Jacob Martens: Een verhaal uit de zestiende eeuw

Part 15

Chapter 153,996 wordsPublic domain

Het huisje van den boschwachter lag daar, eenzaam en verlaten. Daar stond de oude, holle boom, waarin de Welle vóór zijn vertrek den sleutel had verborgen. Toch moesten zij zeker weten, dat er geen verraad was, voor zij de woning binnentraden. Voorzichtig en naar alle zijden rondziende, traden zij nader. Plotseling greep de Welle Jacob bij den arm en deed hem stilstaan. Er was een man van achter het huisje te voorschijn gekomen; thans stond hij voor de gesloten vensterluiken en trachtte door de reten naar binnen te zien.

--"'t Is Daniël Tistz," bromde de Welle. "Wat zoekt de strooper hier?"

--"Hij zal ons niet verraden," meende Jacob, die zich den jongen man herinnerde; "hij draagt immers ook het Geuzennapje."

--"Men kan anders zoo'n lossen kwant niet vertrouwen," bromde de Welle. "Maar voor een verrader zie ik hem toch niet aan. In elk geval, we kunnen hier niet blijven staan, jonker. Vooruit dan maar!"

Op dit oogenblik keerde de strooper zich om en zag hen. Met een luiden uitroep snelde hij op beide mannen toe. Jacob zag, dat de jonge man er bleek en ontdaan uitzag.

--"Goddank, dat ik je zie, de Welle!" riep hij heesch. "Daar heb ik God om gebeden, zooals ik nog nooit gebeden heb. Man, houd je goed, want je dochter... je Mieke..."

--"Mieke!"

De Welle werd wit als een doek. Hij greep Daniël in de borst en schudde den sterken jongen boer woest heen en weder.

--"Mieke?" siste hij. "Wat is er gebeurd? Heb jij, roffiaan, haar..."

Maar Daniël rukte zich los.

--"Laat los, de Welle!" riep hij met een wilden lach. "Denk je, dat ik hier zou zijn, als ik je dochter een haar had gekrenkt? Weet je niet, dat ik wel voor haar had willen sterven, als 'k haar zóó had kunnen redden? Mieke zit gevangen op 't slot te Poperingen! Ze is in de handen van Titelman!"

--"Van Titelman?"

Naar adem hijgend, met strakke, starende oogen, zag de Welle den boogschutter aan, en ook Jacob stond verslagen. De arme Mieke in de handen van de Inquisitie, van Titelman! Heel Vlaanderen kende hem, den verschrikkelijken deken van Rousselaere, den fanatieken priester, voor wien zelfs de Landvoogdes bevreesd was. In handen van Titelman,--dat was erger dan de dood!

De Welle vermande zich.

--"Zeg op!" zei hij met schorre stem. "Wat is er gebeurd? Ze was veilig bij haar moei te Poperingen."

--"Een stadsklerk heeft haar verraden!" zei Daniël, sidderend van ingehouden drift. "Als ik den laffen Judas in handen krijg, breek ik hem den nek. Hij wou naar Mieke vrijen, maar zij wou niets van hem weten. Toen is hij uit wraak naar den geloofsrechter geloopen. Hij had haar eens met haar bijbel en haar psalmboek verrast, het arme kind."

--"En toen...?"

--"Toen zijn de dienaars van den baljuw gekomen, en hebben haar uit het huis gehaald. Ik was er niet. Ik zou de kerels met mijn handen hebben geworgd, eer ze haar lief lijf aanraakten. Ze hebben haar op den toren van 't slot gebracht, en ze zou, naar ze te Poperingen kallen, met nog vier, die gevangen zijn om de religie, naar Rousselaere worden gebracht."

Pieter de Welle stond daar met gebogen hoofd. Bij de laatste woorden van den boogschutter schrikte hij op en wrong de handen met een kermenden zucht. De beide jonge mannen zagen hem medelijdend aan. Zij wisten, welke geruchten, ze mochten dan gegrond zijn of niet, omtrent den pastoor van Rousselaere in omloop waren.

--"En geen redding! Och, Heere God! geen redding!" steunde de arme vader.

Daniël Tistz keek hem met flikkerende oogen aan.

--"Misschien! Als je durft, de Welle!" zei hij driftig.

--"Durven? Denk je dan, dat mijn leven nog iets waard zou zijn, als dàt met Mieke gebeuren moest? Zeg op, man, wat bedoel je?"

--"Kom mee naar Poperingen! Ik zal je bij wakkere kerels brengen. 't Zijn Geuzen, die 't bij Waterloo ontkomen zijn en die zich nu schuilhouden. Ze durven, als 't er op aan komt. Als Mieke naar Rousselaere wordt gebracht, zullen wij 't weten, en dan, als wij 't goed aanleggen, is er kans, dat wij ze verlossen."

Gretig luisterde de Welle naar het plan, dat de wildstrooper nu nader uiteenzette. De weg van Poperingen naar Rousselaere liep, zooals de boschwachter ook zeer wel wist, gedeeltelijk door een bosch. Daar zouden, op een geschikt punt, de Geuzen zich in hinderlaag leggen, de dienaars van den inquisiteur dooden of onschadelijk maken en de gevangenen bevrijden. De zaak was uitvoerbaar en de Welle en Jacob waren bereid, haar te beproeven. Men zou zich terstond op weg begeven. De aangeboren voorzichtigheid van den Vlaamschen boer zegevierde nu echter over de smart en de angst van den ouden boschwachter. Hij trad zijn woning binnen, terwijl hij zijn beide metgezellen wenkte, hem te wachten. Toen hij, na een poos, weer buiten kwam, hing er een zware lederen tasch aan zijn riem: de Welle had zijn spaarpenningen opgegraven en nam ze mede.

Zij liepen verscheidene uren, ook nu weer de hoofdwegen vermijdende, langs landwegen en boschpaden, die de Welle en Daniël beiden kenden.

't Was een schoon land, West-Vlaanderen in zijn frisschen lentetooi, maar ze hadden geen oog voor het schoone, dat hen omringde. Met krampachtig gesloten vuisten, soms onverstaanbare woorden mompelend, dan weer den blik ten hemel slaande, als in stil gebed, schreed de Welle voort, terwijl zijn beide metgezellen hem van tijd tot tijd medelijdend aanzagen. Onder het gaan vertelde de strooper aan Jacob, dat de vervolgingen wegens ketterij in de laatste weken weder begonnen waren. Sinds den beeldenstorm hadden de inquisiteurs zich rustig gehouden, maar de overwinningen, door de troepen der Regeering behaald, hadden hun nieuwen moed gegeven en na den val van Valenciennes was Titelman aanstonds begonnen, zijn bloedhonden uit te zenden. Verscheidene personen waren, als verdacht van ketterij, gevangen genomen en voor de geestelijke rechters gebracht. De doodvonnissen zouden niet lang op zich laten wachten.

Men bereikte een groot bosch van eiken en beuken. De laatsten prijkten reeds met frisch, jong groen, de eersten hadden nog hun winterloof. Het terrein begon heuvelachtig te worden en de weg, die door het bosch heenslingerde, was hier en daar door hooge, met zware stammen bezette wallen omzoomd.

--"Hier zou het moeten zijn!" zeide de strooper eensklaps, terwijl hij staan bleef.

De weg maakte hier een scherpe bocht en liep dan naar beneden. De bodem was doorweekt door het regenwater, dat er zich had verzameld, en de diepe karresporen, die in en uit den modderpoel leidden, stonden vol water. Er groeide dicht struikgewas in de laagte en het geboomte was zwaar genoeg om een geheele bende te verbergen. 't Was een uitgezochte plaats voor een hinderlaag.

De Welle bleef even staan, nam het terrein met een vorschenden blik op en knikte even goedkeurend. Toen vervolgde hij echter weer zijn weg, zwijgend en haastig, en de beide jonge mannen, die begrepen, wat er in hem omging, stoorden hem niet.

Zij kwamen door het dorp Langem en hier wist Daniël den bedroefden vader te bewegen, in de taveerne wat uit te rusten en er een potteke bier te drinken. De Welle had liever den tocht voortgezet, maar de strooper beet hem toe, dat de jonker niet verder kon. Inderdaad was Jacob, die niet zooals de beide anderen aan lange dagmarschen gewoon was en die daarbij pas van zijn wonde was hersteld, doodmoede.

Zij traden de dorpstaveerne binnen en vonden er niemand, dan een Dominicaner monnik, die in een hoek van de gelagkamer rustig zijn potteke dronk, terwijl hij ijverig in zijn brevier las. Daniël nam den Witheer met booze blikken op, maar deze lette niet op hem. Na een poos dronk hij zijn potteke leeg en borg het gebedenboek in de tasch of beurs, die aan zijn gordel hing; tegelijk haalde hij daaruit een papier te voorschijn, waaraan een groot, rood zegel hing. Hij bezag het eenige oogenblikken opmerkzaam en stak het toen weder weg. De strooper zag het en zijne oogen fonkelden.

Toen de monnik vertrokken was, niet zonder een scherpen blik te hebben geworpen op de drie mannen, wenkte Daniël zijne beide metgezellen.

--"Dat is een van de bloedhonden van Titelman," fluisterde hij. "Ik ken hem wel. Als hij naar Poperingen gaat, dan kunt ge er op aan, dat hij tijding brengt van den deken. Wij moeten hem in 't oog houden."

Zij betaalden hunne vertering en volgden den monnik van verre. De Dominicaner slofte langzaam voort, tot hij de laatste huizen van het dorp achter den rug had. Toen sloeg hij den breeden karreweg in, die naar het Zuiden leidde.

--"Dat gaat naar Poperingen," zei Daniël. "Die brief is van Titelman."

--"Wij moeten hem hebben," zei de Welle gejaagd.

--"Juist, kom gauw!"

Wegduikend achter een hoogen wal van eikenhakhout, kwamen zij ongemerkt den monnik vooruit. De Welle zoowel als Daniël Tistz kenden het landschap nauwkeurig. Zij wisten de veldwegen en bijpaden en zoo, snel en zwijgend voortstappend, bereikten zij den grooten karreweg weder op een uur afstands van Langem, voor nog de langzaam voortstappende monnik in het gezicht was.

Het was een eenzame plaats. De weg liep hier door een stuk broekheide, die zich aan weerszijden mijlen ver uitstrekte. Naar het Westen zag men de donkere massa van een bosch.

--"Wat nu?" vraagde de strooper.

--"Wij moeten dien brief hebben!" zei de Welle, met de tanden op elkaar geklemd.

--"Wil je dan, dat ik...?" Met een veelbeteekenend gebaar trok Daniël zijn kruismes.

--"Je wil toch geen moord, de Welle?" vraagde Jacob.

--"Alsof er aan 't leven van zoo'n paap iets gelegen was," zei de strooper ruw. "Zullen ze Mieke niet vermoorden en haar martelen bovendien, als zij kunnen? Je moet niet zoo weekhartig zijn, jonker."

--"De Heere heeft gezegd: Mij is de wrake! Ik zal het vergelden!" zeide Jacob ernstig.

--"Zóó heb ik den bijbel niet gelezen!" lachte de ander grimmig. "Wat zeg jij, de Welle!"

--"Laat hem leven, als 't kan," gebood de koddebeier.

--"Mij is 't wel!" zei Daniël schouderophalend. "Hoewel je er hem misschien geen dienst mee doet, jonker. Want we kunnen hem niet laten loopen, en als hij in de handen valt van onze gezellen daarginds..."

Hij wees met een veelbeteekenden blik naar de bosschen in de verte.

--"Wat wil je dan doen?" vraagde de Welle.

--"Laat mij maar begaan," lachte Daniël. "Ik heb wel eens meer een boschwachter onschadelijk gemaakt. En was 't niet om Mieke geweest, de Welle... Nu, kijk maar zoo leelijk niet: ik zal niets meer zeggen. Maar, jonker, heb je wel eens van den Duinkerkschen kneep gehoord? Niet? Let dan eens op, dan zul je wat wonders zien. Maar jelui beiden moet je verschuilen, want onze vriend zal nu wel zoo dadelijk komen."

--"Achter den wal dan!" gebood de Welle, en de drie mannen verscholen zich achter het nog dorre eikenhakhout en wachtten.

De weg was eenzaam en verlaten. Bouwlanden, waar anders nu de boeren werkten, waren er niet in de nabijheid en de broekheide, waar 's nachts de grauwe nevel uit opdampte en de dwaallichten flikkerden, werd door niemand bezocht, die er niet noodig had. Heel uit de verte klonk van tijd tot tijd het "Alahoe!" van een koewachter, die zijn beesten langs de wegen liet grazen.

Weldra zagen zij den Witheer aankomen. De monnik stapte bedaard en rustig voort, onbewust van het gevaar, dat hem dreigde.

--"Let op!" mompelde de strooper.

Snel sloop hij langs den houtwal, om een eind verder weer te voorschijn te komen. Rustig, met de handen in de zakken en al fluitende, liep hij den monnik tegemoet. In zijn onmiddellijke nabijheid gekomen, week hij ter zijde, zoodat de Dominicaan hem rakelings voorbij moest, terwijl hij, schijnbaar groetend, de hand aan zijn kaproen bracht. Werktuiglijk hief de monnik de hand zegenend op, om den groet te beantwoorden.

Plotseling, met een bliksemsnelle beweging, schoot de arm van den jongen Vlaming uit en omknelde den hals van zijn slachtoffer. Tegelijk zette hij den rechtervoet vooruit, achter de beenen van den monnik, en met een forschen ruk wierp hij den man achterover op den grond, waar hij met een geweldigen smak neerkwam en verdoofd bleef liggen. De Welle en Jacob, die alles gezien hadden, braken door het kreupelhout en met hun drieën sleepten zij het bewustelooze lichaam achter den houtwal. Driftig viel Daniël op de tasch aan en haalde er het papier uit, dat zij den monnik hadden zien lezen. Hij reikte het de Welle over. Deze bezag het, doch gaf het hoofdschuddend over aan Jacob.

--"Ik kan er niets van maken!" zeide hij. "Wat is het, jonker?"

Jacob doorliep het papier vluchtig.

De monnik, die als een zoutzak aan hun voeten lag, opende de oogen. Hij keek verschrikt rond en scheen te willen opstaan.

--"Houd je gemak, pater!" zei Daniël, terwijl hij zijn gevangene den voet op de borst zette en zijn kodde dreigend ophief. "Als je een vin verroert of een kik geeft, zal ik je met dezen wijkwast zegenen--voorgoed, hoor je? Lees op, jonker!"

--"Petrus Titelman," vertaalde Jacob, "onwaardig dienaar Gods, priester en deken te Rousselaere, inquisiteur van Vlaanderen, Douai en Rijssel, aan Mr. Willem van Bodeghem, schout van Poperingen, groetenis.

"Krachtens de macht, ons verleend, door den Eerwaarden Ruardus Tapper, groot-inquisiteur der Nederlanden, en bij decreet van Zijne Koninklijke Majesteit, Philips II, Koning van Spanje, van den 28sten November 1555, zenden wij u door de hand van onzen beminden broeder Clemens, van de orde van den H. Dominicus, last en bevel, om de door u gevangen gehouden ketters, zoo mannen als vrouwen, den 16den April naar Rousselaere te zenden onder veilige bewaring van uwe gewapende dienaars, en dat tegen het vallen van den avond en zonder aan de zaak ruchtbaarheid te geven, ten einde opschudding onder de bevolking te voorkomen.

"Gegeven onder ons zegel, te Rousselaere, den 14den April, Anno Domini 1566."

De drie mannen keken elkander ontsteld aan.

--"Den 16den April,--dat is morgen!" zei Pieter de Welle met gesmoorde stem.

--"Maar de baljuw zal niets kunnen doen, nu wij Titelman's postduif hebben opgevangen," meende Daniël.

--"Dat baat niet," zeide de Welle. "Als de gevangenen niet aankomen, en als zijn bode niet terugkeert, dan zendt Titelman een ander, en dan is hij meteen gewaarschuwd. Als wij alles hadden geweten, dan hadden wij dien monnik stil moeten laten gaan. Als Daniël ten minste zijn woord kan houden..."

--"Dat kan ik!" zei de strooper. "Maar hoe krijgen wij dien brief naar Poperingen? Wij kunnen er dien eerwaarden pater moeilijk mede belasten."

De drie mannen zagen elkander verslagen aan. De monnik loerde naar hen met schichtige blikken, als een wild dier, dat in de val zit. Hij had nog geen woord gesproken.

Plotseling spanden zich zijn trekken. Hij had in de verte een zacht getingel gehoord, zoo zacht, dat het de drie mannen, die van geheel andere gedachten waren vervuld, was ontgaan. Het herhaalde zich: dat waren de bellen aan het haam van een huifkar, die daar naderde. Dààr was redding!

Loerend tusschen zijn wimpers door keek de gevangene, zonder een lid te verroeren, naar zijne vijanden, die fluisterend en met bezorgde gezichten met elkander spraken. De bellen kwamen al nader en nader, weldra zou de voerman een hulpschreeuw kunnen hooren. De monnik steunde reeds de ellebogen tegen den grond, gereed om met een schok zich op te richten en zijn noodgeschrei aan te heffen.

Daar klonken op eens de bellen luider en sneller: het voortsjokkende paard had blijkbaar hevig den kop bewogen. Verrast keken de Welle en zijne metgezellen op: met een enkelen blik had Daniël den toestand overzien en het gevaar begrepen.

Met een sprong was hij bij den monnik.

--"Ha, wou je dat, schobbejak!" siste hij, terwijl hij den man bij de keel greep en zijn hoofd neerdrukte in de vochtige heide.

--"Houd op! Je worgt hem!" fluisterde Jacob.

--"Laat mij maar begaan!" zei de strooper norsch.

Hij rukte zich den halsdoek af, draaide dien tot een bal ineen en wrong hem als een prop in den mond van den gevangene, die tevergeefs tegenspartelde. Toen, terwijl hij met de eene hand den monnik in bedwang hield, haalde hij een dun, maar sterk touw uit den zak en met behulp van de Welle bond hij hem de handen op den rug.

"Ziezoo, pater!" zei hij grijnzend. "Nu kunt ge ons de misse lezen! Het belleken klinkt reeds."

De kar was nu nabijgekomen. Neergehurkt achter het hakhout bij hun gevangene, zagen de drie Geuzen haar voorbijgaan. Een paar boeren liepen er naast, pratend en lachend, weinig vermoedend, wat daar achter den houtwal voorviel.

--"Wij kunnen hier niet blijven," zei de Welle, toen het gerinkel der bellen in de verte was weggestorven. "Wij moeten dien pater eerst in veiligheid brengen."

--"Hij zou het veiligst zijn op den bodem van een veenplas," gromde Daniël, terwijl hij met een schuinschen blik naar Jacob zag.

--"Laat hem!" gebood de Welle. "De jonker heeft gelijk. 't Is een bloedhond, maar een moord in koelen bloede wil ik niet. We kunnen hem meenemen naar dien schuilhoek, waarvan je hebt gesproken."

Nu kwam Jacob met een plan voor den dag. Hij zou de pij van den Dominicaner monnik aandoen, en in die vermomming naar Poperingen gaan, om het bevelschrift aan den baljuw te overhandigen, en, zoo mogelijk, de inlichtingen in te winnen, die zij noodig hadden voor het slagen van hun plan. Zijn langdurig verblijf in het Dominicaner klooster maakte, dat hij zonder moeite zijn rol zou kunnen spelen.

Daniël nam gretig den voorslag aan en maakte zich gereed, den Witheer van zijn scapulier en opperkleed te ontdoen. De Welle bleef met gefronst voorhoofd naar den grond staren.

--"'t Is een gewaagd stuk, jonker!" zei hij eindelijk met gesmoorde stem. "Als 't niet om Mieke was, dan zou ik... Maar er is toch één bezwaar."

Hij wenkte de beide anderen ter zijde en ging fluisterend voort.

--"Hoe weet ge, of die broeder Clemens niet bij den schout bekend is? In dat geval zou de jonker terstond gevangen genomen worden en de schout zou dadelijk begrijpen, dat er onraad was."

--"We zullen het hem seffens vragen!" zei Daniël. "Hé, paap, zeg op: hoe ziet de schout van Poperingen er uit?"

Hij knielde bij den monnik neder en nam de prop uit zijn mond. De Witheer haalde diep adem, maar gaf geen antwoord. Hij sloot de lippen vast op elkander en zag den strooper aan met een blik, waaruit haat en verachting sprak.

--"Je zult spreken, vermaledijde paap!" siste Daniël woedend. "Jonker, ga op den weg en houd er de wacht, dat wij niet overvallen worden."

Jacob bleef een oogenblik weifelend staan. Hij begreep, dat de beide mannen den monnik tot spreken wilden dwingen. Het stuitte hem tegen de borst een weerlooze te martelen,--maar Mieke, het onschuldige kind dan? En hij zag aan de woeste blikken van Daniël, aan de vastberaden houding van de Welle, dat de beide mannen zich door zijn tegenwerpingen niet zouden laten weerhouden.

--"Spreek dan toch, man!" zei hij, dreigend, bijna smeekend.

De monnik vestigde zijn gloeiende blikken op den jongen man, maar hij bleef zwijgen.

--"Ga nu toch, jonker!" riep Daniël Tistz ongeduldig.

Jacob brak door den houtwal heen en ging een eind den weg op, tot hij een punt had bereikt, waar hij dien in beide richtingen kon overzien. Het was een mooie, stille lentemorgen, zacht, met een beloken lucht. Vredig en kalm strekte zich het landschap rondom hem uit; ook de landweg was weder eenzaam en verlaten. Slechts een paar kieviten, wier nest vermoedelijk in de nabijheid was, vlogen, luid krijschend, in breede kringen rondom den indringer. De bremstruiken aan de zijden van den weg maakten frissche groene scheuten, en over de heide brak door het bruine winterkleed de zachtgroene tint van de duizenden uitbottende heideplantjes.

Jacob liet zijne oogen over het vreedzame landschap dwalen. Wat was Gods schepping schoon, en ach, hoe bedierven de menschen al het schoone en goede, hun door Gods liefde geschonken, door hunne zonden en hartstochten! Wie, die het vredige landschap, ontluikend in de jonge lente, aanschouwde, zou hebben vermoed, dat thans in dat schoone Vlaanderen duizenden harten klopten van bange vreeze of gloeiden van woeste wraakzucht!

Onwillekeurig herdacht Jacob de gebeurtenissen der laatste weken. Wat al blijde hope was daar in weinige dagen vernietigd--voorgoed naar het scheen. Wat waren zij moedig uitgetrokken, de jonge Geuzenedelen, om hun land te ontrukken aan het geweld van een Regeering, die een vrij volk in boeien wilde slaan, het wilde dwingen naar den wil van een Spaanschen koning, die niet over dat vrije volk wilde regeeren, maar slechts wilde heerschen over een troep slaven, die nederig voor hem kropen, die zelfs hun God slechts zóó wilden dienen en belijden, als hij, de vorst, het hun voorschreef.

Helaas, wat was er geworden van al die schoone verwachtingen? Thoulouse was dood! Het Geuzenleger was vernietigd! De edelen waren in ballingschap, de strijders voor de vrijheid, die niet waren gevallen, hielden zich schuil in bosschen en moerassen, uit vrees voor de galg. De Inquisitie loerde overal naar haar prooi. En uit de verte, uit Spanje, dreigde het onweer: de Koning zou komen, hij zou komen met een groot leger, om de oproerigen te straffen en de vrijheden des lands voorgoed te vernietigen.

Een schorre schreeuw, die van achter het hakhout kwam, deed hem opschrikken uit zijn gepeins. Dat was blijkbaar de monnik! Onwillekeurig deed Jacob een paar stappen in de richting van het geluid. Weder klonk de schreeuw, feller en pijnlijker dan zooeven. Toen volgde er een dof gemompel van stemmen. Jacob huiverde. Men martelde den man, dat was duidelijk, en het stuitte hem tegen de borst, daarvan getuige te moeten zijn. Een oogenblik stond hij besluiteloos: zou hij tusschenbeide komen? En zou zijn tusschenkomst iets baten?

Daar dook de lange gestalte van de Welle uit het hakhout op. De kleine, helblauwe oogen van den koddebeier fonkelden.

--"Kom, jonker!" riep hij, "'t is er uit! De paap heeft gebiecht! Wij weten, wat we noodig hebben!"

Jacob volgde hem naar de plaats, waar de monnik lag. Daniël Tistz lag bij den gevangene geknield. Een dun koord met knoopen was om de slapen en het voorhoofd van den Dominicaan gebonden en daartusschen had hij het heft van zijn kruismes gewrongen, zóó, dat hij het touw kon toesnoeren, dat bij elken slag dichter om het hoofd van den gepijnigde knelde, terwijl de harde knoopen door de huid drongen. Daniël maakte nu het foltertuig los; een roode striem liep over het bleeke, bebloede gelaat van den monnik en zijn donkere oogen puilden uit van pijn en doodsangst.

--"Ik heb den paap eens laten proeven, hoe de stroppelkoord smaakt, waar zijn patroon Titelman zoo gul mee is!" zei de strooper woest. "Hij heeft alles bekend, jonker. Men kent hem niet te Poperingen. Hij is hier pas aangekomen uit het Maastrichtsche, om den deken te helpen. Nu de Geuzen verslagen zijn, kreeg de Inquisitie dubbel werk, zoo zei hij, de bloedhond."

Hij gaf den monnik een verachtelijken schop. Jacob zag de donkere oogen in het bebloede gezicht zich op hem vestigen met een blik van angst en haat. Huiverend wendde hij zich af.

--"Kom, jonker," zei de Welle, "'t is nu geen tijd om weekhartig te zijn. Denk aan Mieke en wat er met haar gebeuren zal, als zij eens te Rousselaere, in de klauwen van Titelman is. Blijft ge bij uw plan, om naar Poperingen te gaan?"

Jacob knikte toestemmend. De beide mannen maakten de touwen los, waarmede de Dominicaan gebonden was en ontdeden hem van zijn pij, zijn gordel en zijn tasch. Jacob verwisselde zijne boerenkleeren met het kloostergewaad. Hij droeg in den laatsten tijd het haar kort, als een krijgsman paste en Daniël, die in de tasch van den monnik een schaar had gevonden, maakte hem met groote handigheid een tonsuur.

--"Ziezoo, jonker," zei hij, "nu zie je er uit als een echte paap. Je bent in 't klooster geweest, zegt de Welle. Dat treft goed. Breng dien brief aan den schout en zie te weten te komen, hoeveel knechten hij zal meegeven, en laat dan de rest maar aan ons over."