Jacob Martens: Een verhaal uit de zestiende eeuw
Part 30
Sedert de laatste dagen van Juli diende Jacob Martens in het leger van den Prins, dat hij door Brabant heen gemakkelijk had kunnen bereiken. Den 19en Juli waren de Staten van Holland te Dordrecht bijeengekomen, Marnix van St. Aldegonde was er verschenen als vertegenwoordiger van Oranje en de Staten hadden den Prins als stadhouder des Konings erkend en beloofd, hem tegen Alva en de Spaansche troepen te ondersteunen. Zooals reeds vroeger werd opgemerkt, hadden zij echter aangedrongen op het intrekken van de commissiën ter zee, omdat de handel des lands te veel schade leed door de rooverijen der Watergeuzen. Marnix voldeed, namens den Prins, aan dit verzoek, en sedert hielden de kapers op, een wettige krijgsmacht te zijn. Vele ballingen keerden naar hunne haardsteden terug, anderen gingen met hunne schepen naar Zeeland, om de Zeeuwen bij te staan in hun strijd tegen de Spanjaarden en zij hielpen mede die eerste Nederlandsche marine vormen, die zich tot het jaar 1576 zoo duchtig in de Zeeuwsche wateren heeft geweerd. Weer anderen namen dienst bij de vendels die hunne aanvoerders, thans als hoplieden van den Prins, aanwierven om den strijd te land voort te zetten. De Watergeuzen verdwenen van de wateren der Noordzee. Zij zouden eerlang hunne opvolgers vinden in de Duinkerker kapers.
Den 22sten Juli was Lumey in de vergadering verschenen en had een commissie overgelegd van den Prins, waarbij hij werd aangesteld als gouverneur van Holland. Hij verklaarde zich bereid die post te aanvaarden en zich naar de daarbij gevoegde instructies te zullen gedragen. Waarschijnlijk was Marnix van beide stukken de overbrenger geweest. Lumey werd daarop door de Staten als de vertegenwoordiger van den Prins, als 's Konings stadhouder erkend en voerde een korte poos het bewind in het Zuiden van Holland, ook als bevelhebber der aanwezige troepen, gelijk Sonoy in het Noorden. [9]
Jacob Martens wenschte echter niet onder Lumey te dienen. Met een aanbevelingsbrief van Aldegonde vertrok hij naar het leger van den Prins en werd aangesteld als cadet bij diens lijfwacht. Hij deelde in de algemeene verwachting, dat de bevrijding van de Nederlanden aanstaande was en hij hoopte Vlaanderen en zijn geboortestad Gent, die hij als vluchteling en balling had moeten verlaten, met het zegevierend leger van Oranje en Coligny binnen te trekken, om ze van het juk der Spanjaarden te verlossen. Mochten de heftigste Gereformeerden, mocht zelfs Aldegonde Oranje lauwheid verwijten op het stuk van den godsdienst, hij begreep, wat de Prins bedoelde. Vrijheid van geweten, het recht, om God te dienen naar de inspraak van zijn hart, die zouden ieder gewaarborgd zijn, als Oranje triomfeerde. Dan zou de Kerk van Christus in Vlaanderen, waar de geloovigen zich nu in vreeze voor hun leven schuilhielden, krachtig opbloeien en het Woord Gods zou vrij uit mogen worden verkondigd.
Maar, om met het Wilhelmus te spreken,
Maar de Heer van hierboven, Die alle ding regeert, Die men altijd moet loven, En heeft het niet begeerd!
Het was in Gods ondoorgrondelijken raad besloten, dat het Zuiden voor de Reformatie verloren zou gaan en dat het Noorden niet door vreemde hulp en niet nu, maar eerst na bange worsteling vrij zou worden van tirannie en geloofsdwang.
Reeds was Mechelen door het leger van den Prins bezet, toen hem de tijding bereikte van wat er in den nacht van den 24sten Augustus, den beruchten Bartholomeusnacht, te Parijs was voorgevallen: de moord, gepleegd op Coligny en de argelooze Huguenoten, gevolgd door de bloedige vervolging der Protestanten in alle Fransche steden. Catharina de Medici en de Guises hadden gezegevierd, de Fransche politiek was plotseling veranderd van koers en hulp van die zijde was niet meer te verwachten.
En op die hulp van Coligny en zijne vendels, op de medewerking der Fransche Regeering in den strijd tegen Spanje, was het plan van den Prins gebouwd. De veldtocht van 1572 kan als mislukt worden beschouwd, evenals die van 1568. De verrassing van Oudenaerden, den 7den September, was het laatste succes. De Duitsche hulptroepen eischten hunne soldij en de hulpmiddelen van Oranje waren bijna uitgeput. Hij waagde nog een laatste poging om Bergen te ontzetten, maar in het gevecht bij Jemappes werden zijne troepen door de beroemde Spaansche musketiers verslagen en twee dagen later ontkwam hijzelf ternauwernood aan een koenen nachtelijken overval door Romero, aan het hoofd van 600 Spanjaarden.
Geld en levensmiddelen ontbraken, het leger was gedemoraliseerd, de onderneming moest worden opgegeven. De Prins trok af naar Mechelen en van daar naar den Rijn, dien hij bij Orsoy overstak. Hij dankte er de Duitsche huurtroepen af en behield voorloopig slechts 6 Waalsche vendels en 1200 ruiters in zijn dienst. Met die kleine legermacht trok hij door de Graafschap naar Zutfen, waar hij de Walen in bezetting liet en toen naar Kampen, om van daar naar Enkhuizen over te steken. In Holland en Zeeland, zoo schreef hij aan zijn broeder, Jan van Nassau, wilde hij den verderen kans en Gods beschikking met hem verbeiden, en zich tot het laatste handhaven, vast besloten er anders zijn graf te vinden.
Een week na den aftocht van den Prins gaf Lodewijk van Nassau Bergen aan de Spanjaarden over. Alva, die zijne troepen noodig had om zijn veldtocht tegen het Noorden te ondernemen en de oproerige gewesten tot onderwerping te dwingen, stond Lodewijk eervolle en voordeelige voorwaarden toe, die inderdaad, wat Lodewijk en zijne troepen betreft, stipt werden nagekomen. Aan de bezetting werd vrije aftocht met krijgseer toegestaan en den jongen graaf van Nassau, die ziek was en in een draagstoel de stad verliet, werd door den hertog en zijn zoon met Spaansche hoffelijkheid uitgeleide gedaan.
En thans had Alva de handen ruim. Hij beschikte over een krachtig en wel geoefend leger, waarvan de kern werd gevormd door de Spaansche vendels, die hij had medegebracht, maar dat versterkt was door Waalsche en Duitsche huurtroepen. Van Frankrijk was niets meer te vreezen. De Prins kon geen legermacht van eenige beteekenis meer tegen hem in 't veld brengen. 't Gold nu enkel, de afvallige steden, met hun geringe bezetting tot onderwerping te brengen en dan zou de opstand bedwongen zijn. Alva kende den invloed maar al te wel, van wat men in later tijd, ook in onze dagen de "terreur" zou noemen. Door schrik en ontzetting, door enkele steden zwaar te straffen, rekende hij er op, het verzet der andere zonder strijd te breken.
Mechelen was het eerst aan de beurt. Het zou tot een voorbeeld worden gesteld. Drie dagen lang werd de stad door de Spanjaarden uitgemoord en geplunderd, ondanks de tusschenkomst van den bisschop van Atrecht. "Oorlogsnoodzakelijkheid" zou Alva in onze dagen hebben gezegd. Het middel was afdoende, want alle steden in de Zuidelijke Nederlanden haastten zich hunne onderwerping aan te bieden en ze werden in genade aangenomen.
Toen rukte het leger, onder aanvoering van Alva en den hertog van Medina Coeli--die eigenlijk als zijn opvolger was gezonden, maar die nimmer eenig gezag heeft uitgeoefend--over Maastricht en Emmerik op naar Nijmegen, waar voorloopig het hoofdkwartier werd gevestigd. Aan Alva's zoon, Don Fadrique de Toledo, werd nu het opperbevel toevertrouwd, om het Noorden te bedwingen.
Hij begon met Zutfen, waar de door den Prins achtergelaten bezetting een korten tijd tegenstand bood en dat daardoor het lot van Mechelen deelde. Ook ditmaal werd het doel aanvankelijk bereikt. De steden in Gelderland, Overijsel en Utrecht onderwierpen zich en werden gespaard.
En nu rukte de voorhoede van het Spaansche leger onder Romero Holland binnen. Naarden, de kleine, zwakke vesting, had zijne poorten geopend voor de gevluchte bezettingen van Kampen en Amersfoort.
Nog den 22sten November was Bossu met honderd man voor het stadje verschenen, maar de burgerij had geweigerd hem binnen te laten. Misschien rekende men er op hulp van Sonoy.
Thans, bij de nadering der Spanjaarden, zag men te laat in, aan welk gevaar men zich had blootgesteld en men trachtte den storm nog te bezweren. Twee afgevaardigden uit de vroedschap begaven zich naar het hoofdkwartier van don Fadrique te Amersfoort, om er de onderwerping der stad aan te bieden, maar ze werden niet tot den bevelhebber toegelaten. Den volgenden morgen zouden ze te Bussum het antwoord vernemen. Dit bericht bracht schepen Gerrit Pieter Aertz de bedrukte burgerij. Burgemeester Marten Laurensz, zijn metgezel, die maar al te goed begreep, wat die ontvangst beteekende, keerde niet naar Naarden terug, maar redde zich door de vlucht.
Den volgenden dag verschenen zeven afgevaardigden der stad voor Romero, die tot Bussum was voortgerukt. Zij moesten den Spaanschen aanvoerder tot voor de poort volgen, om er diens antwoord te vernemen. Men bood er hem de sleutels van de stad aan en hij beloofde op handslag den rector Lambertus Hortensius en een van diens mede-afgezanten een genadige behandeling en behoud van lijf en goed. De onnoozele burgerij meende, dat die belofte ook haar gold en zag zich jammerlijk bedrogen. 't Is onnoodig, hier nogmaals te verhalen, wat er dien dag gebeurde. De moord te Naarden is een maar al te bekend feit in onze geschiedenis.
Weer hadden de Spanjaarden een schrikkelijk voorbeeld gesteld, om de andere Hollandsche steden te toonen, wat hun wachtte, indien zij het waagden zich te verzetten.
Van Naarden rukte don Fadrique op naar Amsterdam, de eenige stad in Holland, die Spaanschgezind was gebleven, en van daar naar Haarlem. De Geuzen trachtten op den smallen dijk naar Sparendam, waar zij een schans hadden opgeworpen, de voorhoede van het Spaansche leger tegen te houden, maar na een gevecht van drie dagen werd die schans veroverd en nu lag de weg naar Haarlem open.
Haarlem werd als de zwakste der Hollandsche steden beschouwd en don Fadrique had er op gerekend, dat hij zich gemakkelijk van de vesting zou meester maken. Het beleg, dat in het begin van December begon, zou echter acht maanden duren en Haarlems verdediging zou een roemrijke bladzijde vullen in de geschiedenis van den vrijheidsoorlog. Zelfs de ridderlijke Spanjaard de Mendoça, die zoowel krijgsman als geschiedschrijver was, brengt hulde aan den moed der burgerij. "Die moed," zoo zegt hij, "kwam niet slechts bij de verdediging hunner wallen uit; hij toonde zich evenzeer met de grootste kracht en stoutheid bij al de uitvallen, die zij gedurende heel den tijd van 't beleg deden. Hij openbaarde zich ook onder alle inwoners, die met hardnekkigen trots de wapens voerden; terwijl Haarlems broederschappen of zoogenaamde gilden, van de muren der stad de grootste schade aan ons volk toebrachten. Het moge als een les strekken voor ieder veldoverste en krijgsman, zijn vijand om welke reden dan ook niet te minachten, voor men hem bestreden heeft."
Jacob Martens had den Prins op zijn tocht van Gelderland naar Holland vergezeld. Van Enkhuizen was de Prins naar Haarlem getrokken, waar hij de Staten van Holland bijeenriep. Er waren daar veel bedrukte harten, want,--het was half November--men had reeds de tijding vernomen van de nadering der Spanjaarden en men wist niet, welke maatregelen Oranje dacht te nemen voor de beveiliging en verdediging des lands. De Prins trachtte de bedrukten moed in te spreken en hij wees hun op zijn onderhandelingen met Koningin Elisabeth van Engeland. Verder wekte hij de Staten op, gelden te verzamelen voor het aanwerven van troepen, terwijl hij hun beloofde, het zijne te doen om het bedreigde Noorden te helpen. En dit was geen ijdele belofte. Over een veldleger van voldoende sterkte om de Spanjaarden te bestrijden, kon hij niet meer beschikken, maar nog had hij in Holland troepen, die in zijne soldij stonden. De overste Lazarus Muller lag te Leiden met zes vendels Duitsche knechten en ook Lumey beschikte over een kleine macht Walen en Duitschers, terwijl Sonoy de steden aan de Zuiderzee en Waterland bezet hield. Kon men de bedreigde Hollandsche steden van sterke garnizoenen en een voldoenden voorraad levensmiddelen voorzien, dan konden zij het nog lang tegen den vijand uithouden, en als de onderhandelingen slaagden, kon er binnen weinig weken hulp uit Engeland komen.
Van Haarlem begaf zich de Prins over Leiden naar Delft, waar hij zich voorloopig zou vestigen. Hij nam er onmiddellijk maatregelen om het bedreigde Haarlem te helpen, terwijl ondertusschen hopman Wigbolt Ripperda met zijne Duitschers de stad bezette. Hij vond er de vier vendels, die Lazarus Muller er als bezetting had gelaten.
Jacob Martens ontving een commissie als vaandrig bij een van de vier cornetten Waalsche ruiters, die tot de troepenmacht behoorden, waarover Lumey beschikte en hij vertrok naar Gouda, waar die mannen in bezetting lagen. Hij vond er Pieter de Welle terug als sergeant bij de batterij van zes veldstukken, waaruit Lumey's artillerie bestond. Hij bracht zijn vroegeren admiraal de orders van den Prins over voor den voorgenomen veldtocht. De voorbereidselen moesten spoedig en doortastend worden gemaakt, want men moest Haarlem trachten te bereiken, voor de vijand de stad geheel insloot. Toch moest alles zooveel mogelijk in het geheim geschieden, opdat het plan door de "glippers" niet aan de Spanjaarden zou worden verraden.
En zoo rukte in den namiddag van den 12den December 1572 een kleine legermacht van 15 vendels Duitsche landsknechten met zes stukken veldgeschut en 100 wagens proviand en munitie van Delft op naar het Noorden om het bedreigde Haarlem te helpen. Te Leiden zou de overste Lazarus Muller zich met zes vendels Duitschers bij den troep aansluiten: Lumey zelf zou het kleine leger aanvoeren. Hij bleef echter met de vier kornetten ruiters, die deel zouden nemen aan den tocht, nog te Delft. Hij kon met zijn cavallerie het voetvolk, dat met den langen wagentrein slechts langzaam vooruit kwam, gemakkelijk inhalen. Te Leiden zou hij zich aan het hoofd stellen van de vereenigde krijgsmacht.
Lumey verkeerde in een slechte luim. Zijn wreveligheid, lichtgeraaktheid en koppige eigenzinnigheid waren in de laatste maanden nog toegenomen, sedert hij meer en meer gevoelde, dat zijn aanzien bij den Prins, de Staten en het volk was gedaald. De inneming van den Briel en de gebeurtenissen, die daar onmiddellijk op waren gevolgd, hadden den Luikschen avonturier een kortstondige glorie geschonken en hem een plaats doen innemen, die hem eigenlijk niet toekwam. Hij had in den nazomer van datzelfde jaar een mislukte poging gedaan om Amsterdam te nemen, en die mislukking zijner plannen werd aan zijn gebrek aan krijgsbeleid geweten. Wegens zijn woeste wreedheid, ook wegens den moord op de Gorcumsche geestelijken, was er een aanklacht tegen hem ingediend bij het Hof van Holland en hij was genoodzaakt geweest zich zoo goed mogelijk te verdedigen, terwijl ook zijn losbandig gedrag te Brielle een smet op zijn karakter had geworpen. Thans liet hij de regeling van den langen trein over aan de officieren van zijn staf, waaronder zich ook Jacob Martens bevond, en dezen sloofden zich af, om zooveel mogelijk orde te scheppen in den chaos.
De troepen vorderden langzaam, want de wegen waren slecht. De koude was dat jaar vroeg ingevallen en een felle vorst had de Zuiderzee en de Haarlemmermeer binnen weinige dagen in groote ijsvlakten herschapen,--gelijk de Geuzenschepen, aan de monding van het Y in het ijs beklemd, bijna tot hun schade hadden ondervonden. Daarop was een sterke dooi gevolgd, die de Hollandsche kleiwegen bijna onbegaanbaar had gemaakt, terwijl men voor de expeditie op harde wegen had gerekend. De wielen der kanonnen en die der wagens zonken weg in het slijk en met moeite trokken de sterke paarden, door de zweepslagen hunner scheldende en vloekende voerlieden aangedreven, den zwaren last voort.
Het was guur en nevelig winterweder. Een ijskoude wind gierde over de Hollandsche weiden en de donkere wolken met vuilgele randen dreigden met sneeuw.
In zijn mantel gewikkeld reed Jacob Martens langs de veldstukken, die de rij der proviandkarren vooraf gingen. Hij herkende de Welle, die de teugels van het vierspan van het voorste stuk van den onbekwamen voerman had overgenomen en zijn best deed, het kanon vooruit te krijgen, en hij reed stapvoets naast hem voort.
--"'t Doet mijn hart goed, dat wij eindelijk weer eens samen tegen de Spanjolen oprukken, jonker," zeide de oude boschwachter, toen hij de rukkende, steigerende dieren tot kalmte had gebracht en zij weder geregeld voortstapten. "Maar,"--liet hij er op gedempten toon op volgen,--"ik verwacht niet veel goeds van dezen tocht. Ik vrees, dat wij met bebloede koppen thuiskomen, jonker!"
--"Houd op met je voorspellingen, man," zei Jacob knorrig. "'t Weer en die vermaledijde papperige wegen zijn al genoeg, om iemand somber te stemmen. Wij hebben een flinke legermacht: een en twintig vendels, met die van overste Muller er bij. En de Spanjolen verwachten ons niet. Wij moeten Haarlem bereiken en binnen trekken, vóór zij 't ons kunnen verhinderen."
--"Dat is het juist, jonker," vervolgde de Welle hoofdschuddend, "de "Bremers"--zoo noemden de Hollanders de Duitsche landsknechten--de Bremers zijn niet te vertrouwen."
--"Hopman van Trier en hopman Kellenaar zijn geen lafaards of verraders," viel Jacob driftig uit.
--"Battist van Trier en Hans Kellenaar zijn brave en dappere officieren," antwoordde de Welle schouderophalend, "maar zij kunnen niet instaan voor hun volk. De Bremers zijn slecht betaald in den laatsten tijd, jonker, en zij morren en monkelen onder elkander, dat het slecht vechten is voor een verloren zaak, als 't hun soldheeren nog aan geld ontbreekt bovendien. En dan dit ellendige weer! Een Duitscher, jonker, vecht het best, wanneer hij vol is en hoopt op een goede plundering na het gevecht. En zij weten, dat er vóór Haarlem geen andere buit te behalen is, dan harde klappen! Wij hooren soms meer in onze kwartieren, jonker, dan de officieren. Hoe het mogelijk is, weet ik niet, maar de Bremers hebben kondschap uit het leger van Ducdalf en zij weten, dat de Spanjolen al voor de stad liggen. Ze volgen nog hun hoplieden en hun vendel uit gewoonte, maar bij den eersten tegenslag gaan zij aan 't muiten."
De Welle zweeg een oogenblik en wijdde schijnbaar al zijn aandacht aan zijn vierspan. Toen vervolgde hij op zachter toon:
--"Dit is mijn laatste tocht, jonker!"
--"Kom, de Welle, wat een sombere gedachten!"
--"Ik weet het, jonker Jacob, en het is goed zoo! Ik weet het, alsof ik het in de Schrift had gelezen. Ik zal vallen op dezen tocht. Mieke en hare moeder roepen mij..."
De oude boschwachter zweeg een oogenblik. Toen ging hij voort:
--"Ik ben een groot zondaar! God Almachtig moge zich erbarmen over mijn arme ziel. Zoo ik niet voor eeuwig van Zijn aangezicht verstooten word, dan zal het door Zijne genade zijn en om Christus' wille! Dat ik tegen de Spanjolen en de glippers gevochten heb, bezwaart mijn geweten niet. Maar ik heb bloedschuld op mijn ziel tegenover de papen. Ik weet, dat de Prins het heeft verboden, hun molest aan te doen en dat gij, jonker en Mijn Heer van Dorp het altijd hebt afgekeurd, als wij hen vingen en naar den Briel brachten, zooals de admiraal bevolen had. Maar wie weet, wat ge zoudt gedaan hebben, als het uw dochter, uw Mieke was geweest, die daar was gevallen in den hollen weg bij Poperingen. En ik geloofde Jan Machielsz als hij leerde, dat de papen als Amalek waren en dat men ze moest slaan met de scherpte des zwaards, en dat hij die ze spaarde een lauwe was en ongehoorzaam als Saul. En dat staat toch in de Schrift en de papen zijn zeker de vijanden der religie en van het ware Israël Gods. Maar er staat óók in de Schrift: "Mij is de wrake! Ik zal het vergelden, zegt de Heere." Ik ben maar een arm, onwetend man. God moge mij al mijn zonden vergeven!"
"Vaarwel, jonker Jacob, want ik weet, dat dit de laatste keer is, dat ik zóó met u spreken zal. De jonker weet het, ik heb het mij wel eens verweten, dat ik u toen heb meegenomen ter groene preeke. Dat was 't begin van alles, wat de jonker geleden heeft en hij heeft er door verloren wat hem lief was. Maar de jonker heeft er de waarheid in Christus door gevonden. Dat weet ik! En als ik buiten mijn wil tegen den jonker iets heb misdreven, laat hij het mij dan vergeven! En als hij ongedeerd uit dezen strijd komt, laat hij dan nog eens denken aan den ouden de Welle, die hem heeft leeren visschen en met den armborst schieten en paardrijden en die hem nooit heeft verlaten in 't gevecht."
Jacob boog zich over den hals van zijn paard en reikte den ouden Geus de hand.
--"Ik heb je niets te vergeven, de Welle," zei hij geroerd. "Het is zooals je zegt: Door jou toedoen heb ik de waarheid in Christus leeren kennen en daar dank ik je voor. Ik zou niets ongedaan willen maken, al kon ik het. 't Zal zeker een heet gevecht worden voor Haarlem en wij zijn beiden in Gods hand. Wij zullen elkander terug vinden, oude vriend, in de stad--of als het zijn mag in den hemel."
De Welle vatte teugels en zweep in zijn linker en drukte krachtig de hem geboden hand van zijn jonker.
't Was een vrij goed gedeelte van den weg geweest, een met puin hard gemaakt pad, dat langs een heerenhuizinge liep, en zoo hadden zij hun gesprek zonder stoornis ten einde kunnen brengen. Thans hield de harde weg op en een lage kleiweg lag vóór hen, zoodat de Welle alle aandacht noodig had voor zijn paarden. Ook Jacob Martens reed weder terug langs de lange colonne marcheerende voetknechten en de zwaar beladen karren. Hij moest zorgen, dat de juiste afstand tusschen de verschillende afdeelingen bewaard bleef op den moeilijken tocht. Hij dacht na over hetgeen de Welle hem had gezegd omtrent de slechte stemming der Duitsche vendels en hij besloot er met de oudere officieren van Lumey over te spreken. Wellicht waren de vendels van Lazarus Muller beter te vertrouwen, want de krijgstucht werd onder diens mannen streng gehandhaafd.
In den avond bereikte men Leiden. De troepen en het convooi trokken de stad niet binnen, maar vonden hun kwartieren in de omliggende dorpen. Lumey had met zijne Walen de stad bereikt en er zijn intrek genomen bij een der regenten. Men had na een korte rust voort moeten marcheeren, om Haarlem tegen den vroegen morgen te bereiken en de Spanjaarden te verrassen, maar Lumey wilde zijn goed kwartier in Leiden niet prijs geven en hij had er daarenboven iets te verrichten, dat geheel strookte met zijn aard.
Om te verhinderen, dat het plan aan den vijand verraden werd, liet hij alle wegen en paden, die van Leiden naar het Noorden voerden, bezetten door piketten van zijne Waalsche ruiters, die hij indertijd zelf had aangeworven en die hem trouw waren. Het Haarlemmermeer was een wijde ijsvlakte, vol wakken en gaten, waar geen glipper zich op zou durven wagen.
In den vroegen morgen voegde hij zich te Lisse bij het leger, tegelijk met de vendels van Muller, en al spoedig verspreidde zich onder de officieren en de troepen het gerucht, dat er te Leiden weder een priester was geëxecuteerd. Lumey had den eerwaarden Cornelis Musius, den biechtvader van het St. Aagtenklooster te Delft, een zeventigjarig grijsaard, doen oplichten en naar Leiden brengen, onder de valsche beschuldiging, dat hij heulde met den vijand. Na een schijnverhoor was de vrome en geleerde priester er gemarteld en opgehangen [10], vóór het bevel van Oranje, om hem onmiddellijk in vrijheid te stellen, was aangekomen.
Terwijl Lumey op het kerkhof te Lisse, bij het licht van eenige pekkransen en lantaarns zijn officieren raadpleegde, ontstond er plotseling eenig rumoer. Een jonge boer drong door de soldaten, die hem wilden tegenhouden en wierp zich voor den bevelhebber op de knieën, terwijl hij luidkeels zich beklaagde en om recht schreeuwde.