Jacob Martens: Een verhaal uit de zestiende eeuw

Part 24

Chapter 243,794 wordsPublic domain

De vluchtelingen begonnen zoo snel mogelijk knoopen in het dunne touw te leggen, ongeveer vier voet van elkander. Zoo kregen zij een stevige touwladder. De Welle haalde de aangescherpte ijzeren staaf voor den dag, die hem als breekijzer had gediend bij het openen der tuinpoort. Een groote veldkei had hij in de straat opgeraapt. Nu zocht hij met tastende vingers naar een voeg tusschen de zware baksteenen, waarvan de muur was opgemetseld en dreef met een paar forsche slagen het ijzer er in. Luid klonken de slagen door den nacht. Angstig tuurden de vluchtelingen naar den kant der stad. Neen, er was geen onraad; nog niet! Nu werd het touw aan de staaf bevestigd en er ontstond een korte strijd over de vraag, wie er het eerst gebruik van zou maken. Jacob weigerde aanvankelijk zich vóór de Welle te redden, omdat deze zich om zijnentwil in dit gevaar had begeven, maar de Welle beduidde hem, dat het beter was voor hen beiden. Jacob was jong en slank en veel lichter dan zijn metgezel. Hij zou gemakkelijk langs het loshangende touw kunnen afdalen en het dan beneden vasthouden, om zijn makker te helpen.

't Was ondertusschen wat helderder geworden. Hier en daar flonkerden de sterren aan den bewolkten hemel. De nachtwind floot over de kruin van den muur.

--"Haast u, jonker!" fluisterde de Welle.

Jacob greep het touw en liet zich zakken. 't Was een moeilijke en gevaarvolle afdaling, maar hij bereikte gelukkig den grond.

Hij stond nu aan den rand van de gracht.

Het geluk diende hem. Vlak bij hem was een paal, die zeker moest dienen om er een boot aan vast te leggen. Hij sloeg er het touw om en gaf het afgesproken teeken. De Welle daalde langs het nu strak gespannen touw vrij gemakkelijk naar beneden.

Nu moest de gracht nog worden overgezwommen. Gelukkig stond het water hoog en de beide Geuzen waren sterk en vlug. Zij konden zich tegen den hoogen kant optrekken en waren nu voor het oogenblik in veiligheid. Wel bevonden zij zich nog tusschen de buitenste bolwerken, maar die waren thans niet bezet.

En nu moesten zij trachten zoo spoedig mogelijk het bosch van Soigny te bereiken, dat ten Zuiden van de stad moest liggen. De sterren wezen hun den weg, terwijl zij langs veldwegen en door weiden en akkerlanden hun vlucht voortzetten, steeds zooveel mogelijk de hoeven rondom de stad vermijdende, om niet door het aanslaan der werfhonden te worden verraden.

Na een vermoeienden tocht van ruim een uur zagen zij eindelijk de omtrekken van het zwaar geboomte tegen den bestarnden hemel afsteken en weldra hadden zij het bosch bereikt. Zij drongen door den breeden opslag van bleeke berken aan den boschrand, die spookachtig wuifden in den nachtwind, tot zij het hooge geboomte hadden bereikt. Daar lieten zij zich nedervallen op den dik bemosten grond. Beide mannen waren uitgeput en zij hadden eenige uren rust noodig, voor zij hun tocht konden voortzetten. Voor vervolging behoefden zij niet te vreezen, althans niet voor het aanbreken van den dag. Dan was het mogelijk, dat er patrouilles zouden worden uitgezonden, om den omtrek af te zoeken naar de ontsnapte Geuzen, maar dan zouden zij reeds ver van Brussel zijn.

Weldra hoorde Jacob Martens de diepe ademhaling van de Welle, die rustig sliep op het zachte mosbed. Hijzelf kon eerst den slaap niet vatten. Nog eenmaal doorleefde hij in gedachten den dag van gisteren. Zoo lag dan nu zijn verleden onherroepelijk achter hem. Hij had tot nu toe altijd nog gehoopt op een verre toekomst, wanneer--hoe, wist hij niet en hij kon het zich ook niet indenken--alle ellende, alle strijd tot het verledene zou behooren, en hij weer met de zijnen, met Madeleine zou zijn vereenigd. Ja, hij was blijven hopen op Madeleine's liefde, op haar trouw--door alles heen. En nu was de droom voorbij, voor altijd! Hij was een balling, een vogelvrij verklaarde. Zijn vader was lid van den Bloedraad, zijn moeder had hem verstooten, Madeleine was de zijne niet meer, zijn vroegere vriend had hem willen overleveren aan den beul. Hij was hun vijand,--hij, de verachte, de gehate Geus!

En bij dat alles klonk daar toch in zijn binnenste het woord, leefde daar toch de gedachte, die hem staande hield: Getrouw zijn, getrouw tot in den dood! Want zijn zaak was de zaak van zijn volk, was de zaak Gods...

't Was al diep in den nacht, toen hij insluimerde, maar trots zijn vermoeienis was zijn slaap onrustig. Telkens schrikte hij wakker. Zoodra de morgen begon aan te breken, wekte hij zijn metgezel, en de beide mannen zetten hun vlucht voort door het uitgestrekte bosch van Soigny, naar Vlaanderen, om dan langs de hun welbekende wegen hunne wilde makkers, de Boschgeuzen, weer te bereiken.

Nieuwsgierig keken de woeste gezellen naar hun twee aanvoerders, die, dat wisten zij wel, zich diep in het door de Spanjolen bezette land hadden gewaagd. De stoutmoedigsten trachtten de Welle uit te hooren. Deze vertelde hun bereidwillig genoeg al het nieuws, dat hij vernomen had over den toestand des lands, de vervolgingen en de terechtstelling van allen, die op eenige wijze aan den opstand hadden deelgenomen.

Maar over het doel van zijn tocht met den jonker liet hij zich niet uit. De mannen zagen, dat jonker Martens ernstiger en stiller was dan ooit. De jonge aanvoerder trachtte zijn ruwe, ongeregelde bende aan een zekere krijgstucht te wennen. Hij wilde, dat de mannen zich oefenen zouden in het gebruik van hunne wapens, maar hij vond niet veel medewerking bij de ballingen, nu reeds te lang aan een ongeregeld leven, aan roof en plundering gewoon. Allen wisten het nu wel: Alva maakte troepen gereed, om de Boschgeuzen, de laatste opstandelingen immers, aan te grijpen en uit te roeien. Maar tot nog toe waren zij veilig geweest in hun natuurlijke vestingen. En waren er onder hunne predikanten geen mannen, die alle voorzorgsmaatregelen van jonker Martens en andere leiders voor ongeloof uitkreten, en die spraken van een Gideonsbende, waaraan de Heer der heirscharen de overwinning kon schenken op de overmacht der Midianieten, de vijanden van God en Zijn volk?

En zoo wachtten de ongeregelde benden der Wilde Geuzen, de laatst overgeblevenen van den met zooveel hoop en stouten moed begonnen veldtocht der Gereformeerden in het Zuiden, de wèlgeoefende en strijdbare vendels van Alva af.

XVI.

Op een vroegen Octobermorgen lag een roeiboot aan het eenzame strand tusschen Nieuwpoort en Duinkerken, niet ver van een "slag" in het duin, een laag punt tusschen de zandheuvels, waar een karrespoor het pad aanwees, dat de bevolking van het schamele duindorp, dat achter de hooge toppen verscholen lag, volgde, om de kust te bereiken. Het was vloed en het vaartuig lag in de eerste strandgolven. Blijkbaar behoorde het bij een krapschuit, die aan gene zijde van de witte lijn der branding voor anker lag. In de verte kon men de masten en de witte zeilen van een grooter schip onderscheiden.

Op het strand stonden twee mannen, gekleed in het grove grein der Hollandsche schippers. Dat zij echter geen vreedzame visschers waren, die daar de wacht hielden bij hun boot, bewees hunne uitrusting. Beiden waren zij voorzien van korte vuurroeren en aan hun gordel hing een houwer naast het matrozenmes in lederen scheede. Zij staarden met onrustige blikken naar den duinkant, naar de plaats, waar het zandspoor zich tusschen de zandheuvels verloor en wisselden van tijd tot tijd een ongeduldig woord.

Uit de verte, meer naar het Zuiden, klonk nu en dan boven het geluid van de branding een doffe knal. Er werd naar het scheen gevochten in het duin. De schoten kwamen nader. De beide mannen wisselden een blik en er kwam een onrustige trek op hunne verweerde gezichten.

--"Zou dat tegen de onzen zijn?" zeide de jongste.

--"'t Is te ver!" meende de ander. "Er wordt daarginds gevochten. Wat 't zijn kan, weet ik niet. Wie is er zeker van zijn leven in 't land, nu de vermaledijde Spanjool er huist? Maar ik wou met dat al, dat ze terugkwamen. Tamme Abels weet toch wel, dat wij den vloed niet mogen verspelen!"

--"Misschien heeft hij onverwachts buit gevonden!"

--"Buit? In dat visschersnest in de duinen? 't Zal mooi zijn, als hij wat victualie meebrengt. En dat moet toch, want aan boord is 't geen vetpot. En de François geeft niets af."

--"Die zal 't zelf ook niet breed hebben. Heb maar geduld, oude brompot. Als we weer een Antwerpschen koopvaarder aanhouden, dan..."

--"Als! als!" viel de oudere zeeman in. "Als Tamme niet gauw komt, zal hij geen koopvaarders meer aanhouden, maar door een hennepen venster moeten kijken in plaats van naar schepen in den mastkorf. Die schoten komen al dichter. Straks zullen we nog moeten vechten om de boot."

--"Maar de "Vrouw Geertruyd"?"

--"De "Vrouw Geertruyd" moet afhouden als de eb begint. Maar hoor, ze komen er aan."

Er klonk een verward geschreeuw van den kant van den slag, en een oogenblik later verscheen een troep gewapende mannen in de opening tusschen de duinen. Een paar van hen droegen een vat aan een draagboom, anderen waren beladen met bossen gedroogde visch en ronde brooden. Een jonge kerel, die de aanvoerder scheen te zijn, gaf een kort bevel en liep toen vooruit naar de boot.

--"Een goede vangst, Tamme?" vroeg de oudste van de beide wachters.

De aangesprokene haalde de schouders op. 't Was een nog jonge man, met een echten Frieschen kop. Een lang, bleek gezicht, met forsche, vierkante onderkaak, een harden mond met dunne lippen, waarboven de knevel nauwelijks te voorschijn kwam. De helle blauwe oogen hadden een koude, dreigende uitdrukking. Op het stugge, blonde haar droeg hij een muts van robbevel.

--"Niets dan drinkwater en brood en visch!" zei hij stug. "'t Is een arm, Paapsch nest!"

--"De mannen zijn op zee!"

--"Ja, de booten zijn uit. Als ze morgen terug komen, zullen ze 't nest leeg vinden."

--"Den brand er in gestoken?"

Tamme Abels haalde onverschillig de schouders op en wees naar het duin. Een rookwolk verhief zich boven de gele toppen en men rook de scherpe lucht van brandend stroo.

--"Werd er op jelui geschoten?" vroeg de ander.

--"Neen, er wordt gevochten in 't duin. Spanjolen denkelijk met een troep Geuzen. Dat zei ten minste een oud wijf in 't dorp. 't Komt dichterbij!"

--"Kunnen we niet een handje helpen?"

--"Wat gaat 't ons aan? Er is niets bij te verdienen."

Ondertusschen waren de levensmiddelen en het watervat in de boot geborgen. Een paar rolhouten werden onder de sloep gelegd en de mannen begonnen haar vlot te maken.

Over het water klonk een doffe dreun en een witte rookwolk hing een oogenblik over het groote razeil in de verte.

--"De François wordt ongeduldig," zei Tamme Abels. "Vooruit, mannen!"

Dichtbij, in het duin achter hen, klonken de doffe slagen van busschoten, wegrommelend tusschen de hooge zandheuvels.

Een paar Geuzen grepen naar hunne vuurroeren.

--"Laat staan!" gebood de jonge schipper barsch. "Maakt de boot vlot. Wij moeten op de "Vrouw Geertruyd" zijn, voor die kerels aan 't strand komen."

De mannen schoven de boot vooruit, tot in de eerste strandgolven, en sprongen binnen boord, zoodra zij vlot was.

--"Aan de riemen!" zei Tamme Abels, terwijl hij onrustig naar het strand keek.

In de opening tusschen het duin verschenen twee gestalten. Ze liepen ijlings in de richting van de boot en wenkten. Een flauw geroep drong tot de bemanning door.

--"Wacht een oogenblik, Tamme," zei de oudere man, die de wacht had gehouden bij de boot en die de eenige scheen te zijn, die den jongen schipper durfde tegenspreken, "'t zijn misschien Geuzen; er moeten er veel huizen, hier aan de kust."

De bleek-blauwe oogen van den aanvoerder flikkerden onheilspellend, maar de mannen in de boot schenen hun makker gelijk te geven. Zij hingen op de riemen en het vaartuig danste op en neer in de eerste strandgolven.

De beide vluchtelingen hadden het strand bereikt. Ze liepen het water in en waadden naar de boot. Tegelijk verschenen op de duinen hier en daar gedaanten en men zag de ijzeren stormhoeden en kurassen flikkeren in het zonlicht. Een troep gewapenden drong door den slag en marcheerde snel naar het strand.

--"'t Zijn Spanjolen!" riep de stuurman.

Een paar der Geuzen namen hunne handbussen op en bliezen op de lont.

--"Laat dat!" gromde Tamme. "We kunnen de boot niet laten afsnijden. Aan de riemen, mannen!"

Maar de vluchtelingen hadden de boot bereikt en werden haastig binnen boord geholpen. De Geuzen vielen aan de riemen en het vaartuig stoof door het water. Achter hen klonk luid geschreeuw en een bevelende stem riep hun iets toe, maar de woorden waren door het geraas der branding onverstaanbaar.

Een doffe knal dreunde achter hen. Een paar musketkogels snorden over hunne hoofden. Een paar van de jongeren bukten het hoofd, maar de twee vluchtelingen, die amechtig op een roerbank waren neergezonken, keken op en tuurden scherp naar de kust.

--"Jelui hebt kruit geroken!" zei Tamme Abels goedkeurend.

De Fries sprak het Strand-Hollandsch, de gewone taal der zeevarenden, met een eigenaardig accent. Toch konden de twee geredden hem verstaan.

--"Wij zijn Geuzen van 't leger van Brederode," zei de jongste van de beiden. "De troepen van Alva hebben onze laatste benden in 't duin overvallen. Zonder jelui waren we in hun handen gevallen."

Weer klonken geweerschoten van het strand, maar de boot, die thans danste in de branding, bood een te onzeker mikpunt voor de lompe vuurwapens. Toch sloeg een kogel in den achtersteven.

--"Dat moeten die nieuwe musketten zijn, die Ducdalf uit Italië hier heeft ingevoerd," zei de oude stuurman. "Onze handbussen dragen zoo ver niet."

Een aantal Spaansche soldaten stond thans aan 't strand en keek naar de boot en de beide schepen. Een paar van hen waren met hunne wapenen bezig en Tamme Abels, die hen met zijn scherpe zeemansoogen monsterde, zeide dat het busschieters waren, die hunne musketten laadden.

--"Ze houden ons voor koopvaarders," zei hij grimmig. "Wacht, tot we op de "Vrouw Geertruyd" zijn!"

De boot schoot door de geul en roeide op de krapschuit toe. Weldra was de lading binnen boord en de boot op het dek vastgesjord. De krapschuit was een van die handelsvaartuigen, die gebruikt werden voor de kustvaart en op de Hollandsche en Zeeuwsche stroomen. Zij voerde twee masten, een grooten en een kleinen, en had een hoogen achtersteven, hoewel zij verder tamelijk laag op het water lag.

Thans was het vreedzame koopvaardijscheepje echter voor den oorlog uitgerust en het zag er grimmig genoeg uit. Op de voorplecht stond een lang stuk geschut, een culverijn, op een affuit van zware balken. Een kist, gevuld met kogels, ijzeren maar ook steenen, stond er naast, en de achterzijde bood ruimte voor een zestal baskamers, want het stuk werd van achteren geladen, door de baskamer, die de lading bevatte, in de daartoe bestemde opening te laten zakken en die dan met ijzeren wiggen en zware beugels te bevestigen. Langs de verschansing waren rekken aangebracht, waarin korte pieken, enterbijlen en houwers hingen. In een rek bij den mast stonden een twaalftal knevelspeten--knotsen of lange knuppels, voorzien van een vinnige stalen punt [6]--en in een tweede een rij handbussen. Door middel van boevennetten,--sterke netten van taai touw--die thans langs de verschansing lagen geschoren, maar in tijd van nood daarboven konden worden uitgespannen, kon men in het gevecht eene entering voorkomen, maar de grimmige bemanning, bestaande uit een dertigtal gewapende zeelieden, was zeker meer den aanval dan de verdediging gewoon! 't Was wonder, dat het kleine schip zooveel mannen kon bergen. Verscheidenen waren verminkt of hadden litteekens, enkelen droegen reeds de zilveren halve maan op de muts, met het veelzeggende opschrift: "Liever Turksch dan Paapsch!"

Zoodra de boot was vastgesjord, keek Tamme Abels naar het strand, waar de Spaansche soldaten nog steeds joelend en dreigend bijeenstonden.

--"Klaar bij het stuk!" commandeerde hij.

Een paar zijner makkers plaatsten zich met handspaken bij het stuk, en richtten het volgens de aanwijzingen van den schipper, die zelf van den stuurman een brandende lont aan den korten ijzeren lontstok had overgenomen.

--"Lager! nog lager!" beval hij. "Zóó is het goed!"

Een witte rookwolk, een daverende knal, een schok, die het scheepje deed steigeren, en de zware kogel snorde over de hoofden der Spanjaarden, die naar alle kanten uiteen stoven en haastig naar de duinen weken.

Een luid "hoezee" klonk op het Geuzenschip.

--"Toch nog te hoog!" gromde Tamme Abels spijtig. "Aan het spil, mannen!"

Het anker werd gelicht en het roer gewend. De Geuzen hielden zich bezig met het zetten van de zeilen en de "Vrouw Geertruyd" voer lustig over de schuimende golven van de Noordzee, in de richting, aangegeven door het groote razeil, dat mede zeil had gemaakt.

--"Wat is dat voor een schip?" vraagde Jacob den stuurman.

--"Onze maat, de "bonne Fortune", een Fransche kaper uit Rotseel," zeide de oude man. "Wij hebben "admiraliteit gemaakt", om langs de Zeeuwsche kust op koopvaarders jacht te maken."

--"En jelui?"

--"Wij zijn Friesche kapers en Geuzen. Ook ballingen, als de jonker en zijn vriend. We haten Ducdalf, zijn Spanjolen en de Inquisitie. We zijn uit ons land verdreven en nu leven we van den roof. Er zijn meer schepen van ons slag in de vaart."

--"En die Franschman? Frankrijk is toch niet in oorlog met Spanje."

De stuurman lachte grimmig.

--"Alsof de Fransche Huguenoten zich daarom bekommerden!" zei hij. "Die van Rotseel rusten schepen uit en randen den Spanjaard aan, waar zij kunnen. De Spanjolen en de papen zijn vijanden van allen, die van de religie zijn."

--"En jelui zijn van de Gereformeerde religie?"

--"Laat de jonker maar eens naar den mastkorf kijken!" lachte Tamme Abels, die naderbij was gekomen.

Jacob keek naar boven en zag, hoog aan den grooten mast, een vreemdsoortig voorwerp bevestigd, dat hij met eenige moeite als een hostiekast herkende, blijkbaar van het altaar van een geplunderde Roomsche kerk afkomstig.

--"Als wij papen vangen," zei de schipper, "laten we hen hier op het dek de mis lezen, vóór we ze de voeten spoelen. Ik zeg maar: als zij hun god Melis hoog vereeren, Tamme Abels vereert hem nog veel hooger! Hij hangt hem in den mast!"

De Geuzen, die in de nabijheid waren, lachten luide en ook de Welle knikte goedkeurend. Ruwe bespotting van wat den tegenstander heilig was, was voor hen allen een zeer gewone zaak. Wanneer een edelman en een geleerde als Marnix in zijn "Bieenkorf" de Roomsche leeringen en ceremoniën door het slijk sleurde, wat kon men dan van het onbeschaafde volk verwachten?

't Was een avontuurlijk leven, dat de stoute gasten, de bemanning van de kleine krapschuit, voerden. 't Waren eigenlijk niet anders dan zeeroovers, die rondzwervende Geuzen, en dat wisten zij zelve zeer goed. Maar zij schaamden er zich volstrekt niet voor. 't Was een beroep als een ander. Van den ouden stuurman, die gaarne praatte, als hij er tijd en gelegenheid voor had, vernam Jacob, dat langs de kusten van de Noordzee, zoowel in Engeland en Schotland als in de Duitsche landen, Denemarken en Noorwegen, zee- en strandroof bij de kustbewoners als volkomen geoorloofd gold, en, tusschen het visschers- en zeevaardersbedrijf door, algemeen werd uitgeoefend. De denkbeelden uit den ouden Heidentijd waren nog lang niet uitgeroeid. De bewoners van de kust en van de eilanden leefden van de zee. Wat die hun bracht, was hun buit. Op zee gold geen wet en geen recht, dan het recht van den sterkste. Een Terschellinger vertelde, hoe hij en zijne dorpsgenooten de koopvaarders in donkere, stormachtige nachten deden stranden, doordat ze een koe, met den kop aan de voorpooten gebonden en een lantaarn tusschen de hoorns, over het duin joegen, zoodat de zeelieden, die het dansende schijnsel zagen, meenden, dat het het toplicht van een schip was, dat daar een veilige ligplaats, had gevonden. 't Verhaal werd luid toegejuicht. Strooptochten te land, tegen kerken en kloosters, als er gelegenheid toe was, maar ook tegen weerlooze visschersdorpen langs de Hollandsche kusten, die werden geplunderd en gebrandschat, waren voor deze zeewolven een gewoon bedrijf. Hun hand was tegen allen en de hand van allen was tegen hen, en hun aanvoerder, de jonge Tamme Abels, met zijn hoekigen Frieschen kop en zijn koude, staalblauwe oogen, ging hun in woestheid en wreedheid voor.

't Scheen, dat de schipper begreep, dat zijne gasten van een ander slag waren, dan hij en zijne makkers. De vreemdelingen waren gastvrij ontvangen en hadden hun deel gekregen van den soberen scheepskost,--hard brood, gedroogde visch en bier, maar in den loop van den dag trad Tamme Abels Jacob op zij en stelde hem voor, hem naar den Franschen kaper te laten brengen, waar hij zeker goed ontvangen zou worden. De krapschuit was toch al overbemand; plaats in de slaapkribben was er niet. Op het groote razeil zou dat alles beter gaan.

Jacob en de Welle stemden toe en de krapschuit hield op den Franschman en heesch een sein, dat van het razeil beantwoord werd. Het groote schip loefde op, tot de beide vaartuigen elkander tot op betrekkelijk korten afstand genaderd waren. De boot werd gestreken en bemand, en weldra stonden de beide Vlamingen met Tamme Abels, die hen had willen vergezellen, op het achterdek van den Franschen kaper.

Ze werden er ontvangen door den kapitein, die zich een oogenblik verwonderd toonde, toen Jacob Martens hem in beschaafd Fransch aansprak, maar zich onmiddellijk herstelde en zich hoffelijk bekend maakte als de sieur d'Esprenay, commandant van het goede schip "la bonne Fortune" van La Rochelle, en verklaarde, dat zijne beide gasten hem welkom waren. Toen verontschuldigde hij zich, omdat hij nog iets met Abels te bespreken had. De beide bevelhebbers bedienden zich van het Strand-Friesch, hetzelfde dialect, dat de Friesche Geuzen met de Vlamingen spraken en dat veel overeenkomst vertoonde met het Strand-Engelsch, en, als de algemeene zeemanstaal op de Noordzee en hare kusten, door alle zeelieden verstaan werd. Weldra was het gesprek geëindigd en keerden de Friesche Geuzen naar de krapschuit terug.

De sieur d'Esprenay verzocht zijne beide gasten hem naar zijne kajuit te volgen. Hij bleek een Huguenoot, die, zooals velen van zijn tijd- en geloofsgenooten, aan een oprechte liefde voor de Gereformeerde religie, een bitteren haat tegen de Roomschen en vooral tegen de Spanjaarden paarde. Hij was de jongere zoon van een verarmd, adellijk geslacht en had een kaper uitgerust, om zijn fortuin op zee te beproeven. Een zeeroover was hij niet: de Engelsche koopvaarders, de schepen der oude Duitsche Hanzesteden liet hij ongemoeid. Maar Spanje was in die dagen de eerste zeemogendheid en de Nederlandsche erflanden van Koning Philips waren rijk. De Spaansche en Nederlandsche koopvaarders werden door de kapers van la Rochelle genomen en gerantsoeneerd, al was Spanje niet met Frankrijk in oorlog. De Huguenoten hielden Philips met zijne Spaansche Inquisitie voor hun doodsvijand en lachten om de protesten en bedreigingen van de Regeering te Parijs.