Jacob Martens: Een verhaal uit de zestiende eeuw
Part 28
De onverwachte en onvoorbereide opstand kwam den Prins dus weinig gelegen, en hoewel hij een te ervaren staatsman was om zich niet aan te passen aan de omstandigheden en de leiding der beweging te aanvaarden, nu hij die niet meer kon verhinderen, deed hij dat toch aanvankelijk met groote vreeze voor den goeden uitslag. Maar Gods wegen zijn de onze niet! Oranje's plannen zouden falen en de bondgenooten, op wier hulp hij had gehoopt, zouden hem ontvallen. God wilde Nederland verlossen, maar het zou geschieden door een Gideonsbende.
De bewoners van een paar geringe gewesten aan de kust der Noordzee: visschers, matrozen, kooplieden en handwerkers,--zij zouden het zijn, die het machtige Spanje zouden vernederen en de vrijheid, bovenal de vrijheid om God te dienen naar de inspraak hunner harten, zouden bevechten.
Thans, nu de Prins de beweging had erkend, nu de West-Friesche steden zijne partij hadden gekozen, volgde heel Holland dat voorbeeld. Het eerst ging Oudewater over. Den 19en Juni verscheen de Heer van Swieten, aan het hoofd van een gewapende bende, voor de poorten der stad en eischte haar op in den naam van den Prins. Hij werd zonder verzet binnen gelaten. Twee dagen later werd Gouda zonder strijd bezet en het kasteel, waarin zich de charterkamer van Holland bevond, gaf zich na korten tegenstand over. Den 23sten Juni opende Leiden de poorten voor een afdeeling ballingen en geuzen uit Gouda. De positie der Spaansche troepen in Holland werd hachelijk. Hunne verbinding met Utrecht was bijna afgesneden. Nog was de weg over Schoonhoven en Gorcum open, maar in die steden lag geen Spaansche bezetting en de burgerij was zeker niet te vertrouwen. De stedelijke regeering mocht uit voorzichtigheid de Regeering getrouw blijven, het volk wachtte slechts op eene gunstige gelegenheid, om zich voor de zaak der vrijheid te verklaren.
Ondertusschen bleef Lumey in den Briel vrijwel werkeloos. Aan den strijd in Zeeland nam hij persoonlijk geen deel, en de Hollandsche steden wilden niets van den woesten en wreeden Luikerwaal weten.
Kort na de inneming van den Briel had Marinus Brand Schiedam en Delftshaven bezet, maar hij werd door Bossu van uit Rotterdam spoedig verdreven. Lumey hield zich ondertusschen bezig met een onbarmhartige priestervervolging. Inderdaad had hij aan zijne kapiteins last gegeven "om alle papen met hunne complicen te vanghen ende deselve alhier in den Briel te brenghen". En velen hunner kwamen dien last maar al te goed na, Treslong zelfs niet uitgezonderd. In een brief aan de regeering van Brouwershaven verklaarde deze, dat de Geuzen niemand aan lijf en goed schade wilden doen, met uitzondering "van de papen, monnijcken ende andere papistische schelmen".
Lumey's eerste slachtoffer was Hendrik Boogaard, pastoor van Helvort, die eerst was gevlucht, maar later teruggekeerd. Op den eersten Paaschdag werd hij door de Geuzen gevangen genomen en naar den Briel gevoerd. Toen Lumey hem niet door bedreigingen tot afval kon bewegen, liet hij hem hangen.
Zóó was de geest onder de Watergeuzen: een geest van wraakzucht en vervolgingslust. En de weinige edele figuren onder de aanvoerders waren niet in staat dien geest der overgroote meerderheid te bedwingen. Geloofsvervolging en verdrukking, jaren lang mokkend verdragen en eindelijk openlijk weerstaan, droegen wrange vruchten, en de bloedige wraak, die de Geuzen namen, trof veelal onschuldigen.
Nu ten gevolge van de gebeurtenissen in Holland de Maas geheel open lag, werden de Watergeuzen in den Briel weer roeriger. Men wist, dat er te Dordrecht veel aanhangers van den Prins waren en dat een aanslag op die belangrijke stad veel kans van slagen zou hebben. Een kleine vloot werd uitgerust en zeilde den 23sten Juni, onder bevel van Barthold Entesz van Mentheda de Maas op, om, zoo 't kon, Dordt voor den Prins te winnen.
De "Blauvoet" nam geen deel aan deze expeditie, maar kapitein Martens, wien, als zoovelen zijner krijgsmakkers, het doelloos toeven in den Briel verdroot en die geen deel wenschte te nemen aan de strooptochten in den omtrek, waar vele Geuzenbenden zich nog aan schuldig maakten, had zich als vrijwilliger bij de onderneming aangesloten. Dit was althans een eerlijke krijgstocht in het belang der goede zaak, en te dienen onder Barthold Entesz, den woesten maar dapperen Frieschen edelman en ervaren aanvoerder, was zeker geen schande.
Zoo bevond Jacob Martens zich op het schip van Entesz, met Pieter de Welle, die verzocht had, hem te mogen vergezellen. De verhouding tusschen beiden was in den loop der jaren wel eenigszins veranderd. De omstandigheid, dat Jacob Martens thans zijn eigen schip commandeerde, had daarop weinig invloed, maar naarmate de Welle ouder werd, werd hij somberder en meer in zich zelf gekeerd. Hij haatte de Roomsche priesters, "de afgodische papen," zooals hij en zijne geestverwanten ze noemden, met een bitteren en doodelijken haat. Aan roof- en plundertochten nam de vroegere boschwachter van president Martens geen deel, maar als er kans was, een klooster te bestormen en te verbranden of een priester op te lichten, dan behoorde de Welle tot de eersten. Hij las zijn bijbel, maar sinds lang waren het de verhalen van strijd en wrake van het Oude Testament, de donkere vloekpsalmen en de toornende profetieën tegen de Heidenen, waar hij zich het liefst in verdiepte en hij beschuldigde in zijn hart zijn jonker van lauwheid in het werk des Heeren, wanneer Jacob Martens, waar hij kon, de uitspattingen van baldadigheid en wreedheid tegen weerlooze geestelijken trachtte te verhinderen.
Gedreven door een frisschen Westenwind zeilde de flottille statig de breede rivier op, angstig nageoogd door de Hollandsche boeren, die de Geuzenschepen thans kenden en vreesden,--om maar al te goede redenen. De tijd, dat het Oranje-blanje-bleu vendel door alle landzaten als het symbool der bevrijding zou worden beschouwd, was aanstaande,--maar hij was er nog niet!
Men voer thans Rotterdam voorbij en men behoefde niet te vreezen, dat de schepen van Bossu de haven zouden uitloopen, om den Geuzen den doortocht te betwisten. Alva's stadhouder had thans de handen vol en hij kon geen manschappen missen.
Barthold Entesz staarde naar de stad, wier statige St. Laurenskerk zich boven de lage huizen verhief.
--"Die van Rotterdam hebben ook ondervonden, wat de Spaansche trouw beteekent," zei hij bitter tegen Jacob Martens, die naast hem stond.
--"Bossu heeft schandelijk zijn woord gebroken en de arme burgers hebben het moeten ontgelden," stemde Jacob toe. "'t Is bitter, dat er zooveel onschuldigen het slachtoffer worden van den oorlog. Als men maar vocht op goede krijgsmansmanier! Die twee Spaansche hoplieden en de zestien musketiers, die op bevel van den admiraal aan den molen van Brielle werden gehangen, waren ook krijgsgevangen gemaakt in een eerlijk gevecht en hun eenige misdaad was, dat zij trouw bleven aan hun vaandel."
--"Op een harden knoest past een scherpe bijl," zei de Fries onverschillig. "Waren de onzen in hunne handen gevallen, het was hun niet beter gegaan. Maar ge zijt te weekhartig, jonker Martens. Dapper genoeg in 't gevecht, kameraad," voegde hij er met ruwe hartelijkheid bij, "maar gij zijt te week voor die vervloekte papisten! Hebt gij en van Dorp u er ook niet tegen willen verzetten, toen Lumey dien paap van Helvort liet hangen? Opruiming moeten wij houden onder het goddeloos afgodisch gespuis!"
--"Soude ik niet haten, Heere, wie u haten? Ik haet ze met eenen volkomen haet! Tot vijanden zijn ze mij, zegt de Schrift," zeide de Welle, die achter hen stond en het gesprek had aangehoord.
Barthold Entesz knikte den ouden Geus goedkeurend toe. 't Kwam niet in hem op, den man te berispen, omdat hij zich ongeroepen in het gesprek van zijn meerderen mengde. De geheele organisatie der Watergeuzen, met hun eigenaardige vermenging van alle rangen en standen, onder wie een gewezen dijkwerker als Marinus Brand een gewichtig commandement was toevertrouwd, terwijl jonge mannen van goeden huize dienst deden als gewone matrozen, maakte een strenge toepassing van de krijgstucht onmogelijk. In het gevecht gehoorzaamden allen hun aanvoerders--en dat was de hoofdzaak.
--"Laten wij de Spanjolen bevechten als vijanden van God en van Zijn Kerk," antwoordde Jacob. "Wij willen God den Heere tot onzen opperkapitein nemen, dien wij hopen en niet en twijfelen, dat Zijn volk niet verlaten zal, maar verlossen uit de tirannie en groote benauwingen van den Duc d'Alve. Maar wij moeten geen weerlooze priesters, geen monniken en nonnen vangen en martelen, die ons geen leed gedaan hebben."
--"Geen leed gedaan? Zij heulen met den Spanjool! 't Zijn de bloedige adhaerenten van Alva en zijn bloedraad," viel Entesz heftig uit. "Zij hebben mede Gods kinderen vervolgd en getempteerd en zij bedriegen het volk met hunne paapsche supersticiën. Laat ze hunne dolingen afzweren, dan worden zij gespaard!"
--"Jonker, jonker," waarschuwde de Welle, "laat uw deel niet zijn met Saul, die verworpen werd, omdat hij Agag spaarde, toen de Heere hem had geboden Amalek te verbannen. Lezen wij niet van David, den man naar Gods hart, dat hij de vijanden Israëls sloeg met de scherpte des zwaards en niemand verschoonde, want het waren de vijanden van God en van Zijn volk."
--"David was een man Gods!" riep Jacob ijverig, "maar hij leefde onder 't Oude Verbond en wij hebben het gezuiverde Evangelie. Als wij de paapsche Inquisitie bestrijden, die eenvoudige en simpele menschen worgt en brandt om de goede belijdenis, moeten wij niet doen als zij. Als Christen, kapitein Entesz..."
--"Ik noeme mij geen Christen," viel Entesz norsch in, terwijl zijn voorhoofd in dreigende rimpels trok. De beide anderen keken hem zwijgend aan. Op de Geuzenvloot kenden allen de woeste uitbarstingen van drift van den Frieschen edelman. Maar Entesz bedwong zich.
--"Ben ik geen Christen," zoo ging hij bedaarder voort, "of houde ik mij niet gelijk een Christen betaamt, zoo wil ik nochtans Christus' zaak voorstaan en mijn vaderland dienen met mijn lijf en bloed. En ik wil naarstig het mijne doen, tot afbreck, vernielinghe ende anulacie van den Ducq de Alba met zijne bloedige adhaerenten, om weder in te voeren het waarachtige Woord Gods, ende dat voor allen te doen prediken, ende alzoo te mogen genieten onzer vaderen landen ende vrijheden, daar wij thans ballingen af zijn!"
--"Zoo dient ge dan toch de zaak der vrijheid dezer landen als de zaak Gods?" riep Jacob levendig.
Entesz haalde de schouders op.
--"Daar zijn in een kruidtuin," zei hij rustig, "verschillende kruiden en planten, doch niet alle zijn even gunstig en dienstig tot medicijnen. Ben ik geen dier kruiden, dan echter ben ik de haagdoorn en maak de hegge mede uit, die zoodanigen kruidtuin bewaart; alzoo behoor ik derhalve noodwendig tot den kruidtuin."
--"God geve, dat gij nog eens, anders dan als de doornheg, tot den kruidtuin moogt behooren," zeide Jacob trouwhartig.
--"Daar zeg ik Amen toe," zeide de ander ernstig. "Maar wij zullen ondertusschen niet twisten, kapitein Martens. Tegenover den Spanjool staan wij schouder aan schouder en dan wensch ik mij geen beter krijgsmakker. Maar wanneer 't aankomt op het uithalen van een papennest, zal ik dat u niet opdragen. In trouwe, daar heb ik wel andere hulp voor;"--en hij wees op het schip, dat achter hen aan voer. "Marinus Brand zal dat werk gaarne van u overnemen en nog meenen, Gode een dienst te doen!"
En nu begonnen de torens van Dordrecht op te duiken boven den dijk. Het vaarwater werd breeder en na een paar uren lag de oude koopstad, met haar haven, die van masten wemelde, voor de Watergeuzen open. Een paar schepen, die op stroom hadden gelegen, slipten de ankers, heschen de bruine zeilen en trokken zich haastig terug.
--"De Dordtsche wachtschepen," zeide Barthold tot Jacob Martens. "Die van de stad zullen nu wel weten, wie zij voor hebben."
Vóór de haven lieten de schepen der Watergeuzen het anker vallen. De geschutpoorten waren geopend en de monden der bassen waren dreigend op de stad en de koopvaarders aan de kaden gericht. Handbussen en pieken, enterbijlen en houwers werden aan de bemanning uitgedeeld, voor het geval, dat het noodig mocht blijken, geweld te gebruiken, maar eerst moest de stad worden opgeëischt, en die eervolle, maar gevaarlijke taak werd door Entesz van Mentheda aan Jacob Martens opgedragen.
Met de jol van het admiraalsschip liet deze zich naar den wal roeien, en er waren er onder de op de kade saamgestroomde menigte genoeg, die den Geus als gids wilden dienen naar het Raadhuis, waar de Vroedschap vergaderd was.
De Magistraat zat deerlijk in verlegenheid. 't Was geen groote macht, die de goede stad Dordt bedreigde, maar de aanvallers telden vele geestverwanten onder het volk, ja onder de gezeten burgerij. Op den steun der gilden noch der schutters kon men rekenen, en de stadhouder Bossu was te Utrecht, te ver om tijdig hulp te kunnen bieden. Kapitein Martens toonde zich een geschikt en edelmoedig onderhandelaar en hij boezemde de erentfeste leden van de Vroedschap vertrouwen in. Met twee hunner keerde hij terug naar het admiraalsschip en het bleek, dat Entesz van Mentheda, trots zijn dweepzieken haat tegen de Roomsche geestelijkheid, een te ervaren aanvoerder was, om niet zijn driften en zijn wraakzucht te kunnen bedwingen, nu het gold, de machtigste koopstad van Holland zonder slag of stoot te winnen voor zijn partij. Dordrecht gaf zich over, maar het verkreeg gunstige voorwaarden: alle regenten, beambten en geestelijken zouden ongestoord hunne bediening blijven waarnemen, een van de kerken zou worden afgestaan aan de Gereformeerden, maar verder zouden alle kerken, kloosters en geestelijke gestichten gespaard blijven, de privilegiën der stad bleven gehandhaafd, en over het algemeen zou de bestaande orde van zaken worden bestendigd. Barthold Entesz van Mentheda deed zijn volk landen en bleef de stad met driehonderd man bezetten en het schijnt, dat de Friesche edelman de voorwaarden, door hem bewilligd, getrouw is nagekomen. Hij zond kapitein Martens met een der kleinere schepen naar den Briel, om aan Lumey de blijde tijding van den overgang van Dordt te brengen.
Maar ondertusschen zon hij op nieuwe plannen. Gorcum lag niet ver van Dordrecht, en het was zaak zich van die stad meester te maken, vóór Bossu er bezetting in legde. Niet zonder bedoeling had hij onder de mannen, met wie hij zijn krijgstocht ondernam, een aantal Gorcumsche ballingen opgenomen, die, omdat zij in 1566 de hagepreeken hadden bijgewoond, oproerige requesten geteekend en "vive le Geus" geroepen, op lijfstraf uit de stad waren gebannen en wier bezittingen waren verbeurd verklaard.
Onder hen was een kleine, donkere kerel, Wenzel Borchmans, onder de Geuzen bekend als "'t Swartje van Gorcum", een der roerigsten en meest ondernemenden. Deze man had bekenden onder de bevolking van zijn geboortestad en hij was er zeker van, dat de burgerij geen tegenstand zou bieden. En wanneer hij zijn woeste krijgsmakkers het droevig lot van de martelaars Barend de Naeyre en Hans van Maeseyck vertelde, die vier jaren geleden op het schavot te Gorcum waren geworgd en daarna verbrand, omdat zij kettersche predikaties hadden aangehoord en kettersche predikanten hadden geherbergd, dan brandden de wilde gezellen van begeerte, om met hen, die die daad hadden gepleegd, af te rekenen. En zoo kon Barthold Entesz op vrijwilligers genoeg rekenen. Den 24sten Juni was Dordrecht overgegaan en reeds den 26sten verscheen Marinus Brand met 14 kleine vaartuigen en 150 man voor Gorcum. Meer had Entesz er niet te missen!
Maar het was genoeg! Wel had de drost, Caspar Turc, zijn zoon naar Utrecht gezonden, om Bossu om hulp te vragen, maar de Geuzen waren hem te vlug. Te halfacht was Brand met zijn flottille voor de stad gekomen en te drie uren opende de burgerij de poort voor de Geuzen. De drost had geweigerd, zich over te geven. Met veertig gewapenden--de geheele bezetting--trok hij zich terug in het sterke kasteel en de aanzienlijkste Roomschen met de beide pastoors en de monniken uit het klooster der Franciscanen vonden daar een schuilplaats.
't Was een waagstuk, die verdediging van het kasteel. Kon de drost zich staande houden, tot de vendels van Bossu tot ontzet kwamen opdagen, dan zouden de Geuzen moeten aftrekken. Maar de wallen en de buitenwerken waren te uitgestrekt, om ze met een zoo kleine bezetting te verdedigen. Toen de aanval begon, moest men zich terugtrekken in het hoofdgebouw, een sterken toren. Maar ook daar bleek de tegenstand vruchteloos. Waarschijnlijk vreesden de verdedigers voor hun leven, wanneer de sterkte stormenderhand zou worden veroverd en vóór de troepen, door Bossu gezonden, de stad hadden bereikt, gaf het kasteel zich over.
Had men voorwaarden kunnen stellen? De Roomsche schrijver, die de inneming van stad en kasteel uitvoerig heeft beschreven, verzekert, dat Marinus Brand allen, die zich in de sterkte bevonden, lijfsbehoud en vrijen aftocht had toegezegd, doch met achterlating van al hunne bezittingen, en het is zeer waarschijnlijk, dat deze voorstelling de ware is. De Geuzen wisten zeer goed, dat de Spaansche vendels met geforceerde marschen naderden en er moest hun alles aan gelegen zijn, om zich van het sterke kasteel meester te maken en zich daar te verschansen, vóór hunne komst. En dat bleek zeker juist gezien, want de Spanjaarden moesten onverrichter zake aftrekken. Maar wanneer een dergelijke overeenkomst is gesloten, dan is zij zeker niet nagekomen.
Kapitein Brand was eigenlijk geen slecht mensch. Van geringe afkomst, had hij zijn positie te danken aan zijn onverschrokken dapperheid. Maar hij was een man van een zwak karakter, zooals uit zijn latere geschiedenis blijkt. De wilde Watergeus, de onderbevelhebber van Entesz van Mentheda, zou weinige jaren later terugkeeren tot de Roomsche kerk en de wapenen voeren tegen zijn vaderland, om in het duin bij Schagen een roemloozen dood te vinden. Thans schijnt hij niet bij machte te zijn geweest zich door zijne woeste ondergeschikten te doen gehoorzamen. Toen de Geuzen meester waren van het kasteel, werden de mondeling toegestane voorwaarden niet nagekomen. De bezetting kon ongedeerd vertrekken, evenals de meeste leeken, nadat zij alles van waarde hadden moeten afgeven, terwijl sommigen nog een losgeld moesten betalen. Maar de drost en drie aanzienlijke burgers, Bommer en zijn zoon en De Koninck, die de burgerij hadden aangezet, om hunne stad tegen de Geuzen te verdedigen, werden gevangen gehouden, evenals de beide pastoors, de rector van het nonnenklooster en de twintig Franciscaner monniken met hun gardiaan, den eerwaarden Leonard Pieck.
En nu hadden godsdiensthaat en wraakzucht vrij spel. "'t Swartje van Gorcum", met zijn vrienden en geestverwanten, dreven hun baldadigen moedwil met de gevangen geestelijken. Dien geheelen dag,--'t was een Vrijdag--hadden de gevangenen geen eten of drinken gehad. Thans, tegen den avond, zette men hun vleesch voor, om hen te dwingen, den vastendag te schenden. De uitgeputte mannen bleven het gebod hunner kerk getrouw en weigerden het hun aangeboden voedsel. Slechts één hunner, Pontus Heuterus, een geleerd man, die later als Latijnsch dichter en historieschrijver naam zou maken, maar die blijkbaar weinig voelde voor het martelaarschap, at hetgeen hem werd voorgezet, terwijl hij beweerde, dat in zulke buitengewone omstandigheden de kerkelijke voorschriften niet golden.
't Zou dien nacht nog erger worden. Waarschijnlijk opgewonden door het zware Gorcumer bier, drongen een aantal Geuzen andermaal de gevangenis der geestelijken binnen en eischten geld. De oudste pastoor en de rector van het vrouwenklooster, die terstond alles afgaven, wat zij bij zich hadden, kwamen er genadig af. Maar de jongste pastoor, Nicolaas van Poppel, die bij de Gorcumsche ballingen, te recht of ten onrechte, als een ijverig ketterjager bekend stond, en die niets bezat om de hebzucht zijner belagers te bevredigen, werd wreed mishandeld. Men sloeg hem een strop om den hals, die over de openstaande deur werd geslagen; zoo trok men hem telkens omhoog en liet hem weer neerploffen, tot hij halfdood bleef liggen.
Ook de gardiaan der Franciscanen werd op dezelfde wijze gemarteld. De Geuzen eischten, dat hij hun den verborgen kloosterschat zou wijzen, en zij wilden hem door hun folteringen daartoe dwingen, zonder op zijn verzekeringen, dat die schat niet bestond, acht te slaan. Ook hem heschen zij herhaalde malen tegen de deur op en lieten hem ten laatste zoo lang hangen tot het koord brak en het lichaam van den gemartelde op den steenen vloer viel. Zij lieten hem voor dood liggen, maar toen zijn beulen vertrokken waren, kwam hij weder bij.
En Marinus Brand deed niets om den moedwil van zijn manschappen te beteugelen. Hij zond bericht naar Dordt en naar den Briel en vraagde om nadere orders. Toch verhinderde hij niet, dat de Gorcumsche Magistraat een bode naar den Prins van Oranje zond, die te Aldenkerken, in 't land van Gelder, vertoefde, om aan te dringen op de nakoming van het verdrag en de loslating der gevangenen. Zijn geheele houding teekende besluiteloosheid.
Zijne onderhoorigen bleven de gevangen geestelijken kwellen en zelfs mishandelen, al kwam het niet zoo ver als op dien beruchten Vrijdagavond. Des Maandags daarop werden de Koninck en de oude Bommer op de markt terecht gesteld en de zoon van den laatste zou het lot van zijn vader hebben gedeeld, wanneer niet een jong meisje hem aan den voet van het schavot had "verbeden", d. i. hem openlijk tot haar man had begeerd. Dit was een oud recht, en hetzij omdat de Geuzen de aloude privilegiën wilden handhaven, hetzij omdat een opgewonden menigte gemakkelijk van het eene uiterste in het andere vervalt, het werd door de overwinnaars geëerbiedigd en de jonge man werd in vrijheid gesteld. Brand stond zelfs toe--iets wat Lumey nimmer zou hebben veroorloofd--dat de oudste pastoor zijn gevangenis verliet, om zijn veroordeelde geloofsgenooten in hun uiterste bij te staan. Toen het vonnis was voltrokken liet men hem vrij.
De terechtstelling van deze beide mannen, wier eenige misdaad was, dat zij zich tegen de Geuzen hadden willen verzetten, was zeker tegen de bedongen voorwaarden en een daad van volkomen noodelooze wreedheid, die kapitein Brand had behooren te verhinderen. Met de gevangen geestelijken zou het echter wellicht nog goed zijn afgeloopen, zonder de onvoorzichtigheid van Leonard Vechel en de tusschenkomst van Lumey.
Twee dagen na den dood van de Koninck en Bommer was het feest der Annunciatie en het is weer teekenend voor Brand's houding, dat hij pastoor Vechel toestond, in de groote kerk van Gorcum, op dien Katholieken feestdag voor zijne gemeente te prediken. Nu meende deze, dat alle gevaar voor hem voorbij was. Zijne zuster was uit den Bosch te Gorcum aangekomen, om de tijding te brengen, dat hun oude moeder ernstig ziek was en zij had van den Geuzenkapitein een paspoort gekregen of wellicht gekocht. Nog dienzelfden middag zou pastoor Vechel met zijn zuster de stad verlaten en in veiligheid zijn. De boot, die hem naar Woudrichem zou overzetten, lag gereed en daar stond het tweespan klaar, dat hem verder zou brengen.
En nu is 't zeker verklaarbaar, maar het was toch eene onvoorzichtigheid, dat pastoor Vechel er zich niet toe bepaalde, zijn parochianen te troosten en te bemoedigen, maar dat hij ook scherpe woorden richtte aan het adres zijner tegenpartij,--al had die dit dan ook ruimschoots verdiend.