Jacob Martens: Een verhaal uit de zestiende eeuw

Part 16

Chapter 163,946 wordsPublic domain

--"Ge waagt uw hals, om ons te helpen, jonker," zei de Welle, "en nog eens, als 't niet om Mieke was... Dien monnik nemen we als gijzelaar mede, en mocht u iets overkomen, wat God verhoede, zeg dan aan zijne gezellen, dat wij met hem zullen doen, zooals zij met u doen."

Nadat men nog had afgesproken, dat de Welle en Daniël Tistz in den laten namiddag Jacob wachten zouden bij een gebroken steenen kruis, dat aan den weg stond en gedurende den beeldenstorm was vernield, namen de beide mannen afscheid van hun bode. Zij zouden met hun gevangene dwars over de broekheide naar de bosschen trekken, waar zich de schuilhoek der gevluchte Geuzen bevond, waarvan de strooper had gesproken. Eerst als zij uit het gezicht waren, zou hij zijn tocht aanvaarden. Daniël maakte het touw los, waarmede de enkels van den monnik waren gebonden en hielp hem overeind. Eerst wilde de Dominicaan niet loopen, maar toen de strooper hem de punt van zijn kruismes liet voelen, schikte hij zich in zijn lot en volgde gedwee zijne beide bewakers, die dwars door de drassige heide aanhielden op den donkeren boschrand aan den horizon.

Toen zij ver genoeg verwijderd waren, en er geen gevaar meer was, dat een onverwachte voorbijganger of een dwalend eierenzoeker zou bemerken, dat zij in elkanders gezelschap waren geweest, sloeg Jacob den weg in naar Poperingen. Hij was in een alles behalve aangename stemming. Het tooneel, dat hij zooeven had bijgewoond, had hem pijnlijk aangedaan. Hij was een kind van zijn tijd en die tijd was ruw en wreed. Dat men een misdadiger door pijn tot bekentenis dwong, scheen Jacob Martens volkomen geoorloofd. En in zijn oogen en in die van zijne medestanders was deze monnik, het werktuig van den inquisiteur, niets anders dan een boosdoener. Toch scheen het martelen van een weerlooze hem een laagheid. Ook de taak, die hij op zich had genomen, was hem weinig naar den zin. Dat 't een gewaagde onderneming was, dat een enkele onhandigheid of onvoorzichtigheid hem in den kerker en op 't schavot zou brengen, was nog zoo erg niet. Maar in een vermomming spionnenwerk te moeten verrichten, te moeten veinzen en bedriegen, het strookte weinig met zijn aard. Maar hij dacht aan de arme Mieke en aan het lot, dat haar te wachten stond, hij dacht aan de Welle, die hem het leven had gered, en hij nam zich voor, de zaak, die hij op zich genomen had, ten einde toe te volbrengen.

Het stuk broekland hield weldra op, om plaats te maken voor weiden, toen voor bouwlanden, braakliggend of met winterkoren bezaaid, en eindelijk begonnen de hoptuinen, waarom Poperingen zoo beroemd was. Reeds lang had Jacob de torens der drie kerken, de Sint Bertinus, de Mariakerk, en die van den Heiligen Johannes den Dooper, over het lage land in het oog gekregen. Thans kon hij ook de trotsche gebouwen van de beroemde abdij van Sint Bertinus in de verte zien oprijzen, waaraan Poperingen zijn ontstaan te danken had. Want de stad was een leen der abdij, en nog altijd werd het stadsbestuur, bestaande uit den schout, den "amman", twee burgemeesters en twaalf schepenen, door den abt van St. Bertinus gekozen en aangesteld.

Hij bereikte de poort, waar hij door den portier eerbiedig werd gegroet. Het geestelijk gewaad was in eere te Poperingen. Op zijne vragen wees men hem het huis van den schout, Mr. Willem van Bodeghem.

Deze, een stoere Vlaming, met een steenrood, breed en goedmoedig gezicht, ontving den gewaanden bode van den deken van Rousselaere met een zekere stugge beleefdheid. Het hinderde den eerzamen schout, dat hij van een andere geestelijke overheid, dan van zijn Heer, den abt van St. Bertinus, bevelen moest afwachten, en daarbij, ook de Roomsche magistraatspersonen waren over het algemeen--tot hun eere zij het gezegd--afkeerig van de bloedige kettervervolging en vijanden der Inquisitie en Philips II klaagde bitter over hunne lauwheid in een zaak, die hem zoo zeer ter harte ging.

Zoo had Mr. Willem van Bodeghem niet kunnen nalaten, om op aanwijzing van den inquisiteur de ketters in hechtenis te nemen, die deze hem aanwees. De plakkaten verplichtten hem er toe. Maar hij had het ongaarne gedaan en met kwalijk verholen tegenzin ontving hij den gewaanden monnik.

--"Veel te jong voor een speurhond van de Inquisitie!" bromde de eerlijke Vlaming in zijn baard.

Inderdaad was Jacobs leeftijd bij deze onderneming een gevaar op zichzelf; de gebeurtenissen der laatste maanden echter en de gevolgen van zijn wonde deden hem ouder schijnen dan hij was.

--"Gij zijt dus broeder Clemens, van wien hier gesproken wordt," zeide de schout, die, als leerling der kloosterschool van Sint Bertinus, genoeg Latijn verstond, om het geschrift te lezen. "En gij zult zelf het antwoord aan den Eerwaarden Deken overbrengen. Als ge te avond mijn gast wilt zijn, zal mijn schrijver morgen het antwoord voor u gereed hebben. Of misschien vernacht gij liever in de abdij?"

--"Ik zou gaarne vandaag nog terugkeeren," zeide Jacob. "Mijn boodschap heeft haast!"

--"Ja, maar mijn schrijver is er nu niet!" zei de schout verdrietig, terwijl hij zijn korte, stompe vingers bekeek, die er niet uitzagen, of zij gewoon waren, de pen te voeren.

--"Het bevelschrift was niet verzegeld en de inhoud is mij bekend," zeide Jacob, blij, dat tot nog toe alles zoo voorspoedig ging. "Ik kan ook een mondeling antwoord medebrengen."

--"'t Is waar," zei Mr. Willem van Bodeghem, zichtbaar verlicht, "welnu, broeder, zeg den Eerwaarden deken, dat men er scherp op zal letten. De gevangen ketters zullen ter bestemder tijd naar Rousselaere worden gezonden en voor zoover het burgers van onze stad zijn, verzoek ik den deken, hen met zachtmoedigheid te behandelen. Ik zal mijn substituut, die hen begeleiden zal, een geschrift over hen medegeven."

--"Het gerucht wil, dat er kwaad volk in de bosschen omtrent Poperingen huist," zeide Jacob, terwijl hij zijn best deed, een onverschillig gezicht te zetten, "de deken wist niet, of de bedekking van uw dienaars voldoende zou zijn, om..."

Het gezicht van den Schout werd nog rooder; de blauwe toornaderen zwollen op zijn voorhoofd en dreunend kwam zijn vuist neer op de massieve eikenhouten tafel.

--"Ik ken mijn plicht!" bulderde hij, "en ik behoef dien van geen inquisiteur ter wereld te leeren! Laat de deken zich met zijn eigen zaken bemoeien! Ik zal doen, wat 's konings plakkaten mij voorschrijven, maar verder ben ik niemand rekenschap verschuldigd dan mijnen heere den Eerwaarden abt van St. Bertinus!"

Jacob nam haastig afscheid. Eigenlijk had hij den wakkeren schout het liefst de hand willen drukken. Hij had zijn rol tamelijk onhandig gespeeld en een magistraat met scherper blik dan de eerzame Willem van Bodeghem had al licht argwaan kunnen opvatten. Toch was zijn doel aanvankelijk bereikt. Het bevelschrift van Titelman was in handen van den schout en hij was er zeker van, dat het ten uitvoer zou worden gelegd. Ook verder zou het geluk hem dienen.

Hij was moe van zijn langen tocht en hongerig en dorstig daarbij. Hij had het gebroken kruis aan den weg gezien, waar de Welle en Daniël Tistz hem zouden wachten, en hij berekende, dat hij nog tijd genoeg had, om uit te rusten en wat te eten en te drinken. Het gevaar voor ontdekking was nu zeer gering; ja, het zou zelfs argwaan kunnen wekken, wanneer hij het stadje te haastig verliet. Hij trad dus de stadsherberg binnen en eischte brood en bier.

Terwijl hij in een hoek van de lage, donkere gelagkamer zijn eenvoudig maal gebruikte, trad er een man de taveerne binnen, die naar zijn kleeding te oordeelen tot de beambten der stad moest behooren. Hij droeg een wambuis, half geel, half blauw, op de borst waarvan het stadswapen was gewerkt en een kaproen van dezelfde kleuren. Aan zijn breeden riem hing een kort rapier.

De schoutendienaar--want het was inderdaad een van de dienaars der Poperingsche justitie--verlangde van den waard een potteke biers en begaf zich met hem in ijverig gesprek. Weldra begonnen de beide mannen veelbeteekenende blikken te werpen op den gewaanden Dominicaner. Jacob Martens voelde, dat hij bleek werd. Zou de schout toch verdenking tegen hem hebben opgevat? Als men hem herkende, als het bleek dat hij een van de vluchtelingen van Austruweel was, dan wachtte hem de galg!

Het baatte hem echter niet, of hij zich thans verwijderde. Het beste was, rustig te blijven zitten en schijnbaar geen notitie van de beide mannen te nemen.

Nadat het fluisterend gesprek der beide mannen eenige oogenblikken had geduurd, trad de schoutendienaar op Jacob Martens toe. Deze voelde een oogenblik zijn hart stilstaan: hij meende, dat hij verloren was.

De man nam echter beleefd zijn kaproen af, en verzocht verlof zich bij den eerwaarden broeder neder te zetten en aan zijn tafel zijn potteke te drinken en weldra bleek het Jacob, dat de eerzame dienaar allerminst argwaan tegen hem koesterde, maar een gezellige praatvaer was, die alleen door nieuwsgierigheid gedrongen zich bij hem had gevoegd. De komst van den "inquisiteur" had opschudding verwekt in het stille stadje. Ieder wist natuurlijk van de gevangenneming der ketters en men sprak over hun lot met medelijden, met leedvermaak of met een stille verwensching, al naar de partij, waartoe men behoorde.

--"De Schout ziet niet gaarne, dat de ketters worden vervolgd of aan den lijve gestraft," zeide de schoutendienaar fluisterend en met een gewichtig gezicht; "maar ik zeg: de plakkaten van den Koning moeten worden gehandhaafd, anders is er geen denken aan een goede justitie. Waarom onderwerpen de Sacramentarissen zich niet en gaan als goede christenen naar de Mis? Dan zou niemand hen deren."

--"Ge zijt een trouw zoon der Kerk!" zeide Jacob, terwijl hij den ander niet zonder minachting in het dikke, onbeduidende gezicht keek.

--"Dat ben ik! Zeg dat aan den deken, eerwaarde broeder. Jurriaan Jaspersz, de eerste schoutendienaar van Poperingen, heeft een afkeer van alle kettersche dolingen en hij haat alle ketters, beeldbrekers en Geuzen. En wanneer, zooals de luiden kallen, de Koning komt met een leger, om aan alle oproer en de vileynige boosheid der Geuzen een einde te maken, dan zal de heilige Inquisitie eerst recht de handen vol krijgen. Zeg aan den vromen pastoor Titelman, eerwaarde broeder, als hij als hoofd van zijn dienaars een kloeken, frisschen kerel verlangt, die niet weekhartig en laf is, dan is Jurriaan Jaspersz zijn man."

--"Ik zal u niet vergeten, Jurriaan Jaspersz," zeide Jacob, die hartelijk meende wat hij zeide. Toch wilde hij het gesprek niet afbreken. Hij begreep, dat hij van den praatzieken dienaar wel zou kunnen vernemen, wat hij verlangde te weten.

--"Er zijn zes gevangenen, nietwaar?" zeide hij.

--"Ja, zes, vier mannen en twee vrouwen," zeide Jurriaan Jaspersz. "De een is een oude klappei, maar de andere... een malsch boutje! Een paterstuk voor den deken!"

Jurriaan Jaspersz had de laatste woorden gezegd met een veelbeteekenenden blik en een grijnslach om den breeden mond, maar hij schrikte terug bij den vlammenden blik, vol toorn en verontwaardiging, waarmee de gewaande monnik hem aankeek.

--"Zeker een jonge heilige kluizenaar, pas uit het klooster," dacht de man. "De paters zullen hem wel gauw anders leeren. Maar ik heb mij daar leelijk versproken."

Jacob bedwong den weerzin, dien hij voor den ruwen kerel gevoelde.

--"Gij zult zeker de gevangenen begeleiden?" zeide hij. "Is er wel voldoende bewaking? Men zegt, dat er kwaad volk in de nabijheid is."

--"O, dat heeft geen nood," zei de praatgrage schoutendienaar. "Wij gaan met zes dienaars mede, en dan heeft de schout nog om de zes hellebaardiers van den abt van Sint Bertinus verzocht. Dat is bedekking genoeg! En daarbij, niemand dan wij en die van het heilig Officie weten, dat de ketters zullen worden overgebracht."

--"En gij zult het zeker niet verklappen, nietwaar?" zeide Jacob, die nu wist, wat hij weten wilde en opstond. Hij betaalde zijn bier en zijn brood en maakte zich gereed te vertrekken.

--"Pas goed op uwe gevangenen, Jurriaan Jaspersz," zeide hij, met lichte spotternij den schoutendienaar groetend.

--"Uw zegen, eerwaarde pater!" vroeg de man.

--"Als gij mededoogen hebt met ongelukkigen en uw ziel rein houdt van onreine gedachten, zal Gods zegen op u rusten,--eer niet!" was het koele antwoord.

De schoutendienaar staarde den vermeenden Dominicaan verbluft na.

--"Dat is een strenge pater, die Witheer," mompelde hij. "Dien zou ik niet graag voor biechtvader hebben. Dan is onze pastoor een heel ander man."

Intusschen haastte Jacob zich, om Poperingen te verlaten. Hij had er nog een oogenblik aan gedacht, om te trachten, toegang tot de gevangenen te verkrijgen, en dit zou hem waarschijnlijk zonder moeite zijn gelukt. Hij vreesde echter, dat de arme Mieke hem zou herkennen, en, eer hij haar kon waarschuwen, door een onvoorzichtigen uitroep alles zou verraden. Hij zag dus liever van zijn voornemen af en haastte zich, de afgesproken plaats te bereiken, waar de Welle en Daniël hem zouden wachten.

XI.

Toen Jacob het gebroken steenen kruis bereikte, was het reeds laat in den middag. Het was den geheelen dag een egaal beloken lucht geweest, een zacht grijze lentedag, en de schemering viel spoedig in. Jacob had zich gehaast en hij maakte zich reeds ongerust, toen hij niemand zag. Plotseling echter rezen uit een droge sloot twee donkere gedaanten op, in wie hij de Welle en Daniël Tistz herkende.

--"Goed, dat ge er zijt, jonker," zei de laatste, terwijl hij hem met ruwe hartelijkheid op den schouder klopte. "De Welle begon reeds ongerust te worden en wilde u met alle geweld gaan zoeken. Ik zei hem, dat hij zijn hoofd in den strop stak, want hij is te Poperingen bekend als de bonte hond, maar als het lang had geduurd, was hij niet te houden geweest."

--"Zijt ge geslaagd, jonker? Vertel op!" zei de Welle, wiens gezicht bleek en vertrokken was van angst.

Jacob gaf haastig maar nauwkeurig verslag van zijn ervaringen.

--"Dus de schout heeft den brief van Titelman," zei de strooper zegevierend, "en niemand weet, dat wij zijn bode hebben geknipt! En er gaan maar twaalf dienaars mede! Dat is kinderspel! Moed, de Welle, wij zullen Mieke verlossen!"

--"Maar die mannen zijn welgewapend!" meende Jacob.

--"Ik geef niet om hun hellebaarden en houwers," spotte Daniël. "Die Jurriaan Jaspersz! Ik zie zijn domme tronie al voor mij, als wij den wagen aanhouden. Met hem heb ik ook nog een oude rekening te vereffenen. Wacht maar!"

En Daniël liet zijn zwaren eiken stok door de lucht suizen en neerkomen op een denkbeeldigen rug en dat was de rug van Jurriaan Jaspersz, den eersten schoutendienaar van Poperingen.

--"Daar in dien greppel hebben wij uw kleederen, jonker," zeide de Welle; "trek nu spoedig die verwenschte pij uit. Wij houden de wacht."

Jacob verwisselde van kleederen en Daniël nam de pij en den gordel van den monnik over den arm. Bij een diepe kolk gekomen, een weinig ter zijde van den weg, nam de strooper een paar zware keien op, die hij blijkbaar met opzet klaar had gelegd, wikkelde die in de pij met het brevier en den rozenkrans van den Dominicaan, maakte alles stevig met den gordel vast, en liet toen, na zorgvuldig naar alle kanten om zich heen te hebben gezien, het pak in het donkere water zinken.

--"Wat doet ge?" vraagde Jacob verwonderd. "De kleederen zijn immers het eigendom van den monnik?"

--"Hij zal ze wel niet meer van noode hebben," zeide de strooper met een woesten lach, terwijl hij naar de grooter wordende waterkringen keek.

Jacob hoorde het, maar hij durfde thans niet vragen naar het lot van den Dominicaan.

Zij verlieten nu den weg en liepen langs smalle landwegen, eerst door de hoptuinen, toen door de bouwlanden, en bereikten eindelijk de strook broekheide, die zich langs den boschrand uitstrekte. De Welle en Daniël, die beiden het landschap kenden, aarzelden geen oogenblik, welk pad zij hadden te kiezen.

Bij het drassige broekveld gekomen, dat hier en daar door breede slooten en geulen werd doorsneden, haalde Daniël uit het hooge heidekruid drie lange polsstokken te voorschijn, die daar zorgvuldig waren verborgen. De stokken waren aan het boveneind van een stalen punt voorzien, en vormden zoo een halve piek, een geducht wapen, dat later in den vrijheidsoorlog beroemd zou worden.

--"Vooruit nu!" gebood de Welle. "Jonker, loop achter mij en pas op! 't Is hier gevaarlijke grond. Daniël, gij sluit de rij en kijk goed uit uw oogen."

Snel ging het over den drassigen grond voorwaarts. Het water borrelde soms op uit den veenachtigen bodem, en er waren plekken, waar men, blijkbaar met opzet, van graszoden en takkenbossen "stappen" had gemaakt, die een rustpunt boden aan den voet. Een vreemdeling, die het oord niet kende, zou nimmer door het verraderlijke moeras den weg hebben gevonden. Breede en diepe slooten moesten worden overgesprongen, maar de donkere boschrand kwam al nader.

Eindelijk was het bosch bereikt. Langs slingerpaden en door kreupelhout leidde Daniël Tistz, die hier in zijn element was, zijn beide metgezellen tot diep in het hout. Eensklaps hoorde Jacob verwonderd op. Een gedempt gezang trof zijn oor, psalmgezang.

--"Ja, jonker," zeide Daniël, die zijne verwondering bemerkte. "We zijn hier bij een van onze schuilhoeken, waar ik een troepje Geuskens verborgen houd, die 't te Waterloo en te Oosterweel zijn ontkomen. 't Is een veilig plekje, en als de Welle nog boschwachter was, zou ik 't hem nooit hebben verklapt."

Nog een wending van het pad en men stond voor een breed water. Slechts een geoefend springer kon er met een pols over komen. Het psalmgezang klonk duidelijker en ros licht schemerde hier en daar tusschen het jonge lentegroen door.

Daniël liet een zacht en eigenaardig gefluit hooren.

--"Zijt gij daar, Daniël?" vroeg een schorre stem.

--"Ja," zei de strooper. "Ik breng goed volk! Laat den boom zakken."

Het ritselde in de blaren en een lange boomstam, die aan een touw kon worden op en neer gehaald, viel over de sloot heen. Daniël liep behendig en snel over de smalle brug, die van boven slechts een weinig was afgeplat. Jacob volgde hem en hoewel de boom zwiepte onder zijn voet, bereikte hij toch veilig den overkant, waar ook de Welle zich weldra bij hem voegde.

--"Zijt gij dat, Peerke?" zei Daniël.

--"Ja," klonk de schorre stem uit het duister. "Maar wie is de derde man?"

--"Goed volk, als ik u zei, een officier uit het leger van Oosterweel," antwoordde de strooper ongeduldig. "Kom voor den dag en licht ons bij, want 't is hier zoo donker als de hel."

Een rosse lichtgloed viel op het pad en een donkere gedaante, die een stallantaarn met een smeerkaars droeg, kwam nader.

--"Hier is de ingang van het pad," zei de schorre stem. "Ik zal jelui voorgaan."

Ze gingen een smal pad in, dat als een tunnel in het hooge struikgewas scheen uitgehouwen. Spookachtig viel het roode licht van de lantaarn op het jonge lentegroen, dat hen aan alle kanten omringde. Het gedempte psalmgezang klonk duidelijker.

--"Is er van avond preeke?" vraagde Daniël.

--"Ja, Jan Machielsz, de manke predikant, heeft de broeders en zusters voor van avond samengeroepen. Wat je hoort, is het voorgezang. De preeke zal wel zoo aanstonds beginnen."

Een donker gevaarte doemde voor hen op uit de duisternis. Een schuur, naar het scheen. Een mat licht drong door een paar kleine ramen, met verweerde ruitjes.

Ze traden zachtjes de schuur binnen.

't Was een eigenaardig tafereel, dat ze daar aanschouwden, bij het licht van een paar lantaarns en baklampen, die hier en daar waren opgehangen.

Een dertigtal mannen en vrouwen zaten of stonden in dat gedeelte van de wijde ruimte, dat het best was verlicht. Voor hen, in een soort spreekgestoelte, niet zonder vernuft getimmerd van een groote ton, stond een kleine, in het zwart gekleede man. Hij hield een opgeslagen bijbel in de hand, en las den tekst voor, op het oogenblik, dat de drie mannen binnentraden. Het was Deuteronomium 7 : 5.

--"Maar also sult ghi hun doen:"--zoo klonk het somber door de half verlichte ruimte--"hare altaers sult ghi afwerpen ende hare opgerichte beelden verbreecken ende hare bosschen sult ghi afhouwen ende hare gesnedene beelden met vyer verbranden."

Toen volde de preek: een wilde, hartstochtelijke toespraak. 't Was geen verkondiging van het Evangelie, ook geen woord van vertroosting tot deze ballingen, vermoeiden en bitter bedroefden van ziele. 't Was een woord van toorn en van wrake. De verstrooide Geuzen werden vergeleken bij Israël, het volk Gods, dolende in de woestijn, de Roomschen bij de Kanaänieten, vijanden van God en zijn volk, die het plicht was te bestrijden, te verdelgen als het kon.

En Jacob zag, hoe de forsche gezichten van de ademloos luisterende mannen zich vertrokken tot een wreeden grijns, hoe zij de vuisten balden of krampachtig den greep van hun lang kruismes omklemden, als zij den spreker in zijn schilderingen van hun nood en hun lijden volgden of luisterden naar zijn aanhitsend, wraakademend woord.

't Was een vreemde, wilde groep, die daar stond geschaard om den ruwen kansel, in het spookachtige, rosse licht der walmende olielampen. Zoo moest eens, in den tijd der Richteren, het volk van Israël zich bij het roode licht der toortsen hebben verdrongen om een of anderen wilden woestijnprofeet, die hen aanporde tot opstand tegen hunne verdrukkers.

De stem van den prediker zweeg. Hij had een psalm opgegeven, den 79sten psalm, het 2de vers. Sommige der aanwezigen drongen naar de lampen met hunne boeken, maar de meesten kenden het lied van buiten: een der klaagliederen der verstrooide Gereformeerden dier dagen:

Ach, hoe lang sult Gij noch, o Heer geprezen, Op ons also vergramt en verstoort wezen? Hoe lang zal noch Uwen toorn sijn ontsteecken Als een vyer, 't welck men met kracht siet uitbreecken? Stort Uwen toorne swaer Over 't volck, dat voorwaer U niet wil kennen, Heere! De koninckrijcken 't saem, Sla Heer, die uwen Naem Niet aenroepen met eere.

Onder het psalmgezang bemerkte Jacob, dat, niet ver van den prediker, aan een van de ruw behouwen stijlen, die het dak schraagden, een menschelijke gestalte was vastgebonden. Naderbij gekomen, zag hij, dat het de monnik was, dien de Welle en Daniël dien morgen hadden gevangen genomen. Hij stond daar, met gesloten oogen, het hoofd leunend tegen den paal. Blijkbaar was hij daar vastgebonden, om hem te dwingen, in dien toestand de godsdienstoefening bij te wonen.

Het psalmgezang hield op en de prediker nam weer het woord. Thans was het een bittere aanklacht van de Inquisitie en haar aanhangers, wien hij een bloedig einde en een vreeselijk oordeel voorspelde. Soms scheen het, of hij zich opzettelijk tot de gebonden gestalte van den monnik richtte, en dan volgden aller oogen zijn blik en richtten zich vol haat en bloeddorst op het bleeke gezicht van den gevangene. Het was Jacob, of er een spottende glimlach zweefde op de dunne lippen van den Dominicaan, maar bij het onzekere, flikkerende licht kon hij zich gemakkelijk vergissen.

De godsdienstoefening was eindelijk afgeloopen. Zoo hunne binnenkomst die niet had doen staken, zij waren toch niet onopgemerkt gebleven. De oudsten der aanwezigen traden met den predikant op hen toe, en vraagden naar hun wedervaren. Weldra was het gesprek levendig en algemeen. Dat men zou trachten de gevangenen te bevrijden stond vast; 't was maar de vraag, hoe dit zou geschieden. Er waren er, die aan Jacob het bevel over de onderneming wilden opdragen, omdat hij een officiersrang had bekleed in het leger van Thoulouse, maar deze was zoo wijs, voor de eer te bedanken. Een onderneming als deze moest aan een man van meer ervaring worden opgedragen. Eindelijk werd besloten, dat Pieter de Welle de aanvoerder zou zijn.

Terwijl eenige vrouwen werden uitgezonden om voor de nieuwaangekomenen brood, spek en bier te halen, trad de predikant op Jacob Martens toe.

--"Ik geloof, dat ik u nog eenmaal heb ontmoet, jonker," zeide hij, Jacob scherp aanziende.