wilde volgen; als zij zich hardnekkig afkeerde van de waarheid. Wat dan?
Jacob had het Liesveldsche Nieuwe Testament uit zijn verborgen schuilhoek te voorschijn gehaald; eerst bladerde hij er gedachteloos in, want zijn hart was vol van bittere teleurstelling. Maar weldra boeiden hem de heilige verhalen van het leven des Heeren, dubbel aantrekkelijk, omdat ze zoo nieuw voor hem waren. Hij las de aangrijpende geschiedenis in het tiende hoofdstuk van Markus, van één, die veel goederen had, maar wien het hoogste goed ontbrak. Hij begreep den ontzettenden eisch, alles op te geven, om dat hoogste goed te gewinnen,--voorwaar, een eisch, die in zijne dagen tot menigeen kwam in al zijn vreeselijken ernst. En met diepe ontroering las hij: "Voorwaer segge ik ulieden: Daer en is niemant, die verlaten heeft huys, of broeders, of zusters, of vader, of moeder, of wijf, of kinderen, of ackers, om mijnent wille ende des Evangeliums, of hij ontfangt honderdvoud nu in desen tijd huyzen ende broeders ende susters ende moeders, ende kinders ende ackers, met de vervolgingen, ende in de toekomende eeuwe het eeuwige leven."
Dat waren wèl de woorden, die hij thans noodig had! Met een diepen zucht, maar toch met een biddenden blik naar boven en een vastberaden trek om den jeugdigen mond stond hij op, legde het boek op zijn plaats, en staarde door het kleine venster naar buiten.
--"God helpe mij!" fluisterde hij.
Er zijn soms oogenblikken in het leven, zoo gewichtig, "inhaltschwer", als de dichter zegt, dat het een geluk voor ons is, dat wij er het volle gewicht niet van beseffen, wanneer wij ze doorleven. Jacob Martens wist het niet, maar hij nam in deze ure afscheid van zijn onbezorgde jeugd, hij stond af zijn liefde, zijn familie, zijn toekomst, en hij koos de ballingschap en den schier hopeloozen strijd.
Hij greep zijn baret en maakte zich gereed het huis te verlaten. Het was niet voor niet, dat hij juist dezen dag had gekozen om met Madeleine te spreken. In den nanoen zou er iets gewichtigs gebeuren. De Gereformeerden te Gent waren stoutmoedig geworden, nu de regeering weifelde en scheen te willen toegeven aan de eischen der verbonden edelen. Predikten de Gereformeerde predikanten buiten Antwerpen niet openlijk voor vergaderingen van vijftien en zestien duizend man, zonder dat de overheid er iets tegen vermocht? Welnu, te Gent zou men dit voorbeeld volgen! Weldra zou men de kerken opeischen voor de ware religie, maar ondertusschen zou men onder de muren der stad een "groene preek" houden en men tartte den Hoog-baljuw om het hun te beletten. In den nanoen van dezen drie-en-twintigsten Juli zou men op een groot terrein buiten de Brugsche poort vergaderen en Modet zou van Oudenaerde komen, om er te prediken.