Jacob Martens: Een verhaal uit de zestiende eeuw
Part 20
--"Als die van Antwerpen mee hadden gevochten voor de goede zaak, zou de Heer van Thoulouse misschien nog leven!" riep Pieter de Welle grimmig.
--"Wij hebben het gewild!" verzekerde de Antwerpenaar gejaagd. "Wij hebben de Roode Poort open willen breken. Wij, Gereformeerden, waren op de Meere en wij hebben de Vroedschap willen dwingen. Maar de Prince van Orange heeft het ons belet. Hij was bang voor de troepen van Lannoy..."
--"Al genoeg!" zei de Welle wrevelig. "Wat gebeurd is, is gebeurd en misschien had de Prins geen ongelijk. Je kent hem dus, jonker. Maar wat doet hij hier?"
--"Jonker van der Noot was in de Vroedschap van Antwerpen," zei Jacob, "en hij is van de Gereformeerde religie, maar hoe komt ge nu eigenlijk hier, Mijnheer van der Noot?"
De Antwerpenaar wierp een schuwen blik om zich heen.
--"Ik ben gevlucht!" zei hij met gesmoorde stem. "Hebt ge gehoord, hoe de Duc d'Albe gedaan heeft met de graven van Egmond en Hoorne?"
Jacob Martens knikte toestemmend.
--"Als Judas Iskarioth. Hij heeft ze bij zich genoodigd en na het maal heeft hij zijne gasten laten vangen. En van Stralen, en Bakkerzeele--en nog zooveel anderen. Allen van de religie, en allen, die 't Compromis hebben geteekend of ter preeke zijn geweest--wij zullen allen als hoogverraders worden vervolgd. Ik ben 't nog ontkomen. Ik wil naar Engeland oversteken..."
Hij wierp een onrustigen blik op den weg, dien hij zooeven had afgelegd, als vreesde hij, de vervolgers te zien opdagen.
--"Naar Engeland? Dat is niet zoo gemakkelijk in deze dagen," zei Jacob.
--"'t Doet er niet toe! Ik wil 't beproeven. Een visscher zal wel te vinden zijn, die 't voor goed loon wagen wil. Ik heb geld..."
Hij keek schuw om zich heen. Blijkbaar had hij zich versproken. De wilde gestalten, die hem omringden, boezemden hem weinig vertrouwen in.
--"Je kunt gerust rammelen met je Filipsdaalders," zei de Welle, die zijn aarzeling opmerkte, norsch. "Wij zijn geen boeven of roovers en wij zullen een van de religie niet bestelen. De jonker staat voor je in, dat is ons genoeg! Maar wat moet er nu met die kar en den voerman gebeuren?"
De laatste stond bij zijn groot paard en staarde met open mond en oogen het tooneel aan. Blijkbaar was hij weinig op zijn gemak. Hij keek met verschrikte blikken naar de gewapende mannen, de Wilde Geuzen, van wie men in den lande zooveel vreeselijks vertelde.
--"Kan hij mij niet naar de kust brengen?" vraagde de Antwerpenaar.
De Geuzen morden en mompelden onder elkander.
--"Wij willen geen spionnen in 't duin!" zei er één barsch.
--"Wat weten wij van den kerel?" vraagde een ander. "Hij kan ons best aan de soldaten verraden. 't Veiligst zou zijn..."
Hij maakte een veelbeteekenende beweging en keek tegelijk naar den laagsten tak van een naburigen eik.
Eén oogenblik zag het er voor den armen voerman hachelijk uit, maar Jonker van der Noot kwam tusschenbeide. Hij verzekerde de Geuzen, dat de man goed Gereformeerd was, al was 't in het verborgen. Het Consistorie te Antwerpen had hem brieven medegegeven voor de broeders in Poperingen, die hem hadden voortgeholpen. Deze man had zijn eigen hals in gevaar gebracht, om hem, een balling, te helpen vluchten. Hij had dan ook te voet de stad verlaten en had op een eenzame plaats de huifkar gevonden, die hem volgens afspraak daar wachtte.
Nog waren sommige Geuzen niet gerust gesteld. Een verward gemompel ging er op uit den hoop.
--"We zullen het spoedig weten," zei Pieter de Welle opeens. "Waar is Gheleijn de Rosse?"
Een reusachtige West-Vlaming, met ros haar en een sproeterig gezicht, trad uit den hoop naar voren.
--"Jij bent uit Poperingen," zei de Welle. "Als die kerel tot de religie behoort, moet hij de broeders kennen. Vraag hem, wie in het Consistorie zitten."
De Geuzen begonnen te grinniken.
--"Juist iets voor den Rosse!" spotte één van de mannen.
--"Vraag hem liever, hoeveel taveernen er in Poperingen zijn! Dat weet hij beter!" beweerde een ander.
Maar Gheleijn liet zich niet in de war brengen. Hij was een trouw bezoeker van de taveernen geweest, maar in den tijd, nog zoo kort geleden, dat hij een rustig burger van Poperingen was, was hij mee ter preek gegaan in den nu afgebroken "tempel" der Gereformeerden en er had een straal van licht geschenen in zijn donker gemoed. En wat hij daar ontvangen had, was genoeg geweest om hem de zijde der vervolgden te doen kiezen, zoodat hij thans een balling was.
Hij stoorde zich niet aan het lachen zijner makkers, maar hij stelde den voerman eenige vragen, die deze, hoewel sidderend van angst, toch vrij nauwkeurig beantwoordde. Gheleijn de Rosse verklaarde zich voldaan en de man kreeg verlof, om terug te keeren, want men wilde hem niet toestaan, zijn reis voort te zetten. De Geuzen zouden zelf den Antwerpschen jonker langs de hun bekende duinpaden naar de kust geleiden.
Nadat de voerman van jonker van der Noot een ruime belooning had ontvangen, liet hij het groote paard keeren en de huifkar keerde langzaam terug langs den zandweg.
Gheleijn de Rosse liep een eindweegs mede. Hij was blij, weer iets van Poperingen te hooren.
De Boschgeuzen namen hun gast mede naar de duinpan, waar zich hun kamp bevond, en gaven hem het voedsel, dat zij hem konden voorzetten: grof tarwebrood, spek en bier. Toen hij zijn maaltijd geëindigd had, verzocht Jacob Martens den Antwerpenaar, hun iets mede te deelen over den toestand te Brussel. De anderen schikten zich haastig om hem heen, om te luisteren.
't Was een eigenaardig gezicht, de Brabantsche edelman te midden der woeste gezellen, die, op hun wapens om hem en hun aanvoerders heen stonden, om te luisteren naar wat hij zou mededeelen over den Spaanschen hertog, den vijand van Gods volk, die daarginds te Brussel zich opmaakte om de vrijheid en de religie te onderdrukken, voorgoed.
Op den top van 't hooge duin waakte alleen de schildwacht, die Jacob Martens had afgelost.
En de Brabantsche edelman begon te vertellen, eerst stootend en zenuwachtig, blijkbaar onder den indruk van zijn omgeving en nog altijd min of meer bevreesd voor zijn ruwe gastheeren, maar weldra, toen hij hunne belangstelling bemerkte, druk, levendig en boeiend. Hij verhaalde van Alva's intocht in Brussel, van de uitrusting en de krijgstucht zijner Spaansche en Italiaansche vendels, van de lange, Spaansche musketten, wijder geboord en verder dragend dan de handbussen en haaksen der Walen en Duitschers, geduchte wapens, die men in deze landen nog nimmer had gezien.
Hij sprak over het verraad te Brussel, over de gevangenneming van Egmond en Hoorne, van Bakkerzeele en van Stralen en van zooveel Nederlandsche edelen, die zich door den sluwen hertog in de val hadden laten lokken. Hij vertelde van de nieuwe rechtbank, die Alva had ingesteld, en die, met verkrachting van alle rechten en privilegiën, de zaken zou berechten van hen, die in de laatste jaren hadden gehandeld tegen de plakkaten of deelgenomen hadden aan het verzet tegen Granvelle en de Regeering, en dat met voorbijgaan van de Hoven der Gewesten en de schepenbanken der steden. De hertog zelf zou voorzitter zijn van die rechtbank, die nu weldra met haar bloedig werk zou beginnen. Twee Spanjaarden, Vargas en del Rio, zouden de voornaamste bijzitters zijn, en verscheidene Nederlandsche rechtsgeleerden, leden van de Hoven der verschillende gewesten, waren geroepen, om mede zitting te nemen in dien Raad van Beroerten, zooals Alva zijn nieuwe schepping had gedoopt.
Het trof Jacob Martens, dat de Antwerpenaar, terwijl hij dit alles verhaalde, hem meer dan eens aanzag met een vreemden, onderzoekenden blik. Eens viel hij zich zelf in de rede met de vraag, of dit alles jonker Martens inderdaad onbekend was.
Dichter drongen de Geuzen om den spreker, met ernstige, sombere gezichten. Zij gevoelden allen wel, wat dat beteekende. 't Scheen gedaan met hunne zaak en met die der vrijheid.
En van der Noot verhaalde, hoe ieder, die te Antwerpen ter preek was geweest, of een Geuzenpenning had gedragen of deel had genomen aan de oproerige beweging tegen de Magistraat, onder allerlei vermomming de stad trachtte te verlaten, om te vluchten naar Duitschland of Engeland. Er liepen allerlei geruchten. Men zei, dat de Prins van Oranje en zijne broeders troepen aanwierven om de Spanjolen te verdrijven.
En dan koesterde men groote verwachtingen van de hulp der Huguenoten in Frankrijk. Wat de ballingen reeds bij geruchte hadden vernomen, kon hun gast thans bevestigen. Condé en de Coligny, de trouweloosheid van de Koningin-Moeder, Catharina de Medicis, moede, zonnen op een stouten aanslag. Zij verzamelden hunne aanhangers. Weldra zou men van hen hooren! Maar,--hun, die thans in Alva's handen vielen, zou dit alles niet veel baten. Wie kon, moest vluchten, om in den vreemde te werken voor de vrijheid en de gezuiverde religie.
Zoo sprak jonker van der Noot, en het scheen wel, alsof hij zijn vlucht bij de Geuzen wilde verontschuldigen.
Zwijgend hadden de mannen zijn verhaal aangehoord. Toen hij zweeg, voegden de meesten zich bij elkander en begonnen op gedempten toon een gesprek. De Antwerpenaar maakte van de gelegenheid gebruik en wenkte Jacob ter zijde.
--"Hebt ge in den laatsten tijd niets van uwe familie vernomen, jonker Martens?" vraagde hij, op schijnbaar onverschilligen toon, maar met denzelfden onderzoekenden blik van straks.
--"Al sinds maanden niet!" antwoordde Jacob. "Gent is ver en maar zelden waagt het iemand, op kondschap uit te gaan."
--"Naar Gent? Maar weet ge dan niet, dat ze te Brussel zijn?" vraagde de ander verrast. "En dat uw vader..."
--"Mijn vader, zegt ge? Wat is er met hem?"
--"Lid is van die rechtbank van Alva? Van zijn Raad van Beroerten?"
--"Trek het u zoo niet aan, man!" vervolgde de Antwerpenaar, toen hij zag, dat Jacob ontstelde en onwillekeurig verbleekte. "'t Is alles het werk van Viglius. Hij zelf is buiten schot gebleven, de sluwe vos! Hij verontschuldigde zich op grond van zijn leeftijd en zijn nieuwbakken geestelijke waardigheid. Maar hij heeft aangeraden, Nederlandsche rechters in den Raad te nemen, om de inbreuk op de rechten en privilegiën zooveel mogelijk te verbergen. Ook de president van Artois heeft zitting moeten nemen..."
Somber staarde Jacob voor zich uit. Zijn vader lid van Alva's raad, in dienst van den Spaanschen dwingeland; hij, de zoon, een Geus, een balling, wiens hoofd op 't schavot zou vallen, indien 't den Spanjaard of de knechten van Noircarmes immer mocht gelukken hem te grijpen..."
--"'t Spijt me verbazend, jonker Martens, dat ge dit booze nieuws juist uit mijn mond moest hooren," zei van der Noot hartelijk. "Maar, nietwaar, lang was 't u niet verborgen gebleven. En hoe kon ik ook weten, dat ge zóó weinig van uwe familie hadt vernomen? Ge weet dan ook niet, dat uw zuster en de vorstelijk schoone joffer Madeleine twee nieuwe starren zijn aan den hemel van 't Hof te Brussel? O de zoete maagdekens! Ik ben goed Geus, jonker Martens, maar bijlo, om die fiere godinnen zou het mij kunnen smarten, dat ik balling 's lands moet worden, zij het dan om den wille van de religie. Vóór ik heenging, schreef ik voor de goddelijke Madeleine een liedeke, naar den nieuwen trant, dien wij geleerd hebben van de excellente Latijnsche poëten en van "le divin Ronsard." Ha, ge kent haar, jonker; ge moet het hooren, vóór ik u verlaat."
En de beweeglijke Brabander haalde uit de leeren tasch, die aan zijn gordel hing, een schrijfboekje in perkamenten omslag te voorschijn, opende het haastig en begon te declameeren:
Ghelijck den dagheraet Hem lustich openbaert Des morgens in den oosten, En compt vrij onvervaert Die 't snachts waren beswaert, Deur sijn clarighheyt troosten.
Alsoo word mijnen geest Oock verfraijt aldermeest Deur u reijn minlijck wezen: En u bruijn oochskens claer En u schoon gitswart haer Cunnen mijn pijn ghenesen.
Ghelijck den suijden wint Die Flora seer bemint Int suetste van den Meye, De bloemkens groeyen doet, Die men siet overvloet, In bosch, berch en valleye.
Alsoo can uwen sanck En u schoon aanschijn blanck Mijn swarichheyt verdrijven, En doen mij met ioleyt In desen sueten tijt U gratien beschrijven.
De dichter zag zijn metgezel vragend aan, als verwachtte hij de toejuiching, waarop hij recht meende te hebben. Jacob boog hoffelijk en sprak een paar woorden van beleefde waardeering, al kon hij een gevoel van jaloezie niet onderdrukken. Maar 't was immers zijne Madeleine, die hier werd gehuldigd, zijne Madeleine, die hem zeker trouw zou blijven, ook in dezen boozen tijd, die om hem treurde misschien...
En mijmerend over zijn jonge liefde, dacht hij er niet aan, hoe weinig het liedeke eigenlijk paste in deze omgeving en op dit oogenblik. Een "zoete tijd": 't Was een tijd vol jammer, die ging aanbreken, die reeds aangebroken was...
De stem van jonker van der Noot schrikte hem op uit zijn gepeins.
--"Als 't geen indiscretie was, jonker Martens," snapte hij voort, "zou ik durven zeggen, dat 't mij verwondert, dat la divine Madeleine u niet heeft kunnen boeien. Daarbij--une riche héritière,--nietwaar? Al de Spaansche officieren maken haar het hof. Maar men zegt, dat zij verloofd is aan een Waalsch edelman, den jonker de St. Foy..."
--"Thierry de St. Foy?" vraagde Jacob. Zijn stem beefde en slechts met moeite bedwong hij zijn aandoening, maar de ander bemerkte het niet. Hij was te zeer verdiept in de herinnering aan die hofkringen, waarvan hij zoo noode had moeten scheiden.
--"Kent gij hem?" vraagde hij eenigszins verrast. "'t Is een arme bloedverwant van de Croys. Hij was page van den hertog van Aerschot, maar is nu vaandrig bij de troepen van Noircarmes. Hij zal wel spoedig een luitenantsplaats krijgen, en dan een compagnie, want hij heeft machtige beschermers. En, zooals ik zeide, hij is onafscheidelijk van de schoone Madeleine. Men meent, dat de president en uwe moeder hem wèl genegen zijn en zijne werving begunstigen. 't Is inderdaad jammer, dat... Maar ik wil niet indiscreet zijn," voegde hij er eenigszins verlegen bij, toen hij het strakke gezicht van zijn metgezel eindelijk opmerkte en begon te begrijpen, dat zijn gesnap weinig op zijn plaats was.
--"Weet ge wat ge doen moest, jonker?" ging hij met ongeveinsde hartelijkheid voort. "Ga met mij naar Engeland. De Koningin is die van de religie genegen. Ge vindt licht een plaats bij de lijfwacht als cadet. Ik help u met uw uitrusting, als ge mij de eere wilt doen het noodige van mij te leenen. Of als 't waar is, dat de Prins van Oranje en zijne broeders een aanslag willen wagen,--te Londen vindt ge licht gelegenheid om naar Embden te komen, en ge kunt u bij hen aansluiten. Een officier, die bij Austruweel gevochten heeft, zal hun welkom zijn. Hier--en hij keek voorzichtig rond, of geen der Geuzen hem beluisterde--hier bij deze boeven en briganten is uw plaats toch niet. En als de vendels van den hertog hen komen opzoeken, zal het spoedig met hen gedaan zijn."
Jacob betuigde hoffelijk zijn dank voor het heusche aanbod, maar hij weigerde vastberaden, zijn makkers, met wie hij lief en leed gedeeld had en die op hem vertrouwden als een van hunne aanvoerders, te verlaten. Alleen verzocht hij jonker van der Noot, hem te zeggen, waar zijn ouders te Brussel woonden, als hij dat wist.
Daartoe was de Antwerpenaar gaarne bereid. De President had met zijne familie de huizinge betrokken van een der gevluchte edelen, niet ver van het paleis van den hertog van Aremberg. De goederen van de ballingen waren verbeurd verklaard en de hertog gebruikte hunne huizen voor den dienst des Konings. Maar jonker Martens zou toch zoo dwaas niet zijn, zelf zijn hoofd aan den beul te gaan leveren? En nogmaals drong hij er op aan, dat Jacob hem zou vergezellen, indien hij er in slaagde te vluchten en hij zweeg eerst, toen zijn aanbod kort en beslist werd geweigerd.
Tegen den middag kwamen twee Geuzen terug, die op kondschap waren uitgezonden. Zij brachten goede tijding. Ze hadden een visscher gevonden, die voor een groote belooning het wilde wagen, den vluchteling naar Engeland te brengen. Tegen den avond zou hij op een eenzaam gedeelte van de kust den Antwerpenaar in zijn boot opnemen. Een paar van de Boschgeuzen, die het zwervend leven moede waren, wilden van de gelegenheid, hun thans geboden, gebruik maken. Zij wisten, dat zij daarginds werk en brood zouden vinden.
In den laten namiddag nam jonker Jan van der Noot afscheid van zijne ruwe gastheeren en van Jacob, wien hij als een gedachtenis het in perkament gebonden schrijfboekje met het kostbare minnedicht vereerde. Hij begon zijn avontuurlijke zwerftochten, die zouden eindigen met zijn terugkeer tot de Moederkerk en zijn aannemen van de amnestie der Regeering. Voor een martelaar was de dichter-magistraat niet in de wieg gelegd!
XIV.
--"En ge zijt dus vast besloten, jonker, uw hoofd in den strik te steken? Want dat is het en anders niet! Als iemand u herkent, dan ligt het zwaard van Meester Harmen, den beul van Brussel, voor u klaar! En er zijn valsche vrienden en verraders genoeg, die gaarne bij den Spanjool een plasdank zouden verdienen, al was 't maar om hun eigen lei schoon te vegen."
--"Ik weet het wel, de Welle. Ik weet, dat ik mijn leven waag. Maar dat is de eerste keer niet! En ik moèt naar Brussel!"
--"En de jonker wil mij niet zeggen, waaròm? Zeker heeft die Brabander het een of ander verteld, dat den jonker drijft. Ik wilde, dat de wereldsche sadduceeër met zijn fijnen tabbaard in de Schelde was gebleven! Nu naar Brussel, nu die Ducdalf, als ze hem noemen, zijn handen slaat aan Gods volk en alles vlucht, wat vluchten mag! Beraad u er op, jonker, en toef nog een poos!"
't Gesprek werd gevoerd in een woeste duinvallei, ver van de legerplaats der Boschgeuzen. Den dag na het vertrek van jonker van der Noot had Jacob Martens zijn ouden makker verbaasd en ontsteld door de mededeeling, dat hij belangrijke tijding had ontvangen, dat zijne ouders te Brussel waren en dat hij hen zien moest. Te vergeefs had Pieter de Welle op een nadere verklaring aangedrongen. Het strakke gelaat van zijn welbeminden jonker zeide hem niets: alleen was er een harde trek om den mond, die getuigde van een koppige vastberadenheid en stroever dan anders had Jacob Martens zijn vroegeren onderhoorige te verstaan gegeven, dat hij zich door niemand zou laten weerhouden, zijn plan ten uitvoer te brengen.
Dat plan in de legerplaats te bespreken, in de tegenwoordigheid hunner makkers, zou dwaasheid geweest zijn. Als het uitvoerbaar was, dan moest het in het diepste geheim geschieden. De Wilde Geuzen stonden nog in betrekking met hunne geloofsgenooten in West-Vlaanderen, en een gerucht, dat een van de aanvoerders der bende een gevaarvollen tocht ging ondernemen, zou snel genoeg verspreid zijn, om in die dagen van angst en vreeze zulk een tocht tot een roekeloos waagstuk te maken. Het was, zooals de Welle had gezegd: vele valsche broeders, velen zelfs, die aan den beeldenstorm hadden deelgenomen, poogden in die dagen hun verleden te doen vergeten en zich met de Regeering te verzoenen door het verraad van hunne vroegere geloofsgenooten en medestanders.
En daarom had de Welle Jacob Martens bezworen, zijn besluit nog eens te overwegen, en hem medegenomen naar de eenzame duinpan, om de zaak nog eens ernstig met hem te bespreken.
Het bleek den ouden koddebeier echter weldra, dat hij die moeite had kunnen sparen. Jacob Martens was vast besloten, het kostte wat het wilde, de reis naar Brussel te ondernemen. Dat dit plan in verband stond met het bezoek van jonker Jan van der Noot, begreep de Welle zeer goed, al wist hij het rechte niet. Hij verwenschte den luchtigen Brabander in den grond van zijn hart en in termen, die zijne meer "precise" geloofsgenooten zeker niet weinig zouden hebben geërgerd.
--"Wanneer het den jonker alleen te doen is om betrouwbare kondschap van zijn familie of om een boodschap van belang, kon hij mij zenden!" vischte hij.
--"Alsof het voor jou niet even gevaarlijk was als voor mij!" zeide Jacob. "Men kent je te goed, de Welle, en er zijn er genoeg, die je gaarne in pijn en banden zagen. Men zou je de tortuur niet sparen, om je van onze schuilplaatsen te laten klappen."
--"O ho, wat dat betreft, mij vangen ze zoo spoedig niet!" zei de Welle. "En 't is den Spanjool ook niet om klein wild te doen. Hij wil de groote heeren treffen en niet de kleine luyden. Laat mij gaan, jonker; binnen een week breng ik u bescheid."
Jacob schudde het hoofd.
--"Ik moet er zelf heen, de Welle," zei hij kort. "Houd mij niet op."
--"Dan ga ik met u, jonker. Alleen laat ik u niet in den strik loopen. Ik zie, dat ge er uw hart op gesteld hebt. Welnu, twee zien meer dan één en men kan geen oud hoofd op jonge schouders verwachten."
--"Ik moet gaan, de Welle. Maar jij, waarom zou je je in gevaar begeven? Je waagt je leven en de tortuur..."
--"Mijn leven is in Gods hand en voor de tortuur ben ik niet bang. Meent ge dan, jonker, dat het leven voor den ouden man nog zooveel waarde heeft, sinds dien avond, toen Mieke..."
De Welle wendde zich af en staarde voor zich uit.
--"Kijk, jonker," ging hij na eenige oogenblikken met heesche stem voort, "de jonker is 't eenige, wat mij nog aan het leven hecht. Als ik den jonker nog eens als hopman of luitenant aan het hoofd van zijn vendel tegen de Spanjolen mag zien vechten,--hoe eer dan een Spaansche piek... En God zij mijn ziel dan genadig!"
Jacob keek den ouden man in het gerimpelde gelaat.
--"Laat het dan zoo zijn, de Welle," zei hij aangedaan. "Wij zullen 't samen bestaan, en als 't moet zullen wij samen vallen. Vivent les Gueux!"
--"Maar," ging hij bedaarder voort, "wanneer je met mij naar Brussel wilt, dan heb je ook het recht te weten, wat mij er heen voert. Zie, de Welle, toen ik vluchtte uit Gent, liet ik er veel achter, mijn ouders, mijn zuster, en dan.... je hebt bij ons de joffer de Bette gezien?"
De Welle knikte toestemmend. Zijn staalblauwe oogen keken den jongen man onderzoekend aan. Jacob Martens' door weer en wind gebruind gelaat kleurde.
--"Ik had de joffer de Bette lief, de Welle," zei hij eenvoudig, "en--ik rekende op haar trouw. Ik hoopte,--ik wist zelf niet, wat ik hoopte. Maar als de onzen overwonnen hadden, als ons goede land van Vlaanderen vrij was, dan kon ik toch hopen... Maar dat is alles nu voorbij!"
--"Ik had met dien Antwerpenaar naar Engeland kunnen vluchten," ging hij voort. "Hij bood het mij aan. En als 't waar is, dat de Prins van Oranje en zijn broeders troepen werven, om den Spanjool uit 't land te jagen, dan had ik wel een kans gevonden om naar Duitschland over te steken en ik had wel een brevet als luitenant gekregen en ook een plaats voor jou, als je mij hadt willen vergezellen. Maar de jonker van der Noot vertelde mij nog meer. Hij zei mij, dat Madeleine,--dat de joffer de Bette verloofd was met Thierry de St. Foy..."
--"Met dien Paapschen Waal, die ons volgde naar Middelburg? Dien vroegeren vriend van den jonker?" vraagde de Welle.
--"Ja, en als dat waar is, dan heeft men haar gedwongen!" riep Jacob onstuimig. "En daarom kon ik niet naar Engeland! Daarom moet ik naar Brussel, om haar te spreken en uit haar eigen mond te hooren, of zij mij vergeten heeft. Want zij is te Brussel, omdat--je moet nu alles weten, de Welle--omdat mijn vader een rechter is in die rechtbank van Alva, waar de lieden met zooveel angst van spreken!"
De oude koddebeier schudde meewarig het hoofd.
--"God beproeft Zijn volk, jonker, en geeft het over in de hand zijner vijanden. Zie toe, dat ge uzelf en uw vrienden niet in 't verderf stort, omdat uw hart hangt aan die Paapsche joffer. Maar ik zie wel, dat woorden niet baten! Jong bloed is heet! We zullen 't dan wagen, maar ik wacht van dien tocht weinig goeds."