Jacob Martens: Een verhaal uit de zestiende eeuw
Part 27
--"'t Was in het jaar van de beeldbrekerije, kapitein," zeide Jan Smeert de Borst met schorre stem. "Er waren al lang veel van de nye leere in den Briel. Dat kwam door kapelaan Andries Cornelisz. Hij preekte in het huis van de oude joffer Rentmeesters, bij 't kerkhof, en niemand durfde hem moeien, want er waren er van de Wet, die goed Geus waren. De Burgemeester Cornelis Hendriksz had zelf een geuzenpredikant, die rondreisde door het land en geld inzamelde voor den Prins, in zijn huis gehad, dagen lang. En ik kwam er ook graag, kapitein. Ik was maar een onverschillige kerel, kapitein, maar wat kapelaan Cornelisz preekte, zeide mij veel en ik hoorde hem graag. En daar zag ik ook Agniete, kapitein. Ze was non in 't klooster van Sinte Catrijne, maar ze kwam toch ter preeke bij joffer Rentmeesters. En eens, toen een paar rauwe gasten 't haar op straat lastig maakten, omdat zij, een geprofeste zuster, ter preek liep, heb ik haar ontzet. En omdat de priores haar wilde opsluiten, is zij uit het klooster weggeloopen en woonde toen in bij joffer Rentmeesters. En ik sprak haar dikwijls, en zoo kwam het, kapitein, dat ik haar ten hijlik vroeg. En eerst durfde zij niet, omdat zij toch een gewijde nonne geweest was, maar kapelaan Cornelisz zeide, dat dat Paapsche bijgeloovigheden waren en dat Sint Paulus gezegd had, dat het hijlik eerbaar was onder allen. En zoo trouwde hij ons in 't geheim, kapitein. En toen kwam de beeldbrekerije ook in den Briel en ik hielp wakker mee en Schout Ewout Cornelisz en de apotheker Willem Thomasz waren de aanvoerders. En kapelaan Cornelisz preekte in de Sinte Catrijnekerk en het heette toen een poos, dat de Geuzen baas zouden worden over 't heele land. Maar toen kwam Ducdalf, en de Baljuw en de Schout en de schoolmeester Dirck Cock en koster Jacob Jacobsz en allen, die ter preeke waren gegaan en mede hadden gedaan aan de beeldbrekerije, vluchtten uit de stad, want de Baljuw had laten weten, dat er bezetting zou komen, met de inquisiteurs uit Dordt om de beeldbrekers en die van de nieuwe religie te vervolgen. En ik vluchtte ook, en Agniete liet ik achter ..."
En de ruwe zeeman rukte wambuis en hemd open en hijgde naar lucht.
--"En waarom moest je haar achterlaten?" vraagde Jacob.
--"Ze was ziek," zei Jan Smeert de Borst met doffe stem. "Ze was ziek en 't was een koud najaar. En wij moesten vluchten in open schuiten en des nachts. De meester zei, dat het haar dood zou zijn. Ik wilde blijven, maar Agniete bezwoer mij te vluchten. Ik was wel bekend in den Briel en was al onder de voorsten geweest bij de beeldbrekerij en het was bekend in de stad, dat ik een geprofeste nonne tot huisvrouw had genomen. Ik zou zeker worden gevat en gehangen, misschien nog erger,--want ik had immers een nonne gehijlikt, die het klooster was ontloopen. Zij zou zich schuil houden en zich niet op straat laten zien. De Heeren van den Gerechte zouden denken, dat zij met mij was gevlucht en later zou ik haar komen afhalen. En de meester zei, dat ik haar wille zou doen en kapelaan Cornelisz en de oude joffer Rentmeesters zeiden hetzelfde. En ik liet mij bepraten, kapitein, en wij ontkwamen het, des nachts, met pramen en roeibooten over de Maas.
"En toen zijn de soldaten gekomen, kapitein, en ze brachten twee inquisiteurs mee, twee Predikheeren uit Dordt, en Baljuw van Sandwyck was gevlucht en er kwam een ander, Heer Johan van Duvenvoirde. En die van de nieuwe religie en allen, die ter preek waren geloopen en mee hadden gedaan aan de beeldbrekerije, werd scherp vervolgd. En een Judas heeft den inquisiteurs van Agniete verteld en toen hebben de rakkers van den nieuwen Schout haar gevat en toen..."
Hij kon niet voortgaan. Twee groote tranen biggelden over zijn verweerde wangen.
--"Gedolven! Levend begraven, daar buiten de Noordpoort!" barstte hij eindelijk los, terwijl hij stampvoette van woede en smart.
--"De Schepenen wilden eerst niet," ging hij na eenige oogenblikken kalmer voort. "En ook de overste van het Sinte Catrijneklooster bad voor haar. Zij wilde haar voor haar leven in een klooster opsluiten om boete te doen. Maar de inquisiteurs dreigden die van de Wet met Ducdalf, als zij de plakkaten niet wilden toepassen en ze kregen hun zin. Een Briellenaar, een man, die met mij gevaren had, en die 't ook gewaagd had te blijven, heeft 't mij verteld. Een van de schepenen had Agniete in stilte aangeraden te zeggen, dat zij zwanger was. Dan zou haar leven voor 't oogenblik gespaard worden, en als de inquisiteurs weg waren, zou 't misschien mogelijk zijn haar te redden. Maar Agniete was goed en vroom en zij wou haar leven niet koopen met een leugen. En toen zij de poort werd uitgeleid, zag zij er uit als een heilige en zij bad luid, dat God haar ziel in genade mocht aannemen en voor mij, och arme, haar man, die haar nooit terug zou zien..."
En de ruwe zeebonk wendde zich af en staarde weer strak in de richting van de stad, welker muren nu duidelijk zichtbaar waren, met de zware steenklomp van de Noordpoort, waar, dicht bij het havenhoofd, het gruwzaam vonnis aan Agniete was voltrokken.
Jacob Martens had het droevig verhaal meewarig aangehoord. 't Was maar één van de vele lijdensgeschiedenissen dier droeve dagen. Niet tevergeefs had Arent Dircksz, de kettersche pastoor van de Lier, gezongen:
't Onschuldig bloed, dat gij hebt vergoten, 't Onschuldig bloed roept over u wraak!
--"Wees een man, stuurman!" zei hij hartelijk. "Je huisvrouw heeft geleden en is gestorven als martelaresse voor de waarheid,--en straks, in Brielle, vindt je wellicht haar moordenaars."
Jan Smeert de Borst knikte zwijgend. Er lichtte een wilde gloed in zijn kleine, donkere oogen, terwijl hij het achterschip verliet, om zich naar het tusschendek te begeven, waar hij met Pieter de Welle zich bezig hield met het laden van de losse kamers der bassen.
"Hebt uwe vijanden lief! Zegent hen, die u vervloeken en bidt voor degenen, die u geweld doen en die u vervolgen."
Maar het Evangelie der liefde vond geen weerklank in het verbitterde hart der Watergeuzen, ook niet in dat van de besten onder hen.
En middelerwijl waren op de voorste Geuzenschepen aller oogen gericht op een roeiboot, met één enkelen roeier, die met rustige riemslagen de "schepen van oorlogh" der gevreesde Piraten tegemoet voer.
Jan Pietersz Koppelstok, schipper en haringkooper, "een stout en kregel kerel", als de tijdgenoot hem noemt, die ook het veer op Maaslandsluis [7] bediende, en die reeds lang in 't geheim "de Geuzerije" was toegedaan, had kort na zijn noenmaal de veerbel aan de overzijde hooren luiden en was naar dien anderen oever overgestoken, om een paar kooplieden af te halen, die zich naar den Briel wenschten te begeven. Hij had al lang de vreemde schepen in 't oog, die daar naderden van uit het Westen en er speelde een glimlach om zijn anders zoo stroeven mond, toen hij die vlaggen en wimpels zag.
Maar ook zijn passagiers kregen die vaartuigen in 't oog, terwijl de veerboot worstelde met den stroom, om straks aan 't havenhoofd te kunnen aanleggen,--een zoo talrijke vloot koopvaarders, en dat in dezen tijd? En natuurlijk was de vraag:
--"Wat zijn dat voor schepen?"
--"'t Zijn Watergeuzen!" antwoordde Jan Pietersz.
Watergeuzen? En dat voor den Briel, waar zij handel hoopten te drijven? De veerman moest hen aan wal zetten, te Maaslandsluis. Oogenblikkelijk!
En Jan Pietersz Koppelstok voldeed aan hun verlangen en roeide toen bedaard de Geuzenschepen te gemoet.
Nog altijd waren de schepen van Martinus Brandt en Adam van Haren in den voortocht, maar Koppelstok vraagde naar 't schip van Jonker Blois van Treslong, die zich immers, als elk Brielenaar, die zijn brood verdiende aan den havenkant, wel wist, op de Geuzenvloot bevond en die zeker bij eene onderneming als deze niet zou ontbreken. En zijn gissing bleek juist! Dat groote razeil daarginds, waarvan de zestien gotelingen dreigend uit de geschutpoorten keken. En Koppelstok roeide er heen.
De neef van den uitgeweken Heer van Sandijck, de zoon van Baljuw Jasper Blois van Treslong, kende zijn bezoeker wel: een stouten, ondernemenden kerel, voor geen klein gerucht vervaard. En hij bracht hem naar het admiraalsschip, om hem aan den graaf van Lumey voor te stellen, als een man, "bequaem om hem te employeeren tot haer voornemen".
En zoo geschiedde het, dat, terwijl de Geuzenschepen voor Brielle ankerden, Jan Pietersz Koppelstok als bode van Lumey de havenvliet binnenroeide en zich langs den Hoofddijk naar de Noordpoort begaf. Treslong's zegelring, met het in Brielle zoo welbekende wapen, had hij mede gekregen als geloofsbrief.
In de stad had men ook reeds vernomen, wie de onverwachte bezoekers waren en de ontsteltenis was er algemeen. De poorten werden gesloten, de stormklok luidde van den hoogen toren van Sinte Catarijne, de trommels roffelden in de straten en de schutters begaven zich met hunne pieken en vuurroeren eerst naar hunne loopplaats en toen naar de muren, en Baljuw Johan van Duvenvoirde was met de geheele Vroedschap van den Ouden en Nieuwen Gerechte, de twee Burgemeesters, de negen Schepenen en de twee Raden van het loopende en van het vorige jaar op het Raadhuis bijeen, om te overleggen wat er kon worden gedaan tot afwending van het groote gevaar, dat den Briel bedreigde. En de gedrukte stemming werd er niet beter op, toen Koppelstok in de Raadzaal verscheen en de Vroedschap den eisch van Lumey mededeelde: overgave der stad, om die te bewaren voor den Prince van Orangiën, als stadhouder des Konings, en te beschermen tegen den hertog van Alva en den tienden penning. Er werden aan den Magistraat twee uren van beraad toegestaan.
De achtbare Vroedschap zat deerlijk in de klem. Wat moest zij doen? De stad verdedigen? Hoe zou zij het kunnen, met de schutters en de gewapende burgers alleen tegen een bestorming door de krijgshaftige Geuzen. De poorten openen? Maar hoe zou men zich verantwoorden tegenover den stadhouder des Konings, den gevreesden hertog van Alva, die pas in November van het vorige jaar op uitdrukkelijk verzoek van den Magistraat, de Spaansche bezetting uit de stad had doen wegtrekken? Zou hij de leden van de Vroedschap niet verdenken van boos opzet, van te heulen met de Geuzen?
Hoe sterk was de vijand? De oudste Burgemeester, Jan Pietersz Nicker, vraagde het, en Koppelstock, die het ook niet wist, antwoordde losweg: "Wel vijf duizend!"
Vijf duizend Geuzen! Dan is tegenstand onmogelijk! En niemand valt het in, aan de mogelijkheid van overdrijving te denken of zich af te vragen, hoe de veerman dat zoo nauwkeurig weet. De vrees is een slechte raadgeefster. [8]
Er diende echter wat te worden gedaan. En de twee oudste burgemeesters, de tinnegieter Jan Pietersz Nicker en de koekebakker Claes Jansz, besloten, als goede magistraten, naar den admiraal der Geuzenvloot te gaan, om zoo mogelijk met hem te onderhandelen.
Onder geleide van veerman Koppelstock gingen zij de Noordpoort uit en langs den Hoofddijk naar het havenhoofd, waar zij Lumey vonden ingekwartierd in een van de aan het hoofd gebouwde huizen.
Indien de Brielsche burgers nog gehoopt hadden eenige gunstige voorwaarden te kunnen bedingen, zagen zij zich weldra bedrogen. Lumey eischte de stad op, "uiten naem van den Prince van Orangiën, als Stadhouder des Conincks over Holland." En weer was het: twee uren beraad!
Maar al was de Magistraat nog steeds ten Raadhuize vergaderd, tot eene beslissing kwam het niet zoo spoedig. De stad overgeven durfde men niet, haar verdedigen kon men niet. Eindelijk, na lang dralen, werd besloten tot de overgave. Maar er was niemand, die het besluit van den Magistraat aan den admiraal der Watergeuzen ging overbrengen. De verwarring in de stad was groot. Zoo de burgers vreesden voor hunne bezittingen, voor plundering en brandschatting, de bewoners der talrijke conventen en kloosters, de Clarissen, de Birgittijnen en Birgittijnessen, de Cellebroers en Cellezusters, vreesden het ergste. Wat hadden zij van den beruchten Lumey, van de woeste Geuzen te wachten, dan mishandeling en marteling en dood?
En zoo stroomden de kloosters ledig en de burgers zochten hunne kostbaarste bezittingen bij elkaar en iedereen vluchtte voor het dreigend gevaar. Waren de Piraten aan het havenhoofd ontscheept en bedreigden zij de Noordpoort, de weg door de Zuidpoort was nog vrij en wie het niet in zijn hart met de Geuzen hield, haastte zich een goed heenkomen te zoeken naar Geervliet of Hellevoetsluis.
En op de schepen was het bevel gegeven, een deel der bemanning aan land te zetten en met roeren en halve pieken, met houwers en knijven gewapend, vielen de Geuzen in de sloepen en roeiden naar den oever. Ook de kapiteins gingen aan wal en de eerste boot, die "de Blauvoet" verliet, werd gestuurd door Jan Smeert de Borst.
Met een paar andere Brielsche ballingen spoedde hij zich naar de huizen op het havenhoofd en hij vond er nog den vischafslager, Pieter Jansz Stemboort, die niet had kunnen of willen vluchten. Zij eischten van den man, dat hij hun de plek zou wijzen, waar Agniete haar vonnis had ondergaan en bevend gehoorzaamde de afslager, die de gruwelijke daad als medelijdend toeschouwer had bijgewoond. Toen zij de plaats bereikt hadden, wenkte Jan Smeert de Borst zijn makkers te blijven staan en alleen begaf hij zich naar het verlaten graf aan den dijkrand, de sombere plek, die door allen werd gemeden, sedert de weggeloopen non, die haar gelofte had verbroken om de huisvrouw te worden van een ketter, daar den dood had gevonden. Wat hij er deed, zagen zijn makkers niet. De ruwe gasten eerbiedigden zijn smart. Zij lieten hem alleen en zorgden er voor, dat hij niet gestoord werd. Maar toen hij zich weder bij hen voegde en zij zijn verwrongen trekken zagen, omklemden zij vaster hunne wapenen en zij spraken geen woord, maar zij keken met een woeste en dreigende uitdrukking in hun oogen naar de veste van den Briel.
Wee den Roomschen geestelijke, hij mocht schuldig zijn aan de vervolging der ketters of niet, die thans den Brielschen Geuzen in handen viel!
Ondertusschen ging de middag voorbij. De twee uren van beraad, die den Magistraat waren toegestaan, waren reeds lang verstreken en nog altijd kwam het verwachte antwoord niet, al werden er op de stadsmuren geen toebereidselen tot verdediging gemaakt. De booten van de ten anker liggende schepen zetten steeds meer krijgsvolk aan wal, en eindelijk stonden er een driehonderd gewapende Geuzen op den Hoofddijk en op het Havenhoofd geschaard, gereed om, hetzij goedschiks, hetzij met geweld, de stad binnen te rukken, en er waren er zelfs, die zich waagden tot voor de poort, en de enkele burgers, die ondernamen, zich op den muur te vertoonen, toeriepen: "of men ze zoude inlaten, dan of zij haer zelven in helpen zouden moeten."
't Scheen wel het laatste te zullen zijn, want de avond begon reeds te vallen en nog altijd was het antwoord er niet.
Toen was het geduld van Lumey en zijn kapiteins uitgeput. De gelande Geuzen werden in twee afdeelingen gesplitst. De een, onder aanvoering van Cornelis Geerlofsz Roobol, een Delftschen balling, rukte aan op de Noordpoort, terwijl de ander, onder Blois van Treslong, de stad omtrok, om de Zuidpoort te bereiken. Wellicht giste deze, dat er groote kans was, dat men die niet gesloten zou vinden.
Maar de zware deuren van de Noorderpoort gingen niet open en Pietertje Baefsdochter, de portierster, was reeds lang gevlucht. Dan, de Geuzen wisten daar raad op. Van het beddestroo en het houtwerk der huizen buiten de poort, van oude, geteerde zeilen en touwwerk, ijlings van de schepen aangevoerd, was er spoedig een hooge mutsaard opgestapeld tegen de poortdeuren, de brand werd er in gestoken en spoedig kronkelden zware rookwolken van onder het poortgewelf naar boven en knaagden de rosse vlammen aan de oude, met ijzeren nagels en bouten beslagen deuren.
Maar, was het plan ook goed, het ging de ongeduldige Geuzen niet spoedig genoeg. Een aantal varensgasten kwam van de haven aangezeuld met een ontscheepten mast, een geïmproviseerden stormram. Forsche vuisten hielpen den zwaren balk tillen, een korte aanloop en de poort daverde van den schok. Nog eens,--en nog eens: een der zware deuren barstte open en met een luid "Vive le Geus!" drongen de corsaren de stad binnen.
Treslong had ondertusschen met zijn afdeeling de Zuidpoort bereikt, en die inderdaad open gevonden, want nog altijd waren er vluchtelingen, die de stad, met wat zij van het hunne konden meevoeren, ontvluchtten. Onder hen behoorde de Baljuw, Johan van Duvenvoirde, die zes duizend gulden baar geld, de kas van het Land van Voorne, wilde trachten te redden. Maar hij werd herkend en aangehouden en terug moest hij, mede naar den Briel als gevangene, en het geld, dat hij had willen redden, werd door de overwinnaars als goede prijs beschouwd.
Tot in den nacht duurde het gejoel en rumoer der triomfeerende Geuzen. Er werd hier en daar geplunderd, maar zoo Jan Smeert de Borst en zijne gezellen gemeend hadden, het geleden leed te wreken op de bewoners en bewoonsters der Brielsche kloosters, dan zagen zij zich teleurgesteld. De monniken en nonnen waren bijtijds gevlucht. Alleen de pastoor van Sinte Catarijne was op zijn post gebleven, maar, hetzij uit vreeze voor zijn leven, hetzij omdat hij inderdaad in het geheim reeds een aanhanger was der "nieuwe religie", hij toonde zich aanstonds bereid, de "papistische dolingen" af te zweren en hij werd de eerste predikant van den Briel. Eenige heethoofden hadden in de verwarring brand gesticht in een paar houten huizen, maar het vuur werd door de Geuzen zelve spoedig gebluscht: men begreep, dat men de huizen der stad beter kon gebruiken. Velen der ballingen sliepen dien nacht weder voor het eerst sedert jaren op den vaderlandschen grond.
Maar den volgenden dag begon het verwoestingswerk in de kerken en kloosters. De beeldenstorm van vóór zes jaren werd herhaald, maar nu werd er voorgoed opruiming gehouden van alles wat naar "paepsche superstitie" zweemde. En weldra stonden daar de beide kerken en de kloosterkapellen van alles, wat aan den Roomschen eeredienst herinnerde, beroofd, terwijl de Geuzen hun buit, "kerkelijke en Geestelijke goeden, Cappen, Coorkleederen, Cassuiffelen ende misgewaet" in veiligheid brachten, naar de schepen.
En nu scheen het voor een poos, alsof men het behaalde voordeel terstond weder prijs zou gaan geven, alsof de kloeke daad, die het begin zou blijken van de bevrijding des lands, zou uitloopen op een gewoon kapersavontuur. Lumey wilde zich weer inschepen; hij wilde "de Stadt en 't Land daaromtrent plonderen ende beroven, ende daermede wederom vertrecken, want hij en achtte de plaetse niet houbaer te zijn tegen de Spangiaerden."
Op zichzelf was er wel iets voor deze meening van den admiraal te zeggen. De inneming van den Briel was niet het gevolg van een goed overlegden krijgstocht, ondernomen door een wèl uitgeruste vloot, en als een onderdeel van een zorgvuldig beraamd plan. 't Was een coup-de-main, een verrassing, een gevolg van onvoorziene omstandigheden, door een aantal kapers, die uit hunne vluchthavens waren verjaagd en die feitelijk aan alles gebrek hadden en op geen steun van buiten konden rekenen. 't Was daarenboven feitelijk een inval in vijandelijk land, waar niemand de gehate en gevreesde zeeroovers gunstig gezind was.
Hadden de gebeurtenissen in Holland en Zeeland zich niet zoo verbazend snel ontwikkeld in dat merkwaardige jaar 1572, dan hadden de Geuzen, door Bossu bedreigd in het Noorden, door Alva's troepen uit het Zuiden, zich onmogelijk kunnen staande houden.
Maar het warme hart krijgt soms gelijk tegenover het koel redeneerend verstand, wanneer het gehoorzaamt aan een machtiger aandrang en als bij intuïtie den rechten weg vindt. En het was Gods wil, dat de onoverlegde, bijna toevallige inneming van de kleine stad aan den Maasmond, het begin zou zijn van de zegevierende worsteling ter bevrijding van de Nederlanden.
Het plan van Lumey vond aanstonds hevigen tegenstand bij zijne kapiteins en hij was genoodzaakt krijgsraad te beleggen. In dien krijgsraad werd het voornemen, om den Briel op te geven, krachtig bestreden, niet alleen door Blois van Treslong, Jacob Martens, Frederik van Dorp en Ruychaver, de warme vaderlanders, wien het kaperbedrijf eigenlijk tegen de borst stuitte en die er vurig naar verlangden, in eerlijken strijd de zaak der vrijheid te dienen, maar ook mannen als Barthold Entesz van Mentheda en Dirk Duyvel sloten zich bij hen aan.
"Wat moed konden de verlangende landzaaten, welker hoop op de beloofde en telkens gemiste verlossing ten eynde was, overhouden,"--zoo pleitte de laatste--"indien men dus een sleutel des lands willends uyt de hand worp?"
"Ick voor mij,"--zoo verklaarde kapitein Jacob Simonsz de Rijck,--"heb Godt menigmael om een graf op het strandt mijns vaderlandts gebeden. Thands zal er mij wel een binnen de wallen gebeuren!"
En zoo werd besloten, den Briel te versterken en de stad tegen de Spanjaarden te verdedigen. Terstond begonnen de Geuzen de wallen te versterken en er geschut op te planten, dat ijlings ontscheept werd. Een bode werd naar den Prins gezonden, om dien van het gebeurde te verwittigen en de Rijck vertrok naar Engeland, om dààr de tijding te brengen en de ballingen, die er vertoefden, op te wekken, om de zee over te steken, en deel te nemen aan het bevrijdingswerk.
Want de kamp om de Nederlandsche vrijheid was thans in waarheid begonnen!
XVIII.
't Was inderdaad een merkwaardig jaar, dat jaar 1572!
Na den mislukten aanval van Bossu op den Briel, mislukt door den dapperen tegenstand der Geuzen en de kloeke daad van den stadstimmerman, Rochus Bartelmeeuwsen Conincx, die de schutsluis van het Brielsche Nieuwland openhakte en zoo het Maaswater de Voornsche polders in deed stroomen, tot verderf der Spaansche soldaten, wier dapperheid tegen dien vijand niets vermocht, hadden de gebeurtenissen elkander verbazend snel opgevolgd. Op den eersten Paaschdag was Vlissingen voor de zaak der vrijheid gewonnen en Vere had dat voorbeeld gevolgd, terwijl Arnemuiden gemakkelijk door de Geuzen veroverd werd. Wel had Treslong, die met krachtige versterkingen de Vlissingers te hulp was gesneld, een vergeefschen aanval op Middelburg gedaan en werd zelfs Arnemuiden door de Spanjaarden heroverd, maar Vlissingen en Vere bleven behouden en daarmede het grootste gedeelte van Walcheren.
Van uit Vlissingen verbreidde zich de opstand over het geheele land. Enkhuizen koos de zijde van den Prins en drie dagen later werd het sterke Bergen, in Henegouwen, door Lodewijk van Nassau, aan het hoofd van een afdeeling Huguenoten, bij verrassing genomen. En nu stelde de Prins van Oranje zich aan het hoofd van den opstand en zond jonkheer Dirk van Sonoy als zijn luitenant naar Enkhuizen.
Oranje was eerst maar weinig ingenomen geweest met de inneming van den Briel. Een dergelijk krijgshaftig avontuur strookte weinig met zijn voorzichtigen, bedachtzamen aard. Meer staatsman dan legeraanvoerder, handelde hij ook in zaken van oorlog gaarne naar een wel beraamd plan en hij was ook met zijn plannen nog niet gereed. Die waren dezelfde als in 1568. Hij wilde òf Frankrijk òf Engeland voor de zaak der Nederlanden winnen, ook al zouden deze landen voor de buitenlandsche hulp, waarop hij rekende, zich zware offers moeten getroosten. Dan wilde hij met het leger, dat hij bezig was bijeen te brengen, een inval doen in de Zuidelijke Nederlanden. Een Fransch leger zou van het Zuiden oprukken en een algemeene opstand zou het werk bekronen. Zóó zou een einde worden gemaakt aan Alva's tirannie.