Jacob Martens: Een verhaal uit de zestiende eeuw
Part 23
--Jacob Martens? Ach, dat was kinderspel geweest. Jacques was immers nu een balling, een verworpene, een oproerling tegen zijn wettigen landsheer, en daarbij een snoode ketter, wiens naam, volgens den wil zijner moeder, de strenge Vrouwe Martens, in haar huis niet meer mocht worden genoemd.
En toch was 't jammer! Jacques was toch wel een goede, edele jongen en hij had haar wel innig liefgehad! Het waren toch wel goede en mooie uren geweest, daarginds, in den hof van het oude huis te Gent.
--Maar als hij haar werkelijk lief had gehad, dan zou hij haar niet hebben opgegeven voor zijn kettersche dolingen en zijn oproerige vrienden. Waarom had hij zich zelf door zijn dwaasheid in het ongeluk gestort voor tijd en eeuwigheid? Haar biechtvader had het haar verzekerd. Hem wachtte het schavot, als hij ooit gegrepen werd, en dan de pijnen der hel, en wanneer zij nog met liefde en gehechtheid aan den ellendigen ketter dacht, dan verkeerde zij in staat van doodzonde. En zij kon dan toch niet de verloofde zijn van een zwervenden balling. Misschien leefde hij niet eens meer....
Het ritselde in de heesters achter de oude linde. Madeleine merkte het niet op.
--Zou zij een van de Spaansche officieren nemen? Don Juan di Garcia was zeker een bevallig caballero, veel aardiger in den omgang dan de statige don Rodrigo d'Avila, die zeker al veertig jaar was. Maar don Rodrigo bekleedde reeds een hoogen post en hij was van ouden adel en verwant aan de beste Spaansche geslachten. Als zijn vrouw zou zij dadelijk de positie innemen, waarnaar haar hart verlangde. En de eerbiedige hoffelijkheid, waarmede haar Spaansche vereerders haar naderden, streelde haar. Maar dan later naar Spanje te moeten gaan? Er werd onder den Nederlandschen adel aan het Brusselsche hof zooveel gesproken over de stijve, Spaansche zeden, over den dwang, waaronder de Spaansche vrouwen leefden. Neen, dat was geen toekomst voor haar...
--En lief had zij hen niet! Geen van allen! Thierry beviel haar nog het best, maar toch--wat zij voor Jacques gevoeld had, was toch heel wat anders! Maar ach, dat was misschien maar kinderachtige dwaasheid, een droom van haar meisjesjaren...
--Als iemand haar toch een raad kon geven! Zij wist zelve niet, wat zij wilde!
Weer ritselde het in de heesters. Er viel een schaduw op het pad. Verrast, half verschrikt, keek Madeleine om. Een man stond achter haar en twee fonkelende oogen staarden haar aan.
't Ontbrak Madeleine de Bette niet aan moed. Zij wierp een snellen blik in de richting van het huis. Te ver! De indringer zou haar terstond inhalen, als zij vluchtte. Als hij kwade bedoelingen had, moest zij hem in bedwang houden, tot er mogelijk hulp kwam. Zij stond op van de bank.
--"Wie zijt ge en wat doet ge hier?" vroeg zij hoog.
--"Madeleine!" fluisterde de man, met heesche stem.
Met een flauwen gil trad het meisje een pas terug. Wat was dat?
--"Madeleine, kent ge mij niet meer?"
De stem trilde van ontroering, maar Madeleine herkende ze. Zij zag den vrager met verbaasde, verschrikte oogen aan.
--"Jacques? Hier?" fluisterde zij. "Hoe komt ge..."
Zij wist zelve niet of zij meer verheugd was dan ontsteld. Met wijd geopende oogen staarde zij den onverwachten bezoeker aan. Ja, 't was Jacob wel. Maar hoe veranderd! Wat leek de flinke, krachtige man, die daar voor haar stond, weinig op den jongen Jacob Martens, dien zij voor 't laatst te Gent had gezien. Wat stonden hem de knevel en de korte baard goed, bij het door wind en weer gebruinde gelaat. En het breede litteeken op het voorhoofd ontsierde hem niet. Onwillekeurig legde zij haar beide handen in die van Jacob, toen hij ze naar haar uitstrekte.
--"Ik moest u zien, u spreken, Madeleine!"--Jacobs stem trilde van ingehouden hartstocht. "Ik heb er mijn leven voor gewaagd. Er werd gezegd, dat ge verloofd waart,--met een ander, met Thierry! Zeg, dat het niet waar is, Madeleine!"
Hij wilde haar naar zich toe trekken, zijn arm om haar leest slaan, maar Madeleine had zich hersteld van haar eersten schrik. Zij maakte hare handen uit die van Jacob los.
--"Dat is niet waar," zei ze koel, "maar als het eens waar was? Een fraai bewijs van uw liefde, dat ge mij gegeven hebt! Weggevlucht zijt ge van mij, van uw ouders en van uw vrienden, om u aan te sluiten bij de ketters, bij de rebellen! Denkt ge, dat ik de verloofde zijn wil van een ketter, een Geus?"
Ze deed een stap achteruit en een smadelijk lachje speelde om haar lippen. Ze was thans niet bang meer.
--"Madeleine, het is niet waar! Die ketters willen alleen God dienen naar de inspraak van hun hart en geweten en de rebellen zouden trouwe onderdanen zijn van den Koning, als hij hen wilde laten leven als vrije mannen. O, dat ik u de oogen kon openen! Ik moest, Madeleine! Ik zou een lafaard zijn, als ik het arme, onderdrukte volk niet hielp! Maar ik heb u nog altijd lief..."
Maar Madeleine de Bette luisterde niet. Ze was zichzelf thans volkomen meester. Het streelde haar ijdelheid, dat die forsche, sterke man, een van de gevreesde Geuzen nog wel, daar als smeekeling voor haar stond. En hij had zijn leven gewaagd, om tot haar door te dringen. Als hij gevat werd, wachtte hem de dood op het schavot...
Allerlei gedachten vlogen door haar koel, berekenend brein. Zij de bruid van een balling, van een Geus,--onmogelijk!
Maar--als 't haar gelukte, hem terug te winnen voor de partij van den Koning? Als hij zich onderwierp en zijn ketterij afzwoer? 't Was waar, de Raad van Beroerte was streng voor de ballingen, die aan den opstand hadden deelgenomen, maar Jacques was nog jong en zijn vader had veel invloed en machtige vrienden. Er waren er meer, die 't eerst met Oranje en Brederode hadden gehouden, maar die de partij van de Geuzen hadden verlaten en nu trouwe dienaars waren van de Regeering. Welk een triomf, als 't haar gelukte!
Met afgewend gelaat had zij naar de hartstochtelijke woorden van den jongen man geluisterd. Thans zag ze hem weer aan en er lag een verleidelijke, lokkende uitdrukking in haar donkere oogen.
--"Is dat waar?" fluisterde zij.
--"Madeleine!"
Maar ze hield hem terug.
--"Toon het dan! Keer terug tot mij, tot uw ouders, tot de Heilige Kerk. Wat bindt u aan de Geuzen, die boeven en rabauwen? Uw vader heeft invloed bij den hertog. Hij zal een pardon voor u verkrijgen. Alles kan nog goed worden."
Zij trad op Jacob toe, legde hem de handen op de schouders en zag hem vleiend aan.
--"Wij kunnen nog zoo gelukkig zijn, Jacques," fluisterde zij.
Bleek en sidderend van inwendige ontroering staarde Jacob het schoone meisje aan. 't Was waar, wat zij zeide: hij, de balling, de vogelvrij verklaarde, hij kòn terug, als hij wilde. Een leven van eer en aanzien, van geluk en liefde kon hem nog wachten,--als hij de zaak van zijn volk, van zijn land verried, als hij zijn Heer ontrouw werd. Het waren immers zijn eigen gedachten, die Madeleine daar uitsprak, gedachten, die in hem waren opgerezen daar ginds in het woeste duin, die hem gekweld hadden in menigen slapeloozen nacht, als de bloedige daden van zijn woeste makkers hem er aan deden twijfelen, of hij streed voor een rechtvaardige zaak. Hij kon nòg terug,--en dan, Jacob Martens, de zoon van den president van den Raad van Vlaanderen, de echtgenoot van Madeleine de Bette, zou hij nog niet veel voor zijn volk kunnen doen? Meer dan de arme balling, die meevocht in den hopeloozen strijd tegen de overmacht, wachtende op de hulp, die maar niet kwam opdagen...
Wat was die stem in zijn binnenste, die daar sprak van "getrouw te zijn tot den dood"?
Madeleine zag zijn ontroering. Nu was het oogenblik daar, waarin zij alles op het spel moest zetten, om over de laatste aarzeling van den jongen man te triomfeeren, om hem terug te winnen voor zichzelve, Jacques, van wien zij toch wel hield, voor zoover haar ijdel en lichtvaardig gemoed daartoe in staat was.
Zij sloeg een arm om zijn hals en boog het hoofd aan zijn borst.
--"Om mijnentwil, Jacques," fluisterde zij week. "Laat mij spreken met uw vader... Laten wij u redden! De Geuzen zullen worden uitgeroeid. De hertog zendt troepen, om ze te verslaan. Ik weet het zeker! Thierry sprak er van!"
--"Ik kan niet, ik mag niet, Madeleine!"
Het oogenblik van zwakheid was voorbij. Madeleine had, zonder dat zij het wist of wilde, een beroep gedaan op het eergevoel van den krijgsman. Hoe? Zijne makkers zouden worden aangevallen door de troepen der Regeering en hij zou ze als een lafaard in den steek laten in den hoogsten nood? Eerloos!...
En nu de verzoeking was weerstaan, vlogen hem bliksemsnel de gedachten weder door het hoofd, die hem gesterkt hadden in donkere uren, om te volharden tot het einde. Zoovelen, die gevallen waren voor de goede zaak, de zaak der vrijheid, die eenvoudigen, de martelaars, die geleden hadden aan de galg en op den mutsaard voor het gezuiverde Evangelie! En weer zag hij het bleeke gelaat der martelaresse te Gent en hoorde hij het "Wees getrouw tot in den dood". Dat was het! Trouw zijn, trouw tot in den dood!
--"Ik mag niet!" herhaalde hij dof. "Maar o, ik heb u lief, Madeleine! Blijf mij trouw! Er zullen betere dagen komen! Oranje en de Coligny zullen ons helpen..."
Maar bij zijne eerste woorden had Madeleine hem losgelaten.
--"Een bewijs van uw liefde, zeker!" Met een smadelijk lachje wendde zij zich af.
--"Ge kiest dan uw Geuzen en rebellen boven mij! Ga heen, Jacques Martens, ik heb u niets meer te zeggen. Ga terug naar uw Geuzen, vóór de Roode Roe en zijn rakkers u ontdekken en grijpen!"
Een lichte kreet achter hen deed beiden omzien. Het bemoste voetpad van den ouden tuin had de voetstappen gedoofd van de twee, die plotseling verschenen waren aan de kromming bij de oude linde en thans verrast bleven staan: de statige Vrouwe Martens in haar zwart, bijna kloosterachtig gewaad en witte huive, en Thierry de St. Foy, in zwart fluweelen hofkleeding, aan de mouwen met geel satijn doorbroken, den hoogen fluweelen hoed met een koord van gouddraad versierd en opgetoomd. Vrouwe Martens was zeer bleek geworden, toen zij haar zoon herkende; Thierry stond besluiteloos en draaide verlegen aan zijn fijn zwart kneveltje.
--"Moeder!" Jacob wilde op haar toeijlen. De mondhoeken der trotsche vrouw hadden even zenuwachtig getrild; toen werd haar blik koud en hard. Met een gebiedend gebaar wees zij hem terug.
--"Een oproerling en een ketter is mijn zoon niet!" klonk het hoog. "Wat doet gij hier!"
--"Een Geus en een vijand van den Koning!" Thierry had zijn tegenwoordigheid van geest teruggekregen.
--"Geef u over, Jacob Martens!"--Hij trok den fijnen staatsiedegen en trad op Jacob toe.
Een oogenblik had Jacob Martens roerloos zijn moeder aangestaard. Het flikkerende staal in de hand van zijn mededinger en het besef van het dreigend gevaar, waarin hij verkeerde, bracht hem tot zichzelf. Snel trok hij den langen opsteker, dien hij onder zijn wambuis droeg, en pareerde den stoot, dien Thierry hem wilde toebrengen. Met forsche hand greep hij den pols van zijn tegenstander en ontwrong hem het wapen, dat hij wegslingerde tusschen de heesters. Toen haalde hij uit met het breede kruismes.
Madeleine gaf een gil en klemde zich aan Vrouwe Martens vast.
Een oogenblik aarzelde Jacob. Als daar zijn moeder niet stond...
Hij liet Thierry los en stiet hem van zich af.
--"Ga heen!" zei hij met heesche, trillende stem.
Thierry de St. Foy liet het zich geen tweemaal zeggen. Hij snelde het pad op, dat naar de huizinge voerde, terwijl hij op een fluitje blies, dat aan zijn halsketen hing.
Jacob stond een oogenblik besluiteloos.
--"Jonker! jonker!" klonk het dringend achter hem. Een donkere gedaante stond tusschen de heesters, hem wenkend, zich te haasten.
Jacob wierp een blik op de beide vrouwen, die elkander nog altijd vol ontzetting hielden omklemd, een laatsten blik. Toen snelde hij met de Welle naar het achterpoortje in den hoogen tuinmuur. Achter hen klonken stemmen in den tuin.
Thierry de St. Foy kwam terug met versterking. Een snellen blik wierpen zij in de eenzame straat. Er was niemand te zien! De Welle greep Jacob de muts van het hoofd en wierp die de straat in. Toen doken beiden door het luik in den donkeren kelder en met een zucht van verlichting schoven zij den zwaren boom er voor.
Voor het oogenblik waren zij in veiligheid, maar toch bonsde hun hart, terwijl zij luisterden naar de voetstappen en de stemmen in de straat. Als iemand hen had zien wegduiken in hun schuilplaats, waren zij verloren. Hun vervolgers konden spoedig genoeg den ingang van de groote brouwerij bereiken, waarbij de kelder behoorde, die hun schuilplaats was, en werden zij ontdekt en gegrepen, dan was hun lot beslist.
--"Ha, zie die muts! Dezen kant op, mannen!"
't Was de stem van Thierry. De krijgslist van de Welle was gelukt. De stemmen en de haastige voetstappen verwijderden zich in de richting van de stad. De vervolgers vermoedden niet, dat de Geuzen, die zij zochten, zich in hun onmiddellijke nabijheid hadden bevonden.
En nu begon het wachten, het lange, pijnlijke wachten, dat tot den avond moest duren, want eerst met het vallen van den nacht zouden de beide Geuzen het durven wagen, hun schuilplaats te verlaten.
Zij zaten op de steenen trap van den donkeren kelder, slechts flauw verlicht door de kleine openingen in het luik en luisterden naar de geluiden, die van buiten tot hen doordrongen. Zij hoorden de voetstappen der terugkeerende vervolgers, hun verwoede en opgewonden uitroepen, terwijl ieder zijn meening wilde uiten, en raad wilde geven. Toen werd het voor een poos stil in de straat, maar weldra klonken er weer voetstappen en stemmen. Blijkbaar had het gerucht van het gebeurde zich in de stad verspreid en er vormde zich een kleine oploop van nieuwsgierigen voor de achterpoort in den muur. Zij konden zelfs van tijd tot tijd de gesprekken der verschrikte burgers verstaan, althans enkele woorden opvangen. Blijkbaar was de levendige volksverbeelding reeds aan het werk: de Geuzen hadden een aanslag op Brussel in den zin. Wilde Geuzen hadden een aanval gedaan op het paleis van den graaf van Aremberg. Ze hadden de vrouwen willen ontvoeren. Hoe sterk waren de aanvallers geweest? Tien! Neen, zeker twintig! Een officier van Noircarmes had ze aan het hoofd van de wacht verdreven...
Maar na een poos werd het stil in de straat. De nieuwsgierigen trokken af.
Tegen den vochtigen muur geleund, zaten de beide mannen zwijgend tegenover elkander. Jacob Martens staarde somber voor zich uit, vol van het gebeurde van dien morgen. Thans eerst was hij voorgoed, was hij onherroepelijk van de zijnen gescheiden! Zijn moeder had hem verstooten, Madeleine was voor hem verloren, zijn vader had zitting in Alva's bloedigen raad. Hij zelf, hij was een balling, een uitgestootene! Er waren oogenblikken, dat hij haast wenschte, dat men hun schuilplaats ontdekte. Dan zou 't spoedig voorbij zijn! Een kort, heet gevecht, een stoot met een piek of een dagge--en zijn strijd was volstreden, voorgoed.
Maar zulk een oogenblik ging spoedig voorbij. Hij mocht niet in moedeloosheid het hoofd verliezen. Hij moest leven, als 't zijn kon, en strijden voor de goede zaak. En thans moest hij waken en zoeken naar redding, ook ter wille van de Welle, die zich om zijnentwil en met gevaar van zijn leven in Brussel had gewaagd.
Straks, als de avond was gevallen, zouden zij trachten te ontsnappen. Natuurlijk zou de wacht aan de poorten der stad zijn gewaarschuwd en er zou scherp worden gelet op allen, die Brussel verlieten. En naar hun herberg terug keeren konden zij niet. Maar zij hadden op de mogelijkheid van ontdekking gerekend, en hun plan was gemaakt. Zij hadden den vorigen dag voorzichtig de omgeving verkend. Zij moesten over den stadsmuur pogen te ontkomen.
Pieter de Welle stoorde zijne overpeinzingen niet. Hij begreep wel, wat er in het hart van den jonker omging. Het gevaar, waarin hij verkeerde, deerde hem niet en hij dacht er niet aan, Jacob Martens iets te verwijten. De onderneming was dwaas en roekeloos geweest. Dat had hij steeds geweten en toch was hij zijn jongen aanvoerder gevolgd, den eenige, om wien hij nog aan het leven hechtte. Als hij straks aan zijne zijde moest vallen, dan zou het goed zijn. God mocht zijn ziel genadig wezen, en--eerst zou hij toch nog wel een paar Spanjolen of Spanjolenvrienden neerleggen.
Van onder zijn kiel haalde hij een paar lange pistolen te voorschijn, met een kruithoorn. Bij het flauwe licht, dat door de getraliede openingen in het luik viel, schudde hij droog kruit op de pan en liet het lontslot spelen. Straks, als zij den kelder verlieten, zou hij de lonten aansteken.
En ondertusschen luisterde hij scherp naar wat er buiten voorviel.
Zoo verliepen de trage uren, terwijl de beide mannen nauwelijks een woord wisselden. Eindelijk begon de avond te vallen. De Angelus-klok van de Sinte Gudula werd geluid, weldra gevolgd door de klokken van alle kerken en kloosters der stad. Weldra zou 't donker genoeg zijn, om hun plan te volvoeren.
Plotseling schrikten de beide Geuzen op. Er klonken zware voetstappen door de straat, marcheerende op de maat. Daar was wapengekletter en een kort commando. Daar naderden soldaten! Zou men door eenig toeval hun schuilplaats hebben ontdekt?
De voetstappen hielden stil. Weer een kort bevel en de troep verwijderde zich, maar er klonken nog altijd zware schreden, langzaam op en neer, blijkbaar van twee soldaten, die heen en weer liepen en van tijd tot tijd hoorde men hen hun pieken neerzetten op de keien.
--"Een wacht!" fluisterde Jacob en de Welle knikte toestemmend.
Blijkbaar werd de achterpoort door gewapenden bewaakt.
De twee mannen verkeerden in een hachelijken toestand. Zij konden den kelder niet verlaten, zonder door de schildwachten te worden bemerkt. Toch restte hun nog één kans. Zij hadden met Tiest Stoffelsz afgesproken, dat deze in den laten avond onder eenig voorwendsel naar de brouwerij zou terug keeren, en, ter wille van zijn eigen veiligheid, den boom weer voor het luik zou leggen, wanneer zij den kelder hadden verlaten. Nu moesten zij op hem wachten. Hij moest hen door de donkere kelders leiden en hen op straat brengen.
Het werd nacht. De soldaten daar buiten waren reeds eenmaal afgelost. Eindelijk hoorde men zachte, schuifelende voetstappen en in de verte blonk het flauwe schijnsel van een lantaarn.
Jacob begreep, dat een lichtstraal door de luchtgaten van het luik hen zou kunnen verraden. Haastig tornde hij met zijn mes de voering van zijn wambuis los en scheurde er een paar lappen af, waarmede de openingen werden dicht gestopt.
Tiest Stoffelsz was niet weinig verrast en ontsteld, toen hij de beide Geuzen nog in den kelder vond. De arme man beefde over al zijn leden, wanneer hij weer dacht aan het gevaar, dat hem dreigde, als zijn gevaarlijke gasten zouden worden ontdekt en het zou blijken, dat hij hen geholpen had. Sidderend luisterde hij naar de voetstappen der soldaten, die daar buiten de wacht hielden.
Jacob Martens slaagde er echter in, hem den toestand te doen begrijpen, en hem duidelijk te maken, wat men van hem wenschte. Ja, zeker, hij kon hen door de kelders leiden naar de brouwerij en hen zoo op straat brengen. En de stadsmuren--ja, die waren dan wel spoedig te bereiken.
Een schichtige blik naar het gesloten luik en Tiest ging hen voor, door den doolhof der diepe bierkelders, terwijl het flauwe licht van zijn lantaarn de groote okshoofden verlichtte, waarin het bier werd geklaard, voor het werd afgeleverd. Zij bereikten de brouwerij en de open binnenplaats, waar groote stapels tonnen lagen en ledige wagens op hun vracht stonden te wachten. Van een dier wagens nam de Welle een lang, niet dik, maar sterk touw mede, dat gebruikt werd om de tonnen vast te sjorren. Toen opende Tiest voorzichtig een kleine deur in de poort en de vluchtelingen bevonden zich op straat.
Tiest Stoffelsz wees hun de richting, die zij te volgen hadden, en toen namen zij met een woord van hartelijken dank afscheid van den braven brouwersknecht, terwijl zij hem nogmaals verzekerden, hem nimmer te zullen verraden. Tiest zag hen in de duisternis verdwijnen. 't Was hem, of hij gedroomd had. Die beiden, met hun zinkroeren en lange opstekers, dat waren nu twee van die Wilde Geuzen, waarvan men zooveel schrikkelijks vertelde; dat waren de mannen, die men in de gansche stad zocht en op wie men lette aan alle poorten.
En hij, hij had hen geholpen en verborgen! Daar stond de paleie op, en de galg! Huiverend spoedde hij zich huiswaarts.
Ondertusschen slopen Jacob Martens en de Welle vlug en geruischloos voort door de eenzame, donkere straat in de schaduw der hooge huizen, brouwerijen, pakhuizen en dergelijke, die zich in dit deel der stad bevonden. Tiest Stoffelsz had hen nauwkeurig den weg gewezen, dien zij moesten volgen om den stadsmuur te bereiken. 't Was een donkere, buiïge herfstnacht, juist een nacht, die hun vlucht mogelijk moest maken. Zij zaten in Brussel opgesloten als in een val. Er zou naar de stoutmoedige ballingen, die zich gewaagd hadden tot in de stad, waar de hertog en zijne regeering verblijf hielden, overal gezocht worden. Men kende hen thans bij name: vogelvrij verklaarde Geuzen, die meegevochten hadden tegen de troepen van den Koning bij Austruweel, hoofden van de benden, die het Zuid-Westen des lands onveilig maakten. De poorten zouden worden bewaakt en zonder twijfel zou de bevelhebber van het garnizoen patrouilles zenden, om de stad mede te bewaken, met de gewone nachtwachten. Als zij gewapenden ontmoetten en zij werden ontdekt, dan zou geen van beiden den ander in den steek laten, maar zij zouden vechten tot zij vielen en werd een van beiden gewond, dan zou de ander hem den laatsten dienst bewijzen door het toebrengen van een genadestoot. Want zij wisten maar al te wel, wat het voor hen zou beteekenen, levend in de handen der Spanjaarden te vallen.
Bij het omslaan van den hoek eener zijstraat, die naar hun doel moest leiden, hoorden zij inderdaad zware voetstappen en het gerammel van wapenen. Een lantaarn aan een stok wierp een rood, onzeker licht in de straat. Het oogenblik was daar. Zij konden wel is waar teruggaan in de richting, van welke zij waren gekomen, maar dat zou hun weinig baten, want die weg voerde naar de aanzienlijke wijken der stad, waar in deze dagen zelfs in den laten avond nog menschen op de been waren. De Welle drukte Jacob een zijner beide zinkroeren in de hand. Hij had de lonten aangestoken aan de lantaarn van Tiest Stoffelsz, maar droeg de wapens onder zijn langen kiel, zoodat de glimmende vonken hen niet konden verraden. Toen liepen zij de straat weder in tot aan een groote inrijpoort, waar zij in de donkerte van het poortgewelf post vatten. De twee mannen drukten elkander zwijgend de hand. Sloeg de patrouille den weg rechts in, dan moesten zij worden ontdekt. Dan zou het een kort gevecht worden tegen de overmacht en zij zouden vallen in een ongelijken strijd, want zij zouden zich niet overgeven.
De spanning duurde eenige minuten. Toen sloeg de patrouille links den hoek der straat om. Het gevaar was voor het oogenblik voorbij.
Met een zucht van verlichting luisterden de Geuzen naar de zich verwijderende voetstappen. Als zij nu spoedig den muur konden bereiken, hadden zij een goede kans, want het zou nu zeker eenigen tijd duren voor er een volgende patrouille voorbij kwam.
Snel en geruischloos liepen zij voort en zie, daar teekende de hooge stadsmuur zich donker af tegen de lucht. Zij hadden opgemerkt, dat er hier en daar smalle steenen trappen voerden naar het banket, dat langs de borstwering op de kruin van den muur liep. Een dier trappen moesten zij vinden en dit gelukte hun vrij spoedig.
Nu stonden zij op den muur. De Welle ontrolde het touw, dat hij uit de brouwerij had meegenomen en om zijn middel had gewikkeld. Het zou zeker lang genoeg zijn.