Jacob Martens: Een verhaal uit de zestiende eeuw
Part 17
Inderdaad had Jacob reeds geruimen tijd den indruk, dat hij het bleeke gelaat van den kreupele en zijn donkere dweperoogen meer had gezien.
--"Ik weet het!" riep hij plotseling. "Gij, waart er bij, toen verleden jaar de Doopersche werd verdronken."
Jan Machielsz knikte.
--"'t Is nu een jaar geleden, dat de arme Aegte Jansdochter den martelaarsdood stierf om hare goede belijdenis. Wèl was zij, evenals ik in die dagen, bevangen in Doopersche dolingen, doch ik geloove vastelijk, dat de Heer hare ziele in genade zal hebben aangenomen."
--"Ja," ging de kreupele voort op Jacobs vragenden blik, "ik was toen nog onkundig van de waarachtige, gezuiverde religie, van de zuivere leer, zooals die ons uit Genève is verkondigd door den godzaligen Calvinus en zijn leerling Beza. Ik was als een Apollos, de Schrift kennende, maar die niet verstaande, maar de Eerwaarde Dathenus was voor mij als Aquila en Priscilla en hij leide mij den weg Gods bescheidenlijker uit. Sinds werd ik door het Consistorie toegelaten als leeraar der Kerke in de verstrooiing en ik trek rond van schuilhoek tot schuilhoek, om de schaapkens Christi het Woord Gods te brengen en ook, als het zijn moet, met hen het zwaard te trekken en hen te leiden in den strijd tegen de onbesnedenen van harte, de Papisten en hun aanhang."
Jacob keek naar het bleeke, strakke gelaat en de donkere oogen, die gloeiden van somber vuur, en hij begreep, hoe deze prediker in de woestijn, door het lijden en de vervolging verbitterd, er toe kwam om, liever dan de troost des Evangelies, de wrake Gods te prediken.
Ondertusschen hadden de vrouwen op een paar op vaatjes gelegde planken een eenvoudig avondmaal gereed gezet. Jacob maakte zich gereed om met den predikant, de Welle en de oudsten der kleine kolonie aan te zitten, toen zijn oog op den monnik viel, die met zijn blikken de spijzen verslond.
--"De man heeft honger! Heeft hij niets te eten gehad sinds van morgen?" vraagde hij.
--"Wij hebben 't hier zelf niet te breed! Wij hebben geen brood en bier voor zulk ongedierte!" zei een der Geuzen norsch.
--"De Papist is het vasten gewoon!" spotte een ander.
--"Hij zal gauw geen honger of dorst meer hebben. Ik denk, dat Daniël hem heeft bewaard voor het nagerecht!" meende een ander.
--"Daniël zal geen weerlooze moorden!" zeide Jacob. "Geef den monnik te eten, mannen! Uit barmhartigheid!"
--"Een weerlooze moorden? Barmhartigheid met dien Philistijn?"
Het was de kreupele predikant, die gesproken had. Zijn kleine, tengere gestalte scheen te groeien, nu hij opstond en met fonkelende oogen de hand uitstrekte naar den Dominicaan.
--"Barmhartigheid met een bloedhond van de Inquisitie? Met een dienaar van Titelman?" ging hij voort met snijdende stem. "Weet gij, wat gij zegt, jonker?"
"Is niet de schoolmeester Geleijn de Muler, van Oudenaarde, geworgd en verbrand, omdat hij den bijbel las?"
"Is niet Thomas Calberg, van Doornik, levend verbrand, omdat hij uit een verboden boek een paar godvruchtige liedekens had overgeschreven?"
"Is niet Wouter Kapel, van Dixmuyden, een godvreezend man en weldoener der armen, wegens ketterije verbrand?"
"En is niet Robert Ogier met zijn vrouw en zijne twee zonen te Rijssel verbrand, omdat zij niet ter misse gingen, maar in hun huis den Heere God baden en zijn Woord lazen?"
"Dat hebben de bloedige Titelman en de zijnen gedaan! En gij spreekt van mededoogen en barmhartigheid met dezen vijand van Gods volk? Zie toe, dat het u niet ga als Saul, den zoon van Kis, die Agag, den Amalekiet, spaarde, toen hij hem moest verbannen van voor het aangezicht des Heeren!"
--"Ook onze Heere Christus bad voor zijn moordenaren!" zeide Jacob onverschrokken.
Hij begreep den haat en de verbittering dier mannen; soms voelde hij die zelf smeulen in zijn borst. Hij wist, dat Jan Machielsz de waarheid had gesproken. Maar hij wilde strijden tegen die onheilige wraakzucht en doen als zijn bijbel hem leerde. Zonder verlof te vragen nam hij een kroes bier en bracht dien aan de lippen van den monnik. De man dronk gretig.
Er ging een gemompel van afkeuring op onder de Geuzen en men hoorde hier en daar de opmerking maken, "dat Daniël er nu maar een eind aan moest maken."
--"Daniël!" riep Jacob, "wat wilt gij met hem doen?"
--"Hem houden, jonker, tot wij weten, hoe 't met Mieke gaat. Kunnen wij haar verlossen, dan--zullen wij zien. Maar valt zij in Titelman's klauwen,--wat zij haar doen, dat zal ik met dezen paap doen, zoo waarachtig helpe mij God!"
--"En zoo doe mij God en zoo doe Hij daartoe, als wij allen u niet daarin bijstaan!" zei Jan Machielsz.
--"Goed! Het mag zijn!" zei Jacob, "maar maak den monnik nu los en geef hem eten en drinken. Wij behoeven van de Inquisitie geen wreedheid te leeren."
Een oogenblik aarzelde de strooper.
--"Je zult je zin hebben, jonker," zei hij eindelijk. "Je hebt vandaag veel voor Mieke gewaagd en dat vergeet ik niet. Maar wat je om dien vermaledijden paap geeft, begrijp ik niet."
Door Daniël geholpen, maakte Jacob thans den monnik los van den paal en liet hem op een der ruwe banken nederzitten. Het duurde eenigen tijd, voor de gevangene het gebruik van zijn armen terugkreeg. Toen viel hij aan op het brood en het bier, dat men hem voorzette en at en dronk gulzig, maar zonder een woord van dank. Zoodra hij verzadigd was, leunde hij het hoofd in de handen, en scheen in te slapen. Op de enkele vragen, die men hem deed, gaf hij geen antwoord.
Daniël haalde gemelijk de schouders op. Zijne makkers hadden onder een afkeurend gemompel aangezien, dat de gevangene werd losgemaakt en klaarblijkelijk gaf hij hun in zijn hart gelijk. Om er zich althans van te verzekeren, dat zijn prooi hem niet zou ontsnappen, bond hij hem de voeten weder en bevestigde het touw aan een ijzeren ring in den wand.
Toen alles voor den volgenden dag was bepaald, scheidde men. Het bleek Jacob, dat er, behalve de schuur, waarin zij zich bevonden, nog eenige hutten op het eiland waren, dat de vluchtelingen tot schuilplaats diende. Voor hem en zijne metgezellen werden bossen stroo gebracht, waarvan spoedig een goed nachtleger werd gespreid. Voor men zich ter ruste legde, zag Jacob hoe de Dominicaan weder stevig werd gebonden. Men gaf ook hem echter wat stroo, om op te slapen.
Den volgenden morgen was alles in de kolonie der vluchtelingen druk in de weer.
Na een korte morgengodsdienstoefening gingen allen aan den arbeid. Eenige mannen en vrouwen verlieten het eiland en gingen in verschillende richtingen het bosch in of langs de smalle paden, die door het veen liepen. Zij moesten de vluchtelingen van levensmiddelen voorzien. Jan Machielsz verklaarde Jacob, dat dit op verschillende wijzen geschiedde. Sommigen gingen wild stroopen in het bosch, anderen kregen bij geloofsgenooten giften van veldvruchten, eieren en vleesch, terwijl er ook waren, die zich niet ontzagen, de hoeven der kloosters te plunderen en het vee te rooven.
Een ander deel der mannen hield zich bezig met het in orde brengen van hunne wapenen, die nog dienzelfden avond dienst zouden moeten doen. Sommigen, die vluchtelingen waren van Watrelos en Austruweel, hadden de hunne medegebracht. Men zag tenminste in het kamp eenige korte handbussen en een paar pieken. Er waren leden van de schuttersgilden, die hunne handbogen en armborsten nazagen of pijlen en bouten maakten. De meeste Geuzen waren echter gewapend met recht op den stok gesmede zeisen, een verschrikkelijk wapen in krachtige handen, dat zij thans ijverig slepen en wetten.
Er was zelfs blijkbaar een klein arsenaal aanwezig, want men bood terstond aan, Jacob van wapenen te voorzien. Hij kreeg een zeer goeden degen en een paar pistolen: zware, lompe vuurwapenen met lontsloten, die, als zij eenmaal waren afgeschoten, niet zoo spoedig weer te laden waren, maar die toch in een gevecht van man tegen man nuttig konden zijn. De Welle weigerde elk ander wapen, dan een zware "gepinde kodde", de met stalen punten bezette knots, waaraan hij gewoon was.
Tegen den middag werd er een korte krijgsraad belegd, waaraan alle weerbare mannen deelnamen. De holle weg in het bosch bij Langem, dezelfde plaats, die door Daniël was aangewezen als geschikt voor een hinderlaag, werd gekozen om het plan ten uitvoer te brengen. Men kon die plek, dwars door de bosschen heen, onopgemerkt bereiken, en als men de gevangenen eenmaal bevrijd had, kon men met alle pogingen tot vervolging spotten, want op de donkere boschpaden, die de Geuzen zoo uitstekend kenden, zou men hen nimmer durven volgen.
Het zou donker zijn, als de huifkar op de bepaalde plaats aankwam en men moest zeker zijn van zijn slag. Daarom zond de Welle een paar jonge lieden met eenige bossen stroo vooruit. Zij moesten droge takken sprokkelen en daarvan, tegen het vallen van den avond aan den kant van den weg een mutsaard maken om en over het stroo. Zóó zou men, op het gewenschte oogenblik, een helder brandend vuur kunnen ontsteken, dat voldoende licht zou verspreiden.
Te vijf uren begaf men zich op weg. Jan Machielsz had allen, die aan den tocht deelnamen, in de schuur, die het middelpunt was der kleine kolonie, verzameld en Gods zegen op de onderneming afgesmeekt. Een traan biggelde langs de gerimpelde wangen van Pieter de Welle, toen de predikant zijn Mieke aan God opdroeg, bij Wien veel verlossing was, en Hem smeekte, de onschuldigen te rukken uit de klauwen van den wreeden Titelman. Ook Daniël had ontroerd het hoofd gebogen.
Niemand lette op den monnik, die nog altijd gebonden in de schuur lag en wiens armen slechts werden losgemaakt, als men hem eten en drinken bracht. Niemand zag, hoe hij met half gesloten oogen loerde naar den biddenden predikant en de forsche, gewapende mannen, die ontroerd naar zijne woorden luisterden.
Na het gebed begaven zich allen op weg, ook Jan Machielsz, die niet in het kamp had willen blijven. De plaats, waar men zich in hinderlaag zou leggen, was ongeveer twee uren van de kolonie verwijderd. Alle weerbare mannen gingen mede, want voor een aanval op het kamp behoefde men niet te vreezen: er waren geen soldaten in de buurt gelegerd en de afgelegen plek was slechts aan weinigen bekend, en die weinigen--eenvoudige lieden, die in het bosch of het veen woonden--waren vrienden van de vluchtelingen, en zouden hen niet verraden.
De bewaking van het kamp was opgedragen aan Peerke, een stevigen kerel uit Diest, die te Watrelos een kogelwond in het been had gekregen, welke nog niet geheel genezen was. Voor lange tochten was hij ongeschikt en hij moest zich dus met den post van portier tevreden stellen, dien hij al grommende waarnam.
Nu was Peerke een trouw makker, op wien men in alle opzichten kon rekenen, zoolang hij niet in de buurt van een kanne biers was. Jan Machielsz en Daniël wisten dat zeer goed; maar daar er op dat oogenblik op het eiland niets was dan een ton dun bier, die men van een brouwer te Diest had gekregen, meenden zij van dien kant veilig te zijn: aan dat dunne, scherpe vocht zou Peerke zich zeker niet bedrinken. Wat de aanvoerders echter niet wisten, was, dat Peerke van een van de Geuzen, die geholpen had bij de plundering van een klooster, een vaatje zoete malvesye had gekocht, dat hij zorgvuldig in den grond had begraven, met de bedoeling er zich te gelegener tijd eens rustig aan te goed te doen.
Die gelegen tijd scheen Peerke thans gekomen. Het zou uren duren, eer de bende haar schuilhoek weder kon bereiken, en hij had dus den tijd aan zich. De vrouwen waren met haar kinderen in de hutten en hij was met den gevangen monnik alleen in de schuur.
Nu was Peerke op zijn manier een man van geweten en hij wou zich niet bedrinken, vóór hij wist, dat alles veilig was. Toen het geluid van de voetstappen zijner makkers was weggestorven, begon hij den monnik stevig de handen op den rug te binden. Daarop nam hij zijn hellebaard en strompelde het eiland om, om zich te overtuigen, dat er inderdaad geen gevaar dreigde. Toen had hij, naar hij meende, zijn plicht volbracht; hij groef het kostbaar vaatje op en torste het naar de schuur, sloeg de stop uit het spongat en terwijl hij met welgevallen den geur van den wijn opsnoof, verzekerde hij den monnik, dat dit nu een patersvaatje was, dat hij, Peerke, op de gezondheid van den paus en van alle papen zou gaan leegdrinken.
Toen nam hij zijn tinnen kroes, zette zich in een gemakkelijke houding bij de ruw opgemetselde schouw en begon met lange teugen te drinken, terwijl hij van tijd tot tijd ophield, om zijn gevangene mede te deelen, dat het kostelijk smaakte en dat de paters wel wisten, wat goed was.
De monnik zat roerloos, met gesloten oogen, tegen den paal geleund, waar Peerke hem had neergekwakt. Hij gaf geen enkel teeken, dat hij de spotternijen van den Geus verstond.
Maar de krachtige wijn bleek te sterk voor het hoofd van Peerke, die slechts aan het zware, Vlaamsche bier gewend was. Weldra werd hij bijzonder vroolijk; hij begon te zingen: een zonderling mengelmoes van psalmen en luchtige liedjes en hij werd eindelijk zoo welgemutst, dat hij een kroes van den wijn nam en daarmee op den monnik toewaggelde.
--"Ik breng 't je, paap," zei hij met dubbelslaande tong. "Jij kunt het ook niet helpen, dat je een papist bent."
De monnik had even het hoofd omgewend, maar hij bedacht zich en dronk met gretige teugen.
--"Dat smaakt anders dan slootwater, hè?" zei Peerke. "Weet je wat?" ging hij voort, op goedigen dronkemanstoon, "je moet niet teruggaan naar dat vermaledijde klooster. Als je tegen de jongens zegt, dat je geen papist meer wilt zijn, dan zullen ze je losmaken en dan kon je bij ons een goed leven hebben. Dan zal ik een sneege deern voor je opschommelen, en Jan Machielsz zal jelui trouwen. Dat is beter voor een flinken borst."
De Dominicaan antwoordde niet.
--"Je bent een stuursche compaan," zei Peerke boos, "en je laat mij maar alleen kallen. Ik krijg weer dorst, maar jij krijgt niets meer, als je niet praten wilt."
Hij waggelde weer naar zijn vaatje en vulde zijn kroes. Hij werd steeds luidruchtiger en zijn goede luim van zooeven was weldra geheel voorbij. Hij werd twistziek en eischte, dat de monnik met hem mee zou zingen.
--"Komaan, paap," schreeuwde hij; "dat 's je voor en als ze je niet meezingt, sla ik je de ribben kapot. Komaan!"
"Wie wil hooren een nieu liet! "Luystert toe, ik salt u singen, "Wat daer t' Antwerpen is gesciet."
--"Je, je z... zingt niet mee, verdoemde paap? Wacht, ik z... zal je l... leeren!"
Hij stond op, maar struikelde over het vaatje en viel met een slag op den grond. Een paar malen beproefde hij op te staan, maar tevergeefs; zijn schelden werd een onverstaanbaar gemompel en weldra bewees een zwaar gesnork, dat de dronkaard zijn roes uitsliep.
Nu kwam er beweging in de roerlooze gestalte van den monnik. Zijn felle zwarte oogen keken schichtig rond en vlogen toen van den slaper naar het vuur.
Loopen kon hij niet, want zijne voeten waren stijf bijeengebonden, maar hij liet zich op zijne zijde vallen, wentelde zich om en om en rolde zoo naar het vuur. Hij koos een plek uit, waar een groote turf geheel was doorgebrand, toen draaide hij zich nogmaals om, met den rug naar den vuurhaard, en, achteruitschuivende, hield hij zonder aarzelen zijn gebonden handen tegen het brandende stuk veen. De reuk van het brandende touw, gepaard met een afschuwelijken stank van het geschroeide vel en vleesch vervulde de schuur. De monnik was vaalbleek; het angstzweet parelde op zijn voorhoofd en hij liet een dof gekreun hooren, maar hij liet niet af, al klemde hij de dunne lippen tusschen de tanden, om het niet uit te brullen van de pijn.
Nog een oogenblik en met inspanning van alle krachten rukte de monnik het half doorgebrande touw los en wikkelde haastig de smeulende einden van zijn polsen. Kreunend bleef hij liggen, terwijl hij de armen langzaam heen en weer bewoog, om den bloedsomloop te herstellen. De rest was gemakkelijk. Het zakmes van Peerke stak in de lederen scheede uit den zak van den wijden broek en was binnen het bereik van de hand van den monnik. In een oogenblik had hij het touw doorgesneden, waarmede zijne voeten waren geboeid. Zijn eerste werk was nu naar de deur der schuur te strompelen, en die te sluiten met den zwaren boom, zoodat hij niet kon worden overvallen. Toen liep hij langzaam heen en weder, tot ook zijn beenen weer hun vroegere kracht en lenigheid hadden terug gekregen en ondertusschen verslond hij gretig het brood en het spek, dat voor het avondeten van zijn bewaker was bestemd, en dronk nog eenige teugen van den krachtigen wijn. Hij doopte een paar lappen in een pot met melk, dien hij vond, en wikkelde die om zijn verschroeide polsen. Toen was hij gereed om te vluchten.
Hij ging naar Peerke en nam het mes, dat hij had laten liggen. Een oogenblik stond hij besluiteloos bij den snorkenden dronkaard. Het mes trilde in zijne hand en een wreede, woeste trek kwam op het bleeke gezicht. Daar viel zijn oog op den kroes, dien de slaper hem goedhartig had toegereikt en het strakke gezicht werd zachter.
--"Libera nos a malo!" [3] prevelde de monnik, terwijl hij het mes wegstak.
Hij ging naar de deur, nam den boom weg en tuurde even voorzichtig naar buiten. Toen liep hij vastbesloten het smalle pad af, dat van de schuur naar de gracht voerde. Een paar kinderen, die hij tegenkwam, gingen schreeuwend op de vlucht.
De monnik snelde voort. Achter zich hoorde hij de schelle stemmen der vrouwen en hij begreep, dat hij zich moest haasten. De knuisten dier kloeke Vlaamsche wijven waren niet te verachten en zij waren zeer wel in staat, hem tegen te houden. Hij kwam aan de breede gracht. Zonder te aarzelen sprong hij in het water en met een paar slagen had hij den overkant bereikt. Toen, zonder zich om de scheldwoorden der hem vervolgende vrouwen te bekommeren, sloeg hij den weg in, die de uitgetrokken bende had genomen, wier breed spoor gemakkelijk te volgen was. Zoo kwam hij veilig door het moeras. Hij was doornat en rilde van de koude in de vochtige voorjaarslucht, doch hij draafde verder, steeds het spoor der Geuzen volgende, tot hij in de verte de hooge boomen zag, die langs den karreweg naar Poperingen stonden. Toen sloeg hij rechtsaf en springend en soms wadend door de plassen van den broekigen grond bereikte hij den weg. Eenige oogenblikken rustte hij uit, om op adem te komen en zijn doornatte kleederen zoo goed mogelijk uit te wringen. Toen stapte hij ijlings voort in de richting van de stad.
Intusschen was de bende, onder aanvoering van de Welle en Daniël Tistz op de plaats aangekomen, waar men, volgens afspraak, de gevangenen met hun geleide zou opwachten. De jongens, die vooruitgezonden waren, hadden niets verdachts bespeurd. Zij hadden zich ijverig geweerd: aan beide kanten van den hollen weg hadden zij een mutsaard gemaakt van stroo en droge takken, die in een oogenblik kon worden aangestoken.
De Welle en Daniël begonnen nu hunne mannen hun posten aan te wijzen. Twee handbusschutters werden met smeulende lonten bij de mijten geplaatst, met den last om die, op een bepaald sein, aan te steken. De andere Geuzen, die met bussen, handbogen en armborsten gewapend waren, werden op de hellingen ter weerszijden van den hollen weg verdekt opgesteld, om de hellebaardiers van het escorte in bedwang te houden, terwijl de met pieken en zeisen gewapenden zich in twee partijen verdeelden, en post vatten in de laagte, waar zij zich in greppels en achter boomen verscholen. De bedoeling was om den wagen aan te houden in het laagste gedeelte van den hollen weg, waar de paarden moeite zouden hebben, de zware huifkar door de modder te trekken. Bij het licht der ontstoken houtvuren zou men de bewakers achteruitdringen en ontwapenen. Wie zich verzette, zou worden neergestooten. Dan zou men de gevangenen bevrijden en met hen, langs de welbekende sluipwegen, vluchten naar den schuilhoek der Geuzen, aan den boschrand, waar men voorloopig in veiligheid zou zijn. Dan wilde de Welle met zijn dochter uitwijken naar Engeland en Jacob had besloten, hem te vergezellen.
Een oogenblik was het rumoerig geweest in het bosch, toen de Geuzen hunne posten bezetten, maar weldra was alles stil, want de leiders hadden hun mannen de grootste omzichtigheid aanbevolen. Schildwachten waren uitgezet aan beide zijden van het pad, hoewel men geen verraad te duchten had, en een paar kloeke jongens waren een eind den weg op gezonden, om de nadering van den wagen te berichten.
Jacob stond met de Welle en Daniël Tistz dicht bij een der mutsaarden. Het was reeds zeer donker, want de lucht was nog steeds betrokken. Men zag maan noch sterren heenschemeren door het jonge lentegroen der boomen. 't Was stil in het bosch. Men hoorde niets dan dat eigenaardig murmelen van den wind in de boomtoppen, de eigen stem der wouden, die de stilte nog schijnt te vermeerderen. Het naargeestig krassen van een boschuil klonk uit de takken boven hun hoofd.
Daniël huiverde.
--"Een kwaad voorteeken," mompelde hij; "als ik nog een papist was, zou ik een kruis slaan."
--"Wees stil, ongeluksprofeet!" beet hem de Welle toe, die zenuwachtiger werd, naarmate het oogenblik naderde, waarop men den wagen kon verwachten, en die ongeduldig heen en weer liep. Ook Jacob had moeite rustig te blijven; telkens meende hij eenig gerucht te hooren op den weg, het kraken der raderen of het klappen van de zweep en dan betastte hij zenuwachtig de kolf van zijn pistolen. De angst van de Welle en de gedachte aan het lot, dat de arme Mieke te wachten stond, als het opzet mislukte, misten ook op hem hunne uitwerking niet.
Het was nu zeer donker. Hier en daar zag men een vurig punt: de smeulende lont van een busschieter. Jacob kon de gestalte van Daniël, die toch vlak naast hem stond, nauwelijks onderscheiden.
Plotseling boog de strooper zich voorover en luisterde aandachtig. Zijn geoefend oor had iets vernomen, dat Jacob was ontgaan. Een oogenblik later hoorde men haastige voetstappen.
--"Hier!" riep de Welle.
Een gedaante dook uit de duisternis op; 't was een van de jongens, die als spionnen waren uitgezonden. Hijgend vertelde de knaap, dat de wagen er aankwam.
--"Zijn er soldaten bij, jongen?" vraagde de Welle.
--"Veel!" verzekerde de knaap, "wel vijftig!"
--"Onmogelijk!" zei Daniël ongeloovig. "Je hebt ze niet kunnen tellen, Tist. 't Is te donker!"
Neen, geteld had de knaap ze niet. Maar hij was den wagen tegemoet geloopen tot buiten het dorp, waar geen boomen stonden en daar was het zoo donker niet. Hij was zeker, dat er een groot aantal soldaten, vijftig of zestig wel, bij de kar waren.
--"De jongen is gek," meende de strooper. "Waar zou de schout van Poperingen opeens zooveel soldaten vandaan halen?"
--"Je hebt je toch niet vergist, jonker?" vraagde de Welle met een licht trillende stem.
--"Zeker niet," antwoordde Jacob. "Die schoutendienaar sprak van een twaalftal hellebaardiers. Meer waren er niet!"
--"Ik begrijp het niet," zei de oude boschwachter heesch. "Als die jongen gelijk heeft..."
Hij voltooide zijn zin niet en ook de beide anderen zeiden niets. Zij wisten, wat hij bedoelde: hun geheele bende was slechts een twintigtal mannen sterk.
Maar nu hoorde men flauw in de verte de klets van de zweep van den voerman. Een zacht fluiten, dat hier en daar herhaald werd, gaf aan de in hinderlaag liggende Geuzen het teeken, om zich gereed te houden.
Het kraken van de wielen van de huifkar, het klotsen van zware voetstappen, het kletteren van wapenen, eerst flauw, dan duidelijker en duidelijker aankomend door het donkere bosch. Op den weg een flikkerend licht, op en neer dansend, zwaaiend en schokkend: de lantaarn van de kar, die aan den disselboom opgehangen, den weg voor het tweespan verlichtte.
Het beslissend oogenblik was daar.
In ademlooze spanning zag Jacob het zwaaiende licht nader en nader komen, en, terwijl hij staarde, meende hij op de hellingen boven zich een onverklaarbaar gedruisch te hooren, het kraken van takken, het ritselen van dorre blaren. Een paar nachtvogels vlogen krijschend op.