Jacob Martens: Een verhaal uit de zestiende eeuw
Part 29
Dit had reeds bij de Geuzen en bij hunne aanhangers onder de burgerij verbittering gewekt. En toen het nu in den namiddag in de stad ruchtbaar werd, dat de pastoor naar Woudrichem was overgestoken, werd die verbittering woede. Pastoor Vechel was in vrijheid gesteld, op zijne belofte, dat hij de stad niet zou verlaten. De schutters waren borg voor hem gebleven. Dat hij van Brand een paspoort had gekregen, wist men niet. Waarschijnlijk had deze daar geen ruchtbaarheid aan durven geven. Men verdacht den pastoor van woordbreuk en verraad. De verbitterde Geuzen vielen in de booten, staken de rivier over en maakten zich van den geestelijke meester, vóór hij Woudrichem had kunnen verlaten. Het paspoort, waarop hij zich wilde beroepen, werd ongelezen in stukken gescheurd en hij werd als gevangene naar zijn lotgenooten op het kasteel gebracht.
De verbittering der Geuzen had nieuw voedsel gekregen en Brand, wiens verklaring hem nog had kunnen redden, miste den moed, om tusschenbeide te komen.
En inmiddels was er den vorigen dag een sinistere persoonlijkheid komen opdagen: Jan van Omal, een Luikerwaal, evenals Lumey, en diens handlanger, een gewezen kanunnik, maar die de tucht der Roomsche kerk slechts had verlaten, om zich over te geven aan de gemeenste uitspattingen, waaraan hij zich ook in den Briel schuldig maakte, een van die lage naturen, die een schande en een vloek zijn voor elke partij, bij wie zij zich aansluiten.
En deze man was door Lumey naar Gorcum gezonden, met den last, de gevangen geestelijken terstond naar den Briel te brengen. Zonder het onvoorzichtig gedrag van Leonard Vechel was het waarschijnlijk wel mogelijk geweest, dat vertrek uit te stellen, om te wachten op het antwoord van den Prins, dat elken dag kon komen, en dat de gevangenen zou hebben gered.
Ondertusschen ging Omal niet terstond over tot het uitvoeren van den last, die hem was opgedragen. Het gemakkelijk succes van Brand prikkelde hem tot jaloerschheid. Had deze met een geringe macht Gorcum veroverd, hij, Omal, wilde op zijne beurt beproeven Zalt-Bommel in te nemen, waar de Geuzen ook aanhangers hadden onder de burgerij. Met een kleine vloot waagde hij de onderneming, maar de aanslag mislukte: de Geuzen werden teruggeslagen en Omal keerde te Gorcum terug, op den dag, dat pastoor Vechel weer bij zijne lotgenooten was gevangen gezet.
En nu was het lot der gevangenen beslist. Omal wilde hen volgens het bevel van Lumey naar den Briel vervoeren en de Gorcumsche vroedschap durfde zich niet verzetten. In den nacht van Zaterdag op Zondag werden de geestelijken in een open schuit ingescheept, nadat zij door de hebzucht en de baldadigheid hunner bewakers voor een groot deel van hunne bovenkleederen waren beroofd. 't Was zomer, ja, maar 't was kil op de rivier en verscheidene van de slachtoffers waren hoogbejaard. Te Dordt, waar hun vaartuig een paar uren stil lag, liet men de gevangen priesters als wilde dieren aan de nieuwsgierigen voor geld zien. Eindelijk, des Maandagsmorgens, nog voor het openen der poorten, kwam de schuit aan het havenhoofd van den Briel aan.
Jacob Martens lag nog te bed, in een van de door de bewoners verlaten huizen der stad, waarin hij zijn kwartier had gevestigd, toen Frederik van Dorp zich bij hem liet aandienen. Hij werd terstond toegelaten. Het open en edel gelaat van den jongen krijgsman toonde onrust en bezorgdheid.
--"Een kwade tijding, vriend Martens," zei hij somber. "Jan van Omal is met een geheele schuit papen zooeven aangekomen, en de admiraal is hun dadelijk tegemoet gereden, met allen, die hem wilden volgen. Ik vreeze zeer, dat dit weer een droevige zaak van mishandeling en moord zal worden, van menschen, die dolen en gevangen zijn in hun paapsche supersticie, maar die men toch niet als wilde dieren mag uitroeien."
--"Als die Luikerwaal, die Omal, de hand in de zaak heeft, zal 't wel zoo zijn," antwoordde Jacob driftig. "Die terechtstelling van den kanunnik Berwout Jansz was een gruwel. De man werd vermoord op last van Omal, omdat de herbergierster Marijke Fasols zijn huis begeerde en haar dochter Omal's lief was. Het was een schande, dat de admiraal het toestond."
--"Als Treslong, de Rijk en Ruychaver dachten als wij, konden zij misschien iets doen," zeide van Dorp, "maar zij achten het leven van een priester weinig, al minachten zij Omal. Ik sprak er over met Ruychaver. Hij zei, dat de dronken verloopen kanunnik hem niet raakte, maar dat Lumey hem steunde en dat wij in dezen tijd geen twist konden zoeken met hem en met zijn Luikerwalen. De eendracht onder de mannen was meer waard dan het leven van tien papen. En 't is misschien te begrijpen, dat de oudere kapiteins er zoo over denken, nu alles op 't spel staat. Maar ga mee naar de haven! Wij dienen toch te weten, wat er met de gevangenen gedaan wordt."
Jacob Martens had zich ondertusschen haastig gekleed. Hij gespte den degen om en de beide jonge mannen stapten de poort uit en naar het havenhoofd, waar de gevangen geestelijken werden ontscheept. 't Was een droevig tooneel! Op bevel van Lumey, die te paard gezeten de ontscheping bijwoonde, werden de gevangenen twee aan twee in een rij geschaard en onder het gegrinnik en de schimpscheuten van de toegestroomde Geuzen en van het Brielsche grauw zette de treurige stoet zich in beweging. Lumey eischte, dat zij een kerklied zouden zingen, en de moedige mannen, die den dood voor oogen hadden, hieven, zij het dan ook met van koude en uitputting sidderende stemmen, een "Te Deum Laudamus" aan.
Zoo ging het voort over de hobbelige keien van de havenkade, eerst naar een galg, die buiten de poort was opgericht. De gevangenen openden den stoet, bewaakt door Omal en hun gewapend geleide, Lumey en zijn staf volgden te paard, en om hem verdrong zich de joelende menigte, zich vermeiend in het lijden en de vernedering der gehate papen.
Voorzeker, het zaad van tirannie en geloofshaat, jaren lang met zoo kwistige hand gezaaid, droeg in die dagen wrange vruchten!
Toen de gevangenen de galg zagen, die het eerste doel was van den bangen tocht, meenden zij reeds, dat hun laatste uur was geslagen, maar dat lag niet in de bedoeling van Lumey: hij wilde zijn slachtoffers voor het oogenblik slechts vernederen en schrik aanjagen. Toen men de galg was voorbij getrokken, ging het weder naar de stad, door de Noordpoort naar de markt, waar een tweede galg was opgericht. Ook daarlangs moesten de geestelijken zingend defileeren. Toen werden zij allen te zamen opgesloten in een van de kelders der gevangenis. Zij vonden er de pastoors van Heinenoord en Maasdam, die reeds vroeger door de Geuzen waren gevangen genomen en eenige uren later kwamen daar nog twee praemonstratenser monniken uit Middelburg bij, die den dienst in de kerk van het dorp Monster hadden waargenomen, maar door een stroopende bende waren opgelicht.
Met verontwaardiging en ingehouden toorn hadden Jacob Martens en Frederik van Dorp het droevig tooneel aanschouwd. Zij konden, de mishandeling der weerlooze geestelijken niet verhinderen. De overgroote meerderheid der Geuzen was op de hand van Lumey en Omal, velen, zooals Pieter de Welle en Jan Smeert de Borst uit verbittering en wilden haat, anderen uit baldadige wreedheid. Zelfs onder de besten van dien tijd waren er maar weinigen, die Oranje's verdraagzaamheid konden begrijpen en waardeeren. Hadden zij zich tegen de wreede behandeling der afgetobde monniken met geweld willen verzetten, dan zouden hun eigen mannen hen niet hebben gevolgd.
Toch had hun houding op het havenhoofd en wellicht ook de uitdrukking van hun gelaat, de aandacht getrokken van twee mannen, in de dracht van gegoede burgers, die op eenigen afstand de ontscheping der gevangenen hadden gadegeslagen. Het waren de beide broeders van den gardiaan Leonard Pieck. Zoodra het in Gorcum bekend was geworden, dat de gevangenen naar den Briel waren gevoerd, hadden zij begrepen, dat zij alleen daar iets tot redding van hun broeder konden beproeven. Zij hadden een snel zeiljacht gehuurd, en goed van geld voorzien waren zij eenige uren vóór de schuit van Omal aan het havenhoofd aangekomen. Zij waagden veel, maar Gorcum had nu immers de zijde van den Prins gekozen en als Gorcumsche burgers achtten zij zich veilig.
Zij hadden zeer wel opgemerkt, dat de beide jonge officieren geen teekenen van voldoening en instemming hadden gegeven bij de ontscheping van den gardiaan en zijn lotgenooten en bij de door Lumey bevolen beschimping der gevangenen, die door de andere Geuzen met luid gejuich en gelach was begroet. Dit gaf hun moed, hen aan te spreken en hen voorzichtig te vragen wat wel het lot der priesters zou zijn en of men ook toegang zou kunnen krijgen tot den graaf van der Mark.
Natuurlijk werden zij met eenig wantrouwen aangehoord. Toen zegevierde echter hun liefde voor hun broeder over hunne voorzichtigheid. Zij maakten zich bekend als de broeders van den gardiaan. Hun broeder, de Eerwaarde Leonard Pieck, had er geen schuld aan, dat de baljuw Caspar Turc het kasteel tegen de Geuzen had verdedigd,--en misschien zou de graaf van der Mark een rantsoen van hem willen aannemen, een groot rantsoen! Ook voor de andere gevangenen wilden zij wel een losprijs betalen of waarborgen, als de graaf zijne eischen niet te hoog stelde...
Inderdaad was er bij Lumey met geld veel te bereiken, en de beide Gorcumers schenen vermogende lieden, die er veel voor over hadden om hun bloedverwant te redden. Zoo kon wellicht worden verhoed, dat de zaak een treurig einde nam. De beide Geuzenkapiteins beloofden de broeders, dat zij hun zoo mogelijk een gehoor bij den graaf van der Mark zouden verschaffen. Wanneer zij vrijgevig waren in hun aanbiedingen en er voor zorgden, de ijdelheid van den admiraal niet te kwetsen, was er kans op een goeden uitslag.
Dienzelfden middag werden de gevangen geestelijken--het waren er nu meer dan twintig--naar het raadhuis gebracht, waar Lumey, omringd door zijne officieren, hun een verhoor afnam. Hun eenige misdaad was hun godsdienst en hun geestelijke stand. Alleen den beiden pastoors kon wellicht nog ten laste gelegd worden, dat zij de burgers hunner stad hadden aangezet om aan de Geuzen weerstand te bieden.
In de groote zaal, waar anders de schepenen en de baljuw vergaderden, om recht te spreken, zat de admiraal en monsterde met zijn stekende zwarte oogen de ongelukkige priesters, wier lot hij in handen had, en die nu bleek en bevend, na een bangen, slapeloozen nacht in hun vunzigen kerker, voor hem stonden. Zijn vertrouweling, Jan van Omal, die het best van alle aanwezigen met de gevangenen bekend was, stond naast hem. Het zware, zwarte haar golfde neer op zijn schouders en hij woelde met de hand in den langen baard; deze vreemde Nazireër had immers gezworen, dat hij haren noch baard zou scheren, vóór hij den dood van Egmond en Hoorne had gewroken. Toen hij zich een poos had vermeid in de ontsteltenis, die zijn aanblik de weerloozen blijkbaar inboezemde, begon hij hen met barsche stem te beschuldigen van snoode afgoderij en het aanhangen van verdoemelijke paapsche supersticiën, waarmee zij het volk op een doolweg brachten. Wilden zij zich bekeeren tot de gezuiverde Gereformeerde religie en hunne paapsche dolingen op staanden voet afzweren, dan konden zij op genade hopen.
--"Hij is zeker een fraai voorbeeld van een aanhanger der gezuiverde Christelijke religie," fluisterde van Dorp Jacob Martens in. De losbandigheid van hun Waalschen aanvoerder was reeds lang velen der Hollandsche Geuzenkapiteins een ergernis.
Man voor man werd nu den gevangenen afgevraagd, of zij bereid waren, aan den eisch van hun rechter te voldoen. Bijna allen bleven standvastig. Een eenvoudige leekebroeder wekte de lachlust der Geuzenkapiteins, toen hij bij wijze van geloofsbelijdenis verklaarde, dat hij "alles geloofde, wat zijn gardiaan geloofde". Alleen Pontus Heuterus, de geleerde monnik, die reeds vroeger had getoond, dat hij weinig lust had in het martelaarschap, de pastoor van Maasdam en een leekebroeder, gaven een dubbelzinnig antwoord. Zij werden van hun lotgenooten gescheiden.
Met de anderen zou het misschien toen reeds slecht zijn afgeloopen, wanneer Jacob Martens en Frederik van Dorp niet tusschenbeide gekomen waren. Zij drongen naar voren en verlangden den admiraal te spreken over een zaak van gewicht. Wrevelig stemde Lumey toe, maar zijn gezicht helderde op, toen de beide kapiteins hem de aankomst van de broeders Pieck mededeelden, die den gardiaan wilden redden en die blijkbaar wel genegen waren, een goed rantsoen te betalen. Het verzoek streelde zijn ijdelheid en wekte tevens zijn hebzucht. Twee aanzienlijke Gorcumsche burgers, die genade kwamen vragen voor hun broeder, en die voor die gunst grof wilden betalen! Hij liet voor 't oogenblik de gevangenen terug brengen naar hun kerker en hij deed de Gorcumers ontbieden, die in de Stadsherberg den uitslag hunner pogingen afwachtten.
Het scheen een oogenblik, of zij zouden slagen. Lumey scheen op hunne voorstellen in te gaan. Toch lieten zijn trots en zijn fanatieke haat tegen de Roomsche geestelijkheid niet toe, dat een paap aan zijne handen zou ontkomen, zonder voor hem te bukken. Hij zon op een uitweg. Den volgenden dag zou de gardiaan en zes der voornaamste geestelijken opnieuw worden verhoord. Twee Gereformeerde predikanten zouden met hen redetwisten,--vooral over de oppermacht van den paus. Wanneer de gevangenen zich op dat punt rekkelijk toonden, dan...
De broeders van Leonard Pieck waren vol hoop. Zij zouden tot den gardiaan worden toegelaten en zij zouden trachten hem te overreden, in schijn op sommige minder belangrijke punten toe te geven. Wat deerde het, of hij den onwetenden Geus misleidde?
Het twistgesprek had plaats, maar de gardiaan bleek onverzettelijk. Zijne tegenstanders waren trouwens weinig geschikt, om hem en de zijnen van dwaling te overtuigen. 't Waren de gewezen pastoor van den Briel, thans predikant der stad, en een zijner ambtsbroeders, een gewezen schipper uit Gorcum, misschien een vroom, ijverig man, maar zeker geen godgeleerde.
Nog gaven de broeders Pieck het niet op en het blijkt wel, dat Lumey op dat oogenblik bereid was, hen zoo ver mogelijk tegemoet te komen. Hij stond hun toe, den gardiaan mede te nemen naar de Stadsherberg, om hem daar te verplegen en hem de gelegenheid te geven, zich van de geleden ontberingen te herstellen. Daar zouden zij nogmaals trachten, hem te bewegen, zich in schijn te onderwerpen.
De beter gezinden onder de Geuzen konden dus hopen op een goeden afloop. 't Is waar, dat er maar weinigen onder hen waren, die zich het lot der gevangen priesters bijzonder aantrokken. 't Was een harde tijd en de bloedige handhaving der plakkaten tegen de ketterij, door een groot deel der Roomsche geestelijkheid toegejuicht, lag allen nog te versch in het geheugen. Maar zij achtten de vervolging en mishandeling der priesters een nuttelooze en noodelooze wreedheid, krijgslieden onwaardig. De admiraal kon zich met betere dingen bezig houden, dan met plundering en priestermoord. Dat Dordrecht en Gorcum genomen waren was goed, maar er was meer te doen tot bevrijding des lands en de vloot lag werkeloos voor den Briel voor anker.
De pogingen om de gevangenen te redden zouden echter falen. Wat hun redding had moeten brengen, werd hun verderf.
Den 7den Juli, denzelfden dag, waarop de geestelijken te Brielle waren aangekomen, had de Gorcumsche Magistraat het antwoord van den Prins ontvangen. Het luidde zooals men hoopte en kon verwachten, want nimmer heeft Oranje geloofsvervolging goedgekeurd, al heeft hij die niet altijd kunnen beletten. De Prins gelastte in zijn brief alle overheden en krijgsbevelhebbers, dat zij geen geestelijke om zijn stand of om zijn geloof zouden lastig vallen, maar dat allen, die tot den geestelijken stand behoorden, evenals de overige ingezetenen, behoorden te worden beschermd en volle vrijheid zouden genieten.
De brief werd aan kapitein Brand ter hand gesteld, die er niet weinig verlegen mee was. Zijn gedrag en dat van zijn onderhoorigen was zeker niet geweest volgens die voorschriften. Hij liet van den brief een afschrift maken en zond een Gorcumsch advocaat, die zeer voor de belangen der gevangenen had geijverd, met dat afschrift en een vrijgeleide naar den Briel. De Gorcumsche vroedschap voegde er brieven van aanbeveling bij.
Alles scheen dus in orde,--maar men had buiten Lumey gerekend.
In den namiddag van den 8sten Juli, kort na het tweede verhoor, kwam de bode te Brielle aan en werd terstond tot den admiraal der Geuzen toegelaten. Lumey verkeerde in een zeer slechte stemming. Hij voegde den bode op barschen toon toe, dat hij sedert lang allen papen, die hem in handen vielen, den dood had gezworen, om wraak te nemen wegens den moord op Egmond en Hoorne en tal van edelen, door de papisten gepleegd. De Prins van Oranje had zich met de handelingen van den Graaf van der Mark niet te bemoeien. Om zijne bevelen bekommerde hij zich niet.
Dien avond wond hij zich meer en meer op. Hij dronk veel en dat maakte zijne stemming niet beter. Door den brief van den Prins was zijne ijdelheid gekwetst en zijn toorn werd nog heviger, toen hij bemerkte, dat men hem niet den origineelen brief, maar slechts een afschrift had gezonden. Nu Oranje zich met de zaak had bemoeid, zouden die Gorcumers ook wel niet meer bereid zijn, een hoog rantsoen voor de papen te betalen. Maar hier in den Briel was hij heer en meester en hij behoefde van niemand bevelen af te wachten.
Laat in den avond liet hij nog den provoost-geweldige ontbieden, den voltrekker van de crimineele vonnissen in het leger en op de vloot, en gaf hem bevel, de gevangen priesters terstond uit de gevangenis te halen en ze buiten de stad op te hangen. Jan van Omal, met een wacht gewapende Geuzen, zou toezien, dat alles volgens zijn bevelen geschiedde.
Het bevel werd opgevolgd. De gevangenen werden uit den kerker gehaald, Leonard Pieck werd, tot ontzetting zijner broeders, die hem reeds gered waanden, van zijn bed in de stadsherberg gelicht, en bij het licht van een paar toortsen en handlantaarns trok de stoet der veroordeelden, een en twintig in getal, door de straten van den Briel, tot buiten de poort.
En daar werd de laffe, zwakke daad volbracht.
Er was geen galg, groot genoeg voor de een en twintig veroordeelden, maar Omal wist raad. Buiten de poort lagen de bouwvallen van het klooster Rugge, dat door de Geuzen was verwoest. Daar stond een groote turfloods ledig. Daarheen werden de ongelukkigen gevoerd, en de balken van de schuur dienden tot galg. Twee van hen redden hun leven, door hun geloof te verloochenen; één van hen was Pontus Heuterus. De anderen werden in koelen bloede opgehangen. Volgens den tijdgenoot, die deze dingen beschreven heeft, stierven zij moedig, met een gebed op de lippen,--martelaars, stervende voor hunne overtuiging, als zoovele ketters vóór hen in den dood waren gegaan.
Maar hun dood zou een vlek werpen op den strijd der Nederlanders vóór de vrijheid en tegen vorstelijke tirannie en geloofsdwang.
En Lumey's daad draagt bittere vruchten,--tot op dezen dag!
XIX.
Eerwaarde Vader in Gode, lieve ende veelbeminde.
Wij hebben jegenwoordelijcken ontvangen sekere brieffen van onzen Hre den Coninck, bij dewelke Z. Mt ons overscrijft, dat, gemerckt die alteratien daer-jnne zijne landen van herwaerts over gevallen zijn, die redene wel vereyscht, dat boven alle mogelijcke remedie ende order, die Z Mt in meyningen is daerinne te stellen zonder yet te sparen, men toevlucht neme aen onzen lieven Heere God ende sijne hulpe ende assistentie aenroepe. Lastende daeromme, dat wij secretelijcken souden doen bidden in alle kercken, cloisters ende anderssins, ten einde dat ons Heere God door Sijne goedertierenheyt ende bermhertichheyt die sake zulcx dirigeeren ende voirderen wille, dat die rebelle, ketters ende heretijcke gestrafft, ende die goetwillige in peyse ende ruste gestelt mogen worden, ende het heylich catholycsche geloove der Roemscher kerken geconserveert, zoe 't zelve tot nu toe is geweest ende Z Mt sulcx boven alle zaken ter werelt begerende is, daervan wij u wel hebben verwittigen bij desen, u versueckende, in naem ende van wegen sijner Vorst. Mt wel ernstlycken, dat ghy, volgende sijne goede begeerte ende intentie, alle behoorlijcke order stellen willet, dat jn alle cloisteren, godtshuyzen, conventen ende kercken van uwen bisdomme secretelijcken oft openbaerlijcken, zoe ghij voor 't beste aenzien zult, alomme demoedige bedingen, abstinencie, aelmoezenen, suffragien ende andere duechdelijcke ende verdienstelijcke werken, onzen Heere God aengenaem wesende, gedaen worden, ende oick processiën doen gaen mitten heyl. hooghweerdigen sacramenten, tzij in den bijvanck van huere cloisteren, godshuysen, conventen ende kercken, secretelijcken of oepenbaerlijcken alsvoiren, mit alle behoorlijcke innicheit, devotie ende solempniteit, opdat Sijne Godlicheit gelieve ons te bewaren tegens die macht, aenslagen ende invasien van de voirs. rebelle, ketters ende heretijcke, ende door sijne godlijcke gratie der Co. Mt ende sijn crijchsvolck goede prosperiteit, voirspoet ende victorie tegens deselve te verleenen, alles tot Sijner godlijcker eeren ende tot conservatie van onzen heyl. cath. geloeve der Roemscher kercken ende gantze confusie van de voors. rebelle ketters ende heretijcke.
Zoo schreef Alva den 11den Augustus 1572, namens zijn koninklijken meester, aan den aartsbisschop van Utrecht en de bisschoppen van Middelburg, Haarlem, Leeuwarden, Groningen, Deventer en Roermond en het moet den ijzeren hertog, den geduchten legeraanvoerder wel hard gevallen zijn, te erkennen, dat de "rebellen, ketters ende herelycken" in die weinige maanden zulk een macht ontwikkeld hadden, dat het gezag van den Koning van Spanje in zijne erflanden wankelde, dat de opstand op het punt was te slagen.
Het scheen, dat de plannen van Oranje ditmaal zouden gelukken. Met een leger van 13000 voetknechten en 3000 ruiters was hij bij Duisburg in de eerste dagen van Juli den Rijn overgetrokken en had hij zich gelegerd in de oude voogdij van Gelder. Venlo en Roermond werden na korten tegenstand genomen en ondanks een dreigbrief van den Keizer, die hem en de zijnen beval, de wapens neer te leggen, rukte hij voort naar Bergen, waar zijn broeder Lodewijk door de troepen van Alva belegerd werd. Zonder ergens tegenstand te ontmoeten, drong hij in Brabant door. Herenthals, Tienen en Diest openden onmiddellijk vrijwillig hunne poorten en Mechelen werd bezet. In het Noorden hadden de Spanjaarden geheel Holland moeten ontruimen en alleen Amsterdam was den Koning getrouw gebleven en uit de Vlaamsche steden, zelfs uit Brussel, bereikten Alva verontrustende berichten. En nu zou ook de zoo lang verwachte hulp uit Frankrijk komen, waar de Huguenoten aan invloed schenen te winnen. De admiraal de Coligny zou aan het hoofd van tien à twaalf duizend haakschutters zijne geloofsgenooten te hulp komen en Bergen helpen ontzetten. Het Noorden in volslagen opstand, het Zuiden bedreigd door de troepen van Oranje en Coligny,--de zaak der Spaansche tirannie stond hachelijk.