Jacob Martens: Een verhaal uit de zestiende eeuw
Part 22
Tegen het vallen van den nacht slopen de beide Geuzen naar het boschje, waarin de oude put en het kapelletje van St. Marie ter Duin verborgen lagen. Ze hadden den geheelen dag in de duinen doorgebracht. Zonder moeite zouden zij hun tocht met een omweg hebben kunnen voortzetten, maar zij wilden de plaats niet verlaten, zonder te onderzoeken, wat er van hun krijgsmakker geworden was. De vervolging was ras geëindigd en dat deed hun vermoeden, dat Daniël al spoedig in de handen zijner vijanden was gevallen. Was hij ontkomen, dan zouden zeker gewapende benden het duin hebben doorkruist, om den vermetelen heiligschenner en moordenaar te zoeken, maar zij hadden niets verdachts bespeurd. Waarschijnlijk was Daniël dus dood of gevangen.
Zij hadden den top van den hoogen zandheuvel bereikt, aan den voet waarvan het eikenboschje lag en luisterden in de vallende duisternis, of eenig gerucht de aanwezigheid van hun vijanden verried. Het weer was tegen den avond veranderd. De lucht was betrokken en er woei een gure Noordwestenwind. Van tijd tot tijd brak de maan door de zware regenwolken, maar in de zwarte massa aan den voet van 't duin was niets te onderscheiden.
De uren kropen om. Niet voor de nacht geheel was gevallen, dorsten de Welle en Jacob Martens het duin afdalen. Zij wilden eerst het boschje onderzoeken en dan naar het dorp sluipen. Natuurlijk wist ieder der bewoners, wat er dien dag gebeurd en wat er van Daniël geworden was. Zij zouden desnoods onder een of ander voorwendsel aan een der meer afgelegen woningen aankloppen en de bewoners uithooren.
Het was rustig en stil in het dorp en in de omgeving. Van tijd tot tijd hoorde men het blaffen van een werfhond in de verte, in de struiken op de duinhelling ratelde een "geitenmelker", maar verder hoorden zij niets dan het gieren van den wind over het eenzame duin.
Eindelijk was het donker genoeg. Als de maan schuil ging, kon men de eiken daar beneden niet onderscheiden. De twee mannen daalden voorzichtig het duin af. Bij het boschje gekomen, luisterden zij nogmaals, maar zij hoorden niets, dan de wind in het eikenloof en het knarsend piepen van den putboom.
Zij overtuigden zich, dat hunne kruismessen los en gemakkelijk in de scheede staken en drongen toen voorzichtig het boschje binnen. 't Was er stikdonker, maar als straks de maan even doorbrak, zou men op de open plek bij den put en het kapelletje althans iets kunnen onderscheiden en als het boschje, zooals zij hoopten, niet bewaakt werd, zouden zij althans hun brandenden dorst kunnen lesschen.
Voorzichtig slopen zij door het hout, zich telkens bukkende, om de laag neerhangende takken te ontwijken, met de handen tastende in de dichte duisternis. Plotseling uitte Jacob een gesmoorden kreet. Hij had de open plek bereikt en tastte naar den putrand, want hij hoorde het knarsen van den putboom in zijn onmiddellijke nabijheid, maar zijn uitgestoken handen ontmoetten iets zachts, iets, dat voor hem week, dat meegaf...
--"De Welle, wat is dat?" fluisterde hij heesch.
In een oogenblik was de oude boschwachter bij hem.
--"Wat, wat is er, jonker?" zei hij haastig.
Op dit oogenblik verscheen de maan even tusschen de jagende wolken en de Geuzen zagen nu spoedig genoeg, wat het geheimzinnige voorwerp was. Aan den putboom bengelde het lijk van den ongelukkigen Daniël. De knechten van Noircarmes hadden kort recht gedaan en de putboom, door een houten wig in het spil omhoog gehouden, had als galg gediend.
Bij het knarsend piepen van het hout zwaaide het lichaam in den nachtwind heen en weer.
--"Uit den weg, jonker!" zei de Welle kortaf. Hij rukte de wig uit de opening van het spil en het lijk plofte op den grond.
Zij sneden den gehangene af. Toen, nadat zij haastig gedronken hadden van het koele putwater, keerden zij terug. Jacob nam zijn halsdoek en bedekte het blauwe, vertrokken gezicht van het slachtoffer.
Eenige oogenblikken stonden de beide mannen besluiteloos. Toen, alsof zij elkander zonder woorden begrepen, namen zij het lijk op en droegen het een eind verder, naar den voet van het duin, waar zij het met het mulle zand bedekten. Zij hadden noch den tijd, noch het noodige gereedschap om hun krijgsmakker te begraven.
--"Hij heeft Mieke op de papen gewroken," mompelde de Welle. "Hij was een losbol en na Mieke's dood was zijn verstand gekrenkt. Toch, wie weet... misschien zal God zijn ziel genadig zijn!"
--"Amen!" zei Jacob. Hij dacht aan dien nacht op den weg naar Poperingen; hij zag het bleeke, angstige gezicht van Mieke, in het roode schijnsel van den brandenden houtstapel en de verwrongen trekken van Daniël, toen hij den armborst aanlegde--en hij vergaf den armen verdwaasde zijn woeste wreedheid, zijn woede tegen onschuldige geestelijken, bij de gedachte aan dat vreeselijke oogenblik.
Toen trokken de beide mannen Noordwaarts, want de streek was voor hen onveilig en de morgen moest hen ver vinden van die noodlottige plek, het kapelleke van Sinte Marie ter Duin.
XV.
Op een neveligen herfstmorgen, acht dagen later, gingen de deuren van de oude Halpoort te Brussel knarsend open.
Een aantal karren had al op het openen der poort staan wachten, met talrijke voetgangers, boeren en boerinnen uit den omtrek, met pakken en manden beladen, want het was Dinsdagmarkt heden en zoo de komst van Alva en zijne troepen ook schrik en ontzetting bracht in de erflanden van Philips, te Brussel bracht zij nering en vertier, want er was veel noodig voor den hertog en zijn gevolg, voor het sterke garnizoen van Brussel en voor de edelen, die de partij van den Koning waren trouw gebleven of die, na de zegepraal der Regeering, nog bijtijds hunne onderwerping hadden aangeboden en die nu naar de hofstad waren getogen, om er de feesten bij te wonen, die Alva gaf om den adel om zich te vereenigen en nauwer aan zich te binden.
En de boeren uit den omtrek voeren er wel bij, want de waren, die zij ter markt brachten, werden gretig gekocht en goed betaald en de marktdagen te Brussel waren levendig en druk.
Toen nu, in de grauwe ochtendschemering, de zware poortdeuren langzaam opengingen, klonken de luide stemmen der voerlieden, die hunne zware, sterke paarden aanzetten, met het geklets hunner lange zweepen, en de rij witgehuifde karren verdween langzaam in de donkere poortopening, met de voetgangers, die naast en tusschen de wagens doordrongen, om het eerst ter markt te zijn en een goede plaats te verkrijgen. Achter de karren kwamen kudden runderen en schapen, die door hun geleiders langzaam werden voortgedreven. Met onverschillige blikken stonden de beide Spaansche soldaten, die de wacht hadden aan de poort, het schouwspel aan te zien, dat zich elke week herhaalde, en niemand lette op twee mannen, een ouderen en een jonkman, die, onder de andere veedrijvers gemengd, ijverig hun zweepsnoer lieten knallen om de loome koebeesten door de poortengte te drijven.
Na weinige minuten hadden Jacob en de Welle het doel van hun tocht bereikt. Zij waren in Brussel!
Na het noodlottig avontuur te St. Marie ter Duin was hun tocht tot nog toe zonder bijzondere lotgevallen verloopen. Ze hadden Gentbrugge bereikt en hadden een veilig verblijf gevonden bij een van de vele Gereformeerden, die zich, vooral op het platteland, schuil hielden en minder de aandacht trokken, dan hunne geloofsbroeders in de Vlaamsche en Brabantsche steden. Ze hadden er de bijzonderheden gehoord van de verwoesting der pas gestichte kerk te Gent, die den 9en April van dat benauwde jaar 1567 door een compagnie Roomsche burgers, onder bevel van kapitein Bousse, was vernield en afgebroken, van Artus Bousse, die zelf aan den beeldenstorm had deelgenomen, en die nu tegen zijn vroegere geloofsgenooten woedde, om zijn euveldaden te doen vergeten. [5]
Zij hadden gehoord, hoe geheel Vlaanderen verslagen was over de gevangenneming van Egmond en Bakkerzeele, op wie men, niettegenstaande hunne gestrengheid tegen de beeldstormers, toch nog min of meer had gerekend; hoe alle verzet tegen de Regeering voorgoed gebroken scheen door den ijzeren Spaanschen hertog, en hoe men slechts fluisterend elkander moed insprak, als men elkander de geruchten vertelde, dat de Prins van Oranje troepen wierf om de verdrukte landen te verlossen, dat de predikanten in 't geheim gelden inzamelden, om hem te steunen, en dat men hoopte op hulp van de Huguenoten, de broeders in Frankrijk.
Zoo hoopte men op hulp van buiten. Maar binnen de grenzen waren 't alleen de gewapende benden in 't Zuiden, de Boschgeuzen, die zich nog tegen den overweldiger verzetten.
Zij waren niet lang te Gentbrugge gebleven. Zij mochten hunne geloofsgenooten niet blootstellen aan het gevaar, dat hun boven het hoofd hing, als men ontdekte, dat zij twee ballingen herbergden.
Zij waren de stad omgetrokken, want te Gent durfden zij zich niet vertoonen. Toen begaven zij zich, langs weinig bezochte landwegen, die de Welle koos, langs Aalst naar Brussel. In de bosschen aan de Zuidzijde der stad hadden zij zich eenige dagen schuil gehouden in een verlaten en vervallen hut in het hout, om het terrein te verkennen en een plan te maken. 't Was Jacob, die den voorslag deed, zich op een marktdag als veedrijvers aan een boer te verhuren en met het andere marktvolk de stad binnen te trekken. Eene vermomming hadden zij niet noodig. Hunne kleeding was die der Vlaamsche en Brabantsche boeren. Waren zij eenmaal binnen de stad, dan moesten zij op hun geluk vertrouwen en hopen, dat zij niet herkend werden door een der spionnen der Regeering. En de kans daarop was niet gering. Zij hadden beiden een rol gespeeld in de gebeurtenissen van 1566 en duizenden hadden hen bij het Geuzenleger gezien. Werden zij ontdekt, dan zou niets hen kunnen redden. Tevergeefs trachtte Jacob Martens de Welle te bewegen, hem thans te verlaten en naar de legerplaats der Geuzen terug te keeren. De oude boschwachter weigerde halsstarrig, zich van zijn jonker te scheiden.
Te Brussel hoopten zij hulp te vinden bij een der geloofsgenooten, wier namen en woonplaatsen hun door de broeders te Gentbrugge waren toevertrouwd. Want ook te Brussel, Alva's hoofdkwartier, hielden zich nog Geuzen verborgen. Ging niet onder de Gereformeerden in Vlaanderen en Brabant het verhaal, dat de eerwaarde Franciscus Junius het Woord Gods had gepredikt op de markt, terwijl door de vensters der kamer, waar de geloovigen bijeen waren, de vlammen van den mutsaard te zien waren, waarop een hunner broeders den marteldood stierf?
Toen het plan eenmaal was ontworpen, was het zaak, het zoo spoedig mogelijk ten uitvoer te brengen. Elken Dinsdag werden kudden runderen en schapen naar de stad gedreven en het kostte de beide mannen niet veel moeite, een veekooper te bewegen, hen voor een paar stuivers als drijvers aan te nemen. Ze kozen een handelaar uit Artois, die er licht niet zoo spoedig toe komen zou, onbescheiden vragen te doen als een Vlaming of een Brabander.
Nu waren ze in de nauwe straten en, om argwaan te voorkomen, moesten ze het vee van den man, die hen gehuurd had, naar de markt helpen drijven en met hem afrekenen. Toen zij hun loon ontvangen hadden, slenterden zij schijnbaar onverschillig door het drukke marktgewoel, terwijl zij zich, waar over een koop werd onderhandeld, als belangstellende toeschouwers onder de menigte mengden. Koop en verkoop, en al het gewone marktgedoe gingen hun gang. Toch was er op de groote Markt een gedrukte stemming onder het volk. De gebeurtenissen der laatste weken hadden een diepen indruk gemaakt en men vraagde zich angstig af wat er verder gebeuren zou.
Men had de beide Geuzen gewaarschuwd voor de spionnen der Regeering, de "sevenstuyverlieden" of verklikkers, die zich overal bevonden, waar veel menschen bijeen waren, en de gesprekken afluisterden, om hen, die uiting gaven aan oproerige gevoelens of hun ontevredenheid te kennen gaven over het Spaansche bewind, aan te klagen. Maar zij bespeurden niets verdachts. Niemand lette op hen en langzamerhand onttrokken zij zich aan de marktdrukte, om in een kleine herberg een kroes Leuvensch bier te drinken en het brood en het spek te eten, dat de kloeke bazinne hun voorzette. Zij moesten wachten tot den noen, vóór zij met de uitvoering van hun plannen konden beginnen.
Tegen het middaguur daalden zij de steile straten af, die naar de bovenstad voerden, om zich naar de benedenstad te begeven, waar de man woonde, dien zij zochten, en voor wien de Eerwaarde Carpentier, een der predikanten van de Gereformeerden te Gent, die zich te Gentbrugge schuil hield, hun een brief had meegegeven.
Vreemd zag de eerzame brouwersknecht Tiest Stoffelsz op, toen hij bij zijn noenmaal van krachtige biersoep, plotseling werd gestoord door twee mannen, die zijn woning binnentraden en hem verlangden te spreken. Niet weinig verschrikt was hij, toen de vreemde bezoekers hem hun geuzenpenningen toonden, hem aanspraken als een broeder in den geloove en zeer wel bleken te weten, dat hij meer dan eens "ter groene preeke" geweest was.
Nu was Tiest Stoffelsz in zijn hart de "nye leere" oprecht toegedaan en hij had ter preeke woorden gehoord, die hij nimmer zou vergeten, maar hij had weinig aanleg voor het martelaarschap. Hij en zijn huisvrouw hadden het beeldeke der Heilige Maagd met het kindeke Jezus niet uit hun huisje verwijderd. 't Was immers zoo'n schoon beeldeke en het deed niemand kwaad! En sinds men zeide, dat de Geuzen moesten onderleggen, waren zij al eens ter misse gegaan, om hunnen pastoor almee te vriend te houden.
En nu--dit bezoek! De goede Baptist en zijne Katelijne keken elkaar met bleeke gezichten en verschrikte oogen aan. Ze kenden de plakkaten. Was het niet op lijfstraf verboden, de ballingen te huisvesten en te herbergen? Tiest zag in zijn verbeelding al den nieuwen galgeput buiten de poort en zichzelf als hoofdpersoon, in een sombere processie, met Meester Jacob Spelle, de Roode roe, voorop, en met Meester Harmen, den beul van Brussel, en zijn knechts als geleide, op zijn laatsten tocht.
Maar die mannen brachten een brief van den Eerwaarden Carpentier en Tiest Stoffelsz dacht terug aan wat er gebeurd was, nu twee jaren geleden. Toen was hij zwaar ziek geweest, zoo ziek, dat de barbier-heelmeester hem al had opgegeven en de buurwijven er bij Katelijne op aandrongen om toch den pastoor te laten halen en haar man niet zonder biecht en heilig sacrament de eeuwigheid in te laten gaan.
Maar wat Tiest daarbuiten in "de groene preek" had gehoord, werkte na in zijn ziel, en al was het nog heel duister en verward, hij wist toch wel, dat hij wat anders noodig had, dan biecht en sacrament, en hij was onrustig en gejaagd. Toen was, in de stilte van den nacht, de jonge leeraar tot hem gekomen, die zich te Brussel verborgen hield, en hij had met Tiest gebeden en met hem gesproken en het was den zieke toen, voor het eerst, heel duidelijk geworden: "Het bloed van Jezus Christus, Gods Zoon, reinigt ons van alle zonden!"
Tiest Stoffelsz was weer beter geworden, en--ach, er was sinds zooveel gebeurd, dat hem het hoofd deed duizelen. Wat hij dien nacht vernomen, en ja, ook geloofd had, klonk nog na in zijn ziel, soms wel heel flauw, maar hij had het toch niet vergeten. Maar hij had al meer dan een van zijn stoutmoedige geloofsgenooten de noodlottige ladder zien beklimmen, hij had, na de komst van den hertog, op de Paardenmarkt twee Geuzenpredikanten zien sterven, "geëxecuteerd metten viere", één met "de groote vlam", één, die tot den beeldenstorm had aangezet, "met klein vuur"--en dat was een vreeselijk schouwspel geweest!
"So wie volherden sal totten eynde, die sal salig worden!" had een eenvoudig werkman, een wever, de omstanders toegeroepen, toen hij ter strafplaats ging. Maar het geloof en de moed van Tiest waren niet groot genoeg, om hem te doen "volherden totten eynde", en hij wilde zich liever stil houden en zich doen vergeten.
Toch, al had de voorzichtige Katelijne de beide Geuzen gaarne terstond de deur gewezen, Tiest kon niet weigeren te luisteren naar den brief van den predikant, die hem in zijne doodsbenauwdheid had bijgestaan, en welken de jongste der beide mannen hem voorlas,--want hij kon niet lezen.
En toen herademde Tiest. Wat die twee mannen van hem verlangden, was zoo gevaarlijk niet. Hij behoefde geen ballingen te herbergen. De Gentsche predikant, die Brussel goed kende, had gelijk. De kelders van de brouwerij, waar hij werkte, kwamen uit in de Wolkammerstraat, een stille achterstraat. Jawel, daar was een luikdeur, die toegang gaf tot de kelders, waar de groote vaten bier lagen opgestapeld. Zeker, die kelderdeur werd weinig gebruikt. Al wat van hem verlangd werd, was, dien avond den boom weg te nemen, waarmee de luiken aan den binnenkant werden gesloten. De beide Geuzen hadden geen kwaad in den zin, dat verzekerden zij plechtig. Noch zijn meester, noch het gilde zou schade lijden. Zij moesten slechts iemand spreken, in het belang der goede zaak en hadden een schuilplaats noodig in de Wolkammerstraat. En al werden zij ontdekt, wie kon aantoonen, dat Baptist Stoffelsz er de hand in had gehad, om hen daar te verbergen?
--"En als zij eens werden gevat en ter paleie geleid?" vraagde de bezorgde Katelijne. De tortuur zou hen wel doen klappen en dan zouden zij en haar man voor hunne hulp duur moeten boeten.
Toen was er een harde trek gekomen op het gezicht van den jongsten Geus.
--"Levend zullen zij ons niet vatten!" had hij gezegd en de oudere had goedkeurend geknikt.
En met angst in het hart had de arme Tiest beloofd, dat dien avond de boom van het kelderluik zou zijn. Waren zij eenmaal binnen, dan moesten zij het luik sluiten en vooral geen gerucht maken. Vóór de volgende week zou er geen bier worden vervoerd. En met die belofte nam hij afscheid van zijn ongenoode gasten, die daarop bedaard en zonder iemands aandacht te trekken, zijn huisje verlieten, nadat zij hem beloofd hadden, den Eerwaarden Carpentier van hem te groeten en den predikant te zeggen, dat Tiest Stoffelsz, al was dan misschien de schijn tegen hem, een trouw en goed man was.
En den volgenden morgen, nog voor het aanbreken van den dag, liepen twee mannen rustig door de eenzame Wolkammerstraat. Ze droegen de kleeding van den kleinen burgerstand dier dagen. Het konden werkgasten zijn, die zich reeds vroeg aan den arbeid begaven. Den vorigen avond hadden Jacob Martens en Pieter de Welle het terrein verkend. De Wolkammerstraat was een stille en weinig bezochte weg. Aan de eene zijde vond men de hooge achtergevels van pakhuizen, brouwerijen en wolkammerijen, langs den anderen kant liep de hooge muur, die den prachtigen en uitgestrekten tuin naast het paleis van den graaf van Aremberg van den verkeersweg afsloot. In dien muur was een achterpoortje, dat blijkbaar weinig gebruikt werd en slechts met een grendel was gesloten. Dat was de Welle gebleken, toen hij er als bij toeval een oogenblik tegen had geleund. Niet ver van die achterdeur was de kelder met het groote luik, die de beide avonturiers tot schuilplaats zou moeten dienen. Het kwam er nu maar op aan, of Tiest Stoffelsz woord had gehouden. De mogelijkheid bleef, dat de man het stuk niet had durven bestaan, of, erger nog, hen aan de Roode Roe en zijne rakkers had verraden.
Bij het achterpoortje gekomen, haalde de Welle een korte ijzeren staaf voor den dag, waarvan hij zich den vorigen avond in een smidswinkel had voorzien. Voorzichtig zagen de beide Geuzen om zich heen. De straat was eenzaam en verlaten. De vensterluiken der omliggende gebouwen waren gesloten.
Toen zette de Welle den als een breekijzer afgeslepen staaf tusschen de reet van de deur en den muur, op de plaats waar de grendel in de in den steen uitgeholde opening schoof en duwde met kracht. De grendel boog en bezweek bij een tweeden duw. De deur kon gemakkelijk worden geopend. Zij stond nu alleen op de klink.
Toen traden beide mannen naar het kelderluik en beproefden het op te lichten. Het was los. Tiest had woord gehouden! Een steenen trap voerde naar beneden. Zij doken in de donkere opening en schoven den gereed staanden boom voor het luik. Zij waren voor het oogenblik in veiligheid. Door de met ijzeren tralies voorziene gaten, die in het hout waren aangebracht, viel een flauw licht. Zij konden hier rustig wachten, tot het oogenblik was gekomen, waarop Jacob Martens het gevaarlijk avontuur, waarop hij zijne zinnen had gezet, zou ondernemen.
't Werd een mooie Septembermorgen en 't beloofde een zomersche dag te worden. Madeleine de Bette was na het ontbijt den hof in gewandeld om van den schoonen nazomer te genieten en te werken aan hare tapisserie, een prachtig altaarkleed, bestemd voor Sinte Gudula, de patronesse van Brussel, want sedert Alva's komst wedijverden de vrouwen en dochters der adellijke geslachten, die den Koning trouw waren gebleven, in het maken van wijgeschenken voor de kerken der hofstad. En daarbij kwam, dat Madeleine wel gaarne alleen wilde zijn, want zij had veel om over te denken. In die paar jaren was zij nog mooier geworden. Het tengere meisje, dat Jacob Martens had liefgehad, was een fiere, statige schoonheid geworden en sedert president Martens door zijn waardigheid als lid van den Raad van Beroerten verplicht was, te Brussel te vertoeven, behoorde Madeleine de Bette, de rijke erfdochter uit een der edele Vlaamsche geslachten, tot de meest gevierden van het hof van den landvoogd. Op elk feest was zij omgeven door een zwerm van jonge Spaansche en Nederlandsche edellieden, die haar om strijd het hof maakten en heel Brussel wachtte in spanning op het oogenblik, dat het zou blijken, wie de gelukkige was, die den door allen begeerden prijs zou veroveren.
Madeleine begaf zich naar een bank onder de neerhangende takken van een oude linde, waar zij van uit het huis niet kon worden gezien. Zij begon aan haar naaldwerk en werkte een poos vlijtig door. Weldra echter liet zij de naald rusten en staarde droomerig naar de zonnevlekjes op het groen bemoste tuinpad.
Waar zij aan dacht? 't Waren blijkbaar geen ernstige of droevige overpeinzingen, waar zij zich mede bezig hield, want soms speelde een vroolijke glimlach om haar mond. Wat ging het ijdele en behaagzieke meisje de ellende van haar land aan? De komst der Spaansche troepen en van den ijzeren hertog hadden haar slechts voordeel aangebracht. Uit de deftige, maar eenvoudige huizing van haar pleegouders was zij immers overgeplaatst naar het vroolijke Brussel, waar zij kon genieten van de bewondering en de hulde, die zij zoozeer waardeerde. En al die troebelen in den lande, zij brak er zich het hoofd niet mede. Was niet haar geheele omgeving er ten volle van overtuigd, dat de oproerige Geuzen, die zich tegen den Koning hadden durven verzetten, spoedig genoeg zouden worden onderworpen? Daarvoor was immers de hertog overgekomen met zijne beproefde troepen, die nog nimmer waren geslagen. Strengheid tegen de ketters, de beeldstormers, de Geuzen was noodig, natuurlijk, maar spoedig zou de rust zijn hersteld en dan zou het alles weer worden zooals vroeger.
--Alles? Toch wel niet!--En Madeleine dacht aan velen, die haar het hof maakten en haar tot hun vrouw wenschten te maken. Het vroolijke, onbezorgde leven kon niet altijd duren. Ze zou wel een keuze moeten doen, en dan een goede keuze, die haar een schitterende positie waarborgde, want zij wilde blijven schitteren in die vroolijke kringen, die haar zoo aantrokken. Aan geen onbeduidend man zou zij haar hand schenken. 't Moest iemand zijn, die een toekomst had, een groote toekomst, die zij met hem kon deelen.
Thierry de St. Foy maakte haar ijverig het hof. Hij was nu luitenant bij de Walen van Noircarmes. Hij was niet rijk, maar hij werd beschermd door de Croy's en de hertog van Aerschot was thans een man van beteekenis, die veel invloed had. Ieder meende, dat Thierry het vèr zou brengen en hij was een schoon en bevallig cavalier, met wien men voor den dag kon komen.