Jacob Martens: Een verhaal uit de zestiende eeuw
Part 14
Te middernacht werd hij gewekt door Pieter de Welle, die het halve vendel piekeniers reeds had doen aantreden, en door de nu stille dorpsstraat, langs de smeulende vuren, waarom de soldaten in allerlei houdingen lagen te ronken, marcheerde men naar de halfvoltooide aardwerken. Na van zijn luitenant, die de wacht had, vernomen te hebben, dat er zich niets verdachts had voorgedaan, maakte de jonge vaandrig zich tot zijn wacht gereed. Het halve vendel, dat hij had afgelost, was spoedig in de duisternis verdwenen. De soldaten, grootendeels recruten, waren blijde, dat zij hunne warme kwartieren konden opzoeken. Jacob luisterde een oogenblik naar de zich verwijderende voetstappen en begon toen zijne schildwachten uit te zetten, terwijl zijne andere manschappen zich legerden achter den half voltooiden aarden wal. De jonge vaandrig beklom met de Welle het ravelijn, waar de vier veldslangen in batterij stonden, en staarde naar het stille landschap, dat zich daar zoo vredig uitstrekte in het maanlicht. Achter hem lag het dorp en het kamp, hier en daar grillig verlicht door den rossen gloed der houtvuren, terwijl de duizenderlei geluiden, die er uit opstegen, zich met het bruisen van de Schelde vereenigden tot een dof gerucht. Vóór hem was alles schaduw en stilte. Slechts het dof gehuil van een werfhond klonk uit de verte over de eenzame vlakte, en--van tijd tot tijd--het eentonig geroep der schildwachten, die, volgens het consigne, elkander aanspoorden tot waakzaamheid. De woorden van Thoulouse hadden een diepen indruk op hem gemaakt. Wat zouden de eerste dagen hem brengen? Zou hij hier sneuvelen in een onbeduidende schermutseling, een rebel tegen het gezag van zijn wettigen landsheer, of zou zijn naam weldra met eere genoemd worden onder de bevrijders zijns volks? Hij dacht aan de tooneelen van ruw geweld, van brooddronken vernielzucht, die hij in de laatste dagen had bijgewoond, en die de Geuzenaanvoerders niet hadden kunnen, en soms ook niet hadden willen verhinderen. O, de zaak, die hij diende, was de zaak des Heeren, de zaak der vervolgden en verdrukten daarginds; onder die ruwe soldaten waren zeker ook mannen Gods, eenvoudige burgers en landlieden, die alles hadden verlaten, om die heilige zaak te dienen en er voor te sterven, als het zijn moest. Maar dat waren zij niet allen. Waarom werd die schoone, heilige zaak al aanstonds bevlekt door zooveel, dat onrein en onheilig was? Waarom duldden Thoulouse en Treslong die woeste plunderaars, dien lichtzinnigen hoop avonturiers, in hunne gelederen? Was het niet beter, te strijden met een Gideonsbende van vrome, ernstige mannen,--om te overwinnen of onder te gaan, als het Gods wil was, dan zóó het schoone, reine ideaal der vrijheid te bezoedelen?
De stem van Pieter de Welle wekte hem uit zijne mijmering.
--"Zou het nu eindelijk waar zijn, jonker, dat de Duitsche vendels in aantocht zijn?" vraagde de rotmeester. "Ze spreken er over in het kamp en ze zeggen, dat het zeker is. De jonker woont als officier den krijgsraad bij en heeft allicht meer gehoord, dan wij, arme drommels."
Jacob kon hem niets stelligs mededeelen. Er liepen geruchten, dat Lodewijk van Nassau en Nicolaas de Hames met troepen in aantocht waren, maar zelfs de officieren wisten niets met zekerheid. De Welle trok een bedenkelijk gezicht.
--"Ik zou met mijn domme verstand zeggen, dat de adellijke heeren, die ons aanvoeren, wel beter hunne plannen hadden mogen maken, vóór zij begonnen!" mompelde hij.
Jacob kon hem geen ongelijk geven. Inderdaad getuigde de geheele onderneming meer van moed en geestdrift, dan van krijgsbeleid, meer van een rekenen op mogelijke kansen, dan van een weloverlegd plan.
--"Ik mag lijden, dat de vendels bijtijds komen," ging de Welle voort, "want zie, jonker, die kerels daarginds zijn tegen geregelde troepen niet veel waard. Als die van Brussel verstandig zijn, en goede soldaten tegen ons uitzenden, vóór wij versterking hebben gekregen, dan loopt het mis."
--"Wij vechten voor Gods zaak en voor Zijn Woord, de Welle!" zeide Jacob.
--"Voorzeker, jonker! Maar de Heere God beproeft ook Zijn volk, als het zijn moet. Hij overwint soms met zwakke middelen,--maar dan waren het Zijn middelen. En als er nu niet een Simson opstaat, om ons te verlossen van de Filistijnen... Zie, jonker, ik heb bij St. Quentin gevochten en ik weet, wat de oorlog is en ik zeg u, dat de kerels daarginds bij den eersten aanstorm van een paar vendels landsknechten als een kudde schapen uiteen zouden stuiven. En nu, jonker, nog een woordje. Ik voel mij soms bezwaard, dat ik u hielp vluchten uit het klooster. Ge zoudt er veilig zijn geweest. Ik dacht toen, dat onze heeren beter wisten, wat ze eigenlijk wilden, en het is mij soms, als zou ik uw dood op mijn geweten hebben, als ge kwaamt te vallen. Vergeef mij dat, jonker!"
Er kwam een vreemde trek op het gerimpelde gezicht van den ouden boschwachter. Zijne lippen trilden. Jacob vatte zijn hand.
--"Ik heb je niets te vergeven, de Welle," zei hij trouwhartig. "Ik dank je, voor wat je gedaan hebt. Liever val ik in een eerlijken strijd, dan dat ik zien moet, hoe dit arme volk wordt gemarteld en verdrukt, terwijl ik een leven van gemak en genot zou leiden. Waarom is mijn leven meer waard dan het jouwe, en dat van zoovelen onzer makkers, die óók alles verlaten hebben voor de goede zaak? Nog eens, ik dank je voor wat je voor mij gedaan hebt, de Welle, en, moet ik vallen, breng dan mijne groeten aan mijne ouders, aan mijne lieve zuster, en--en aan joffer de Bette, en zeg hun, dat ik gedaan heb wat ik moest, maar dat ik ze allen heb liefgehad tot mijn laatste oogenblik. En voor het overige,--wij zijn in Gods hand!"
--"Amen, jonker," zeide de Welle ernstig, "zóó is het goed. En nu, de nacht is nog lang en 't zal morgen een vermoeiende dag zijn. Ik ben aan het waken gewoon. Als de jonker nu eens een paar uur ging rusten? Als er iets voorvalt, zal ik u terstond roepen."
Jacob liet zich overhalen. Hij vond een beschut plekje achter een paar schanskorven, wikkelde zich in zijn mantel en sliep weldra rustig in. Hij droomde, dat hij in den hof van het ouderlijk huis was. Hij zocht er Madeleine en Klaartje, die zich verstopt hadden; hij hoorde het zacht gelach der meisjes, die zich achter de hooge palmstruiken verscholen hadden. Hij wilde er heen snellen, maar een hand greep hem bij den schouder. Hij zag om, het was Thierry de St. Foy, die hem grijnzend vastgreep. Hij worstelde om los te komen, maar de ander hield hem vast en schudde hem,--en hij werd wakker.
--"Jonker! jonker!" riep de stem van de Welle, die hem wakker schudde. "Kom, er is onraad!"
Jacob vloog overeind en volgde den rotmeester op het ravelijn. De dag begon aan te breken, maar de dichte morgennevels bedekten het lage land. De Welle snoof de frissche lucht krachtig op, terwijl zijn scherpe oogen naar het Noord-Oosten tuurden, als wilden zij den mist doordringen.
--"Ruikt ge niets, jonker?" vraagde hij.
Een vreemde, flauwe lucht, als van geschroeid vet, kwam op het scherpe Noordenwindje tot hen. Jacob kende dien reuk. 't Was die van smeulende lonten. Het kon niet uit het kamp komen, dat beneden den wind lag. Daarginds naderden soldaten. Maar waren het vrienden of vijanden? Zie, nu werd ook een der schildwachten, een oud-gediende, die bij St. Quentin en Grevelingen had gevochten, opmerkzaam en keek vragend naar den vaandrig en den rotmeester op.
--"Als ge 't goedvindt, jonker," zeide de Welle, "zal ik een paar man nemen, en op verkenning uitgaan."
Jacob stemde toe; de Welle koos een paar mannen uit en verdween met hen in den nevel, terwijl een korporaal naar het dorp werd gezonden, om Thoulouse te waarschuwen. De jonge vaandrig bleef op de verschansing en trachtte den nevel met zijne blikken te doorboren. Weldra vernam hij het onbestemd gerucht van de nadering van een groote menschenmassa, maar hij kon nog niets onderscheiden.
Na een groot half uur kwamen de verkenners terug. Er naderde inderdaad een groote troepenafdeeling, zoo berichtten zij; 't waren verscheidene vendels, zoowel landsknechten als arquebusiers en ze hadden ook geschut bij zich, maar of het vrienden of vijanden waren konden ze niet zeggen. De vendels marcheerden met opgerolde vaandels. Alleen een der soldaten, een burger van Antwerpen, die zich het verst vooruit had gewaagd, wist te vertellen, dat het Duitsche voetknechten waren, en dat hij Heer Nicolaas de Hames, dien hij dikwijls te Antwerpen had gezien, duidelijk had herkend.
Er waren inmiddels soldaten uit het dorp komen toeloopen en terstond verspreidde zich de tijding door het kamp: "Het waren de Duitsche hulptroepen, die daar naderden; men had ze herkend."
En nu bleek het duidelijk, hoe weinig krijgstucht er heerschte onder dien bijeengeraapten troep krijgsvolk. Tevergeefs roffelden de trommen en gaven de hoplieden hunne bevelen. Slechts de vendels, die te Antwerpen waren geworven, schaarden zich om hunne vanen; de overigen snelden naar de borstwering, en onder luid gejoel en met een luidruchtig "Vive le Geus!" werden de vermeende bondgenooten afgewacht.
Jacob stond naast Thoulouse op het ravelijn. Het aangezicht van den aanvoerder gloeide van spanning en blijde hoop. Toch gaf hij bevel aan zijne officieren, om hunne soldaten tot hun plicht te roepen. Maar het was hem aan te zien, dat hij overtuigd was, dat de Antwerpenaar goed had gezien. Dààr kwamen de Duitschers: alles zou nog goed komen!
En nu trokken de morgennevels op en men kon de naderende vendels onderscheiden, die daar zwijgend aanrukten met opgerolde vanen. De punten der pieken flikkerden in de Maartsche morgenzon. Zij kwamen nader en nader, onder het luid gejubel der Geuzen. Ze waren al op een musketschots afstand. Voorop marcheerde een vendel piekeniers, met stalen stormhoeden en blinkende borstkurassen. "Ha! vive le Geus! dàt waren de dappere Duitsche landsknechten!"
Een luid commando klonk, het vendel verdeelde zich, zwenkte links en rechts en door de opening in de gelederen kwamen in den looppas andere soldaten, met roode wapenrokken en roode pluimen op de breedgerande hoeden. Ze waren gewapend met haakbussen, zware lontgeweren, die bij het schot op een vork of haak werden gelegd. Op het gezicht van die mannen veranderde het gelaat van Thoulouse. Dat was verraad! Dat waren de arquebusiers van de lijfwacht der Landvoogdes. Hij wilde een bevel geven,--maar reeds hadden de schutters zich in twee gelederen geschaard, reeds vielen de lompe vuurwapenen op de ijzeren haken,--één oogenblik nog en een daverend salvo klonk en een hagelbui van kogels sloeg onder de verschrikte Geuzen.
En tegelijk ontplooiden zich de vaandels en ze vertoonden het Spaansche knoestkruis; de arquebusiers weken en in gesloten gelederen rukten de piekeniers voorwaarts, onder het veldgeschrei der Regeeringstroepen: "Vive le Roy! Slaet dood! Slaet dood!"
Het was Heer Philip de Lannoy, Heer van Beavoir, met zijne troepen, door de Landvoogdes gezonden, om den opstand te dempen.
Er heerschte een onbeschrijfelijke verwarring onder de Geuzen. De meesten vluchten naar het dorp terug en slechts weinigen schaarden zich om Thoulouse, om de verschansingen, zoo mogelijk, nog te verdedigen. Dit bleek echter alras ondoenlijk. De vijand had thans zijn volle macht kunnen ontwikkelen en tastte nu van drie zijden het kamp aan. Het dappere, maar kleine troepje dreigde te worden afgesneden. Pieter de Welle, die zijn vaandrig niet had willen verlaten, zag het gevaar, waarin de Geuzenaanvoerder met zijn getrouwen verkeerde. Weinige schreden van hem af stonden de veldstukken, die door de kanonniers verlaten waren, zonder dat er een schot was gelost. Een nog smeulende lontstok lag naast de geladen kanonnen. De Welle greep de lont op en een oogenblik later donderden de vier schoten over de vlakte. De stukken waren niet gericht en de losbranding deed den vijand weinig schade, maar de aanvallers werden een oogenblik in hun vaart gestuit en Thoulouse slaagde er in, met de zijnen het dorp te bereiken. Hij vond er zijn eigen vendel, dat zich op een boerenerf zoo goed mogelijk had verschanst, en hij, Jacob Martens en een edelman uit het geslacht der van Boetzelaers stelden zich aan het hoofd van deze dappere mannen, om zich tot het uiterste te verdedigen.
Van een geregelden tegenstand was trouwens geen sprake meer. De Geuzen waren wel sterker in getal, dan hun aanvallers, maar zij waren overvallen en terstond in verwarring gebracht. Hier en daar hadden zij zich verschanst in de woningen en schuren van het dorp en zij boden een verwoeden tegenstand, want zij wisten, dat zij vochten voor hun leven! De soldaten van Lannoy hadden in last, geen kwartier te geven, en zij gehoorzaamden trouw aan dat bevel. De vluchtende Geuzen werden zonder genade neergehouwen of doorstoken.
Thoulouse had een aantal busschieters post doen vatten voor de vensters der boerenwoning en door hun vuur wisten zij een poos lang de piekeniers op een afstand te houden, die dekking moesten zoeken in de naburige huizen, maar nu verschenen de Brusselsche arquebusiers, en de zware kogels hunner haakbussen sloegen door deuren en vensterluiken en doodden of verwondden de schutters der Geuzen. De piekeniers rukten voorwaarts met gevelde speren, het vendel van Marnix deed een uitval en op het erf voor de hoeve ontstond een moorddadig gevecht.
Van uit het dakvenster der hoeve wierp Thoulouse een wanhopigen blik naar Antwerpen, waarvan de torens, ja zelfs de hooge muren nog door den rook waren te onderscheiden. Zou er geen ontzet komen opdagen? Men moest er het schieten gehoord hebben; men moest er weten, dat hij en de zijnen werden vermoord. Zouden de Gereformeerden van Antwerpen hunne broeders laten slachten? Hoorde hij niet het roffelen der trommen van de dappere Antwerpsche schutterij?
Helaas, de hooge muren daarginds bleven doodsch en stom.
Weinig wist Thoulouse, dat op datzelfde oogenblik een groote menigte zich verdrong voor de Roode poort, luide eischende, dat men die zou openen, opdat zij hunne strijdende broeders te hulp mochten snellen. Dat zijn jonge vrouw, met bleeke wangen en roodbekreten oogen de burgers smeekte, om toch haar man niet te laten vermoorden door de bloeddorstige soldaten der Regeering, maar dat Oranje en Hoogstraten, gehoorzamende aan een harde en pijnlijke noodzakelijkheid, met gevaar van hun eigen leven het woedende volk in bedwang hielden, en zóó Antwerpen bewaarden voor het lot, dat weldra Valenciennes zou treffen.
Nog had de ure der bevrijding niet geslagen. Hij en de zijnen moesten worden opgeofferd: het kon niet anders.
Een verdacht geknetter deed zich hooren en een scherpe rook vulde het vertrek. Een musketier had een brandende lont op het droge rieten dak geslingerd. Het huis stond in brand.
In het voorhuis vond Thoulouse Jacob Martens, den Heer van Boetzelaer en de soldaten, die de hoeve bezet hielden. Zelfs de gewonden hadden zich hierheen weten te sleepen.
--"Wij moeten er ons doorheen slaan, kameraden!" zei de Geuzenaanvoerder met vaste stem. "God zij onze zielen genadig! Vaarwel, van Boetzelaer! vaarwel, Jacques! Als gij 't ontkomt, denk aan uw belofte!"
Een krachtige handdruk tot afscheid en de versperringen werden weggenomen, de deur ging open en met den degen in de vuist wierpen zich de Geuzen op de tierende soldaten.
Het was een kort, wanhopig gevecht tegen een verpletterende overmacht, maar toch hielden de Geuzen zich dapper tot het laatste. De Heer van Boetzelaer viel aanstonds, een speer had hem onder den stalen ringkraag in de keel getroffen. Ook Jacob was gewond, maar hij voelde het niet. Hij wist niet, wat hij deed, of waar hij zich bevond. Werktuiglijk verdedigde hij zich tegen de opdringende soldeniers en weerde stooten af en hieuw en stiet naar de vertrokken gezichten, die hij voor zich zag,--terwijl er in zijn bewustzijn een vreemd gevoel van verwondering was, dat hij het was, hij, Jacob Martens, die daar vocht voor zijn leven. Als in een benauwden droom zag hij voor een oogenblik het bleeke gelaat van Thoulouse, die, zonder helm en met gebroken zwaard tegen een schuur stond geleund. Hij hoorde hem roepen, dat hij Jan van Marnix was, dat hij rantsoen bood, toen hoonend gelach, woedend geschreeuw,--en hij zag het bleeke gelaat niet meer.
De val van Thoulouse had voor een oogenblik de aandacht der soldeniers afgeleid, en allen waren naar de schuur gesneld, waar,--zooals een tijdgenoot vermeldt--het lichaam van den edelman letterlijk in stukken gehouwen werd. Jacob Martens stond een oogenblik, duizelig van het bloedverlies, tegen den boom van een kar geleund. Een der aanvallers, een luitenant van het voetvolk van Egmond, dien hij in het gevecht een lichte wonde had toegebracht, had hem niet uit het oog verloren, en drong met zijn "halven piek" op hem in. Jacob weerde den stoot af en deed half werktuiglijk een uitval met zijn degen, maar hij gleed uit op den van bloed doorweekten grond en viel. In een oogenblik was zijn tegenstander op hem toegesprongen. Hij drukte hem neer met zijn plompen voet en zette zijn slachtoffer de punt van de korte speer op de keel.
--"Bid een Vader ons, jonge Geus!" riep de kerel zegevierend.
Een donkere gedaante drong door den rook van de brandende hoeve. Het was Pieter de Welle. Zijn hellebaard had hij bij het begin van het gevecht gebroken, maar hij had een ander wapen opgeraapt, een "gepinde kodde", een knots, van stalen punten voorzien, een vreeselijk wapen in een krachtige hand. Eer de landsknecht den doodelijken stoot kon toebrengen, suisde de kodde door de lucht en kwam pletterend neer op den ijzeren stormhoed en de man zakte levenloos ineen.
--"Kom gauw, jonker," riep de Welle, terwijl hij den half bewusteloozen vaandrig op de been hielp; "alles is uit! wij moeten zien, dat wij wegkomen!"
--"Thoulouse! En onze mannen! Ik kan niet..." stamelde Jacob.
--"De Heer van Marnix is dood en onze mannen ook! Wij moeten aan ons zelf denken!" drong de Welle. "Kom, jonker!"
Half werktuiglijk volgde Jacob den gewezen boschwachter, die ook nu weer toonde, dat hij een uitstekende gids was. Hij had het terrein blijkbaar nauwkeurig opgenomen en kende den weg. Tusschen brandende huizen en schuren door, over den grond kruipend, waar de dichte rook het soms onmogelijk maakte om rechtop te gaan, bracht hij Jacob buiten het dorp. Voortsluipend achter een dichte beukenhaag, waarvan het verdorde loof hen ook nu in dit seizoen voor de blikken van den vijand verborg, bereikten zij den oever van de Schelde en gleden in het hooge riet. Daar lag een oude roeiboot, behendig in het riet verborgen.
--"Die heb ik gisterenavond een eind stroomopwaarts gevonden," zeide de Welle. "Ik heb ze hier in veiligheid gebracht, want de zaken stonden mij niet aan en ik wist niet, of zoo'n boot mij niet eens te pas kon komen. Ga in de schuit liggen, jonker, en houd u stil! Vooreerst zijn wij hier veilig!"
Achter hen ging Austruweel in vlammen op. Daar klonk het gejuich en getier der soldaten en het noodgeschrei der Geuzen, die door hunne vijanden op de punten der speren in de brandende huizen en schuren werden gedreven. Een aantal vluchtelingen bereikten hoogerop de rivier en sprongen in het water, om naar de overzijde te zwemmen, maar de arquebusiers, die hen vervolgden, laadden hunne haakbussen, en, luid schreeuwende dat zij op de eendenjacht gingen, schoten zij op de zwemmers. Verscheidenen hunner werden getroffen, anderen werden door den sterken stroom meegesleept en verdronken. Slechts een enkele bereikte den anderen oever.
De Welle begreep, dat de soldaten, zoodra zij hun bloedig werk in het dorp hadden verricht, het riet zouden doorzoeken. Hij had echter een wel overlegd plan. De rivier maakte even vóór Austruweel een bocht en hij had opgemerkt, dat de stroom met kracht tegen den rechter oever liep, waar hij zich thans bevond. Voorzichtig trad hij uit het riet te voorschijn en wierp een stuk hout in het water. Het gebeurde, zooals hij het had verwacht: het hout werd door den stroom gegrepen en meegevoerd naar het midden der rivier.
Hij maakte nu snel de boot los, strekte zich naast Jacob op den bodem uit en liet het vaartuig met den stroom afdrijven. De boot volgde denzelfden weg als het stuk hout. Wel losten eenige soldaten hunne haakbussen en liepen al schreeuwend en dreigend een eind den oever langs, maar de Welle wachtte zich wel, overeind te komen, vóór hij wist, dat de trefkans van de schoten der lompe vuurwapenen op een bewegend doel al zeer gering was. Toen nam hij de riemen op, en, met een bezorgden blik op zijn jonker, die, uitgeput door bloedverlies, bewusteloos in de boot lag, roeide hij naar den Vlaamschen oever, zonder zich te storen aan de matte kogels, die naast en achter de boot het water hoog deden opspatten.
X.
Vier weken na dien noodlottigen dag naderden twee mannen, als Vlaamsche boeren gekleed, en waarvan de eene veel jonger was dan de andere, het dorp Gentbrugge. Behalve hun stevige stokken, aan de punten met ijzer beslagen, droegen zij geen zichtbare wapenen.
Het waren Jacob Martens en Pieter de Welle. Na hunne ontsnapping had de Welle doorgeroeid tot Callo, nadat hij inderhaast Jacobs wonde zoo goed mogelijk had verbonden, om het bloeden te stelpen. Te Callo hadden zij onderkomen gevonden bij een visscher, die een geloofsgenoot bleek, en die hen gaarne een schuilplaats gaf, toen hij vernam, dat zij vluchtelingen van het leger der Geuzen waren. Zij bleven er tot Jacob, die door bloedverlies zeer was verzwakt, geheel was hersteld, en in dien tijd werkte de Welle voor hen beiden, doordat hij den visscher, hun gastheer, hielp bij zijn bedrijf. Van de marktschippers, die op Antwerpen voeren, vernamen zij, hoe het met hunne kameraden was afgeloopen. Het geheele Geuzenleger was vernield; vele vluchtelingen waren in de Schelde of in de moerassen gesmoord en de Heer de Lannoy had driehonderd gevangenen aan de boomen in den omtrek laten ophangen.
Ze hoorden er ook het rampzalig lot van Valenciennes. Ze vernamen, hoe de ongelukkige stad, na een dapperen tegenweer, zich aan Noircarmes had moeten overgeven en hoe deze, ondanks zijn belofte van vergiffenis, den bevelhebber Michel Herlin en zijn zoon had laten onthoofden, en de predikanten la Grange en Guido de Bray, met nog tweehonderd Gereformeerden, had laten ophangen.
Eindelijk hoorden zij, dat de Landvoogdes, moedig geworden door de overwinning harer troepen, aan de Regeering van Antwerpen den eisch had gezonden, dat de Hervormde predikanten de stad binnen vier en twintig uren en het gebied der Nederlanden binnen de drie dagen zouden hebben te verlaten op straffe van de galg,--en dat de Regeering het hoofd had gebogen, dat de predikanten hadden gehoorzaamd, en dat met hen een groot aantal Gereformeerden, bevreesd voor de wraak der Roomsche partij, de stad hadden verlaten, om naar Engeland of Duitschland uit te wijken. Het scheen gedaan met de zaak der Reformatie.
Nu achtte de Welle het ook niet veilig meer, nog langer in de buurt van Antwerpen te vertoeven. Hij sprak met Jacob af, dat zij eerst, zoo goed mogelijk vermomd, naar Gentbrugge zouden gaan, waar de boschwachter in zijn huisje een kleine som geld veilig verborgen had; vervolgens zouden zij te Poperingen naar Mieke gaan zien, om dan over Duinkerken met een of ander visschersvaartuig naar Engeland uit te wijken en dààr betere tijden af te wachten,--zoo die ooit nog voor de rampzalige Nederlanden mochten aanbreken.
Vóór het begin der onderneming was hun hunne soldij uitbetaald,--want het ontbrak de aanvoerders niet aan geld. Ze waren dus in staat eenvoudige boerenkleeren te koopen, en zoo hadden zij zich op weg begeven, de groote wegen vermijdend, waar zij de meeste kans liepen, krijgsvolk der Regeering te ontmoeten. Nu hadden zij het doel van hun tocht bereikt. Het liep tegen den avond en dat achtte de Welle, die zorgvuldig de minst bezochte voetpaden had uitgekozen, den geschikten tijd om zijn plan te volvoeren. Dienzelfden nacht zouden zij verder gaan, want de buurt was voor hen beiden te gevaarlijk.