Jacob Martens: Een verhaal uit de zestiende eeuw
Part 31
Driftig over de onverwachte stoornis wendde Lumey zich om en vestigde zijn felle zwarte oogen op den jammerenden dorpeling, in de hoop, dat deze hem de een of andere tijding bracht, die hem van nut kon zijn. Hij kon echter den tongval van den boer niet verstaan en wenkte een van de Hollandsche officieren, om diens woorden te vertolken.
En nu kwam Harm Harmsen, visscher en landbouwer, en stoutmoediger dan zijn dorpsgenooten, die den moedwil van het krijgsvolk stilzwijgend en onderworpen hadden verdragen, met een stroom van klachten. De soldeniers hadden zijn huisgerijf stuk geslagen, de twee koeien en zijn hoenders geroofd en geslacht en hem en zijne vrouw mishandeld. Hij wilde recht, schadeloosstelling en bestraffing der roovers.
Zoodra Lumey begrepen had, wat de boer wilde, keerde hij zich met een ongeduldig schouderophalen af. Voor zulke klachten was hij doof! Toen de boer aanhield, fronste hij de wenkbrauwen en greep in zijn langen baard en de officieren stieten den man ruw terug en wenkten de soldaten, dat zij hem van het kerkhof moesten drijven. Er lag een zeker medelijden en ruwe goedhartigheid aan deze schijnbare hardheid ten grondslag, want zij kenden Lumey: was de boer nog een oogenblik langer gebleven, dan had hij hem zeker laten ophangen.
Buiten den kring van het rosse toortslicht stond Harm Harmsen en kookte van machtelooze woede. Daar stonden zij, de vreemde soldeniers, die hem hadden beroofd en mishandeld en die harige, zwarte duivel, die hem geen recht had willen verschaffen, was hun opperhoofd. Wat raakte hem, Harm Harmsen, de strijd om de vrijheid, de zaak van den Koning en van den Prins. Hij wilde rustig leven op zijn kleine boerderij en visschen in zijn schuit op de Meer en hij wilde niet bestolen worden. Hij had om recht gevraagd en zij hadden hem weggestooten en hem met slagen en schoppen weggedreven. Hij had de oranje-sjerpen en de veldteekens om de armen der soldeniers wel herkend. Het waren de knechten van de Geuzen. En zij waren sterk en zij hadden hunne wapens en hij was alleen, zonder ander wapen dan zijn visschersmes. Hij was er vlug genoeg mee, als 't op bekkesnijen met zijns gelijken aankwam,--maar op hen kon hij zich niet wreken. En toen flitste hem een gedachte door het brein. Kòn hij zich niet wreken? Die daar gingen naar Haarlem, dat door den Spanjool werd belegerd, om de stad te ontzetten. Zooveel had hij wel uit de woorden der soldeniers begrepen. Harm Harmsen hield niet van den Spanjool. Hij haatte de soldaten van beide partijen. Maar deze hier hadden hem bestolen en geslagen en die daarginds zouden hem misschien met goede Philipsdaalders zijn verlies vergoeden, als hij hen waarschuwde, dat de Geuzen hen op 't lijf kwamen vallen...
Harm Harmsen verliet het kerkplein en begaf zich naar zijn huis, dat niet ver van den oever lag. Hij kwam er uit met zijn schaatsen en een langen polsstok. Alle wegen, die van Lisse naar Sassenheim en verder leidden, waren door de ruiters bezet, dat wist hij wel.
Maar de Meer...?
Hij wist, dat het ijs door den sterken dooi hoogst gevaarlijk was, vol wakken en zwakke plaatsen. 't Was levensgevaarlijk er zich op te wagen en hij zou den grooten plas ook nooit durven oversteken naar Haarlem. Maar hij kon dicht langs den oever rijden, waar hij het ijs kende en hij nam zijn polsstok mede. Zakte hij door het ijs of reed hij in een wak, dan zou die zijn redding zijn. En hij behoefde slechts door te rijden naar Bennebroek. Dan kon hij over de slooten en de weilanden het Spaansche kamp bereiken, dat onder Overveen lag.
Het pad door de dichte rietbosschen, dat hij blindelings kon vinden, was spoedig bereikt. Daar lag de Meer voor hem, althans hij wist, dat die daar moest zijn, want hij had zijn schuit gevonden, die hij voor weinige dagen op den oever had getrokken. Vlak voor hem zag hij even het natte ijs, grauw wit in het flauwe schemerlicht. Er begonnen enkele sneeuwvlokken te vallen. De tocht over het wrakke ijs was gevaarlijk, levensgevaarlijk! Harm Harmsen wierp een blik achter zich. Hij zag het licht der pektoortsen in het dorp over het riet heen, hij hoorde het gerucht van stemmen, het knarsen van de wielen, het kletteren van wapenen. Wraakzucht en begeerigheid wonnen het: hij bond zich de schaatsen aan.
En Lumey en de zijnen vermoedden niet, dat daarginds door de dichte morgennevels de verachte boer zich heenspoedde naar het Spaansche kamp, om hunne plannen aan den vijand te verraden.
De troepen trokken van Lisse op Sassenheim en van daar op Hillegom aan, thans in marschorde en gereed voor den strijd. Eerst kwamen de vier kornetten Waalsche ruiters, gewapend met speer en langen houwdegen. In hun midden reed Jacob Martens, op zijn post als vaandrig, het Oranje-blanje-bleu vaandel, met de wapenspreuk "Pro Rege, Lege et Grege", in de rechterhand. De stok van den standaard rustte in een lederen koker, die aan de rechterzijde van den zadel was bevestigd en het dragen vergemakkelijkte. Hij droeg de breede sluiersjerp als teeken van zijn rang over den rechterschouder. Achter de ruiters kwamen de zes veldstukken met hun twee ammunitiewagens en de bedienende manschappen op de wagens en de affuiten of te voet. Daarop volgden twintig vendels Duitsche knechten, onder hunne hoplieden, gewapend met hun lange pieken en met rapieren, met twaalf busschieters met hunne vuurroeren op elk vendel. Dan kwam de eindelooze rij der honderd karren, beladen met mond- en krijgsbehoeften, en een laatste vendel sloot den trein.
Het was guur en mistig weder. De sneeuw, die den vorigen dag had gedreigd, begon in groote vlokken te vallen en maakte het voortgaan op den drassigen weg nog moeilijker.
De trage wintermorgen begon aan te breken, maar de mist bleef hangen, een koude, verkleumende mist, die door de mantels en de gevoerde wambuizen drong en de krijgslieden deed huiveren. Stom en zonder geestdrift, hier en daar vloekend en grommend, trokken de vendels voort.
Voorbij Hillegom boog de weg zich links en het landschap werd houtrijker. De weg liep langs den duinrand. De binnenduinen waren met dicht houtgewas, eiken en beuken, begroeid, en ook langs de rechterzijde van den weg strekte zich een bosch uit van beuken en lage berken.
Een hooge en steile duinwand,--de Welige Berg heette hij in den volksmond, om zijn dicht houtgewas--strekte zich nu uit links van den weg. De boomen waren natuurlijk bladerloos en slechts met eenig dor loof bedekt, maar ze stonden zoo dicht op elkander, dat ze, vooral op een neveligen winterdag, een goede dekking aanboden, aan wie er zich zou willen verschuilen.
Een kleine afdeeling ruiters, die als verkenners een paar honderd ellen vooruit reden, had niets verdachts bemerkt. Het eenzame winterlandschap scheen uitgestorven. De nevel en de sneeuw maakten, dat men alleen de naastbij zijnde voorwerpen kon onderscheiden.
En plotseling, toen de ruiterij en het geschut langs den hoogen duinwand trokken, flikkerde het rood door den mist tusschen het geboomte van het duin en den boschrand. Zware schoten dreunden door de stille winterlucht en een hagelbui van kogels viel neer op de voorhoede van het kleine leger. Paarden en ruiters stortten neder en de spits van den troep was in een oogenblik in verwarring.
Want Harm Harmsen had zijn doel maar al te goed bereikt. Het broze ijs had hem gedragen en hij was met een zucht van verlichting te Bennebroek aan wal gestapt en had zich de schaatsen afgebonden. Hij had nu een grooten voorsprong op het Geuzenlegertje gekregen, maar hij gunde zich geen rust en trok, met zijn polsstok gewapend, over half bevroren slooten en weilanden tot hij het Spaansche kamp bereikte. Ten Zuiden van Haarlem lag Noircarmes met zijne Walen. Toen men hem berichtte, dat er een boer gevangen was genomen, die tijding scheen te willen brengen, liet hij Harm voor zich komen en door een tolk ondervragen. Daarop reed hij spoorslags naar don Fadrique, om hem het bericht te brengen van den voorgenomen aanval, dien men inderdaad niet vermoedde.
Maar don Fadrique de Toledo en Noircarmes waren beter krijgsoversten dan Lumey, die zoo vast op het gelukken zijner verrassing had gerekend, dat hij geen veldontdekkers vooruit had gezonden om het terrein en den weg te verkennen.
Don Fadrique had terstond zevenhonderd van de beroemde Spaansche haakschutters met hunne nieuwerwetsche, zware musketten gezonden, om zich op een geschikte plaats in hinderlaag te leggen en de Geuzen op te houden. Noircarmes rukte hen terstond achterna met een sterke afdeeling voetvolk en eenige ruiters.
De Spaansche officier, die de haakschutters aanvoerde, had zijne maatregelen goed genomen. Hij had zijne manschappen zoo opgesteld, dat zij den weg bestreken, die Lumey's vendels moesten volgen, terwijl zij, verscholen tusschen het hout, voor de Geuzen onzichtbaar waren. 't Laden van een musket was niet het werk van een oogenblik, maar de Spaansche veteranen wisten toch een geregeld vuur te onderhouden, dat de aangevallenen in verwarring bracht.
Lumey bevond zich te Hillegom in een boerenhoeve, waar hij zich warmde bij een groot vuur op de haardplaat, toen hij het vuren aan de spits hoorde. Hij liet zich dadelijk het harnas aangespen, dat hij had afgelegd, en rende met de ruiters, die tot zijn lijfwacht behoorden, naar het tooneel van den strijd, terwijl hij de hoplieden der Duitsche vendels, die hij voorbij snelde, toeschreeuwde, met hun mannen de Spaansche scherpschutters uit hunne schuilhoeken te verjagen. Maar zijne bevelen kwamen te laat. De verraste ruiters, waarvan er reeds een aantal gevallen waren, weken terug voor het Spaansche musketvuur, reden de artilleristen overhoop, die vergeefs hunne stukken in batterij trachtten te brengen en brachten verwarring in het eerste vendel der Duitsche voetknechten. En toen gebeurde wat de Welle had voorzien. De "Bremers" wierpen de pieken weg en sloegen op de vlucht, zonder op de bevelen hunner officieren te letten. De voerlieden, die de wagens begeleidden, sneden de strengen der paarden door, sprongen er op en vluchtten er mede, voor zoover hun die niet door de soldaten afhandig werden gemaakt. Weldra ontstond er een wilde paniek en het was de officieren onmogelijk, de vluchtenden te doen stand houden.
Aan het hoofd van zijn lijfwacht en van de weinige ruiters, die hem volgden, vocht Lumey als een razende tegen de Spanjaarden, die nu uit hun dekking te voorschijn kwamen. Twee paarden waren reeds onder hem doodgeschoten. Een zijner lijfwachts gaf hem het zijne. Toen, vreezende, dat hij van de zijnen zou worden gescheiden en gevangen genomen, wendde hij den teugel en vluchtte met de ruiters, die waren overgebleven.
En in de verwarring merkten de vluchtenden niet op, dat de vaandrig, die dapper had stand gehouden, niet bij hen was.
De plaats van den vaandrig was bij de lijfwacht van den bevelhebber, en die stond bij de boerderij geschaard, waar de staf te kwader uur zich had opgehouden. Met het Oranje-blanje-bleu-vendel in de vuist had Jacob Martens zich met Lumey aan het hoofd van den troep gesteld en was met hem naar de spits der colonne gerend, om de aanvallende Spanjaarden het hoofd te bieden. Hij vond er een onbeschrijflijke wanorde. De mannen, die het geschut bedienden en die hadden getracht de veldstukken op het terrein naast den weg in batterij te brengen, werden door de terugwijkende ruiters vertrapt of door de kogels der Spanjaarden gedood. Jacob zag het lijk van de Welle, hangend over een der kanonnen, dat in een greppel was gestort. Het voorgevoel van den ouden Geus had hem niet bedrogen. Hij was door een Spaanschen kogel getroffen, toen hij trachtte het stuk te redden, waarvan de bespanning schichtig was geworden. De paarden lagen thans dood voor het onbruikbaar kanon.
Jacob wierp een blik van deernis op zijn trouwen metgezel, maar het was thans de tijd niet om aan de gevallenen te denken. Naast Lumey, die zijn ruiters toeschreeuwde, stand te houden, hield hij het vaandel hoog, onder het moordend vuur der Spaansche haakschutters. En even vóór dat de aanvoerder der Geuzen vluchtte, was zijn paard door een kogel getroffen en was het doodelijk gewonde dier neergestort.
Dit gebeurde op een open plek tusschen het hout, ter zijde van den weg, want daar had Lumey getracht het bosch binnen te dringen, om de haakschutters uit hun verdekte stelling te verjagen. Zoo kwam het, dat geen der vijanden hem had zien vallen. Zij hadden zich anders gehaast, zich meester te maken van het vaandel.
Hij was met het hoofd op een boomwortel terecht gekomen en een poos lang lag hij bewusteloos. Toen hij weer bijkwam, was het gevecht bij den Weligen Berg geëindigd. De Spaansche haakschutters waren uit het bosch en van het hooge duin te voorschijn gekomen en vervolgden de vluchtende Duitschers, die hier en daar nog tegenstand boden. In de verte vernam hij het gejoel van den strijd en van tijd tot tijd klonk nog een enkel schot. Op den weg hoorde hij den galop van een afdeeling ruiterij. De ruiters kwamen van den kant van Bennebroek en Jacob begreep, dat het vijanden waren, die zich haastten om aan de vervolging deel te nemen en het convooi te plunderen.
Zijn linkerbeen lag beklemd onder het doode paard. Met moeite slaagde hij er in zich te bevrijden. Toen hij wilde opstaan, voelde hij, dat zijn been gekneusd was en dat hij slechts met moeite kon voortstrompelen.
Hij wist, dat het einde nabij was. Nog weinige oogenblikken en de Spanjolen zouden het bosch doorzoeken om de gevallenen te plunderen en de gewonden af te maken. Hij zou zich niet overgeven. De krijgsmanseer verbood het. Het was de plicht van den vaandrig vóór alle dingen het vaandel te redden. Kon hij het niet, dan gaf hij het niet over dan met zijn leven.
Hij keek rond naar een plaats, die hem eenige beschutting kon bieden, want zijn been deed hem pijn. De sneeuw viel nu minder dicht, en tegen den middag was de mist opgetrokken. Dicht bij den weg zag hij den bouwval van een kleine kapel, waarschijnlijk in den tijd van den beeldenstorm verwoest, want door de sneeuw glansden de bladeren van donkergroene klimop, waarmee de half ingestorte muren waren begroeid. Eén stuk muur stond nog overeind. Een goede plaats voor den laatsten strijd.
Jacob Martens raapte het vaandel op en op de schacht geleund, strompelde hij naar den bouwval. Hij leunde tegen den muur en liet het gekwetste been op een stuk hardsteen rusten, een brok van den vroegeren drempel van het gebouwtje. Toen sneed hij met zijn ponjaard het vaandel van de schacht en sloeg zich het doek om de schouders. Wie het wilde veroveren, kon het komen nemen, met zijn leven: zoo gebood het de eer van den vaandrig.
't Zou niet lang meer duren. Er klonken ruwe stemmen in het bosch. De voorhoede van het voetvolk van den Spanjool was nu ook aangekomen en drong langs den weg en door het hout vooruit.
't Was een vreemd gevoel, daar alleen te wachten op den dood, die komen ging. Jacob voelde geen vrees, alleen een zeker vreemd gevoel van nieuwsgierigheid, hoe het laatste oogenblik zou zijn. Men zegt, dat een drenkeling, in de laatste oogenblikken vóór den dood, zijn geheele leven aan zijn herinnering voorbij ziet gaan. Zoo ging het ook hem in die weinige minuten. Een reeks bonte tooneelen ging aan zijn geestesoog voorbij. Hij zag zich weer bij de Geuzen, op het Fransche kaperschip, bij de Boschgeuzen. Hij doorleefde weer het afscheid van Madeleine en de lange uren in den donkeren kelder. Hij was weer in het ouderlijk huis en hij zag zijn vader en moeder, zijn zuster en Madeleine, die hij allen liefhad en nu... Waar was dat alles heen? En wat scheen het lang geleden! Toen, plotseling, zag hij zich weer aan de havenkade te Gent, en hij zag er de roode kar van den beul en het bleek gelaat der martelaresse met haar stille, lijdende oogen en hij hoorde weer de zware, vermanende stem opklinken uit de omstanders: Syt getrouwe tot in den doet, ende ick sal u geven die crone des levens!
Zoo was het, ja! Getrouw tot in den dood!
Getrouw aan de zaak der vrijheid des lands, getrouw aan de zaak van het Evangelie, gezuiverd van menschenvonden, getrouw aan de goede zaak, door de edelsten en besten gediend, door onverstand geschaad, door dweepzucht en wreedheid bezoedeld,--maar toch de zaak Gods. Die zaak had hij gediend en daarvoor stierf hij. Getrouw tot in den dood!
Nu zou het oogenblik spoedig daar zijn. Bidden? Ja, nog bidden voor hen, die hij liefhad en die wel niet eens zouden weten, hoe en waar hij gevallen was. Een kort gebed: God kende toch zijn hart! En dan een laatste bede voor zich zelf. Jacob Martens beval zijn ziel aan God.
En nu was het gekomen. Ruwe stemmen, luide vloeken in het Spaansch en het Fransch. Twee mannen, met den rooden veldstrik van Spanje om den arm, kwamen op den bouwval toeloopen: een reeds bejaard sergeant van de Spaansche musketiers en een Waalsche voetknecht, gewapend met zijn pertuisane.
Jacob trok den degen en wachtte den aanval af.
De beide mannen bleven een oogenblik als verbijsterd staan. Die bleeke jonge man, met het vaandel over de schouders en de breede oranje sluiersjerp over de borst--wat deed hij in dien ouden bouwval?
Toen slaakten zij een kreet van blijdschap en triomf. Het Geuzenvaandel! Zij zouden het buit maken. En de eer en de belooning zouden voor hen zijn.
De sergeant was de voorste. Hij zwaaide zijn korten hellebaard, het teeken van zijn rang als onderofficier, en riep den Geuzenvaandrig in goed Spaansch toe, dat hij zich zou overgeven. Jacob verstond hem. Hij schudde het hoofd en met den degen in de rechter- en den ponjaard in de linkervuist, wachtte hij den vijand af.
De Spanjool drong op hem in, maar het was of hij geen gebruik wilde maken van het voordeel, dat zijn wapen hem schonk. Hij zag wel, dat zijn tegenstander gewond was en zich moeilijk bewoog en hij spaarde hem. Misschien voelde de veteraan eenig medelijden met zijn jeugdigen tegenstander, misschien wilde hij de eer hebben, een officier der Geuzen levend gevangen te nemen. Hoe dit zij, hij vergenoegde zich met de stooten van Jacob te pareeren, en wachtte op een goede gelegenheid om hem te ontwapenen.
De Waalsche soldenier begreep niets van die edelmoedigheid. Waarom sloeg de Spanjool niet toe? De buit was immers voor het grijpen? Daar naderden reeds andere knechten en ten slotte zou men nog de belooning moeten deelen. Als de Spanjool aarzelde, dan...
Hij velde de lange pertuisane en op het oogenblik, dat Jacob een stoot van den hellebaard met zijn ponjaard pareerde, stiet hij hem de lange, stalen punt onder den linkerarm in het lijf.
Jacob Martens zonk achterover tegen den muur; de degen ontviel aan zijn hand. Het lange ijzer van de piek had hem het hart doorboord. Hij was onmiddellijk dood.
Met een vloek wierp zich de sergeant op den gevallene om zich van het vaandel meester te maken, maar de piekenier trachtte het hem te ontrukken. Andere Waalsche knechten waren naderbij gekomen, en kozen de partij van hun landgenoot tegen den Spaanschen onderofficier en de twist dreigde in een bloedige vechtpartij over te slaan.
Er klonken hoefslagen op den weg. Een officier van Noircarmes, met de roode sjerp over het blinkend kuras, reed nader met een afdeeling ruiterij. Zij waren gekomen, om de veroverde veldstukken in veiligheid te brengen.
De luide stemmen der twistenden trokken de aandacht van den officier en hij reed nader. Het was Thierry de St. Foy.
Met een paar woorden besliste hij het geschil. De twee mannen, die het vaandel hadden veroverd, zouden het samen aan den Spaanschen bevelhebber brengen en de belooning deelen. Toen wierp hij een onverschilligen blik op den doode en een oogenblik was er een spoor van ontroering op zijn bleek, koud gelaat. Hij had Jacob Martens herkend.
Thierry hield nog een oogenblik zijn paard in en staarde op den vriend van zijn jeugd, den dwazen, edelmoedigen Jacob, die alles had opgegeven, om de zaak der verdrukten te dienen, en die nu gevallen was, zonder roem, in een onbeteekenende schermutseling, strijdende voor een verloren zaak. Terwijl hij, Thierry de St. Foy...
--"Hij moet begraven worden!" beval hij kortaf zijn soldeniers.
Toen reed hij langzaam heen.
De Walen hadden er niet veel lust in, een graf te delven in den harden grond, waarvan alleen de bovenste laag ontdooid was. Toch durfden zij het bevel niet ongehoorzaam zijn. Zij maakten zich meester van de wapenrusting van den doode en van alles, wat eenige waarde voor hen had. Toen stieten zij met hunne pieken het wrakke muurwerk omver en bedolven het lijk onder het puin.
't Was al mooi genoeg voor den Geus, vonden zij.
En Jacob Martens bleef achter in zijn naamloos graf, de Nederlander, die alles had prijsgegeven voor de vrijheid van zijn land en voor de goede zaak: zijn ouders, zijn toekomst, zijn bruid en nu ook zijn leven.
En Thierry de St. Foy reed met de veroverde kanonnen naar het Spaansche kamp en hij kwam er terug als overwinnaar, hij, de Nederlander, die zich aan den vreemdeling had verkocht voor eer en goud, hij, de benijde echtgenoot van de schoone en rijke Madeleine de Bette, van wier schoonheid en... coquetterie heel Brussel sprak, hij, die de wapenen voerde tegen zijn verdrukte landgenooten.
Wie van beiden was de gelukkigste?
De vroege winteravond begon te vallen en de Spanjolen en Walen keerden juichend met hun buit en hun gevangenen naar het kamp terug.
Toen zij weggetrokken waren, slopen de arme boeren uit de omliggende dorpen naderbij, om zich meester te maken van wat er nog van het vernielde convooi was overgebleven. Er waren er, die het hooge duin beklommen, om de aftrekkende troepen na te oogen. Zij konden in de verte de donkere massa onderscheiden van het ten ondergang gedoemde Haarlem, waarop de oude St. Bavo somber en ernstig neerzag, en de vuren der belegeraars te Overveen.
Tegen den avond was het weder helder geworden en het laatste licht van den zonsondergang verlichtte nog even de hooge toppen,--als een belofte van een betere toekomst aan de arme, door den vreemdeling vertreden Nederlanden.
AANTEEKENINGEN
[1] De spotnamen, die het Gereformeerde volk aan de hostie gaf.
[2] In onze Bijbelvertaling psalm 139: 9-13.
"Nam ik vleugelen des dageraads, woonde ik aan het uiterste der zee, ook dáár zou Uwe hand mij geleiden en Uwe rechterhand zou mij houden. Indien ik zeide: de duisternis zal mij immers bedekken, dan is de nacht een licht om mij. (Roomsche vertaling: zoo zal toch ook de nacht mij tot een licht zijn in mijne geneugten). Ook verduistert de duisternis voor u niet.... (Roomsche vertaling). "Want voor u is de duisternis niet donker."
[3] "Verlos ons van den booze!"
[4] In de jaren 1567 en 1568 werden door de Boschgeuzen in West-Vlaanderen de kerken verwoest te Herzeele, Houtkerken, Hondschoten, Killem, Oost-cappel, Winnezeele, Oudezeelen, Reynighelst, Lokeren, Kemmele en Dracoultre.
De namen der door hen in die jaren vermoorde dorpsgeestelijken zijn: Henricus Turck, pastoor van Oostcappel, Martinus Necrosius, pastoor van Hondschoten, Franciscus de la Fosse, pastoor van Rexspoede, Antonius van den Clyte, pastoor van Ruebrouck, Petrus Famelast, pastoor van Richebourg (Wynckius, Histoire des Gueux-des-Bois).
[5] 't Heeft den man weinig gebaat. Hij is in 1569 te Gent onthoofd.
[6] En geen tweehands zwaarden, zooals Hofdijk ten onrechte schrijft.
[7] Thans Maassluis.
[8] "Wij en warren geen drij honderd," zegt Jonkheer Frederik van Dorp in zijn dagboek. Vermoedelijk ziet dat op de bemanning der schepen, die op dat oogenblik voor Brielle waren geankerd. Voor de bemanning der geheele Geuzenvloot--immers 26 schepen--is dat getal te gering.