Jacob Martens: Een verhaal uit de zestiende eeuw
Part 25
Dit alles vertelde de sieur d'Esprenay aan zijn beide gasten, nadat hij met hoffelijke belangstelling naar het verhaal hunner lotgevallen had geluisterd. Hij was een vurig bewonderaar van den admiraal de Coligny en hij troostte Jacob Martens met de hoop op een bondgenootschap van den Prins van Oranje en de hoofden der Huguenoten, dat in die dagen algemeen werd verwacht. Hij beschouwde den zee-oorlog, dien hij voerde, als een eerlijken krijg tegen den gemeenschappelijken vijand der religie. Tamme Abels en zijne Friesche Geuzen waren in zijne oogen vilains en zeeroovers, maar hij had "admiraliteit met hen gemaakt", omdat zij de Zeeuwsche en Vlaamsche wateren en kusten goed kenden en hij verwachtte Spaansche en Nederlandsche koopvaarders, die, vóór de winterstormen begonnen, de haven van Antwerpen zouden willen bereiken. Nadat hij vernomen had, dat Jacob Martens bij Austruweel als officier in het leger van Brederode had meegevochten, bood hij hem terstond een plaats als cadet op de "bonne Fortune" aan. De Welle zou als contre-maître deel uitmaken van de bemanning. De zeevaart en den oorlog ter zee zouden mannen van ervaring als zij spoedig leeren, verzekerde de hoffelijke Franschman met een glimlach.
De beide mannen sloegen toe. Waarheen zouden zij anders gaan, ballingen als zij waren? En het zou immers gaan tegen den Spanjool, den onderdrukker van hun land en den vijand der religie?
En nu verontschuldigde zich de sieur d'Esprenay. Hij had zijn plichten als bevelhebber en schipper. Hij noodigde Jacob Martens voor het avondmaal aan zijn tafel. Tot zoolang konden zijne gasten het schip bezichtigen. Den volgenden dag zouden zij hun dienst aanvangen. Met een beleefde buiging nam hij afscheid van hen.
Van de ontvangen vergunning maakten de beide mannen gaarne gebruik. Ze hadden in de haven van Antwerpen de groote handelsschepen zien liggen: Spaansche en Portugeesche kraken en galjassen; Duitsche hulken en korveelen, maar zij hadden zich nimmer op zulk een groot vaartuig bevonden.
De "bonne Fortune" was, als de meeste oorlogsschepen van die dagen, een koopvaarder, uitgerust tot den krijg ter zee. 't Schip had een grooten mast, met machtige raas en stengen en een veel lageren bezaans- en fokkemast. De achtersteven was zeer hoog uitgebouwd. In het achterschip bevonden zich de versterkte kajuit van den kapitein, de kruitkamer, het wapenmagazijn en het logies voor de officieren.
Midscheeps lag de "bonne Fortune" vrij laag op het water. De voorplecht was weer iets hooger en op het voordek bevond zich eveneens een stevig getimmerte van eiken balken en planken, van schietgaten voorzien en bestemd voor het logies van de onderofficieren en voor de verdediging van het schip.
De "bonne Fortune" voerde achttien stukken, volgens de gewoonte van den tijd van uiteenloopend kaliber. 't Waren grootendeels korte ijzeren kartouwen en halve kartouwen. Op den voor- en achtersteven bevonden zich een paar koperen draaibassen van kleiner kaliber, Spaansche pattararo's, vermoedelijk afkomstig van een buitgemaakten, gewapenden koopvaarder. De marsen van den grooten mast waren versterkt en voorzien van zware bussen. Van hieruit kon men, bij een scheepsgevecht, het dek van den vijand met musketvuur en handgranaten bestoken. Langs de verschansing lagen, opgerold en weggestouwd, "de boevenetten", die werden opgehaald en gespannen, om een entering te voorkomen of af te slaan. In rekken, bij den grooten mast, stonden bussen, van verschillend kaliber en van allerlei soort: van de eenvoudige arquebuse of handbus tot de lange, zware Spaansche haakbus, die toen in gebruik begon te komen, en in het wapenmagazijn bevonden zich korte pieken, enterbijlen en houwers, voor de enteraars.
Uit alles bleek, dat de sieur d'Esprenay een commandant was, die orde en tucht op zijn schip wist te handhaven. De wapenen waren goed onderhouden en blank gepoetst.
De bemanning maakte een flinken indruk, al was zij uit zeer verschillende bestanddeelen samengesteld. Bedaarde, ernstige Normandiërs werkten er naast forsche Bretons en kleine, levendige Picardiërs. 't Waren weer heel andere mannen, dan de Hollanders en Friezen, die hij voor korten tijd verlaten had, en zij waren beter aan krijgstucht gewend, dan de woeste zeeroovers van Tamme Abels.
Toen de avond begon te vallen, en de lantaarns werden uitgehangen, kwam een hofmeester jonker Martens waarschuwen, dat de kapitein hem wachtte. Een matroos bracht de Welle naar het verblijf der onderofficieren.
De sieur d'Esprenay stelde Jacob aan zijn luitenant voor, die de maaltijden in de kajuit gebruikte. 't Was een lange, zwijgende Huguenoot, uit La Rochelle, een man met een barsch uiterlijk, maar, zooals de kapitein hem later verzekerde, een dapper man en een uitstekend zeeman. Aan het benedeneind der tafel stond een nog jong man, in 't zwart, met een platte, vierkant gesneden kraag van wit linnen, dien de commandant met een handbeweging voorstelde als M. le ministre. 't Was de predikant van het schip, want, evenals de latere Watergeuzen, hadden deze Fransche kapers steeds een geestelijke aan boord.
Men ging aan tafel, nadat de predikant een kort gebed had uitgesproken. De sieur d'Esprenay wilde blijkbaar gaarne meer van zijn gast weten en hij lokte door handige vragen Jacob uit, hem zijne geschiedenis te verhalen. De Franschman was goed op de hoogte omtrent wat er in de laatste jaren in de Nederlanden was voorgevallen. De aanslag op de Zeeuwsche steden zou volgens hem een goed plan zijn geweest, als er een algemeene opstand op had kunnen volgen. Maar de onderneming was niet goed voorbereid. De slag bij Austruweel,--bah! une bêtise! Jammer, bloed te vergieten en de beste krachten op te offeren voor een onderneming, die geen kans had van slagen. Brederode? Een dapper man, maar geen veldheer en nog minder staatsman. De opstand van Valenciennes? Al even ondoordacht en onvoorbereid! Werk van dwepende predikanten en hun aanhang. Toch achtte hij de zaak der Vlaamsche, Brabantsche en Hollandsche Gereformeerden nog niet verloren, zelfs niet sinds de komst van Alva, maar zij moesten zich aansluiten bij de Coligny, bij de Fransche Huguenots, tot een machtige protestantsche partij, die zoowel de Guises als Philips ontzag zou inboezemen en die steun zou ontvangen van Engeland.
Dat was blijkbaar ook de meening van Oranje, want hij onderhandelde met de hoofden der Huguenots.
En Jacob luisterde, en stemde toe en verwachtte, als al zijn tijdgenooten, véél van zulk een verbond. En geen van de beide mannen kon toen gissen, welk lot binnen weinige jaren de Coligny en de zijnen zou wachten, en dat de zaak der vrijheid en der Reformatie ten slotte geen andere voorvechters zou hebben dan de zonen der zwakke Nederlandsche gewesten zelve, en dat die gewesten geen anderen bondgenoot zouden hebben, dan dien van Willem van Oranje,--den Potentaat der Potentaten.
Den volgenden dag aanvaardde Jacob Martens zijn dienst als officier op de "bonne Fortune" en hij zou weldra gelegenheid hebben, kennis te maken met den bloedigen zeeoorlog der Fransche en Nederlandsche kapers tegen Spanje.
Het weder bleef fraai en de zee was kalm en vlak. Met een lichten bries uit het Noorden stevende het groote razeil, statig voortglijdende over het water, langzaam in de richting van het Kanaal. Men kon den geheelen nacht het toplicht van de krapschuit duidelijk waarnemen, die dichter onder de kust kruiste. Jacob Martens deelde de wacht van den kapitein: hij moest nog aan den dienst op een schip van oorlog wennen.
Toen de dag aanbrak werd een uitkijk geplaatst in het "kraaiennest", een ton in den top van den grooten mast, om uit te zien naar de koopvaarders, die de kapers verwachtten. Tegen tien uur in den morgen klonk de lang verbeide waarschuwingskreet: een zeil vooruit!
De lange luitenant--de man heette Thierry, maar de matrozen noemden hem "le Goëland", de Meeuw, om zijn scherp gezicht,--enterde langzaam naar boven, en bleef een poos bij den matroos in den mastkorf. Toen klom hij even bedaard naar beneden, begaf zich naar de campagne en rapporteerde den sieur d'Esprenay, dat vooruit een groot schip tegen den wind laveerde, een kraak, naar haar tuigage te oordeelen, waarschijnlijk een Spanjool.
Met een tevreden grimlach beval de kapitein de krapschuit te seinen en alles klaar te maken voor het gevecht; want de Spaansche koopvaarders waren gewoonlijk gewapend en aan moed ontbrak het hun bemanning niet.
Een luid gejuich ging op onder de matrozen, die bij het achterdek opeengedrongen stonden, om op de bevelen van den commandant te wachten en allen togen aan het werk. Onder toezicht van den luitenant en Jacob Martens werden de stukken losgesjord en geladen, de baskamers werden evenzeer geladen en bij de kanonnen geplaatst, een aantal schutters met handbussen en armborsten begaven zich naar het voorkasteel, anderen bemanden de marsen, terwijl de korte pieken, enterbijlen en houwers werden rondgedeeld. En inmiddels doorkliefde de "bonne Fortune" statig de golven en naderde meer en meer haar prooi.
Langzaam dook de romp van het schip uit de golven op. Er was geen twijfel aan: een Spaansche kraak!
Een kort bevel klonk van de campagne van de "bonne Fortune". Een kanonschot donderde over de golven. Tegelijk liet de sieur d'Esprenay de koningsvlag met de lelies van Frankrijk waaien, terwijl aan den fokkemast de vlag van den kapitein werd geheschen: drie gulden baren op lazuren veld.
Een oogenblik van spanning: toen een schorre juichkreet van de bemanning van de "bonne Fortune". Aan den grooten mast van de kraak woei het St. Andrieskruis van Spanje. Maar inmiddels had de Spanjool begrepen, welke gevaarlijke vijand daar naderde. Er was leven en beweging op het dek en in de tuigage.
--"Hij wendt! Hij wil ons ontloopen!" zei de sieur d'Esprenay tot Jacob Martens.
En inderdaad scheen de kraak een poging tot ontvluchting te willen wagen. Hij had den steven gewend en zeil bij zeil bedekte de breede raas. Ook de "bonne Fortune" zette alle zeilen bij, die de masten dragen konden.
--"Hij wil trachten de haven van Duinkerken binnen te loopen," meende de kaperkapitein. "Maar 't zal hem niet gelukken!"
Ondertusschen scheen het, alsof de omstandigheden het Spaansche schip gunstig waren. De bries, die de "bonne Fortune" zoo statig over het water deed glijden, verflauwde meer en meer. Er was bijna geen wind. De zeilen hingen slap tegen de masten.
De beweeglijke Franschman liep driftig op zijn campagne heen en weer. De Spanjool was nog niet onder het bereik zijner kanonnen.
De mannen stonden met de brandende lont in de hand bij de stukken en keken vragend naar den luitenant. Deze schudde het hoofd.
--"Te ver!" zei hij kortaf. "Wij moeten fluiten om den wind!"
Eensklaps hield hij de hand boven de oogen.
--"Bravo, les Frisons!" riep hij uit.
De kapitein van de kraak had, in zijn ijver, om den kaper te ontkomen, niet gelet op de kleine krapschuit, die schijnbaar argeloos voortzeilde, dicht onder de kust, zooals een visscher zou doen, die, met zijn vangst aan boord, huiswaarts keerde. Tamme Abels had zijn culverijn met een zeil bedekt en de grootste helft zijner Geuzen last gegeven, zich in het vooronder schuil te houden. Het lichte en vlugge vaartuig was de kraak ongemerkt al meer en meer genaderd. Nu de wind ging liggen, zag men, dat de zeilen werden ingenomen; over het lage gangboord plonsten twee korte riemen aan de loefzijde in het water. De krapschuit veranderde van koers en hield op den Spanjool aan. Tamme Abels wierp het masker af. Zijn mannen waren op de voorplecht bezig met het lange kanon, en de schuit, nu in een galei veranderd, naderde, trots de windstilte, de kraak al meer en meer.
Dit had "le Goëland" gezien en vandaar zijn uitroep.
De geheele bemanning van de "bonne Fortune" was aan de lijzijde van het schip samen gedrongen om naar de bewegingen van het stoutmoedige, kleine vaartuig te zien. Weldra was de kraak binnen het bereik van het lange stuk. Een witte rookwolk--en eenige oogenblikken daarna dreunde een doffe knal over de golven.
--"Te laag!" mompelde de luitenant, die alles scheen te zien.
Men zag een rookwolk aan de lijzij van de kraak opgaan en weer klonken er een paar flauwe slagen.
--"De Don wil vechten, mon capitaine!" zei luitenant Thierry. "Hij voert lichte caronnades. Maar ze worden slecht bediend!"
--"'t Zal hem niet veel baten!" meende de sieur d'Esprenay. "Ha, een goed schot!"
Weer schoot een witte rookwolk van de voorplecht der krapschuit omhoog en nog vóór men den knal van het zware stuk hoorde, zag men den grooten mast van de kraak waggelen, nog een oogenblik en het gevaarte sloeg met zijn wolk van witte zeilen over boord. Het groote schip lag reddeloos.
Een luide juichkreet ging op aan boord van den kaper. De buit kon hun niet meer ontgaan.
--"Wind! Geef wind, Seigneur Dieu!" riep de sieur d'Esprenay stampvoetend. "De Friezen gaan anders met de eer en den buit strijken."
En inderdaad scheen zijne vrees niet ongegrond. Nog éénmaal klonk de doffe donder van den culverijn over de zee en toen schoot de krapschuit weg in de schaduw van het groote schip, en men hoorde flauw in de verte de slagen der handbussen en het gejoel van den strijd. Tamme Abels en de zijnen hadden de kraak geënterd.
--"Heeft hij gestreken?" vraagde de kapitein.
Luitenant Thierry schudde ontkennend het hoofd en wees naar de kraak. Aan den bezaansmast woei weer de Spaansche koningsvlag. De Spanjaarden wisten, wat hun wachtte en zij zouden zich tot het uiterste verdedigen.
--"Ha, eindelijk wind!" riep de sieur d'Esprenay.
De hemel was niet zoo strak blauw meer. Er vertoonden zich witte koppen aan den horizon. Een donkere streep kroop uit het Noord-Westen over het water en daarachter vertoonden zich witte koppen. De "bonne Fortune" helde licht over onder den druk van de bries.
Het fluitje van den bootsman gilde. De matrozen klommen in het want, om de raas naar den wind te brassen en de "bonne Fortune" schoot als een roofvogel op haar prooi af.
Van de stukken kon geen gebruik worden gemaakt, want op het dek woedde een hevig gevecht en men kon geen vrienden van vijanden onderscheiden, maar de marsen waren bemand en de matrozen van den kaper stonden gereed, om den vijand te enteren.
Toen men naderde, kon men den stand van het gevecht onderscheiden. Hoewel zij verre in de minderheid waren, drongen de Geuzen onversaagd, met bijlen, knevelspeten en messen op de Spanjaarden in, die zich op de achterplecht om hun kapitein hadden geschaard en zich dapper verdedigden. Weldra begonnen nu echter de busschieters uit de marsen van de "bonne Fortune" aan den strijd deel te nemen. "Le Goëland" had een van de patteraro's op den achtersteven met schroot en gekapt lood doen laden. Hij zelf bediende het stuk en toen de kaper de kraak langs zij schoot, richtte hij het lichte kanon op de donkere groep der Spaansche zeelieden en brandde los. Op zoo korten afstand deed het schroot een verschrikkelijke uitwerking. Vele Spanjaarden vielen en de overigen geraakten in verwarring en zochten hun heil in de achterkajuit. Luid juichend drongen de Friezen vooruit en toen een oogenblik daarna de enterdreggen van de "bonne Fortune" vasthaakten in het want van de kraak en de Fransche kapers als katten over de verschansing klauterden, was de strijd spoedig beslist. De meeste Spanjaarden waren gevallen, de overigen werden ontwapend en gaven zich over. Onder een luid gejuich werd de Spaansche vlag gestreken en de overwinnaars drongen in de kajuiten en in het ruim, om den buit op te nemen.
Na eenigen tijd voegden zich luitenant Thierry, Tamme Abels en Jacob Martens bij den sieur d'Esprenay op het achterdek van de "bonne Fortune" en er werd een soort van officierenraad belegd. De buit was aanzienlijk, want de kraak was geladen met huiden en Spaanschen wijn en men had daarenboven een groote som baar geld gevonden, die bestemd was voor een der handelshuizen te Antwerpen. Indien men het schip naar een Engelsche haven had kunnen opbrengen, zou men de lading tot hoogen prijs hebben kunnen verkoopen. De kaperkapitein en Tamme Abels achtten het avontuur echter te gevaarlijk. Men was te dicht bij Duinkerken en uit die haven konden elk oogenblik gewapende schepen komen opdagen, om de stoute zeeschuimers hun prooi afhandig te maken. Er werd dus besloten, het geld en de gevonden kostbaarheden terstond te verdeelen, de lading zooveel mogelijk te bergen en dan de kraak in brand te steken.
Over de verdeeling van den buit was men het spoedig eens.
Aan de Geuzen van Tamme Abels kwam de eer toe, het vijandelijke schip het eerst te hebben geënterd en de Fransche kapitein was te edelmoedig hun die te betwisten. De zaak was spoedig tot algemeen goedvinden geregeld.
En ondertusschen had er op het dek van de kraak een droevig tooneel plaats. De gevangen genomen Spaansche matrozen stonden bleek en zwijgend op het achterdek bijeen, bewaakt door gewapende kapers en Geuzen, die de overwonnen vijanden met ruwen spot hoonden. De gevangenen wisten trouwens wat hun te wachten stond. 't Was een ruwe tijd en volgens het oorlogsrecht op zee was er geen genade voor den overwonnen vijand, wanneer hij niet door een rantsoen zijn leven kon koopen. Eerst werden de gewonde Spanjaarden onder luid gelach en verwenschingen over boord geworpen en toen begon het laatste bedrijf van het bloedig drama. Een lange plank werd aangesleept en over de verschansing gestoken, zoodat het langste eind buiten boord stak, en de gevangenen werden één voor één genoodzaakt die noodlottige brug te betreden. Nog voor het einde was bereikt, wipte de plank en het slachtoffer stortte in het water, onder luid gejuich van zijn beulen. Sommige Spanjaarden gingen kalm en moedig den dood tegemoet, anderen smeekten om genade en moesten met de punt van de enterpieken en bootshaken de plank opgedreven worden. Sommigen hadden hun rozenkrans voor den dag gehaald en wachtten biddend tot de beurt aan hen zou komen, en dezen werden door de Geuzen hoonend naar de hostiekast in den mast van de krapschuit gewezen, waar immers hun God woonde. Weldra waren de Spanjaarden in de golven verdwenen. Men had hun "de voeten gespoeld".
Een paar ongelukkigen, die zwemmen konden, hielden zich boven water en trachtten zelfs tegen het lage boord van de "bonne Fortune" op te klauteren, maar met pieken en handspaken werden zij terug gestooten en zonder medelijden zag men hen worstelen met den dood, tot zij uitgeput wegzonken in het woelige water.
Een jong Spaansch matroos, bijna nog een knaap, rukte zich los, toen de beurt aan hem kwam. Met een sprong was hij op de verschansing van de kraak en van daar in het want van de "bonne Fortune". Vóór de hem vervolgende kapers hem konden grijpen, had hij het achterdek bereikt en liet zich neervallen voor de voeten van den Franschen edelman, wiens voeten hij omklemde.
--"Misericordia! Per l'amor de Dios!" gilde hij in doodsangst.
Maar een paar der Fransche matrozen, met Pieter de Welle aan het hoofd, waren hem nagerend en sleurden hem overeind.
De kaperkapitein haalde de schouders op. Jacob Martens deed een stap vooruit en sloeg onwillekeurig de hand aan den degen.
--"De Welle!" riep hij dreigend. "Laat den jongen, of..."
--"Mieke was ook nog jong!" beet de oude Geus hem onbarmhartig toe. "Voort met den Spanjool!"
De luitenant greep Jacob bij den arm.
--"Laat dat, jonker!" zei hij met gedempte stem. "De mannen zijn in hun recht en zouden u niet gehoorzamen."
En onder luid gejuich werd het gillende en worstelende slachtoffer voortgesleurd naar de noodlottige plank.
Bleek en vol afschuw wendde Jacob zich af. Hij had mede de kraak geënterd en in het gevecht had hij zich dapper geweerd, maar deze koelbloedige moord, gepleegd op weerlooze gevangenen en gewonden, deed hem huiveren. De sieur d'Esprenay merkte het op.
--"Geen prettig gezicht, jonker Martens," zei hij luchtig. "Maar wat wilt gij? 't Is zóó het gebruik en het recht van de zee! En dan,--heden zij, morgen wij! Als wij in de handen van de Spanjolen waren gevallen, zouden ze ons ook niet hebben gespaard! Den strop of het water! Of in het gunstigste geval, roeien op de Spaansche galeien, met de zweep van den opzichter op onze bloote ruggen! Dat is erger dan de dood! Maar dat is het leven van den zeeman! Wij en zij, wij weten wat ons te wachten staat, als wij de zwaksten zijn. 't Is een ruw leven,--maar ge zult er wel aan wennen."
Luitenant Thierry en Tamme Abels kwamen rapporteeren, dat het schip was geplunderd en de buit verdeeld en zoo goed mogelijk geborgen. De kaperkapitein knikte goedkeurend. De Friezen en een paar matrozen van de "bonne Fortune" gingen met brandende lonten en oud geteerd touwwerk aan boord van de kraak. Weldra steeg uit het ruim een dunne rookzuil op. Ondertusschen had de bemanning van den kaper de enterdreggen losgemaakt. Toen allen weer aan boord waren, werd terstond afgehouden en zeil gemaakt. De beide schepen zetten koers naar het Zuid-Westen, om een der naastbij liggende Engelsche havens te bereiken, waar zij hun buit van de hand konden doen. Weldra sloegen de vlammen uit het ontredderde Spaansche schip. Als een reusachtige vuurbaak dreef het, bij het vallen van den vroegen herfstavond, op de woelige zee en de koningsschepen uit Duinkerken konden, als zij lust hadden, komen zien naar het werk der koene kapers, die bij tientallen de Noordzee en hare kusten onveilig maakten en die weldra den gevreesden naam van de Watergeuzen zouden dragen.
XVII.
De Zeeuwsche of Vlaamsche visschers of kustvaarders, die in den morgen van den 30sten Maart 1572--Palmzondag--op de Noordzee, ter hoogte van Duinkerken, rondzwalkten, zouden in 't Zuiden zeil op zeil aan den horizon hebben zien opdoemen, een talrijke vloot, die door den krachtigen Zuid-Westenwind voortgedreven, met volle zeilen uit het Kanaal kwam stevenen. En wanneer hij aan masten en stengen de kleuren had kunnen onderscheiden, het Oranje-blanje-bleu in drie, zes of zelfs negen banen, dan zou hij haastig het roer hebben gewend, om de beschermende nabijheid der zandbanken aan de kust op te zoeken. Want die kleuren--weldra het symbool der vrijheid en der verlossing uit vreemde dwingelandij--waren thans voor hem nog een bedreiging; immers zij, die ze voerden, ontzagen ook de schepen en de have van den landgenoot niet, dien zij als bewoner van de erflanden van den Spaanschen koning als vijand beschouwden. En terwijl hij alle zeilen bijzette, om uit het vaarwater der snel naderende schepen te komen, zou hij wellicht met een verwensching de vuist hebben gebald en een naam hebben gemompeld, die de zeevarenden en de bewoners der Hollandsche, Zeeuwsche en Vlaamsche kusten sedert eenige jaren met vreeze vervulde: de Watergeuzen!
De Watergeuzen! De ballingen, die, uit het land hunner geboorte verdreven, op zee een toevluchtsoord hadden gezocht en in den zeeroof een middel van bestaan, waren verbazend snel in aantal toegenomen. Eerst eenzame zwervers, hadden zij zich weldra tot kleine eskaders vereenigd, sterk genoeg om de vloten van gewapende koopvaarders aan te vallen, om roof- en plundertochten te land te ondernemen. Zoo waren zij de schrik der zeeën geworden, een gevaar voor den handel en de scheepvaart, en de weinige Placaetschepen, waarover Boschhuyzen, Alva's admiraal, kon beschikken, waren niet voldoende om de vlugge, stoutmoedige kapers te bedwingen, die in Embden en La Rochelle, in Duins en in Dover vrijhavens vonden, waar zij hun buit te gelde konden maken, en zich van mondvoorraad en munitie konden voorzien.