Jacob Martens: Een verhaal uit de zestiende eeuw

Part 13

Chapter 133,909 wordsPublic domain

Na een korte woordenwisseling kwam de boot langszij; de valreep werd neergelaten, en een kort, dik mannetje stapte op het dek, gewikkeld in een met bont gevoerden en omzoomden mantel. Het ventje beantwoordde met een zekere nederbuigende welwillendheid den groet der omstanders en vroeg toen met veel deftigheid onmiddellijk naar den Heer van Thoulouse te worden geleid. Daar deze hem beleefd aan de valreep had ontvangen, was dit niet meer noodig. Met een genadig knikje wendde de ex-baljuw zich nu tot Marnix en begon op een beschermenden toon te vragen naar zijn plannen, het aantal van zijn manschappen en zijn geschut. De jonge edelen, om hun vriend en aanvoerder geschaard, verbeten hun lachen, toen zij bemerkten, dat Mr. Pieter Haeck zichzelf blijkbaar beschouwde als het hoofd en den leider der gansche onderneming. Het verwaande manneke sprak met gewicht over de aanstaande gebeurtenissen, alsof die alleen afhingen van zijn beleid; hij keurde goed en af, berispte en prees, en maakte het eindelijk zoo bont, dat er onder de groep, die hem omringde, reeds hier en daar een lach of een kwinkslag werd gehoord, zoodat Thoulouse, die den Middelburger niet wilde ontstemmen, hem haastig medenam naar de kajuit.

--"Als die Zeeuwsche haan even goed kan vechten als kraaien, dan belooft dat wat goeds!" bromde de Welle, "maar ik houd niet van dat soort!"

De komst van den baljuw had echter weer wat levendigheid aan boord gebracht. Er werd luid gesproken en gelachen en de soldaten hieven, na een donderend "Vive le Geus!", dat van de andere schepen luide beantwoord werd, een Geuzenlied aan, dat heenschaterde over de donkere golven der Schelde en de dorpelingen van Zuid-Beveland angstig deed vragen, wat dat ongewoon rumoer te beduiden had.

Tegen middernacht ankerde de kleine vloot niet ver van den oever en de aanvoerders maanden de soldaten aan, de noodige rust te nemen. Te vijf uur werden de ankers gelicht en toen de grauwe Maartsche morgen aanbrak, zag Jacob rechts het breede vaarwater van het Sloe, en recht voor zich uit een zwart gevaarte, dat uitstak boven de modderbanken van den oever. Het was het sterke fort Zeeburg, bij Rammekens, de sleutel van de Schelde.

En nu was het oogenblik gekomen, dat Mr. Pieter Haeck zou toonen, wat zijn invloed vermocht. Woei eenmaal de witte banier met het roode St. Andrieskruis van het sterke Zeeburg, dan was de zaak der vrijheid haast gewonnen.

Hij zelf twijfelde geen oogenblik aan den goeden uitslag van zijne tusschenkomst. Toen de kleine vloot de sterkte zoo dicht mogelijk genaderd was, stapte hij deftig in de boot, die hem met Mr. Gillis le Clercq naar wal zou roeien. Met gespannen aandacht keken de Geuzen, zoo officieren als soldaten, naar de hooge wallen. Elk oogenblik verwachtten zij het afgesproken sein te zien,--het neerhalen van de Koningsvlag--dat hen zou waarschuwen, dat zij konden landen en de sterkte binnenrukken, maar het eerste uur verliep--en er was niets te zien. Vroolijk wapperde het Bourgondische knoestkruis in den straffen Noordwester. Eindelijk, na twee uren, verschenen de beide afgezanten op de houten werf, door een wacht van krijgslieden begeleid. Traag roeide de boot naar het schip terug. Toen zij naderbij kwam, stond het gelaat van Gillis le Clercq ernstig en strak, dat van Mr. Pieter Haeck was rood van gramschap en verlegenheid. Blijkbaar was hun zending mislukt.

Het ging niet aan, de zaak voor het krijgsvolk geheim te houden en het werd dan ook niet beproefd. In korte woorden gaf Mr. Gillis le Clercq aan Thoulouse verslag van den uitslag zijner zending. Kapitein Roeland van Ghistelle zou niemand binnen de veste laten, die hem geen lastbrief kon toonen van den Prins van Oranje.

Pieter Haeck liep stampvoetend van drift het dek op en neder.

--"Hij is omgekocht! De verrader is omgekocht!" schreeuwde hij. "Hij had beloofd, ons het kasteel te leveren! Waarom brengt ge uw geschut niet aan land? Neem de plaats met geweld!"

Thoulouse en de andere edelen haalden de schouders op. Al waren de meesten hunner nog nimmer in werkelijken krijgsdienst geweest, zij leefden in een tijd, toen ieder edelman een krijgsman was en zij wisten te wel, dat met een zoo kleine macht als de hunne een sterkte als Zeeburg aan te vallen een roekelooze dwaasheid zou zijn.

Thoulouse liet de bevelhebbers der beide andere schepen seinen, bij hem aan boord te komen, om met hem, le Clercq, Haeck en de voornaamste edelen krijgsraad te beleggen in de kajuit.

De zwarte boeier, die hen den ganschen nacht gevolgd was, kruiste in het gezicht der vloot op de breede Schelde.

De krijgsraad duurde niet lang. Was de aanslag op Zeeburg mislukt, daarom behoefde toch--zoo meende men--het geheele plan niet te worden opgegeven. Mr. Pieter Haeck drong er op aan, dat men terstond naar Vlissingen zou stevenen. Dààr was hij zeker van zijn zaak. Zijn schoonzoon en zijne vrienden uit Middelburg hadden er voor de Geuzenpartij gewerkt. De regeering der stad was hem genegen, en zijn aanhangers en vrienden zouden hem met open armen ontvangen. En wie Vlissingen en zijn haven in handen had, was meester van Walcheren.

Hoewel de tegenslag, dien men bij Rammekens had ondervonden, hun vertrouwen in den drukken, verwaanden Middelburger niet weinig had geschokt, besloten de aanvoerders der Geuzen toch zijn raad te volgen. Wat zou men al anders doen? De geheele tocht was ondernomen om Walcheren te bezetten, om dààr een vast steunpunt te krijgen. Mislukte dit,--waar moest men dan heen?

Jean Denijs en de Heer van Walencourt keerden naar hunne schepen terug, en een luid "Hoezee!" en "Vive le Geus!" begroette het bevel om het anker te lichten en koers te zetten naar Vlissingen, waarvan men den statigen toren boven de troebele wateren der Westerschelde zag uitsteken.

De schepen liepen de haven binnen met de witte kruisvlag hoog in top. Men had afgesproken, thans stoutmoedig op te treden en geen tijd te verspillen met nuttelooze onderhandeling. De komst van drie groote vaartuigen met gewapenden veroorzaakte geen geringe opschudding onder de koopvaarders, de krapschuiten en de vliebooten, die in de haven lagen. Sommige vaartuigen borgen zich onder de beschutting van de kanonnen der stad; een paar van de vreesachtigste schippers kapten de ankers en liepen de haven uit, terwijl een aantal visschers van hun bommen en buizen nieuwsgierig de beweging der vreemde gasten volgden.

Thoulouse zeilde de haven binnen tot onder de wallen der vesting. Men zou er de manschappen en het geschut ontschepen en moedig toegang eischen. Het was duidelijk, dat men in de stad hunne nadering had bemerkt. De hooge wallen aan de havenzijde waren zwart van de menschen, die uitzagen naar de kleine vloot. "'t Waren zijn vrienden!" beweerde baljuw Haeck; "ze wisten, dat hij in aantocht was en ze waren daar om hem, den teruggekeerden balling, te begroeten." Hij zwaaide met zijn hoed en deed alles, om de aandacht der starende burgers te trekken.

Ondertusschen stond Pieter de Welle naast Thoulouse en Jacob Martens het gewoel op de wallen gade te slaan. Zijn scherpe jagersoogen merkten alles op; het was duidelijk aan hem te zien, dat hij de algemeene vreugde en opgewondenheid niet deelde. Plotseling keerde hij zich om en keek den druk gesticuleerenden Pieter Haeck aan.

--"Met verlof, Heer baljuw," zeide hij, "uw vrienden schijnen ons daar warm te willen ontvangen. Ik zie duidelijk, dat ze daar op de wallen met het geschut bezig zijn."

--"Onmogelijk, man!" zei Mr. Pieter Haeck haastig. "Mijn schoonzoon zou nimmer dulden... Of misschien zijn 't saluutschoten, die ze willen lossen!" voegde hij er vol hoop bij.

De woorden van den rotmeester waren door Thoulouse, Treslong en eenige der andere edelen verstaan. Allen keken met inspanning naar het bastion, waar een groep mannen ijverig aan den arbeid scheen. Men naderde meer en meer, de omtrekken werden duidelijker--daar flikkerde een dofroode vlam in een wolk van witten rook op het bastion, de doffe donder van den slag dreunde over de haven en een kanonskogel vloog gierend over den kaag heen.

--"Wat is dat?" riep Mr. Pieter Haeck verbijsterd.

--"Een saluutschot van uw schoonzoon denkelijk," zeide de Welle droogjes.

Nog een oogenblik--en een tweede schot daverde over het water. De kogel sloeg krakend in den romp van het schip en wondde een paar soldaten. Blijkbaar wilde Vlissingen zich verdedigen: de vrienden van den ex-baljuw waren op zijn bezoek niet gesteld, of zij hadden de burgers niet kunnen belezen, hem en zijne medestanders te ontvangen.

Een oogenblik stond Thoulouse besluiteloos. Met strakken blik staarde hij naar de wallen der stad, waarvan hij zoo veel had gehoopt. Terugtrekken? Het plan opgeven? Maar dan--dan was alles vergeefsch geweest; dan was het gedaan met de zaak der vrijheid. En dan was er voor hem en allen die met hem waren geen andere uitkomst dan de ballingschap of het schavot.

--"Wij moeten wenden, Thoulouse," riep Treslong, toen een derde schot het grootzeil doorboorde, "als zij den mast treffen, is het met ons gedaan. Zie, de Walencourt vlucht!"

Het was zoo! De kaag, door den Huguenoot gecommandeerd, had den steven gewend en de zeilen omgebrast. Alleen het vaartuig van Jean Denijs volgde hen onder klein zeil. Op het bastion was men ijverig bezig met de kartouwen, blijkbaar om, als het noodig was, de stad bij te staan. De schipper trad met een angstig gezicht op den aanvoerder toe en het scheepsvolk stond daar met donkere, dreigende blikken al mompelend bijeen.

Toen gaf Thoulouse met een zucht bevel het roer te wenden. Met gebogen hoofd verliet hij het dek en begaf zich naar de kajuit, terwijl de schipper haastig zijn bevelen gaf.

Van de schepen, die in de haven voor anker lagen, ging een luid en spottend gejuich op, toen men de Geuzen zag aftrekken en de slangen van het bastion bulderden nog eens en zonden hun kogels na, die echter, zonder schade aan te richten, over de schepen heen vlogen.

Juist toen de kaag van Thoulouse de Schelde weer opstevende, schoot een zwarte boeier haar op een paar scheepslengten voorbij. Jacob Martens, die met Treslong bij het roer stond, zag plotseling een jonkman in schippersdracht op de verschansing springen en met zijn muts wuiven.

--"Adieu, Jacques," klonk het spottend; "hebt ge soms een boodschap voor joffer Madeleine?"

--"Thierry!" riep Jacob, die de spottende, scherpe, stem herkende.

--"'t Is die satansche spion van die van Brussel!" riep Treslong geërgerd. "Hei daar! arquebusiers daar voor op den boeg, aan de lont! Zend dien schreeuwer daar eens een paar kogels toe!"

Een paar soldaten grepen naar hunne haakbussen en bliezen op de lont. Inderdaad werden er een paar schoten op den wegzeilenden boeier gelost, maar ze schenen er niemand te treffen. De bemanning schreeuwde en jouwde en zwaaide uitdagend met de mutsen, en het vlugge vaartuig danste voort over de golven, om aan de regeering te Brussel het welkome nieuws te gaan brengen, dat de aanslag der Geuzen was mislukt en dat Vlissingen den Koning was trouw gebleven.

Het had niet veel gescheeld, of Mr. Pieter Haeck, wiens verwaandheid al zoo'n gevoeligen schok had gekregen, was door de verbitterde soldaten eenvoudig buiten boord gezet, om, zooals zij zeiden, naar Walcheren te zwemmen, en er, met behulp van zijn schoonzoon, het eiland te veroveren. Treslong en een paar der andere edelen wisten hen echter tot rede te brengen. Nog heette alles niet verloren. Met het opkomen van den vloed zou men het Sloe instevenen en een poging wagen, om zich in Arnemuiden te nestelen. Wel was die stad van veel minder belang dan Vlissingen, maar als men ten minste maar ergens vasten voet had gekregen, dan kon men den loop der gebeurtenissen afwachten. Men seinde de beide andere schepen, maar deze zagen de seinen niet, of wilden ze niet zien. Men zag ze, langs den oever van Zuid-Beveland koersend, de Schelde weder opvaren. De kaag van Thoulouse slechts zeilde het Sloe op.

Den volgenden dag liet een groot, sterk bemand kaagschip het anker vallen voor het dorpje Austruweel, ongeveer een uur van Antwerpen verwijderd. Het was het vaartuig van Thoulouse. Ook voor Arnemuiden had men het hoofd gestooten en diep ontmoedigd keerde men terug. Nu de onderneming was mislukt, wist men niet waarheen zich te wenden. Waar zou men vluchten voor de wraak der Regeering? De edelen zouden wellicht een wijkplaats hebben kunnen vinden,--voor een tijd althans--op hunne landgoederen, of bij Brederode te Vianen, maar Thoulouse, Treslong en al hun metgezellen wilden hunne krijgsmakkers niet in den steek laten. Zoo werd dan koers gezet naar Antwerpen. Dààr was nog redding mogelijk. Als Antwerpen met zijn acht duizend Calvinisten hun partij koos, als Vlaanderen en Brabant te wapen vlogen, dan kon nog alles zich ten goede wenden. Een visscher beloofde voor een ruime belooning de andere schepen op te zoeken, en hun het bevel van Thoulouse mede te deelen, hem zoo spoedig mogelijk te volgen.

De boeren van Austruweel zagen met schrik, hoe de krijgslieden zich ontscheepten en het zich in hunne hoeven gemakkelijk maakten. De meesten schikten zich zorgeloos in de omstandigheden: wat er van dit alles worden moest, wisten zij niet. Daar moesten de heeren voor zorgen. En Thoulouse met zijn kleinen staf wachtte angstig op tijding uit Antwerpen, waarheen men terstond vertrouwde personen op kondschap had uitgezonden.

In den ochtend van den volgenden dag zag Jacob Martens, wiens plicht het was, de wachten te inspecteeren, van de zijde van Antwerpen een der stadsschepen naderen. De vlag met het wapen der stad wapperde aan den mast en bewees, dat er aanzienlijke personen aan boord waren. Het schip legde aan, een paar personen gingen in de boot en weldra stapten een viertal heeren aan land, vergezeld van een der stadsboden. Het waren een edelman uit het huis van Oranje, de Heer van Austruweel, benevens twee leden van de vroedschap in hunne met bont gevoerde tabberds, die zich aanstonds aan Jacob bekend maakten, als een gezantschap van de Antwerpsche Magistraat, en verzochten voor de aanvoerders van het hier gelegerde krijgsvolk te worden geleid. Toen zij bij Thoulouse waren gebracht, nam de zendbode van Oranje een grooten, verzegelden brief van den stadsbode over en overhandigde dien aan den aanvoerder, die hem, door zijn vrienden omringd, ontving. Thoulouse las het schrijven en verbleekte.

--"Zeg aan den Markgraaf en de Magistraat," zeide hij, "dat wij hunne bevelen zullen gehoorzamen."

Toen de afgezanten vertrokken waren en allen hem vragend aankeken, reikte hij den brief aan Treslong over.

--"Oranje laat ons los!" zeide hij met doffe stem. "God helpe ons en onze mannen, die wij in den dood hebben gevoerd. Lees den brief voor, Jan!"

--"Wij Willem, door de genade Gods Prins van Oranje, Graaf van Nassau, enz.," zoo las Treslong voor in het Fransch, "en wij Anthonie van Lalaing, Graaf van Hoogstraten, en wij, Burgemeesters, Schepenen en Raad der Stad Antwerpen, geven te kennen, dat, dewijl ons ter oore gekomen is, hoe verscheidene soldaten en oorlogslieden in den omtrek dezer stad, in het dorp Austruweel, zijn vergaderd, in strijd met de bevelen van wege Zijne Majesteit in deze stad uitgevaardigd, wij hebben bevolen en bevelen bij dezen uitdrukkelijk, hun van onzentwege te verklaren en te gelasten, dat zij binnen twee of drie uren, na kennisgeving dezes, van de plaats moeten vertrekken, waar zij zich thans ophouden en zich te wachten van in de omliggende dorpen te vergaderen of volk te werven op straffe van 's Konings ongenade; en in geval van weigering of tegenkanting, hun te verklaren, dat wij, in het belang des Konings en van deze stad, genoodzaakt zullen zijn, geweld tegen hen te gebruiken."

Men zag elkander aan. Na dezen brief was er van Antwerpen niets meer te hopen.

Er werd haastig krijgsraad belegd en men besloot in schijn aan het bevel te gehoorzamen, maar posten achter te laten, om de bemanning der beide andere schepen te waarschuwen, die elk oogenblik konden verschijnen. Was men weer bijeen, dan zou men nader beraadslagen.

De trommels roffelden en weldra was het kleine legertje marschvaardig. Het verliet Austruweel en rukte westwaarts op. Voor de nacht echter was gevallen, had men reeds bericht, dat de twee andere schepen in 't zicht waren, en men keerde terug naar Austruweel om hen af te wachten. De bemanning kwam aan land, en Thoulouse vernam van Denijs en de Walencourt, dat men tevergeefs had beproefd bij Baarslag op Zuid-Beveland te landen. De bewoners der omliggende dorpen hadden zich met de wapens verzet.

Den volgenden dag kwam er weder een boodschapper van den Antwerpschen Magistraat, met den last, onmiddellijk te vertrekken, en de Geuzen, thans vereenigd, en een klein, maar welgewapend legertje vormende, rukten op in de richting van Merxem en Deurne.

Het scheen werkelijk een oogenblik, of de kansen keerden. Het volk van Vlaanderen en Brabant, dat met verontwaardiging de slachting bij Watrelos en Lannoy had vernomen, dat met spanning den strijd gadesloeg van hunne broederen te Valenciennes, werd met blijde hoop vervuld, toen een leger in hun midden verscheen, onder aanvoering van edellieden, die zij kenden en vereerden. Van alle kanten kwamen recruten aanstroomen, die door Thoulouse en Treslong gretig werden ontvangen. Weldra was het legertje vijftien- à zestienhonderd man sterk. Velen kwamen gewapend en voor de anderen vond men wapenen in de landhuizen en de kasteelen, die men plunderde. Op dezelfde wijze voorzag men zich van mondbehoeften.

Zoo het aantal der Geuzen nu was toegenomen, het gehalte was er niet op verbeterd. Allen, die zich wilden laten aanwerven, werden aangenomen, en daaronder waren er, die zich blijmoedig wilden offeren voor de zaak der vrijheid en de Kerke van Christus, maar er waren ook vele boeven en avonturiers, die zich bij de legerbenden aansloten, met de bedoeling om te rooven en te plunderen en te leven op den boer. Weldra konden de aanvoerders de krijgstucht niet meer handhaven onder de woeste bende. Overal waar zij doortrokken, werden de kerken geplunderd en de beelden verbrijzeld; de geestelijken werden mishandeld. De soldaten plunderden hunne huizen en persten hun geld af. De krijgstocht, zoo moedig begonnen, leek een rooftocht. Toch hield Thoulouse vol. Er kwamen geruchten van hulpbenden uit Duitschland, door graaf Lodewijk van Nassau geworven. De Duitsche vorsten, heette het, wilden helpen. Weer sloeg men het oog op Antwerpen en op Oranje. En toen de aanvoerders hoorden, dat de Landvoogdes troepen tegen hen zou zenden, besloten zij terug te keeren naar Austruweel. Dààr konden zij een sterke positie vinden. De rivier zou hun den rug dekken, een groot moeras beveiligde hun rechtervleugel en men zou ijlings aarden versterkingen opwerpen. Zoo zou men den vijand in ontzag houden, tot de beloofde Duitsche vendels er waren,--en, als het er op aan kwam,--zoo hoopte men heimelijk--zouden de Antwerpsche Gereformeerden toch zeker hunne broeders bijspringen.

En zoo was het Geuzenlegertje den 11den Maart weder te Austruweel gelegerd, en weldra werkte men ijverig aan de aarden wallen, die het kamp tegen een overval van de Regeeringstroepen zouden moeten beschermen.

Het was de avond van den 12den Maart, en Jacob Martens, thans tot vaandrig bevorderd, en getooid met sluiersjerp en degen, de teekens van zijn rang, vergezelde Thoulouse naar de versterkingen. Het kamp der Geuzen leverde een eigenaardig schouwspel op: een gedeelte der troepen was in het dorp en de nabijgelegen hoeven ingekwartierd, maar het grootste gedeelte was gekampeerd om groote vuren, die men in de dorpsstraat had aangestoken, en die gevoed werden met het hout van afgebroken schuttingen, schuren en stallen. Allerlei eigenaardige tooneelen zag men bij den rossen gloed der vlammen. De soldaten, in allerlei wapenrusting, zonder uniform, maar allen met het wit-en-roode veldteeken der Geuzen om den arm, brachten hunne wapenen in orde of zaten in schilderachtige groepen bij elkander. Men kon hier goed waarnemen, uit welke verschillende elementen het legertje was samengesteld. Hier zag men eenige Gereformeerden uit Antwerpen, echte "precisen", zooals men ze in het Noorden noemde, die zich stichtten met een psalm van Dathenus; daar waren het een paar avonturiers uit het Luiksche, die zich vermaakten met bierkroes en verkeerbord, terwijl zij met onverschillige of spottende blikken de zingende ketters gadesloegen; wat verder waren een paar verdachte gestalten in de donkere schaduw van een muur bezig met het verdeelen van kleederen en huisraad, een buit, dien zij waarschijnlijk den een of anderen armen boer hadden afhandig gemaakt; elders zag men de strenge, donkere koppen van eenige Huguenoten, met aandacht luisterend naar het Woord Gods, dat een hunner bij het licht van het vuur hun voorlas. Voor de dorpssmidse verdrong zich een bonte menigte: daar smeedde en hardde men speerpunten en klonk ze aan lange stokken, om er de pas geworven manschappen mede te wapenen. Men zag er tierende en scheldende vrouwen, die er twistten met de lachende soldaten, om kippen of spek, die men haar ontstolen had. Het was een tooneel vol leven en bedrijvigheid, schilderachtig verlicht door de hoog opvlammende houtvuren.

Buiten het dorp gekomen, richtten de beide jonge mannen zich naar de aarden verschansingen, waaraan nog ijverig werd gewerkt bij het licht van een paar teertonnen en toortsen van oud geteerd touw. Thoulouse inspecteerde het werk, terwijl hij hier en daar een bevel of een terechtwijzing gaf. Hij keek naar de stelling van de vier ijzeren veldstukjes, welke de geheele artillerie van het Geuzenlegertje uitmaakten, en hij wees Jacob aan, hoe zij den breeden landweg bestreken.

--"Gij zult met de helft van uw vendel hier na middernacht de wacht betrekken, Jacques," zeide hij; "ik weet, dat ik mij op u kan verlaten. Zorg er voor, dat uwe schildwachten waakzaam zijn."

--"Ik zal mijn best doen, Thoulouse," antwoordde Jacob, verheugd over het bewijs van vertrouwen, hem geschonken; "de dagen beginnen al mooi te lengen en het is helder weer. Het zal spoedig dag worden."

--"Ja, het zal spoedig dag worden!" zei Thoulouse peinzend. Jacob zag hem vragend aan.

--"Het zal nu spoedig blijken, wat wij zijn, Jacques," ging de jonge aanvoerder voort; "men zal ons redders des volks noemen, of oproermakers en rebellen tegen den Koning, al naar dat de uitslag is van onzen strijd. Gods wegen zijn niet onze wegen. De aanslag op Zeeland mislukte, maar als de vendels uit Duitschland ons intijds bereiken,--als wij, vereenigd met die van binnen, Antwerpen kunnen bezetten, dan zou het een zegen zijn, dat ons eerste plan mislukte. Dan zal heel Vlaanderen en Brabant en het Markgraafschap opstaan en de Regeering zal moeten bukken. Maar zal dat het einde zijn?"

--"Zie, Jacques," zoo ging hij voort; "het zal nu in elk geval tot een treffen komen. Onze vrienden te Brussel melden ons, dat er troepen tegen ons worden gezonden en wij zullen hier stand houden. Mocht ik vallen in den strijd en mocht gij ontkomen, breng dan, zoo gij kunt, dit medaillon aan mijne vrouw te Antwerpen, en zeg haar, dat ik ben gestorven als een goed Christen, mijn hope alleen stellende in de verdienste van mijn Heer en Heiland, en met mijn liefde voor haar in het harte."

--"Waarom toch die sombere gedachten, Thoulouse?" vraagde Jacob. "Waarom zoudt gij juist vallen? Denk er liever aan, hoe trotsch en blijde de Vrouwe van Thoulouse u zal ontvangen, als gij terugkomt als de redder des lands en der verdrukte Kerke."

--"Zoo God wil, vriend!" zei de aanvoerder. "Ge weet, reeds bij het begin van onzen tocht had ik een somber voorgevoel. Misschien hebt gij gelijk,--maar neem het medaillon en beloof mij, dat gij doen zult, wat ik van u vraag, indien het in uw macht staat."

Jacob nam het medaillon met een stillen handdruk en de beide jonge mannen keerden naar het dorp terug. Jacob zocht zijn kwartier op, om nog eenige uren te slapen, voor hij de wacht moest betrekken.