Jacob Martens: Een verhaal uit de zestiende eeuw

Part 26

Chapter 263,836 wordsPublic domain

Toen was de Prins op het denkbeeld gekomen, om deze woeste, maar dappere mannen te organiseeren en hun roofzucht dienstbaar te maken aan de zaak der vrijheid. In 1568 had Lodewijk van Nassau de eerste "bestellingen ter zee" uitgereikt aan Diederik van Sonoy, kaperbrieven, die de tuchtelooze piraten tot oorlogvoerenden maakten, in den dienst van den Prins van Oranje, een onafhankelijk Vorst des Rijks, tegen Alva en diens aanhangers, ook tegen de Spanjaarden, al werd koning Philips II in naam nog erkend als de wettige vorst dezer landen. De Watergeuzen zouden zich aan een zekere tucht onderwerpen. Adriaan van Bergues, Heer van Dolhain, werd door den Prins benoemd tot admiraal der nieuw geschapen zeemacht en er werd een buitregeling ingevoerd: één derde zou bestemd worden voor de krijgskas van den Prins, één derde voor de bevelhebbers, één derde voor de bemanning der schepen.

De aanvoerders der Watergeuzen waren spoedig gewonnen voor het plan, waardoor hun oorlogsdaden werden gewettigd en hun aantal werd versterkt, en de besten hunner zagen zeker ook in hoe belangrijk de genomen maatregel kon zijn voor de zaak der vrijheid. De kaperbrieven werden uitgereikt en gretig ontvangen, maar toch werd het plan nimmer geheel uitgevoerd, ook niet toen de onbekwame Dolhain in Augustus 1570 door Guislain de Fiennes, Heer van Lumbres, werd vervangen. Aan de schatmeesters van den Prins werd nimmer een penning van de opbrengst van den buit afgedragen en de Watergeuzen onderwierpen zich evenmin aan het gezag van den hun onbekenden admiraal. Toen de stoute kapers in Maart 1571 kun kans schoon zagen, om 31 koopvaarders, terugkeerende uit de Oostzee, te nemen, lieten zij die niet glippen, al waren er ook acht schepen bij, die zich veilig waanden in het bezit van brieven van vrijgeleide, hun door Lodewijk van Nassau gegeven. Groot zijn de verdiensten der Watergeuzen geweest voor de zaak der vrijheid, maar door hun optreden werd de handel der Hollandsche steden, werd de algemeene welvaart zoo benadeeld, dat een van de eerste verzoeken der Staten-Generaal, door den Prins op 15 Juli 1572 te Dordrecht bijeengeroepen, was, de kaperbrieven, de "bestellingen ter zee", in te trekken, een verzoek, waaraan door Willem van Oranje wijselijk werd voldaan.

Toch had de poging tot organisatie der ongeregelde scheepsmacht belangrijke gevolgen. Een aantal mannen van onbesproken naam kwamen de vloot der Watergeuzen met hunne gewapende schepen versterken. Er werd een algemeen reglement van krijgstucht ingevoerd, en zoo goed mogelijk werd de hand gehouden aan de bepaling, dat zich op elk schip een predikant moest bevinden, die de godsdienstoefeningen moest leiden en moest voorgaan in het gebed,--al is het waarschijnlijk, dat er onder die "bedienaren des Woords" wonderlijke figuren zijn geweest.

In Maart 1572 lagen er op de reede van Duins en Dover een vierentwintigtal Geuzenschepen voor anker, om zich uit te rusten voor nieuwe rooftochten, toen zij van de Engelsche Regeering, die hun tot nog toe wèlgezind was geweest, plotseling bevel kregen, onverwijld de Engelsche havens te verlaten. Koningin Elisabeth, die niet ongaarne zag, dat hare ruwe en rumoerige gasten den Spaanschen handel afbreuk deden, durfde toch niet openlijk met Spanje breken. En zoo had zij ditmaal toegegeven aan Alva's dringende vertoogen, en den Watergeuzen het verblijf in hare havens verboden. Zóó onverwacht was het bevel om te vertrekken gekomen, dat de meeste schepen zelfs den tijd niet hadden, proviand in te nemen. En nu deden de kapers, wat zij dikwijls deden, wanneer zij zich vereenigden om een of andere onderneming te wagen. Zij besloten "admiraliteyt te maken". Een der stoutste aanvoerders werd dan tijdelijk tot admiraal verheven en gehoorzaamd door de andere kapiteins, tot de krijgstocht was afgeloopen en de behaalde buit verdeeld, om dan weer uiteen te gaan en op eigen gelegenheid hun zwervend leven voort te zetten. Ditmaal was de keus gevallen op Graaf Willem van der Marck, Heer van Lumey, den dapperen, maar woesten vijand der Spanjaarden en priesters, den man, die de Nazireeërsgelofte had afgelegd, dat hem haren noch baard zouden worden geschoren, vóór hij den dood van de graven van Egmond en Hoorne gewroken had. Zijn hooge rang, zijn woeste dapperheid en zijn krijgsmansgeluk maakten hem voor 't oogenblik den aangewezen aanvoerder, al waren er onder de Geuzenkapiteins nobele en meer bezadigde naturen, die den Luikschen edelman, wiens wilde wreedheid zij afkeurden, ongaarne volgden.

Maar thans, van hunne vrijhavens in Engeland verstoken, wisten allen wel, dat zij een stouten slag moesten wagen of anders van honger en ellende omkomen. Er was thans een sterke vloot bijeen, men zou 's konings "placaetschepen" in het Vlie gaan opzoeken en zoo mogelijk nemen of vernielen, om dan de koopvaarders, uit de Oostzee komende, buit te maken. Ja, er waren zelfs vage plannen, om een aanslag te wagen op Enkhuizen, om zoo een steunpunt voor de vloot te verwerven in het Vaderland, en kapitein Ellert Vliechop, de Enkhuizer burger, had daarop in den scheepsraad krachtig aangedrongen, al commandeerde hij maar een gewapende visschersschuit. Hij wilde van zijn vaderstad "een jong Rotseel", een nieuw la Rochelle maken. "Wij zullen Enkhuizen hebben," had hij verklaard, "al zou ik er voor op een rad moeten zitten. Zij zullen daar niet veel weers doen: wij weten, dat er veel volks daarbinnen is, ons gunstig gezind." Nu, de onderneming was misschien niet onmogelijk,--maar eerst moest gedacht worden aan den buit. Er moest krijgsvoorraad, er moest leeftocht zijn--en de Oostvaarders zouden het gelag betalen.

't Was een wonderlijk mengelmoes, die vloot van vier en twintig zeilen, die daar noordwaarts het Kanaal uitstevende, alle koopvaarders of visschersvaartuigen, ten oorlog toegerust. Groote razeilen van tachtig last, met zestien stukken gewapend, wisselden af met lage boeiers of kromstevens, zonder voor- en achterkasteel, met ranke buizen met gaffelzeilen, met gewapende visschersbooten en krapschuiten en de vlugge vliebooten van twintig tot zestig last.

En behalve de Prinsevlag, die op alle bodems wapperde, voerde elk vaartuig een scheepsvlag, die, indien de kapitein een edelman was, de kleuren van zijn geslacht vertoonde. Was 't een burger, die den bodem commandeerde, dan liet hij zijn stadsvlag waaien. En de blazoenen der edelen en de stemmiger kleuren van de wapens der Hollandsche steden wapperden door elkander; een symbool van de éénheid van het Nederlandsche volk, dat weldra schouder aan schouder zou optrekken tegen vreemde tirannie en misbruikt vorstelijk gezag.

Van den mast van een vlieboot van twintig last, zeilende in den voortocht, wapperden de roode rozen van het geslacht Martens en op het achterdek stond Jacob, thans "schipper naast God van zijn schip" en commandant van zijn eigen oorlogsbodem. Hij had eenige jaren op de "bonne Fortune" gevaren; hij had den zeeoorlog leeren kennen, den kaperoorlog op de Noordzee, "sans trêve ni merci", waar het de bemanning der Spaansche koopvaarders betrof. Hij had er de eenvoudige stuurmanskunst dier dagen beoefend, en toen een gewapende vlieboot uit Vlissingen werd buitgemaakt en naar Dover opgebracht, had de Chevalier d'Esprenay zijn gast edelmoedig het veroverde vaartuig aangeboden als zijn aandeel in den buit. Er waren in de Engelsche havens Hollandsche ballingen genoeg, die zich gaarne lieten aanmonsteren voor een kruistocht, en de naam van den jongen kapitein, die immers bij Austruweel had gevochten en die een van de aanvoerders was geweest der Geuzen in West-Vlaanderen, was goed bekend onder zijne landgenooten. En sedert voer hij ter kaapvaart voor eigen rekening, met den lastbrief van den Prins, veelal in eskader varend met zijn vriend, jonker Frederik van Dorp, den vromen Christen-krijgsman en met Blois van Treslong en Nicolaes Ruyckhaver. Hij behoorde met hen tot die aanvoerders der Watergeuzen, die vermaard en bij den vijand gevreesd waren om hun vermetelen moed, die krijg voerden volgens de zeden van hun tijd, doch die hun naam nimmer bevlekt hebben door daden van woeste wreedheid, als zoovelen hunner makkers.

Van de campagne van zijn goede schip "de Blauvoet" liet kapitein Jacob Martens den blik wijden over de grauwe golven der Noordzee, thans aan alle kanten verlevendigd door de bruine en witte zeilen en de kleurige vlaggen der Geuzenvloot. Vóór hem stevende een groot razeil, getooid met de kleuren van Barthold Entesz van Mentheda, den stoutmoedigen Frieschen Geus, die den voortocht commandeerde. De schepen van jonker Frederik van Dorp en van Nicolaes Ruyckhaver waren met een aantal kleine vaartuigen in zijn onmiddellijke nabijheid. Overal zag men de masten en de tuigage van de andere schepen aan den horizon opduiken, in het midden het zware razeil met het admiraalsvaantje aan de steng, het schip van Lumey.

De wind was gunstig, de zeilen stonden strak en de roerganger kende zijn taak. Achter hem knarste de zware roerpen met den "luiwagen" over het dek en de "Blauvoet" luisterde prachtig naar den druk van het roer en stoof voort over de witgetopte golven. De bemanning, voor 't grootste gedeelte forsche, stoere kerels, waren onder het bevel van den stuurman bezig met de zeilen en het want of maakten hunne wapenen schoon. Pieter de Welle, die op de "Blauvoet" als constabel diende, zag de "bassen" na, de twaalf "gotelingen" of scheepskanonnen, waarmee het schip was gewapend.

't Ging ditmaal "vóór den wind" inderdaad! Jacob Martens leunde tegen den mast en de gebeurtenissen van de laatste paar jaren, sinds hij de "bonne Fortune" betrad, gingen voor zijn geestesoog voorbij. De poging tot bevrijding van de verdrukte landen, die zoo moedig was ondernomen en die zoo jammerlijk had gefaald: Heiligerlee en Jemmingen en toen de inval van Oranje, door het veldheerstalent van Alva zonder strijd tot mislukking gedoemd. De dood van Egmond en Hoorne, van Anthonie van Stralen en van Bakkerzeele, en van zoovelen, edelen en eenvoudige burgers, de slachtoffers, door wier dood de ijzeren hertog den geest des opstands in de erflanden van zijn meester wilde breken. Toen de invoering der nieuwe belastingen, van dien beruchten "tienden penning", zoo kwellend voor een handeldrijvend volk, nog ongewoon, om zich door zijn landsheer drukkende lasten te zien opgelegd. En dan altijd weer de ijdele hoop op hulp uit Frankrijk, telkens weder teleurgesteld. Wèl lag land en volk gekluisterd aan de voeten van den geduchten landvoogd. Alleen op zee waren de Nederlanders vrij, op hun Geuzenvloot! Maar wat zou 't worden, als het tot dusverre bevriende Engeland zijne havens voor de schepen der Geuzen sloot?

En wat hemzelf betrof, hij was thans geheel aan de zaak der vrijheid verknocht. Zijn vader was niet lang lid geweest van den Raad van Beroerten. Alva had daar andere mannen noodig, als Vargas en Hessels, willige werktuigen in zijn hand. En President Martens was zijn Kerk en zijn landsheer trouw, maar hij was er de man niet naar, om het recht te buigen, teneinde de staatkundige plannen van den hertog te dienen. Sedert lang bekleedde hij weder zijn ouden post als voorzitter van het Hof van Vlaanderen. Jacobs moeder was gestorven; onverzoend met haar zoon, in haar oogen een ketter en oproermaker, was zij heengegaan. Madeleine was gehuwd met Thierry de St. Foy, die thans hopman was van een Waalsch vendel van Noircarmes en wien zeker een schitterende toekomst wachtte, als beschermeling van de Croys en echtgenoot van de rijke erfdochter der de Bettes. Ook zijn zuster was getrouwd met een Vlaamsch edelman en woonde op diens landgoed bij Gent. Jacob wist dit alles, want trots Alva en zijn schrikbewind, waren er nog Hervormden genoeg in Vlaanderen en Brabant, die zich schuil hielden, maar die toch wel in 't geheim berichten durfden zenden aan de ballingen, die steeds waren gericht aan vaste en betrouwbare adressen in de Engelsche havens of te la Rochelle of Emden. Allen leefden, naar 't scheen, tevreden en gelukkig in hun vaderland, waar 't gezag des konings was hersteld. Hij was de uitgedrevene, de verachte Geus, de strijder voor een verloren zaak.

Er kwam plotseling beweging onder de mannen op het dek. Van het schip van Entesz dreunde een kanonschot. Er werden vlaggen geheschen en de groote vlieboot veranderde van koers. Zonder een bevel af te wachten, sprongen de matrozen van de "Blauvoet" in het want en haalde de roerganger de roerpen over naar bakboord. Ook de andere schepen wendden den steven en zetten koers naar het Noord-Oosten.

Kapitein Martens tuurde in de richting, die de vlaggeseinen aanduidden. Aan den grauwen horizon doken de topzeilen van twee groote schepen uit de golven op. Koopvaarders!

Rustig gaf hij zijne bevelen. De masten van de "Blauvoet" bogen onder den druk der zeilen, de stukken werden geladen en men maakte zich gereed voor het gevecht, want het was mogelijk, dat de nagejaagde schepen tegenstand zouden bieden.

Inmiddels hadden de bedreigde koopvaarders de gevreesde Watergeuzen herkend en ze zetten alle zeilen bij, om hun vervolgers te ontkomen. Maar de zwaar geladen vaartuigen konden de vlugge vliebooten niet ontwijken. Ze waren thans duidelijk zichtbaar: "een Biscayer en een Nederlandsch schip," beweerden de bevaren zeelieden onder de Geuzen.

Van het schip van Entesz viel weer een kanonschot: een teeken voor de vervolgden om bij te draaien. Het scheen, dat de Biscayer zich te weer wilde stellen. De Spaansche zeelieden wisten wel, welk lot hun wachtte, wanneer hun schip genomen werd. Toen het bleek, dat zij hun vervolgers niet konden ontzeilen, minderden zij zeil en maakten zich klaar voor het gevecht. De Geuzen zagen, dat de boevenetten waren opgehaald en toen het schip bij den wind oploefde, zag men de dreigende monden der kanonnen.

Maar 't was een ijdel vertoon; de overmacht was te sterk. Eéns brandden de Spaansche stukken los; toen gaf Barthold Entesz het Spaansche schip de volle laag, en de "Blauvoet" en het "Zeepaard", de vlieboot van van Dorp, waren nu ook dicht genoeg genaderd, om hunne kanonnen te kunnen gebruiken. Reeds maakten de Geuzen zich gereed, den Biscayer te enteren, toen deze de vlag streek. Het Hollandsche schip, dat aan den strijd geen deel had genomen, volgde dat voorbeeld.

Juichend sprongen de Geuzen aan boord van de beide prijsgemaakte schepen. 't Waren inderdaad koopvaarders, die van Cadiz kwamen en koers zetten naar Antwerpen, met een rijke lading aan boord. Het lot van de gevangen Spanjaarden was spoedig beslist. Voor hen hadden de Geuzen maar één wet en recht: "de voeten spoelen"! De bemanning van 't Antwerpsche schip en de schipper, Claes Vaer van Brouwershaven, werden gerantsoeneerd, hoewel er onder de Vlaamsche en Zeeuwsche varensgasten waren, die zich liever bij de Watergeuzen aansloten en dienst bij hen namen, dan dat ze gevangen bleven, tot er een losprijs voor hen was betaald.

De prijsgemaakte vaartuigen waren goed gewapend en de Geuzenschepen telden alle een sterke bemanning. Er werd besloten, ze niet te verbranden of te doen zinken. Ze zouden een aanwinst zijn voor de vloot. Het Spaansche schip kreeg tot kapitein Martinus Brand, den onderbevelhebber van Entesz, een gewezen poldergast, doch die zich door zijn ruwe dapperheid tot zijn tegenwoordige positie had opgewerkt. Een luitenant van Blois van Treslong kreeg het bevel over het andere vaartuig, en, welvoldaan over den behaalden buit, zette de vloot der Watergeuzen, thans 26 schepen sterk, weer koers naar het Noorden.

Op Maandag den 31sten Maart bevond zich de Geuzenvloot op de hoogte van Egmond, maar zij voer niet meer met volle zeilen, voor den wind de koningsschepen en den begeerden buit tegemoet. Dien nacht was de wind meer en meer gaan krimpen. 't Was buiïg, heiïg weer geworden. Een felle Noordwester blies door het want, en moeizaam oploevend, kampend tegen wind en stroom, kwamen de schepen maar traag vooruit. En die tegenspoed kwam de Geuzen zeer ongelegen. De schepen waren onvoldoende geproviandeerd voor een langen kruistocht. Er diende een besluit te worden genomen.

Een kanonschot van het admiraalsschip dreunde over de golven, en de seinvlaggen aan den mast riepen de kapiteins tot den scheepsraad bijeen.

't Was een wonderlijke vergadering, die daar in de kajuit van Lumey's schip bijeen was. Naast Blois van Treslong, Frederik van Dorp, Adam van Haren, Frederik van Inthiema, en andere vertegenwoordigers van den Noord-en Zuid-Nederlandschen adel, zag men er Jan Abels, den Frieschen zeerob, den vader van Tamme Abels, die nog altijd in zijn krapschuit de zee onveilig maakte, en mannen uit het volk, als Ellert Vliechop en Marinus Brand. Er waren fiere krijgsmansfiguren, als Nicolaes Ruychaver en jonker Jacob Cabelliau, maar ook zag men er het afzichtelijk gelaat van Gautier Herlijn, den zoon van den vermoorden predikant van Valenciennes, wien de Walen van Noircarmes neus en ooren hadden afgesneden en die den dood zou hebben gevonden op den brandstapel, wanneer hij niet als door een wonder aan zijn vijanden was ontkomen. Alle standen waren in dien scheepsraad vertegenwoordigd en bijna alle Nederlandsche gewesten hadden die stoute en kloeke mannen geleverd, die de ellende der ballingschap hadden gekozen, liever dan het hoofd te buigen voor geloofsdwang en vorstelijke willekeur.

Het ging er rumoerig toe in dien scheepsraad, want er was aanvankelijk maar weinig eenstemmigheid en er was, als 't er op aankwam, niemand, die hier zijn gezag kon laten gelden. Al de Geuzenkapiteins waren heer en meester op hun eigen schip. Vrijwillig erkenden zij Lumey als admiraal, als aanvoerder bij de thans op touw gezette onderneming, maar alleen zoo lang het hun goed docht. Er waren er, die wind en stroom wilden trotseeren en al laveerend koers wilden zetten naar het Vlie; er waren er, die naar de Engelsche havens terug wilden keeren. Weer anderen stelden voor, een landing te beproeven op de Hollandsche kust.

En toen nam kapitein Blois van Treslong het woord, en hij wist de woelige schaar te doen luisteren. Wind en stroom waren hen tegen, zoo sprak hij, en vroede mannen trachtten niet het onmogelijke te doen. Wat kon een landing baten in het woeste en eenzame duin van Egmond en Schoorl? Waarom het dan niet liever beproefd met een der zeegaten, meer in het Zuiden des lands? Met de monding van de Maas bij voorbeeld? Daar waren ook koopvaarders uit Dordrecht en Rotterdam te kapen, die door het Brielsche diep naar zee stevenden. En daar lag aan den breeden Maasmond den Briel, thans van Spaansche bezetting ontbloot, nu alle troepen te Utrecht waren saamgetrokken, den Briel, de vrije koopstad, die hij zoo goed kende. Was zijn vader niet tot vóór twee jaren baljuw van de stad en van den lande van Voorne geweest? Waarom zou den Briel niet het la Rochelle der Geuzen kunnen worden? Als havenstad lag het gunstig genoeg!

Zoo sprak Blois van Treslong en zijn woorden maakten indruk, want de rustige en ervaren krijgsman had door zijn naam en zijn krijgsbedrijven een invloed op de vloot, die door Lumey eigenlijk met leede oogen werd gezien. Er werd besloten, dat men den gegeven raad zou volgen. De sloepen en jollen brachten de Geuzenkapiteins weder naar hunne schepen en weldra klonken de luide bevelen der schippers en stuurlieden en het gejoel der matrozen, terwijl zij in het want klommen, om de zeilen om te brassen. De vloot wendde den steven en gedreven door den krachtigen Noordwester, die hen zooeven nog had tegengehouden, zetten de Geuzenschepen koers naar den mond van de Maas.

En zoo geschiedde het, dat op Dinsdag den 1sten April de schippers van eenige koopvaarders, die, geankerd in het Brielsche Diep, op eene gunstige gelegenheid wachtten om uit te loopen, twee vreemde razeilen ontwaarden, die onder klein zeil langzaam den Maasmond instevenden. 't Waren de schepen van Brandt en van Haren. En achter hen doken nog meer masten en topzeilen uit de golven op. En het Oranje-blanje-bleu, dat wapperde aan masten en stengen, was voor deze Nederlanders nog niet het symbool van bevrijding, maar een dreigend teeken van naderend onheil. De Watergeuzen! De vermetele kapers! En de verschrikte schippers kapten de ankers en wendden den boeg, en onder zooveel zeil als zij durfden bijzetten, voeren zij de Maas weder op, naar Rotterdam en naar Dordrecht, om daar de tijding te brengen van de komst der gevreesde Piraten.

Van de campagne van het goede schip "de Blauvoet" zag kapitein Martens de grauw-gele rietbosschen langs de beide Maasoevers en den breeden Heyndijk voorbij glijden, terwijl de zware toren van de Sint Catharijne, Brielle's hoofdkerk, en de kleinere van Sint Pieter in Maarland, reeds boven de dijkkruin uitstaken. Zijn hart klopte hoog bij de gedachte aan wat de eerstvolgende uren konden brengen. Dit was een krijgsdaad, wat men nu ging ondernemen! Dit was wat anders, dan het nemen van koopvaarders, dan het brandschatten van kloosters en rantsoeneeren van gevangenen! Zou het nu waarheid worden, wat de besten onder zijn makkers, wat Lancelot van Brederode, Frederik van Dorp en Blois van Treslong reeds lang hadden gewild? Zou men zich meester maken van een vast punt, van een Hollandsche haven, die voor de verstrooide ballingen het middelpunt zou worden, van waaruit zij den strijd konden voortzetten tegen Alva's tirannie?

Terwijl hij de oogen over het dek liet gaan, waar de bemanning vroolijk en opgewonden zich gereed maakte voor het gevecht, dat mogelijk aanstaande was, viel zijn oog op zijn onderstuurman, door zijn makkers "Jan Smeert de Borst" genoemd, die, tegen de verschansing geleund, met strakke blikken staarde naar de opdoemende torens van den Briel.

Jacob Martens kende den man als een ruwen zeebonk, onversaagd in 't gevecht en altijd gereed zijn leven te wagen, wanneer het een gevaarlijke onderneming gold. Zooals zijn bijnaam aanduidde, was hij een liefhebber van den bierkroes en onder zijn makkers bekend om zijn ruwe scherts en snaaksche grappen. Toch had hij soms vlagen van somberheid en zwaarmoedigheid en op zulke tijden was het beter, hem aan zijn lot over te laten, want dan was hij lichtgeraakt en twistziek.

Plotseling herinnerde kapitein Martens zich, dat Jan Smeert de Borst een balling uit Brielle was. Dat verklaarde dan ook, dat de man geen deel nam aan de bezige drukte aan boord, maar staarde naar zijn vroegere woonplaats, die hij thans na jaren zwervens zou terugzien.

Misschien zou hij kostbare inlichtingen kunnen geven omtrent de stad en haar vestingwerken. Hij kon ook als loods dienen, wanneer 't noodig was. Jacob Martens besloot, den man te raadplegen.

--"Stuurman Smeert de Borst!" riep hij.

De zeeman schrikte op; hij zag, dat zijn kapitein hem wenkte en met zware schreden begaf hij zich naar het achterdek.

--"Je bent uit den Briel, stuurman," begon Jacob Martens. "Maar wat deert je, man?" vervolgde hij; want Jan Smeert de Borst was blijkbaar hevig aangedaan. Zijn verweerd gelaat was bleek, zijn lippen trilden en hij wrong de vuisten krampachtig samen. Hij staarde Jacob Martens eenige oogenblikken strak aan. Hij trachtte te spreken, maar de woorden stokten hem in de keel.

--"Wat is er, stuurman?" herhaalde kapitein Martens deelnemend.

--"Ze hebben haar gedolven, kapitein, levend gedolven in de modder, dààr, buiten de Noordpoort!" barstte hij eindelijk los, terwijl hij de vuist dreigend opstak naar de stad.

--"Gedolven? Wie dan toch?" vraagde Jacob.

--"Mijn vrouw, mijn Agniete!" hijgde Jan Smeert de Borst. "O, dat ik ze hier had, de vileinige rabauwen!"

Kapitein Martens wierp een snellen blik op masten en tuigage. Langzaam en statig, gedreven door een sterken bries, maar tegen den stroom in, naderde "de Blauvoet", onder klein zeil, met de andere schepen de bedreigde stad. Hij kon den man eenige oogenblikken geven.

--"Zeg op, stuurman, en stort je hart uit! 't Zal je goed doen, man," zei hij hartelijk.