Jacob Martens: Een verhaal uit de zestiende eeuw

Part 2

Chapter 23,800 wordsPublic domain

Zoodra de kar buiten de poort en over de brug was, sloten de mannen en vrouwen, die haar blijkbaar hadden opgewacht, zich bij den stoet aan en volgden dien naar de haven. Ook de beide jongelieden en hun metgezel verhaastten hun stap en liepen mede, gedreven door de wreede nieuwsgierigheid, die den mensch onwillekeurig drijft tot het huiverend aanschouwen van wat hij verafschuwt. Weldra stonden zij tusschen de boeren en schippers. Pieter de Welle had ruim baan voor hen gemaakt, en velen kenden Jacob Martens, den zoon van den president, en gingen voor hem op zijde.

Zóó stonden zij in de eerste rijen, bij de stadskraan Daar hield de kar stil. De knecht, die het paard voortleidde, had het dier doen keeren, zoodat het krat van het voertuig naar het water was gericht.

De schoutendienaars hielden het opdringende volk tegen, terwijl de beul op een wenk van de "Roode Roe" op de kar klom en de veroordeelde naderde.

De oude monnik boog zich voorover; hij sprak luid en dringend en hield de vrouw het kruisbeeld voor het gelaat.

Zij wendde het hoofd af en keek met angstoogen naar het donkere water, naar het volk om haar heen...

Daar klonk een stem uit de menigte, een krachtige mannenstem.

--"Sijt getrouwe tot in den doet, ende ick zal u geven die crone des levens!"

Een der vrouwen had de lange, zwarte huif afgeworpen en hield een kind op hare armen omhoog, het hoog optillende boven de hoofden der omstanders.

De veroordeelde had omgezien, toen zij het Bijbelwoord hoorde. De strakke angstblik verdween uit de starende oogen. Zij richtten zich op het kind en vulden zich met tranen, de lippen beefden...

De "Roode Roe", die kalm en onverschillig op zijn paard zat, had, bij het hooren van den roep, vertoornd omgekeken en daarop een snellen blik met de dienaars gewisseld. Hij knikte den beul toe.

Deze greep de afhangende plooien van het bruine kleed, wenkte den monnik terug en sloeg ze over het hoofd der veroordeelde. Het bleek gelaat der vrouw verdween; hare blikken waren tot het laatste oogenblik op het kind gericht.

Het bruine kleed, blijkbaar een wijde zak, werd stevig boven het hoofd van de veroordeelde toegesnoerd met het dunne, maar sterke touw, dat de tweede knecht had gedragen. En nu reikte de beul voorover en greep den ketting van de kraan, waarvan hij den haak in een lus bevestigde. Daarop liet hij het krat vallen en terwijl de beide knechts zich bij het windas plaatsten, vatte hij post bij den kop van het paard en keek naar de "Roode Roe".

De gerechtsbode was blijkbaar uit zijne onverschilligheid opgeschrikt. Hij wierp onrustige blikken om zich heen; nu eens keek hij naar het volk, dat met bleeke, strakke gezichten het tooneel aanschouwde, dan weer als verlangend naar de stad.

Daar dreunde het dof door de stilte; de Zuid-Wester deed de slagen duidelijk hooren: acht uren! Het schelle klokje zweeg.

De "Roode Roe" trok zijn gezicht in den ambtsplooi. Hij prevelde snel eenige woorden en brak zijn staf. De beul gaf zijn helpers een wenk; het windas piepte, de ketting spande zich en de zak rees omhoog aan den arm van de kraan, terwijl de beul het paard een paar stappen vooruit deed gaan. Een oogenblik zweefde de zak boven het donkere water van de haven, toen lieten de knechts de spaken los, de ketting ratelde over de katrollen, en met een doffen plomp verdween de last in het water.

Een gesmoord snikken klonk uit het volk, dat, nu niet meer door de dienaars weerhouden, naar den kant drong en zwijgend, met angstige blikken, naar de breede waterrimpels staarde. De beul, wiens aanraking allen angstig vermeden, stond op de steenen rollaag en keek met kennersblik naar de opstijgende luchtbellen, daar, waar de zak was gezonken. De knechten hielden zich bezig met de kar; een van hen, een kerel met een dom, rood drankgezicht, haalde van onder de voorbank een bierkruik te voorschijn en nam een flinken slok, waarna hij de kruik aan zijn makker toereikte.

Met een bleek gelaat had Jacob Martens het sombere tooneel aanschouwd. Hij was een kind van zijn tijd; halsrecht en lijfstraf waren een gewoon schouwspel in Gent en hij had reeds herhaaldelijk een terechtstelling gezien. Zoo hij al medelijden had gevoeld voor een gestraften misdadiger, 't was van voorbijgaanden aard geweest en hij had altijd berust in 't noodzakelijke van de dikwijls wreede straffen en volkomen vertrouwen gesteld in 't beleid der justitie van Mijn Heere den Hoog-baljuw en Schepenen van Gent. Maar deze vrouw was geen misdadige; hij had het maar al te goed begrepen aan de houding van de omstanders, de zenuwachtige onrust der met de terechtstelling belasten en de wijze, waarop de veroordeelde den biechtvader had afgeweerd. Hij had een slachtoffer zien sterven van de wreede plakkaten tegen de ketterijen, door Karel V uitgevaardigd, door Filips herhaald en verscherpt, van die plakkaten, die een bloedige geloofsvervolging bevalen, waaronder het land ging gebukt en die door Roomsch en Onroomsch werden bestreden.

Dat was geen justitie! dat was een moord!

Jacob Martens wierp een blik naar zijne beide metgezellen. Thierry de St. Foy was ook bleek geworden, toen de noodlottige zak neerplompte in het water, maar hij dwong zijn gelaat tot een koelen, minachtenden grimlach. Maar Pieter de Welle stond daar met gebalde vuisten en saamgeklemde lippen, en zijne kleine, felblauwe oogen schoten vonken. De kleine kreupele--'t was dezelfde, die de veroordeelde het Bijbelwoord had toegeroepen--stond naast hem en die twee spraken tot elkander met gesmoorde stem.

Plotseling deed Jacob eenige schreden voorwaarts en drong door tot den "Roode Roe". Hij trok den beambte aan den tabbaard.

Wrevelig wendde de man het hoofd om en een lompe terechtwijzing lag hem blijkbaar op de lippen. Toen hij echter den zoon van den president van den Raad herkende, veranderde hij terstond van houding en nam onderdanig zijn baret af.

--"Wie was die vrouw, Rogiersz?" vraagde Jacob. "Wat had zij gedaan?"

--"Een kettersche, jonker Jacob," antwoordde de beambte. "Agneta Jansdochter, uit de Cellebroerstraat."

--"Een kettersche? Maar ik dacht, dat Heeren Schepenen in den laatsten tijd over Lutherye niet wilden vonnissen, zoomin als de heeren van Antwerpen?" vraagde Martens. "De deken Titelman heeft er bij mijn vader over geklaagd."

--"Lutherije niet, jonker," zei de "Roode Roe" gewichtig. "Maar Agneta Jansd. was eene Doopersche. Dat is "zware ketterije" en die wordt nergens geduld. Ook voor de Sacramentarissen, die van de Geneefsche ketterije, zijn Mijne Heeren van den Gerechte veel strenger dan voor de Lutheranen. Maar vergeef mij, jonker, de executie is afgeloopen. Ik moet naar de stad."

De jonge man merkte, dat veler oogen nieuwsgierig of uitvorschend op hem waren gericht. Het hinderde hem en hij wenkte zijn vriend en den koddebeier, om te vertrekken.

De meeste omstanders bleven staan wachten, om te zien, hoe het lijk van de veroordeelde uit het water zou worden opgehaald.

Zwijgend gingen de twee jongelieden, door de Welle gevolgd, over de brug en door de Walepoort.

Jacob Martens was ontroerd. Wat hij zooeven gezien had, had zijn licht bewogen gemoed geschokt. Steeds zag hij den droevigen blik der bleeke vrouw, tot het laatste oogenblik, eer de noodlottige zak, die haar doodskleed zijn zou, haar gelaat bedekte, op haar kind gericht. Weer een slachtoffer van dien heilloozen geloofsdwang, den vrijen Nederlanden opgedrongen door den vreemden Heerscher, voor wiens gezag zij zoo ongaarne bogen. Wat wisten de vrije steden van Vlaanderen, Henegouwen, Holland en Brabant in hun eigen, eeuwenoude rechtspleging van kettervervolging? Zou de Gentsche regeering zich hebben geleend tot het vellen van een doodvonnis over een vrouw uit het Vrije der Stede, om zulk een oorzaak, als Keizer Karel haar niet machteloos had gemaakt, de oude Gentsche democratie had ontwricht en haar zijn eigen creaturen in een nieuwbakken regeeringsvorm had opgedrongen?

In tal van gemoederen in Holland, Brabant en Vlaanderen hadden de woorden van 't verzoekschrift der edelen weerklank gevonden, "dat de Inquisitie en de plakkaeten voortaen niet geschaepen zijn, dan afkeer, onrust, oproer met allerley jammer en 's lands ondergang te baeren."

't Was een feit, wat de Edelen des lands daar hadden uitgesproken. Wat had de Koning van Spanje zijne erflanden dien last der Inquisitie op te dringen, wat, de aloude wetten en costuymen in een land van goede justicie te verderven door zijn plakkaten?

Hoe moedig was die vrouw in den dood gegaan--voor eene dwaling? Ja, was het een dwaling?

Jacob Martens was, als de meeste ontwikkelden van zijne tijdgenooten, wel op de hoogte van den strijd, die in en om de Kerk werd gevoerd. Zoo hij de geschriften van Erasmus niet had gelezen, hij had er toch over hooren spreken. Het had hem tot nog toe weinig gedeerd. De ketters, "die van de nye leere", waren het uitschot van de maatschappij, lieden, die, om hun slordigen levenswandel ongestoord te kunnen voortzetten, de banden van het geestelijk gezag hadden verbroken; dit was de gewone opvatting, die algemeen geldig was in den kring, waarin hij verkeerde. Wat hemzelf betrof, zijn godsdienst bestond tot dusverre in een gedachteloos nakomen van zijn kerkelijke plichten.

Maar nu hij in den laatsten tijd belang had leeren stellen in den strijd van Oranje, Culemborg, Brederode en de hunnen tegen de Inquisitie en de aanmatigingen van het gezag, was hij er vanzelf toe gekomen om zich ook met de godsdienstige quaestie bezig te houden.

En toen had hij gezien, dat het begrip "godsdienst" voor vele van die ketters heel iets anders was, dan voor hem. Dat het voor hen een geduchte realiteit was, een hoogste goed, waarvoor alles werd prijsgegeven, als het zijn moest. Wat was dat dan toch voor een wondere macht, welke die vrouw uit het volk den moed gaf, zwijgend neer te zinken in het donkere water? Wat was die godsdienst, die de moeder afscheid deed nemen van haar kind, en den bitteren dood deed kiezen boven het leven, het kalme, rustige leven in den schoot der Kerk?

De stem van Thierry wekte hem uit zijne overpeinzingen.

--"Wat loop je te droomen, Jacob? Je bent zoo stom, als de visschen in de ben! Heeft die kettersche het je aangedaan?"

--"Een gruwelijk stuk! Dat die van Gent het lijdelijk aanzien!" riep Jacob Martens, meer als uiting van zijn verontwaardiging, dan als antwoord op de vraag van zijn metgezel.

--"Een akelig gezicht, dat erken ik," zei Thierry, die het noodig vond een zekere onverschilligheid te veinzen, hoewel het sombere tooneel ook op hem indruk had gemaakt. "Maar wat wilt ge? Het Heilige Officie en Mijne Heeren van den Gerechte kunnen wel niet anders doen! Waarom blijven die ketters zoo hardnekkig aan hunne dolingen hangen? De plakkaten.."

--"Vermaledijd mogen de plakkaten en de Inquisitie zijn," riep Jacob opgewonden. "Dolen de ketters, laat de Kerk ze dan onderwijzen. Dwaling is geen misdaad!"

--"Dat klinkt Erasmiaansch, om niet te zeggen rebelsch," zei Thierry spottend. "Goed dat de deken het niet hoort."

De ander haalde de schouders op en zwijgend vervolgde het gezelschap zijn weg door de nu reeds drukker wordende straten. Weldra was het huis van den president bereikt. Nauwelijks was de klopper gevallen en de voordeur geopend, of Thierry snelde naar binnen, en naar zijn kamer, bevreesd als hij was, dat joffer Madeleine hem in zijn nat, bemodderd visscherspak zou zien.

Pieter de Welle had zwijgend maar met zichtbaar welgevallen naar de hartstochtelijke woorden van zijn jonker Jacob geluisterd. Toen deze met een vriendelijk woord afscheid nam, zei hij eensklaps:

--"Wanneer vertrekt die Brusselaar weer, jonker?"

--"Overmorgen, Pieter!"

--"Vraag dan aan den president of je met mij mede moogt gaan naar Gentbrugge. Ik moet er een dasvarken uitgraven."

--"Een dasvarken? Ik ben van de partij!" riep Jacob.

--"Ja, een raar dasvarken!" zei de koddebeier geheimzinnig. "Ga met mij mede, jonker! Zoo'n jacht heb je in je leven niet bijgewoond."

II.

Voor een der hooge, smalle vensters van de ruime "sale" der deftige heerenhuizinge zijner ouders stond Jacob Martens, tegen het uur van het noen-maal en staarde peinzend naar buiten.

Men zou in den keurig gekleeden jonker den natten, bemodderden visscher van dien morgen niet hebben herkend. Een nauwsluitend donkerblauw fluweelen wambuis, met nauwe, aan de schouders opgedofte mouwen, deed zijn flinke gestalte goed uitkomen. De insnijdingen in de doffen der mouwen lieten de witsatijnen voering zien, terwijl de korte broek, van dezelfde stof als het wambuis, eveneens met witsatijnen linten aan de knie was opgebonden. Verder droeg hij witzijden hozen en schoenen van fijn Spaansch leder.

Jacob Martens staarde naar buiten, voor zoover de gekleurde ruitjes, die de roode rozen op gouden grond uit het wapen der Vlaamsche Martensen in allerlei schakeering vertoonden, dit toelieten. Hij keek naar het drukke tooneel, dat de Vrijdaegsmarkt aanbood, en zeker moesten er allerlei gedachten opkomen in het brein van den jongen Gentenaar, als hij staarde naar dat breede, met boomen beplante plein, waaraan zulke machtige herinneringen verbonden waren aan een groot verleden.

Hier werden, sinds eeuwen, de "blijde inkomsten" der graven van Vlaanderen gevierd, wanneer zij, na de privilegiën en rechten der stad te hebben bezworen, door de trotsche mannen van Gent als heer werden erkend. Hier hadden op den noodlottigen "kwaden Maandag" van het jaar 1345 de machtige gilden van wevers en vollers in noodlottigen kamp tegenover elkander gestaan en vijfhonderd slachtoffers van dien treurigen burgertwist waren gevallen onder de geduchte "goedendachs". Hier had, 40 jaren later, Philip van Artevelde den eed der burgers ontvangen, toen hij ze aanvoerde tegen graaf Lodewijk, den gehaten gunsteling van den Franschen koning. Hier was bij menig oproer, bij menigen opstand de verzamelplaats geweest der Gentsche burgers en er was een tijd geweest, dat de Dulle Griet van Gent, het reusachtig kanon, dat daarginds op zijn steenen voetstuk sluimerde, aan de vijanden van de oude stad haar donderend "halt" had toegeroepen.

Waar waren de oude dagen van vrijheid en glorie gebleven. De Gentsche vrijheden waren verbroken door de ijzeren vuist van keizer Karel; Vlaanderen, met de andere Nederlandsche gewesten, boog zich noode onder vreemden dwang, en voelde de vreemde, drukkende en dwingende hand steeds zwaarder...

Wat zou het worden? Wat zou er komen van den strijd tusschen den koning en de edelen? Zag de jonge droomer misschien reeds het bloed der edelste burgers van Gent, dat daar weldra zou rooken op diezelfde Vrijdaegsmarkt?

De breede deur der sale ging open en er vertoonde zich een groepje, dat Jacob zeker haastig zou hebben doen omzien, wanneer hij niet zoo in zijn gedachten verdiept was geweest. 't Waren twee meisjes, die binnen traden, van negentien à twintig jaren:

"Sonne end mane, so vol van clementie, "Vol suuvere claerheit end' soet indulgentie, "Venus ende Juno, twee godinnen soet, "Vol wonderbaer gratie ende fierheyt groet!"

had een rijmelaar, een kamerbroeder van de "Fonteyne" van de beide "volscone maechdekens" gezongen, bij gelegenheid van het zilveren bruiloftsfeest van Mr. Willem Martens, president van den Raad van Vlaanderen, en zulks tot groote stichting van al de gasten en van de "volscone maechdekens" in 't bijzonder. Maar zoo 's mans gerijmel de beide meiskens zeker geen recht deed wedervaren, het contrast tusschen beider schoonheid had hij zeer wel opgemerkt. Clara Martens, de dochter des huizes, een blonde Vlaamsche, was het evenbeeld van haar broeder, die slechts een jaar ouder was dan zij. Dezelfde blauwe oogen tintelden met zachten gloed in het goelijke, frissche gelaat der Gentsche schoone, en het scheen of broeder en zuster elkaar volgden tot in de keuze van de kleur hunner kleeding. Clara toch droeg een nauwsluitend jakje of kassekijntje van blauwe zijde, met een rok van dezelfde stof; het zieltje of "hongerlyn", dat den boezem bedekte, was blauw satijnbrocaat van een lichter tint, met zilveren bloempjes geborduurd, terwijl de ingesneden doffen aan de mouwen en de ter zijde opgenomen rok een ondergewaad toonden van dezelfde kleur als het hongerlyn. De gevulde, poezele hals werd omsloten door een eenvoudigen, platten Duitschen kraag, terwijl de blonde haren in twee zware vlechten om het hoofd waren gewonden.

Maar naast deze blonde schoonheid was de fiere gestalte van Madeleine de Bette, de pupil en huisgenoot van den president, als de "sonne" bij de "maen", zooals de kamerbroeder had gezegd. Zoo men op den duur de frissche en goelijke Clara mocht hebben gekozen boven haar schitterende vriendin, wie de beide meisjes bij elkaar zag, moest geboeid worden door Madeleine's sprekende bruine oogen, door het fijn besneden, ietwat bleeke gelaat, met dien trotschen mond, met de volle rijpe lippen. Zij was grooter dan Clara en hare indrukwekkende gestalte was haast te gevuld voor een meisje van haar leeftijd, maar zeker was zij, zooals zij daar de sale binnentrad, in haar gewaad van purperkleurige brocaatzijde een imposante verschijning. Het ondergewaad, alsook het "hongerlyn" waren van licht geel "armosijn", maar de stof van het laatste ging geheel schuil onder het rijke borduursel van gouddraad. Een donkerrood fluweelen kapje, met een juweelen bagge versierd, hield het ietwat kroezende zwarte haar in bedwang en het schoone hoofd scheen te rusten op de plooien van een statigen, Spaanschen kraag.

Achter de beide meisjes kwam Thierry de St. Foy, en ook hij scheen bij deze gelegenheid een bijzondere zorg aan zijn toilet te hebben besteed en zag er uit, zooals men van een page van den hertog van Aerschot mocht verwachten. Thierry droeg een zwart fluweelen wambuis, met tal van kleine gouden knoopjes op de borst gesloten en van insnijdingen voorzien, zoo aan de mouwen als op de borst, waardoor de geelzijden voering zichtbaar werd. De zeer korte, opgedofte broek was met geelzijden linten bevestigd aan de lange hozen van fijn zeemleder en de hooggehakte schoenen waren versierd met groote rosetten van geel satijn lint. Hij droeg een fluweelen hoed, tamelijk hoog van bol en met smallen rand, en daarin schitterde de zilveren medaille met de afbeelding van Onze Lieve Vrouw van Halle, door zijn pompeusen, maar dommen meester, den hertog van Aerschot, aan de aanhangers van de koningsgezinde partij opgedrongen als partijteeken en tegenhanger van den Geuzenpenning.

Toen het drietal den mijmerenden jonkman bespeurde, bleven zij staan, terwijl zij een blik van verstandhouding met Thierry wisselden. Een oogenblik hielden zij zich goed; toen barstten zij in een vroolijk lachen uit, dat den armen Jacob verward en verschrikt deed omzien.

--"Jacques, droomer die je bent! Op wie van de schoone meiskes van Gent dicht je wel een zoet refereynke?" riep het blonde Klaartje vroolijk.

--"Jacob is een tweede de Coninck. Hij peist op een conspiratie tegen de Walschen. De Hoog-baljuw mag wel oppassen," grinnikte Thierry.

--"Wel neen, hij was verdiept in de beschouwing van de roode rozen van zijn wapen, daar op 't raam," spotte Madeleine. "Hij mijmert over de groote en glorieuse daden, die hij eens zal verrichten, als een tweede Heer Amadis van Gaulen."

Maar Jacob had zich intusschen hersteld en was gereed den driedubbelen aanval af te slaan.

--"'t Is oirbaar te peizen over soete jofferen en over 's lands vrijheden," zei hij, "maar als ik schoone rozen wil zien, zoek ik ze elders, Madeleine, en ik vind ze ook!"

Zijn bewonderende blik op de schoone jonkvrouw tegenover hem deden een blosje rijzen op de bleeke wangen, terwijl Klaartje lachend riep:

--"Ei, wat hoffelijke jonker! Wat kan hij schoon kallen! Maar zeg, Jacob, wanneer je zoo graag de rozen bewondert op de wangen der joffers, waarom heb je ons, arme meiskes, dan zoo den heelen morgen alleen in den hof gelaten? Dat is te zeggen, alleen met mijnheere de St. Foy, die ons aangenaam heeft bezig gehouden met een beschrijving van het toilet van de hertogin van Aerschot, op het laatste festijn bij Mevrouwe van Parma," voegde zij er spottend bij.

Thierry beet zich op de lippen.

--"En ik had een dankbaar gehoor, want de joffers luisterden zeer aandachtig," kaatste hij terug. "Maar ge moet den armen Jacques vergeven, joffer Madeleine, zijn gevoelig herte is te zeer aangedaan om te ontluiken, zelfs in den gloed van uwe schoone oogen. Hij denkt aan de kettersche, waarvan wij dezen morgen toevallig de executie hebben bijgewoond."

--"Een kettersche?" vraagde Klaartje.

--"Ja, een van de Doopersche secte! 't Was een pijnlijk tooneel, waarop Mijne Heeren van den Gerechte ons zoo ongezocht vergastten. Maar 's Konings plakkaten moeten worden uitgevoerd en het baat zeker niemand, als wij ons zoo zoet gezelschap ontzeggen uit teerhartigheid voor een gestrafte sectarisse."

Klaartje wierp een snellen, medelijdenden blik op haar broeder, wiens sympathieën zij kende en waardeerde. Madeleine trok het fraai gevormde neusje op.

--"Hoe is het, kinderen? Al bij den noen en het ammelaken nog niet gespreid?" zeide een strenge stem.

In de deur stond de deftige gestalte van Vrouwe Martens, de moeder van Jacob en Klaartje. De raadsheersvrouwe, in haar kleed van fijn zwart laken, den kanten kraag om den nog gevulden hals en de witte huive, die het gladgestreken grijze haar van voren slechts gedeeltelijk bedekte, was een statige verschijning. Aan haar gordel hingen sleutelring en stokbeurs, de teekenen harer waardigheid als vrouw des huizes, benevens een rozenkrans met groot zilveren kruis, want Vrouwe Martens was een geloovige katholieke. Haar streng gelaat, met den vastgesloten mond en koele, grijze oogen, was meer geschikt om eerbied en ontzag, dan om liefde in te boezemen. Toch werd haar blik zachter, nu hij op de groep der schertsende jongelieden rustte, en op vriendelijker toon herhaalde zij haar vraag.

--"Fy, meiskens, hoe zijt ge zoo laat? 't Is al bij den noen en het ammelaken is nog niet eens gespreid. De president kan elk oogenblik komen."

--"De jonkers hebben ons meiskens weer van onze taak afgehouden, als gewoonlijk, moeder," zeide Klaartje, met een oolijken blik op de beide beschuldigden. "Tot hun straf zullen zij helpen, de tafel aan te rechten. Komt, heeren, maakt u nuttig en helpt ons."

En onder het besturend oog van Vrouwe Martens begonnen de beide meisjes de lange tafel--een eenvoudig blad op stevige houten schragen--te dekken en aan te rechten, terwijl zij Jacob en Thierry lieten draven, aanbrengen en wegdragen wat zij noodig of niet noodig hadden, alles onder luide verwijten over hunne onhandigheid en onbeholpenheid.

De jonker de St. Foy nam blijkbaar met hart en ziel deel aan dit spel, veel meer dan zijn vriend, die, hoewel hij zich met zekere goedhartigheid leende tot de plagerijen der vroolijke meisjes, toch moeite had om niet te zeer te toonen, dat zijne gedachten eigenlijk elders waren. Hij kon den hevigen indruk, dien hij van het tooneel van dien morgen had ontvangen, niet van zich zetten en hij merkte nauwelijks op, dat Thierry bijzonder veel werk maakte van de mooie Madeleine. Hij vloog op haar wenken, nam haar spotternijen en berispingen ootmoedig aan en antwoordde met vleiende complimentjes. De schoone liet hem begaan en scheen niet ongevoelig voor de haar zoo openlijk gebrachte hulde. Toch wierp zij van tijd tot tijd een snellen, ongeduldigen blik op Jacob; het hinderde haar blijkbaar, dat deze, anders haar gehoorzame slaaf en vurige bewonderaar, haar coquetteeren met Thierry ditmaal niet eens scheen te merken.