Jacob Martens: Een verhaal uit de zestiende eeuw

Part 18

Chapter 183,791 wordsPublic domain

Hij had geen tijd, om zich rekenschap te geven van die geheimzinnige geluiden, want de wagen had nu het laagste punt van den weg bereikt en de pooten der paarden klotsten in het modderige water. De Welle bracht den koehoorn, die aan een koord om zijn hals hing, aan den mond en het holle geluid klonk door het bosch. Een rood vlammetje verscheen aan den kant, waar de mutsaard stond. Het droge stroo vatte vuur; roode en gele vlammen lekten naar boven en een rossige gloed verlichtte de donkere stammen en wierp zijn schijnsel op den wagen en de mannen, die hem begeleidden.

--"Vive le Geus!" klonk het uit twintig schorre kelen en een troep mannen, met pieken en omgesmede zeisen gewapend, sprong van achter de boomen te voorschijn en versperde den weg.

Maar wat was dat?

Een zware losbranding op de helling boven hen, donderend voortrollend door de boschlanen, nog een--en nog een! Roode vuurtongen, uitschietende uit de duisternis--en een paar van de schutters der Geuzen, die, door den gloed der opvlammende houtmijten beschenen, een voortreffelijk mikpunt aanboden, zonken ineen. Op den weg klonk een luid commando en de verbijsterde aanvoerders zagen een half vendel soldaten, die zich in goede orde met gevelde pieken om den wagen schaarden.

--"Vive le Roy! Slaet dood de Geuzen!" klonk het uitdagend.

Het toeval was den monnik gunstig geweest. Hij had niet alleen den wagen met zijn escorte kunnen ophouden, maar hij had ook een half vendel van het voetvolk van Egmond ontmoet, dat zich van Rijssel naar zijne kwartieren in Zeeuwsch-Vlaanderen begaf. Toen de jonge luitenant, die den troep commandeerde, hoorde wat er gaande was, had hij niet alleen terstond aangeboden, den wagen met de gevangenen veilig naar Rousselaere te geleiden, maar hij had zelfs een plan gemaakt, om de Geuzen in hun eigen strik te vangen, en hun een geduchten slag toe te brengen.

De monnik had goed geluisterd. Hij kende het plan, want men had het in zijn bijzijn besproken, en niemand had er aan gedacht, zich in acht te nemen voor den hulpeloozen gevangene. De schoutendienaars uit Poperingen kenden de plek, door den Dominicaner beschreven, en de luitenant had de zes arquebusiers, die zich bij zijn troep bevonden, de helling doen beklimmen, zoodat zij op het beslissende oogenblik met hun vuurroeren de aanvallers in den rug konden bestoken.

Eén oogenblik stond de Welle het tooneel beneden hem met verwilderden blik aan te staren. Hij werd door het volle licht van een der mutsaards beschenen en een kogel snorde hem langs het hoofd, uit een der Spaansche vuurroeren. Maar de gevangenen in den wagen konden hem daar ook zien en herkennen. Een schreeuw klonk van de kar, de huik van een der ineengedoken gestalten viel af en Mieke stond rechtop, met uitgestrekte armen, naast den voerman.

--"Vader!" gilde zij; "vader! hulp!"...

Het meisje maakte een beweging, als wilde zij van de kar springen, maar een donkere gedaante kwam achter uit den wagen te voorschijn, een lange, magere arm werd om haar heen geslagen, en dwong haar terug op haar bank. Een bleek, vertrokken gezicht keek hoonlachend op naar de Geuzen.

--"Hel en verdoemenis! De monnik!" siste Daniël. "Wacht, Judas!"

Met een ruk had hij den armborst aan den schouder, de pees klonk, en met een bout in de keel tuimelde de monnik achterover. Niemand dan de schutterkoning van Poperingen had, bij dit onzekere licht, het schot kunnen wagen, zonder gevaar te loopen het jonge meisje te treffen.

Maar de hulpschreeuw van zijn dochter had de Welle gewekt uit zijn verbijstering, die hem een oogenblik had doen weifelen, toen hij zich zoo onverwachts geplaatst zag tegenover een zoo geduchte overmacht.

--"Vive le Geus! Slaet dood!" schreeuwde hij, en door Jacob en Daniël gevolgd, sprong hij in den hollen weg, om zich aan het hoofd der zijnen te stellen.

En nu volgde er een verwoed gevecht. De soldaten namen den wagen in hun midden en maakten met gevelde speren front tegen de aanvallers, terwijl de Geuzen hen van twee kanten bestookten, en door verwoede aanvallen trachtten door hunne gelederen heen te breken.

Het woeste geschreeuw der vechtende mannen, het wapengekletter, soms overstemd door den doffen knal van een pistool of een bus, het gegil en geschrei der gevangen vrouwen en het kermen der gekwetsten, vervulden het bosch met een woest rumoer.

Zonder orde, maar met woeste dapperheid, drongen de Geuzen telkens weder op en trachtten den wagen te bereiken, maar telkens werden zij teruggeslagen, terwijl de musketiers, op de hellingen geposteerd, hunne vuurwapenen weder hadden geladen en door eene onverwachte losbranding een paar der aanvallers buiten gevecht stelden.

De strijd in den hollen weg was kort maar hevig, en de uitslag kon niet twijfelachtig zijn. De Geuzen werden teruggedrongen; een achttal hunner was dood of gewond.

Daar zonk de Welle, die in de voorste rij met den moed der wanhoop had gevochten en met zijn gepinde kodde reeds drie soldaten had neergeveld, door een kogel getroffen, neer. Op het gezicht van den val van hun aanvoerder, ontzonk den Geuzen de moed. Zij deinsden achteruit.

--"De gewonden, mannen! Neemt de gewonden mee!" riep Jacob Martens, die begreep, dat de aanslag mislukt was.

Een paar zeisdragers volgden hem, en, met hunne wapens zwaaiende, maakten zij een oogenblik ruim baan. De Welle en nog twee anderen werden haastig opgenomen en weggedragen. Toen vluchtten de Geuzen en waren weldra buiten het schijnsel der vlammen en in het donkere bosch, waar zij alle paden kenden en waar de soldaten hen niet durfden volgen.

Allen waren gevlucht, behalve Daniël. Even buiten den lichtkring, half verborgen achter een beukenstam, stond de strooper en staarde naar de huifkar, waar een paar der stadshellebaardiers zich thans bezig hielden met het lijk van den monnik, die tusschen de verschrikte gevangenen was neergezegen. Op de voorste bank zat Mieke. Toen zij de Welle had zien vallen, had zij een gil gegeven. Thans keek zij met strakke, wanhopige blikken naar het donkere geboomte, waarin zij hem had zien wegdragen.

Een siddering ging door het lichaam van den strooper.

Wild keek hij om zich heen. Achter zich hoorde hij de stemmen der aftrekkende Geuzen, die hem toeriepen te vluchten. Vóór zich zag hij de huifkar, waar thans de soldaten zich om verdrongen, die zoo goed mogelijk hun gewonde makkers verzorgden, en het doodsbleeke meisje, dat hij en zijn makkers aan haar lot moesten overlaten--Mieke in de handen van Titelman!

Vaster omklemde Daniël zijn gespannen armborst, er kwam een woeste blik in zijn starende oogen en hij klemde de lippen op elkander.

--"Nooit!" steunde hij. "Dan liever..."

Hij bracht den kruisboog aan den schouder.

--"Mieke!" schreeuwde hij. Het meisje zag om.

Het staal van den armborst klonk. Met een flauwen kreet, dwars door het hoofd geschoten, zonk Mieke achterover.

Een paar soldaten, die den schreeuw hadden gehoord, drongen het bosch in, maar zij hoorden slechts een akeligen lach uit het donkere geboomte opklinken.

De wildstrooper was verdwenen.

XII.

West-Vlaanderen sluimert rustig in den stillen zomernacht.

De eindelooze korenvelden golven en ruischen zacht in den nachtwind, de boomgaarden van Dixmuiden wiegen hunne met jong fruit beladen takken, de hopvelden van Poperingen geuren en zwaaien als groetend met hunne lange slingers. De dorpen slapen in het starrelicht, een donkere boomgroep, midden tusschen de velden, wijst de ligging aan van een eenzame hofstede en ver in het Westen, breed langs den duinrand, liggen de zwarte schaduwen der bosschen.

Een kalm, welvarend landschap in ruste! Alleen het geblaf van een werfhond verstoort nu en dan de groote stilte.

Dan wordt de donkere nachthemel in het Westen eensklaps verlicht door een vreemden rossen gloed, dat rosse wordt vlammend rood en vuurtongen lekken door de duisternis. Tegelijk klinkt een schel, dun klokgelui met kort, haastig geklep over de velden, nog eenige oogenblikken en twee, drie kerktorens antwoorden met jammerend noodgelui en van Hondecoeter naar Killem en Oostcappel, van Winnezeele en Oudezeele naar Reynighelst, Lokeren en Kemmele, tot Dracoultre in het Fransche toe kleppen en beieren de klokken en waarschuwen de Roomsche landlieden, maar vooral de geestelijken en kloosterlingen, die niet geborgen zijn binnen de veilige wallen der steden, lijf en goed te bergen in haastige vlucht.

De Wilde Geuzen komen!

In de bosschen en moerassen van West-Vlaanderen hebben zij een veilige schuilplaats gevonden, de vluchtelingen van Austruweel en Watrelos, de Gereformeerden uit Valenciennes en Doornik, die de beulen van Noircarmes ontkomen zijn, allen, die vreezen voor hun vrijheid of hun leven, nu de Regeering heeft gezegevierd en bittere wraak neemt op de overwonnen Geuzen voor de doorgestane angsten. Ze leven er in de open lucht of in inderhaast opgeslagen schuren en loodsen van hetgeen hunne geestverwanten in geheel Vlaanderen en Brabant hun heimelijk doen toekomen, of wat zij de Roomsche bevolking afpersen door vrees of door geweld. Zij hebben hun predikanten en onderhouden zoo goed mogelijk het godsdienstig leven, waaraan zij gehecht zijn. Maar door het ongeregelde, avontuurlijke leven, dat zij leiden, verwilderen zij maar al te ras. Van vervolgden worden zij bloedige vervolgers, de schrik en de vloek van de streek, waar zij huizen.

En het zijn niet alleen vluchtelingen en vervolgden, die zich ophouden in hunne geheime en moeilijk toegankelijke schuilhoeken. Zooals elke groote beweging, heeft ook deze haar zelfkant. Tal van landloopers en vaganten, waaraan de 16e eeuw zoo rijk is, hebben zich onder allerlei voorwendsels bij hen aangesloten en men heeft de vreemde elementen niet altijd kunnen weren. En al spoedig wilde men het niet meer. Naarmate de strooptochten stouter werden, de daden bloediger, werd ook de tegenstand heviger. Er werden door Egmond en Bakkerzeele soldaten gezonden, om de woeste benden, als 't mogelijk was, uit te roeien en weldra was elk stoutmoedig man, die de wapenen kon voeren, hun welkom, zonder dat men naar zijn verleden of belijdenis vraagde.

De Wilde Geuzen komen!

't Is een stroop- en plundertocht, zooals ze dien telkens ondernemen, want hun aantal groeit steeds aan, geregelden arbeid hebben zij niet en hetgeen hunne vrienden hun doen toekomen, of wat zij de Roomsche bevolking in de nabijheid hunner schuilplaatsen weten af te dwingen, is dikwijls ontoereikend. Dan moeten de verder gelegen dorpen, vooral de kloosters en geestelijke gestichten, het ontgelden. Ze worden zonder genade geplunderd en in brand gestoken en dikwijls worden de kloosterlingen mishandeld en vermoord. Want een woeste haat tegen de Roomsche geestelijkheid vooral bezielt hen en menig onschuldige moet boeten voor Noircarmes' wreedheid te Valenciennes.

En daarom klinkt het noodgeklep der dorpsklokken over de velden, waarschuwend al wie hun wrake te vreezen heeft.

De Wilde Geuzen komen!

Ze zijn hun tocht begonnen met het overvallen van de hoeve van een rijken, Roomschen boer, die meende hen te kunnen trotseeren. Ze hebben het huis geplunderd en in brand gestoken, het vee door de vrouwen en jongens laten wegdrijven naar hunne schuilhoeken en den huisman en zijn van angst sidderend gezin, onder woeste spotternij het veld in gejaagd, "om hulp te gaan zoeken bij zijne Santen", zooals zij hem najouwen. Thans gaat het verder, dieper landwaarts in. Reeds hebben ze, weinige weken te voren, de dorpen Herzeele en Houtkerke overvallen en er de kerken verwoest en in brand gestoken. Thans geldt het Oostcappel.

De Wilde Geuzen komen!

Snel rukken zij voort bij het licht van enkele toortsen en pekkransen, want in hun onverwachten overval, hun snelle bewegingen schuilt hun kracht. Een gedeelte, de kern van den troep, bewaart een soort ruwe, militaire marschorde. Zij hebben aanvoerders, die zij erkennen en gehoorzamen en zijn onderworpen aan een zekere krijgstucht. Dat zijn de vluchtelingen uit het Geuzenleger en de Gereformeerden, uitgewekenen uit de door de troepen der Regeering verwoeste steden.

Maar met hen mede, in den tros van den troep, trekken een aantal havelooze en verwilderde gestalten, die doen wat goed is in hun oogen en wier bandeloosheid de beter gezinden niet kunnen bedwingen of misschien maar al te gemakkelijk verontschuldigen. Allen zijn gewapend, maar ieder heeft zich van een wapen voorzien, zoo goed hij kon. De vluchtelingen uit het Geuzenleger hebben hunne hand- en haakbussen, hunne pieken en rapieren, de jagers en boschwachters hunne armborsten en kodden, maar anderen dragen rechtgesmede zeisen, hooi- en mestvorken, zware knuppels met ijzeren pinnen, bijlen en messen, dorschvlegels--het vreedzaam gerei van den landbouw wordt tot moordwapen in de handen der wanhopende, verwilderde benden.

Achter hen volgt een wagen, met een paar kloeke Vlaamsche paarden bespannen. Die zal straks dienen om den buit mee te voeren, den mondvoorraad, waaraan de ballingen behoefte hebben, ook de gewonden, indien er tegenstand mocht worden geboden. Thans dient hij tot vervoer van een, dien niets kon weerhouden om aan den strooptocht deel te nemen, maar wiens zwak lichaam den snellen marsch der Geuzen niet kon volgen.

't Is Jan Machielsz, de kreupele predikant.

Sinds hij predikte in 't Spaansche Dal bij Poperingen is er veel met hem gebeurd. Van Bakkerzeele, Egmont's stadhouder, had gedaan wat hij kon, om de deelnemers aan den stouten aanslag in den hollen weg naar Poperingen in handen te krijgen, en de Geuzen, die zich in hun schuilhoek niet veilig achtten, hadden zich naar alle richtingen verstrooid. Verscheidenen waren uitgeweken naar Engeland en hun broeders in de visschersdorpen langs de kust hadden hen gaarne de behulpzame hand geboden om te vluchten. Ook Jan Machielsz was door een Duinkerker visscher in Engeland aan wal gezet. Hij had er kennis gemaakt met andere ballingen, die veilig waren in het vreemde land en er hun God konden dienen naar hun geweten, maar die toch terug hunkerden naar het schoone, bloeiende Vlaanderen, naar hunne vrienden en magen, die zij er hadden moeten achterlaten. En er waren geestdrijvers onder, die gaarne luisterden naar de gloeiende woorden van den kreupelen prediker, voor hen de taal van een vast en krachtig geloof. "Zou de arm des Heeren verkort zijn?" "Was het niet in de hand van den Heer der heirscharen, verlossing te geven door de hand van velen of weinigen?" "Had niet Gideon met een handvol volks het leger der Midianieten verslagen?" Zoo sprak Jan Machielsz, en zijne hoorders, mannen met bleeke, vastberaden gezichten, stemden er mee in. Zoo God vóór hen was, wie zou tegen hen zijn? En zij hadden zich heimelijk gewapend, een vijftigtal slechts en in twee visschersbooten waren zij de zee overgestoken en, in West-Vlaanderen geland, waren zij moedig voortgetrokken, zonder bepaald plan, met de vage bedoeling, Gods volk te verlossen uit de hand der Philistijnen en de ware Kerke te stichten op de puinhoopen der valsche, in de stellige verwachting, dat de Heere met hen zou strijden en hen door een wonder van Zijn machtige hand de zege zou doen behalen.

Zij hadden een paar kerken en kloosters verwoest en in de asch gelegd, toen zij door een vendel van Egmont's krijgsvolk werden overvallen en verstrooid. Zij, die den dood door het staal of den strop waren ontkomen, waren Jan Machielsz gevolgd naar de ontoegankelijke schuilhoeken in het Zuid-Westen, waar de Wilde Geuzen huisden. De kreupele prediker was er met blijdschap ontvangen, want zijne prediking was naar het hart der wilde gezellen en de man, die eens de martelares een woord van troost en bemoediging had toegeroepen, werd meer en meer de starre dweper, die niet meer wist van het Evangelie der liefde, maar wiens hartstochtelijke predikaties, meestal aan woorden uit het Oude Testament ontleend, aanhitsten tot wraak en verdelging, tot wreede vervolging van priesters en kloosterlingen en tot verwoesting van alle kerken en kloosters in den omtrek.

De besten onder de Boschgeuzen beschouwden hun strijd als de laatste, wanhopige worsteling tegen de zegevierende Regeering, van wie zij geen genade hadden te hopen. Maar de groote meerderheid, weldra aan het avontuurlijke leven gewend, had smaak gekregen in den guerilla-oorlog, dien zij tot nog toe vrijwel straffeloos hadden kunnen voeren en dachten niet aan de toekomst.

Aan het hoofd van de geregeld voortmarcheerende kern van den troep schreed Pieter de Welle met Jacob Martens. Zij waren gedwongen geweest een toevlucht bij de Wilde Geuzen te zoeken, wachtende op den volksopstand, waarop sommigen in die dagen nog hoopten. Spoedig waren zij als aanvoerders bekend, voor zoover de tuchtelooze bende geneigd was, aan eenig gezag te gehoorzamen. De oude boschwachter trok gaarne op aan het hoofd van zijn woeste gezellen. Sinds den dood van zijn dochter behoorde hij tot de ijverige aanhangers van Jan Machielsz. Hij haatte de "papen", en het "verbannen der Amalekieten", waartoe de kreupele predikant aanspoorde, scheen den verbitterden man een godgevallig werk. En zoo de door de ballingen gepleegde wreedheden Jacob al tegen de borst stuitten, het ruwe krijgsleven der laatste maanden, de doorgestane ellende en de geheele toon en denkwijze van de omgeving, waarin hij leefde, maakten, dat hij zich spoedig aan de onvermijdelijke gruwelen van den guerilla-krijg begon te gewennen. Dat hij streed voor en met de Geuzen, bij wie hij een schuilplaats had gezocht en gevonden, sprak, naar hij meende, vanzelf. En dikwijls genoeg hadden de ballingen zich te verweren tegen de troepen van den stadhouder, die hun den terugtocht naar hunne schuilplaatsen zochten af te snijden en hun den behaalden buit afhandig wilden maken.

Aan de spits van den troep, dicht achter de Welle en Jacob Martens, liep een der Geuzen, met een stalen armborst en een lang kruismes gewapend, zacht in zichzelf mompelend, alleen. Zijne metgezellen weken bijna allen schuw ter zijde, wanneer zij in zijne nabijheid kwamen. Niemand zou in de magere, gebogen gestalte, met het bleek gelaat, de ingevallen wangen en de groote, strak voor zich uit starende oogen, den vroolijken, luchthartigen Daniël, den koenen wildstrooper, hebben herkend. Na den noodlottigen nacht, toen hij Mieke de Welle had doorschoten, om haar niet levend in de macht van den inquisiteur te laten vallen, was de jonge man geheel veranderd. Uren lang zat hij voor zich uit te staren, steeds voor zich heen woorden prevelend, die niemand verstond. Hij bemoeide zich met niemand en gaf geen antwoord, als men hem iets vroeg. Het eenige, wat hij deed, was het maken van bouten voor zijn kruisboog en het slijpen van zijn lang mes. De overige ballingen hielden hem voor krankzinnig of bezeten door een boozen geest en ontweken hem schuw. Slechts als een strooptocht werd ondernomen, ontwaakte Daniël uit zijn droomtoestand. Dan was hij in de voorste gelederen te vinden en hij vocht met woede en verbittering. Aan de plundering van de hoeven der Roomschgezinden of der geestelijke gestichten nam hij nimmer deel, al had men hem dikwijls met een woesten trek op het gelaat zien staren in de vlammen der brandende gebouwen. Maar wee den priester, wee den monnik vooral, die zich bij het naderen der Geuzen niet had weten te bergen, wanneer hij onder schot van Daniëls kruisboog kwam. Dan werd de stalen kruisboog naar den schouder gebracht, het strakke oog zocht het doel en de nimmer falende bout doorboorde het hoofd van het slachtoffer, altijd op dezelfde plaats, daar, waar hij Mieke had getroffen.

De bende marcheerde snel voorwaarts. De hoeve, die zij in brand hadden gestoken, behoorde aan dien Roomschen boer, die, omdat er geruchten liepen, dat de Regeering aan de buitensporigheden der Boschgeuzen voorgoed een einde zou maken, het had durven wagen, de hem opgelegde schatting van levensmiddelen niet te betalen. Maar het doel van den tocht ligt verder.

En van alle zijden klinkt over de slapende velden het angstig jagend kleppen van de stormklok, waarmede de dorpen elkander waarschuwen.

De Wilde Geuzen komen!

De bewoners der verspreide hoeven en der dorpen, in de nabijheid van de schuilplaatsen der vermetele gasten, zien hen voorbij trekken met verbeten woede of met een glimlach van geheime voldoening, al naar dat ze goed Roomsch zijn, of, zij 't ook in 't geheim, tot de vele Gereformeerden behooren. Zij hebben niets te vreezen. Hetzij vrijwillig, hetzij gedwongen, allen betalen op de een of andere wijze schatting aan hunne gevaarlijke buren, en zoo "zitten zij op veylighe waernis" en ze behoeven niet bevreesd te zijn voor plundering of overlast, want de Geuzen weten, dat zij van die schatting moeten leven en komen de gesloten overeenkomst getrouw na. En de West-Vlaamsche boeren koopen zich veiligheid voor leven, hof en have door dien onderstand, in 't geheim gegeven, uit vrees voor de Regeering.

Daar klinkt van den wagen een schelle stem. 't Is die van Jan Machielsz. De predikant-aanvoerder wekt zijne mannen op, een lied te zingen, een der psalmen Davids. En allen kennen ze de psalmen van Petrus Dathenus, misschien de vloekpsalmen nog het best, maar ook de strijdzangen, ook de smeekbeden, de liederen van hope en vertrouwen.

Maar thans is 't een der lievelingspsalmen van den kreupelen prediker in de woestijn, die worden aangeheven. 't Zijn verzen van psalm 109: Gods toorn wordt afgebeden over den vijand, den verdrukker van Gods volk.

"Hij heeft den vloeck gewenscht alommen,"

klinkt het rauw over de velden,

"Laet dien nu, Heer, over hem kommen; "Hij begeerde nooit gheenen zegen, "Dies geef hem dien in gheenen wegen. "Laet hem met ongeluck en leet "Als met eenen rock sijn gekleet.

"Gelijck men 't water pleegt te drincken, "Wil hem also den vloeck toeschinken; "So d' olie de beenen doordringet, "Laet hem oock so wezen omringet, "En als met een rieme seer snel, "Omgegort zijn met vloecken fel.

"Dit sij 't loon in allen landen "Mijner moedwillige vijanden; "Laet sulcks de kwade tong beërven, "Die met list soecken mijn verderven. "Maar Gij, o Heer, in desen noot, "Help mij om Uws Naams wille groot."

Het psalmgezang der Geuzen klinkt als dreigend antwoord op het waarschuwend geroep der kerkklokken. Dan verstomt het, want in de schemering van den zomernacht doemen de eerste hoeven van Oostcappel op: het doel van den tocht. De oude toren steekt als een donkere massa af tegen de starre lucht. 't Is of de kerkklok haastiger, dringender roept en jammert, naarmate de bende het dorp nadert. Maar als de Geuzen de eerste huizen hebben bereikt, zwijgt het noodgelui: de koster, die het touw trok, is met de andere dorpelingen gevlucht.

Naarmate de bende Oostcappel naderde en de bewoners begrepen, dat het onwelkome bezoek hen gold, was het levendig geworden in het stille dorp. Rondom de donkere hoeven bewogen zich dwalende lichten; bij het schijnsel der stallantaarns werd het vee uit de weiden gedreven, om het zoo gauw mogelijk in veiligheid te brengen, en het geloei der runderen vermengde zich met het woedend geblaf der werfhonden, het geroep der drijvers en het angstgeschreeuw van vrouwen en kinderen. De meesten, die wat te verliezen hadden, verlieten huis en have en vluchtten langs de donkere landwegen, noordwaarts op.

Heer Henricus Turck, de oude pastoor van Oostcappel, was uit zijn slaap opgeschrikt door zijn koster, die hem verlof kwam vragen, de noodklok te luiden. De man zelf was door de ontstelde boeren gewekt; hij had in de verte het stormgelui gehoord en begrepen, dat het zaak was, het waarschuwingssein verder door te geven.