Jacob Martens: Een verhaal uit de zestiende eeuw
Part 19
Pastoor Turck had de gewenschte vergunning verleend. Toen had hij zich haastig aangekleed en was naar buiten gegaan, om zijn verschrikte parochianen gerust te stellen, terwijl boven hunne hoofden de klok in den ouden, verweerden toren haastig en zenuwachtig klepte. Men moest zich niet noodeloos ongerust maken, men wist niet welk gevaar er dreigde, noch wien het gold. Men moest liever vlijtig zijn rozenkrans bidden en den bijstand inroepen van Sint Servaes, den patroon van het dorp, den heiligen martelaar, wiens beeltenis op het altaarstuk prijkte.
En inmiddels zond hij een rappen boerenknaap naar den torentrans, om te zien, van waar het onheil dreigde.
De verkenner kwam weldra terug met verontrustende berichten. Hij had den brand in de verte gezien en ook de toortsen der benden, die voortrukten in de richting van het dorp. Weldra, eerst flauw nog, maar allengs duidelijker, hoorde men het psalmgezang van den naderenden troep. Nu was er geen twijfel meer mogelijk! Zij waren het, de vermaledijde ketters, de Wilde Geuzen,--en het gold hun dorp, het gold Oostcappel.
En onder luide verwenschingen, gejammer en geweeklaag werd het kostbaarste inderhaast bijeengepakt en op de haastig ingespannen kar geladen, de knapen dreven het vee uit de naastbij liggende weiden den weg op en de verschrikte bevolking vluchtte, om veiligheid te zoeken binnen de sterke wallen van Yperen.
Toen de Geuzen de eerste boerenerven van het dorp bereikten, vonden zij die ledig en verlaten. Zulk eene Vlaamsche hoeve, alleen staande in het wijde land te midden van haar hoog geboomte, was anders een niet te minachten versterking en zeer wel in staat, den aanval van een stroopende bende landloopers te weerstaan. Het steenen woonhuis vormde met de schuren en stallen één geheel, dat de ruime binnenplaats omgaf en dikwijls nog door een gracht of breede sloot was omgeven. Was de brug over die sloot opgehaald, dan was het niet gemakkelijk zich toegang tot de boerderij te verschaffen, vooral als die toegang betwist werd door den boer en zijn stevige knechts. Maar thans dacht niemand aan verzet. In korten tijd hadden de Boschgeuzen zich een geduchten naam weten te verwerven. Het landvolk sidderde voor de woeste, vermetele avonturiers en alleen de geregelde troepen der Regeering, die soms tegen hen werden uitgezonden, waren in staat, hen naar hunne ontoegankelijke schuilhoeken terug te jagen.
Tot eere der Boschgeuzen zij het gezegd, dat zij zich nergens als gewone roovers gedroegen. Zij waren geen brandstichters en plunderaars, en de buitensporigheden, waaraan de mindere elementen onder hen zich vaak schuldig maakten, werden door de betergezinden zooveel mogelijk belet.
Maar zij waren wanhopigen, vogelvrij verklaarden in hun eigen vaderland. De laatste strijders voor een verloren zaak. Sedert de zegepraal der Regeering durfden hun eigen geestverwanten hen slechts tersluiks eenige hulp verschaffen. En zij moesten leven, de ballingen, die door hun eigen land waren uitgeworpen. En daarom drongen zij de grootste hoeven binnen, om zich meester te maken van de levensmiddelen, die zij er vonden. De ovens werden geplunderd en de zware brooden werden, met zakken meel, kazen, hammen en zijden spek en wat er verder eetbaars gevonden werd, op de kar geladen. De kippen, eenden en ganzen, die men in hunne hokken aantrof, moesten het mede ontgelden. En toen de wagen volgeladen was, zetten de paarden aan, sterke vuisten hielpen de raderen in beweging brengen, en door het grootste gedeelte der bende begeleid, verdween de kar in het halfduister van den zomernacht, onder het gejoel der Geuzen, die juichten om den goed gelukten strooptocht.
Maar een ander deel was achtergebleven. Dat waren de dwepers, wien het niet te doen was om den buit, de verbitterden, die eigen leed en dat van de vermoorde broederen te Valenciennes en elders, wilden wreken op de Roomsche geestelijkheid, op de kerken en kloosters. En zij gaven er weinig om, of hun wraak ook de onschuldigen trof.
Nu drongen zij, weer luide hun vloekpsalmen aanheffend, door de verlaten dorpsstraat, naar de oude dorpskerk. Daar moesten de beelden neergerukt en vertrapt, daar moest de "broodgod", zooals zij schimpend de hostie noemden, bevuild en besmeurd gestrooid op de trappen van het gehavende altaar. En de roode haan moest kraaien op het dak!
Wat heeft Heer Henricus Turck, die met zijn parochianen was gevlucht, bewogen om terug te keeren? Voelde de oude man zich een onwaardig herder, een onwaardig priester, omdat hij het heiligdom, dat aan zijne zorgen was toevertrouwd, zonder weerstand aan de ruwe gasten overliet? Wilde hij het Allerheiligste, de hostie, voor hem het lichaam zijns Heeren, redden en bewaren voor ontwijding? Dit laatste is wel het waarschijnlijkste. Pastoor Turck was althans teruggekeerd, door de groote deur onder den toren, die de koster bij zijn vlucht verzuimd had te sluiten, was hij de kerk binnengetreden, en toen de Geuzen er binnen drongen, zagen zij bij het flauwe licht der altaarkaarsen den grijsaard, die juist den monstrans uit den tabernakel had genomen.
Een wild geroep van "slaat dood den paap! slaat dood den baälspriester!" ging uit de bende op.
Bij het roode licht der fakkels ziet pastoor Turck wilde gestalten naar het altaar dringen, hij hoort bedreigingen en scheldwoorden, wapens flikkeren in het licht der gewijde kaarsen.
Begreep de oude man, dat hij in doodsgevaar verkeerde? Meende hij de woeste bende te kunnen bedwingen, door hen voor te houden wat voor hem het Allerheiligste was? Hoe het zij, hij bleef staan op de bovenste trap van het altaar en hield de aanstormende Geuzen den met beide handen hoog opgeheven monstrans voor.
Dat was zijn doodvonnis. Een gehuil van woede ging op uit de dweepzieke bende. "Slaat dood den paap!" klonk het opnieuw. Een der Geuzen, die met een vuurroer gewapend was, vloog de trappen van het altaar op en sloeg met de kolf van het zware wapen den grijsaard neder, zoodat hij naar beneden tuimelde. Hij slaakte een kreet van pijn en ontzetting. Hij had de patena laten vallen, en de hostiën rolden over den grond en werden met voeten getreden, terwijl de grijsaard jammerend ineenkromp, onder de slagen en stooten, die hem meedoogenloos werden toegebracht.
Jacob Martens was met de Geuzen mede geloopen naar de kerk, omdat hij zich niet van de Welle wilde scheiden. Hij was er echter niet binnen gegaan. Hij wist, wat de mannen er gingen doen, en hij wist ook, dat hij het niet verhinderen kon, al zeide zijn beter gevoel hem, dat die daden van geweld, die brandstichting en vernieling van beelden, af te keuren waren en de goede zaak niet dienden.
Daar hoorde hij den noodkreet van den ouden priester. Wat was dat? Weer mishandeling? Weer moorden misschien. Jacob Martens snelde de kerk binnen, den degen in de vuist. De mishandeling van weerloozen zou hij beletten!
Aan den voet van het altaar zag hij bij het onzekere licht der walmende toortsen een verwarde menschenmassa. Hij zag wapens blinken in opgeheven vuisten. Door het woest gelach en geschreeuw der Geuzen klonk een oogenblik nog een luid gejammer, dat weldra overging in een kermend steunen.
Hij wilde op de groep toeijlen, maar een ijzeren hand greep hem bij den arm en hield hem tegen.
--"Halt, jonker! Ge kunt dat niet keeren!" gromde de Welle, die, op zijn kodde geleund, het tooneel had gadegeslagen en die nu uit de schaduw van het kerkportaal naar voren trad.
--"Wat moet dat, de Welle?" hijgde Jacob.
--"Ze geven den paap de rest. Wat deed hij ook in de kerk?" antwoordde de ander onverschillig.
--"Weer een moord op een onnoozele! Laat mij los, de Welle!" En Jacob wilde zich losrukken, maar de oude boschwachter hield hem stevig vast.
--"'t Is te laat, jonker! De paap is al stil! Mieke was ook onnoozel en de godzalige Guido de Bray en zoovele broeders in Valencijn waren ook geen roffianen of kwaaddoeners. Kom mede, naar buiten, jonker. Ze steken de kerk aan."
Zoo was het. Het altaardoek brandde reeds, en aan den voet der altaartrappen lag, wonderlijk klein in het roode licht, het lijk van Heer Henricus Turck, in zijn zwarten toog. Eenige van de Geuzen stapelden de houten banken op tot een reuzenmutsaard, terwijl anderen met bossen stroo en rijshout kwamen aanzeulen, die zij in de naburige boerderijen hadden gevonden. De toortsen van oud geteerd touw werden in het stroo geworpen en weldra sloegen de vlammen uit de ramen. [4]
En terwijl de verschrikte dorpelingen uit de verte den brand hunner kerk stonden aan te zien, klonk over de stille velden het psalmgezang der aftrekkende Geuzen:
Dit sij de loon in allen landen Mijner moedwillige vianden; Laet sulcks de kwade tong beërven, Die met list soecken mijn verderven. Maar Gij, o Heer, in desen noot, Help mij om Uws naems wille groot.
XIII.
Op een van de hoogste toppen aan de landzijde van het breede en woeste duin tusschen Nieuwpoort en Duinkerken stond op een fraaien Septembermorgen Jacob Martens, op zijn vuurroer geleund, en liet zijn oogen weiden over het schoone landschap van West-Vlaanderen, dat hij van zijn hooge standplaats uren in de rondte kon overzien.
Hij stond daar als schildwacht. In een duinpan, aan den voet van den top, waar hij post had gevat, zat een kleine troep gewapenden om de glimmende kolen van het houtvuur, waarbij zij den nacht hadden doorgebracht. 't Was een wachtpost der Wilde Geuzen, die hier was geplaatst om de wegen in 't oog te houden, die van Yperen en Rousselaere naar het duin en dan langs de zandsporen naar Nieuwpoort en Duinkerken voerden. Sinds eenigen tijd hield de groote bende der Boschgeuzen zich op in de woeste duinstreek, waar zij een toevluchtsoord hadden moeten zoeken, toen zij door de troepen der Regeering uit hunne schuilhoeken in de bosschen en moerassen bij Yperen verdreven waren. De naderende komst van Alva had de bevelhebbers van de vendels der Landvoogdes tot nieuwe werkzaamheid geprikkeld. De geduchte en gestrenge aanvoerder zou zeker rekenschap vorderen van hen, die niet hadden gedaan wat zij konden, om het land van de pest der plunderende Geuzenbenden te verlossen. Troepen waren aangerukt uit Yperen en Gent en hadden de vluchtelingen in hunne schuilhoeken opgezocht. Verbitterd hadden de ballingen gevochten, maar de overmacht was te groot. Zij hadden moeten wijken. Sommigen waren naar Frankrijk gevlucht, maar de meesten hadden zich verborgen in het woeste duin, waar zij veilig waren. Velen van hen waren uit die streken; zij kenden de verborgen paden, de diepe valleien, de verborgen duinpannen. Er zou een betrekkelijk groote macht noodig zijn geweest, om hen daar op te zoeken en uiteen te jagen, en werd die op hen afgezonden, dan konden zij gemakkelijk vluchten voor een vijand, die het terrein niet kende.
Ondertusschen wisten de hoofden der Boschgeuzen maar al te wel, dat zij streden voor een verloren zaak, en dat zij zich niet lang meer in hun laatste schuilhoeken veilig konden achten.
Zij ontvingen geregeld berichten door hunne broeders en geloofsgenooten, van wat er omging in den lande. Zij wisten, dat de meeste edelen, die nog voor korten tijd zoo stout tegen Granvelle en de Regeering waren opgetreden, de zaak der vrijheid ontrouw waren geworden en zich met den Koning hadden trachten te verzoenen. Zij wisten, dat de Prins van Oranje naar Duitschland was uitgeweken en dat vele mannen van naam dat voorbeeld hadden gevolgd. Zij hadden vernomen, dat Alva aan het hoofd van zijn klein, maar uitstekend leger de Nederlanden was binnen gerukt, dat hij te Brussel was aangekomen--en nu, weinige dagen geleden, was heel Vlaanderen opgeschrikt door de tijding, dat de graven van Egmond en Hoorne te Brussel waren gevangen genomen. Vooral dat dit lot Egmond had getroffen, wekte overal ontsteltenis, ook bij de Hervormden. Wel was Egmond na den beeldenstorm meedoogenloos opgetreden tegen hen, die in zijn stadhouderschap aan die beweging hadden deelgenomen, maar hij was en bleef voor den kleinen man de held van St. Quentin en Grevelingen, de dappere krijgsman, tot wien men opzag, van wien men hulp verwachtte.
En nu had de nieuwe landvoogd het gewaagd, de hand te slaan aan de grooten des lands, aan de Vliesridders, die men onschendbaar had gewaand! Wel moest de man, die dat dorst bestaan, zeker zijn van zijn overmacht!
En de denkende hoofden onder de Geuzen lieten zich niet door de hartstochtelijke predikaties van Jan Machielsz en andere predikers in de woestijn misleiden. Oranje, zijn broeder Lodewijk van Nassau, de Hames, Culemborg, ze waren allen gevloden. Zij, die de wapens tegen de Regeering hadden opgevat, hadden geen genade te hopen. Weldra zou Alva zijn vendels zenden, om hen op te zoeken en te verdelgen. Zij moesten vechten tot het bittere einde of trachten te ontkomen naar Engeland. En de weg over zee was niet gemakkelijk. Men moest in een der kustplaatsen een visscher vinden, die het wagen dorst, de ballingen te helpen, die hen over zou willen zetten naar een der Engelsche havens. Wie dat deed, waagde zijn leven, want als hij ontdekt werd, wachtte hem de strop. Dat deed niemand, zonder de hoop op een goede belooning en de ballingen waren arm.
Zoo hadden zij zich verscholen in de duinen en hunne wachtposten uitgezet, om het ten minste bijtijds te vernemen, als de vijand naderde.
Van den top van den berg, waar hij post had gevat, kon Jacob Martens over den boschrand heenzien, die zich langs het breede duin voortkronkelde. De herfstnevels trokken langzamerhand op voor de stralen der morgenzon en de statige torens van Poperingen en van Yperen kwamen te voorschijn met de vele torentjes der oude dorpskerken, die boven het geboomte uitstaken. 't Werd een mooie, heldere Septemberdag en het schoone land lag daar vredig onder den fijn blauwen herfstnevel, alsof het nooit in zijn rust gestoord was door de zonde en het leed der menschen.
Vele gedachten rezen op in den jongen man, terwijl hij droomerig voor zich uit staarde. Wat was er in die weinige maanden, die daar sinds zijn vlucht uit het Dominicaner-klooster verloopen waren, veel met hem gebeurd. Was hij het wel, hij, Jacob Martens, de zoon van den president van den Raad van Vlaanderen, nog voor korten tijd een vroolijke, onbezorgde jonge man, geëerd en ontzien door de bevolking van de goede stad Gent, de verloofde van Madeleine de Bette,--was hij het wel, de arme balling, de Geus, op wiens hoofd een prijs was gesteld, die geen andere toekomst had, dan te sneuvelen in een roemlooze schermutseling of den dood op het schavot, door het zwaard van den beul.
Hoe zou het thans met Madeleine gaan? En met zijn ouders en met Klaartje? Zou Madeleine hem trouw blijven? Zeker zou men haar tegen hem hebben opgezet. Men zou hem een ketter hebben gescholden en een rebel en misschien zou zij thans met afschuw aan hem denken. Waarom had hij niet meer, niet ernstiger met haar gesproken over de nieuwe dingen, die zijn hart vervulden, over zijn Verlosser en Zaligmaker, tot wien hij kon gaan, zonder een priester van noode te hebben, over zijn Bijbel, die hem zoo lief was geworden? En dan, over den nood van zijn land, over het lijden van zijn geloofsgenooten? Maar Madeleine was nog zoo jong en zoo onbezorgd en vroolijk en naar een ernstig woord had zij nimmer willen luisteren. Hoe zou zij nu over hem denken? En zijn strenge moeder? Zij zou hem voor een afvallige, een verlorene houden. Hoe zou zij haar verdriet onder een nog strenger en harder uiterlijk verbergen!
Dat het hun allen wel ging, wist hij door de ballingen uit Gent, die zich bij de Boschgeuzen hadden gevoegd, maar hij had hun geen tijding durven zenden. Hij kon vermoeden, hoe de zijnen over hem denken zouden, en daarbij--het was gevaarlijk om in eenige betrekking te staan tot een vluchteling van Austruweel. De Gentsche Magistraat en de Baljuw waren strenger dan ooit. Hij wist hoe het te Gent was toegegaan. Was de eenvoudige kerk der Hervormden, toch met verlof van den Graaf van Egmond buiten de stadsmuren gebouwd, niet den 29sten Maart op bevel der overheid gesloten? En was dat gebouw niet kort daarop afgebroken en vernield?
Neen, er was een kloof tusschen hem en allen, die hij liefhad. Hij kon niet tot hen terug keeren, en nu de zaak der vrijheid hopeloos stond, nu de Spanjool weldra heer en meester zou zijn in de vrije Nederlanden en de Inquisitie de gezuiverde leer overal zou komen vervolgen en verstikken, nu was er wel geen kans, dat hij hen ooit zou weerzien.
En onwillekeurig rees in het hart van den jongen man de pijnlijke vraag, de vraag, die zoo dikwijls heeft gezweefd op de lippen van hen, die streefden naar een ideaal, maar die dat ideaal zagen ontwijd door de zonden en zwakheden van hunne medestanders, van wie zij zich toch niet los konden maken: was dat, waarvoor hij gestreden had, den prijs wel waard? Den hoogen prijs, dien hij betaald had?
Wat gingen hem ten slotte de vrijheden des lands aan? Had hij God niet kunnen liefhebben en dienen, al bleef hij voor de wereld de Roomsche kerk getrouw? Hij kon zijn Bijbel lezen in 't geheim en Titelman zou zich wel hebben gewacht, zich te vergrijpen aan den zoon van den President van het Hof van Vlaanderen.
En wat waren ten slotte die mannen, in wier gelederen hij streed, die Boschgeuzen, waartoe hij gerekend werd? Waren zij, de kerkschenners en plunderaars, de roffianen, die weerlooze priesters mishandelden, de strijders voor de gezuiverde religie? Dat waren geen mannen als Jan van Thoulouse en jonker Blois van Treslong...
Zóó mijmerde Jacob Martens. En er waren oogenblikken, dat hij had kunnen wenschen, dat alles, wat hij in de laatste maanden doorleefd had, een booze droom zou blijken, een droom, waaruit hij straks zou ontwaken in de deftige heerenhuizinge te Gent, in zijn rustige, veilige kamer...
In de verte klepte het klokje van een dorpskerk. Het was acht uren zeker. Het dunne, schrille geluid kwam met den morgenwind over de velden aangezweefd, nu eens duidelijk, dan weer nauwelijks hoorbaar.
Jacob Martens schrikte op uit zijn mijmering. Zijn gezicht veranderde. Het schrille klokje riep iets wakker in zijn geest, het tooneel, dat hij had gezien op een morgen, nu bijna twee jaren geleden, daarginds bij de stadskraan te Gent. Hij zag weer het bleeke gelaat der veroordeelde Doopersche, hij zag den blik, waarmede zij haar kind aanzag; hij hoorde weer de plechtige woorden: "Sijt getrouwe tot in den doet, ende ick zal u geven die crone des levens."
Getrouw tot in den dood,--zoo was die arme, eenvoudige vrouw gestorven voor het geloof, dat zij niet wilde verzaken.
Krachtig richtte de jonge man zich op. Ja, het was het waard! Het onvervalschte Evangelie, de kracht Gods tot zaligheid, de vrije verkondiging van dat Evangelie, zonder geloofsdwang, ze waren de offers waard, die hij en zoo velen met hem hadden gebracht. En de vrijheid des lands was het waard! Moest hij zijn makkers, de onwetenden, de wanhopigen, zoo hard vallen om hun wilde wraakzucht, die woedde tegen hen, die, naar hun meening, heulden met hunne onderdrukkers? Als men die woestelingen in de gelegenheid stelde, in een eerlijken strijd te kampen voor de goede zaak, dan zou het blijken, dat het geen wraakzucht alleen was, die hen bezielde, dan zouden zij moedig strijden en sterven als het wezen moest, voor vrijheid van geweten, voor de vrijheid van hun volk.
De goede zaak? Was het dan geen verloren zaak? Zou Jan Machielsz gelijk hebben, als hij in zijn wilde, vurige predikaties sprak van den God der wrake, die zou opstaan tegen de Heidenen, die Zijn volk verdrukten, die uitkomst zou geven, als de nood 't hoogst was?
En zeker, Hij, de Almachtige, kòn uitkomst geven!
Vaster omklemde Jacob den loop van zijn handbus, terwijl hij, uit zijne mijmering ontwaakt, den omtrek afspiedde, dien hij, als een goed schildwacht, in het oog moest houden.
Hij had reeds eenige oogenblikken op het smalle zandspoor, dat uit de richting van Poperingen duinwaarts leidde, iets ongewoons bespeurd, maar hij was zoo in zijne gedachten verdiept geweest, dat hij er geen aandacht aan had geschonken.
Boos op zichzelf, om zijn gebrek aan waakzaamheid, keek hij thans scherper. Weldra onderscheidde hij de witte huif van een kar, zooals die overal in Vlaanderen werden gebruikt. Het voertuig kwam nader. 't Was een gewone boerenkar op twee wielen, door een enkel paard langzaam en met moeite door het mulle zand getrokken. De voerman liep er naast.
Er was geen gevaar! Maar wat voerde die kar hierheen, naar de woeste duinen, die zoo zorgvuldig gemeden werden door de Roomsche bewoners der streek, sinds men wist, dat de Geuzen er huisden?
Jacob blies op het metalen fluitje, dat naast zijn Geuzenpenning aan een koord om zijn hals hing, en maakte met den linkerarm een afgesproken teeken. 't Was geen alarmsein, maar het moest de mannen in de duinpan waarschuwen, dat hun schildwacht iets bijzonders had opgemerkt. Weldra stond de Welle naast Jacob. Een paar der Geuzen lagen voorover op den grond en allen tuurden met aandacht naar de naderende kar. Het forsche paard stapte rustig, met zwaren, zekeren tred voorwaarts. Reeds hoorde men het rinkelen der bellen aan de haam en de kreten van den voerman, die het dier tot meerderen spoed aanzette.
Op de voorbank van de kar zat een man, schijnbaar verdiept in een boek, dat op zijne knieën lag. Voor zoover de Geuzen zien konden, was hij alleen.
De Welle wisselde een paar woorden met de andere mannen.
Dat men de kar zou aanhouden, stond vast, al was het alleen maar om berichten in te winnen, om, als 't kon, nieuws te hooren uit Brussel. Maar wie kon de man zijn, die zich daar zoo rustig in hunne handen kwam leveren? Een spion van de Spanjolen en de Inquisitie? Maar wie zou zóó met zijn leven spelen? Toch was voorzichtigheid noodzakelijk.
De mannen verdwenen van den heuveltop. Daar, waar het spoor het duin bereikte, waren de hellingen begroeid met laag hout. Daar kon men zich in hinderlaag leggen.
Toen de kar zich in den hollen weg tusschen de eerste duinen bevond, zag de voerman tot zijn schrik wilde gedaanten uit het kreupelhout oprijzen. Een barsche stem beval hem, stil te houden. Forsche handen grepen het paard bij den teugel en de kar was in een oogenblik door gewapende mannen omringd.
De man in de kar was opgesprongen. Hij was nog jong, slechts een vijftal jaren ouder, naar 't scheen, dan Jacob Martens, en hij droeg de kleeding van een deftig burger. Zijn bleek gelaat teekende schrik en verwarring. Toen viel zijn oog op de Geuzenpenningen en de napjes, die zijn aanranders om den hals droegen. Hij slaakte een zucht van verlichting.
--"Geuzen?" zei hij, terwijl hij zich het zweet van het voorhoofd wischte. "Goddank! Ik dacht, dat jelui soldaten van Noircarmes waart. Vivent les Gueux!"
Haastig greep hij naar zijn fluweelen bonnet, die naast hem op de bank lag, en haalde uit de voering een fraaien zilveren geuzenpenning aan een smal zwart lint te voorschijn, dien hij triomfantelijk aan de om hem heen staande mannen toonde. Dezen wisselden blikken van verstandhouding.
--"Dat is nu alles mooi en wel," zei Pieter de Welle wantrouwend, "maar een Geuzenpenning kan ieder dragen, en dat bewijst nog niets. Jonker, spreek eens met dien gast! 't Is er een van je eigen stiek. Vraag hem eens, wie hij is en wat hij hier in het duin te zoeken heeft."
Jacob Martens kwam naderbij en keek den vreemdeling onderzoekend aan. 't Was hem, of hij dat fijn besneden gezicht met de van vernuft tintelende donkere oogen en den ietwat zwakken, zinnelijken mond meer gezien had. Het was... ja, het was te Antwerpen geweest. Nu herkende hij den man!
--"Jonker Jan van der Noot!" zei hij, beleefd groetend. "Wat voert u hier? Ik dacht u veilig en wel te Antwerpen."
De Antwerpenaar keek verrast op.
--"Ge kent mij?" zei hij verbaasd. "Maar--ik heb u ook meer gezien. Ik heb u gezien bij een vendel van Thoulouse."
Jacob noemde zijn naam. De Brabander knikte levendig.
--"Ik ben er trotsch op, een van de helden van Austruweel de hand te mogen drukken," zei hij een weinig theatraal. "Die arme Jan van Thoulouse!"