Jacob Martens: Een verhaal uit de zestiende eeuw
Part 12
--"Houd moed, broeder," zei Treslong trouwhartig. "Ge hebt gehandeld naar uw geweten. En zoo ons plan gelukt, wat God geve, dan zal de Landvoogdes zoo de handen vol hebben, dat Noircarmes Valencijn wel met rust zal moeten laten. Maar zeg mij, heeft men u de poort zien binnenkomen?"
--"Wij waren met ons vijven. De portier van "de Roode Poort" is ons genegen, al durft hij niet ter preeke komen. Hij liet ons tegen 't gewone poortgeld binnen en vroeg niets."
Jean Denijs zeide het met een pijnlijk vertrokken gezicht. Zijne wonde begon hem hier in het warme vertrek te hinderen.
--"Zoo zijt gij hier veilig," zeide Thoulouse. "Mijne vrouw zal u verbinden, en dan--gij hebt rust noodig. De wond is niet ernstig en gij zult ons nog helpen, uw nederlaag op Noircarmes te wreken. Morgen verhaalt ge ons meer!"
Mevrouw van Thoulouse verscheen met linnen en pluksel, met water en azijn, en met alle verdere hulpmiddelen, die haar eenvoudige heelkunst haar leerde en haar goed hart haar ingaf. De wonde werd gereinigd en opnieuw verbonden.
Toen bracht Thoulouse zijn gast naar zijn kamer, maar de forsche man was door bloedverlies en afmatting zoo uitgeput, dat Treslong en Jacob Martens hem beiden moesten ondersteunen.
IX.
Ja, de moedige, maar onberaden poging om Doornik te helpen en Valenciennes te ontzetten, was jammerlijk mislukt. Tal van vluchtelingen, die aan de ruiters van Noircarmes ontkomen waren, en die den guren winternacht in allerlei schuilhoeken hadden doorgebracht, kwamen de volgende dagen ongehinderd Antwerpen binnen, en ze bevestigden de tijding, die Jean Denijs had gebracht. 't Was een verpletterende nederlaag geweest, dat gevecht bij Lannoy. Een verrassing, even sluw beraamd als stout uitgevoerd door den dapperen en bekwamen Noircarmes, die van zijn krijgsmanskunst zoo wèl gebruik had weten te maken tegen zijn ongeoefende tegenstanders. De overval was volkomen geweest: het geheele Geuzenlegertje was vernietigd en de troepen der Landvoogdes hadden nagenoeg geen verliezen geleden.
Van Jean Denijs, die zich in het huis van Thoulouse schuil hield, om er van zijn hoofdwonde te genezen, vernamen de bondgenooten nog nadere bijzonderheden. Zij vernamen van hem ook den dood van Gheleijn de Keijzer, die in het gevecht bij Watrelos was gebleven. De gewezen monnik had niet lang genoegen gehad van zijn pas verworven vrijheid. Jean Denijs verhaalde, hoe hij het vuurroer, waarmee men hem had willen uitrusten, minachtend had afgewezen; hoe hij, met een langen handboog gewapend, als een echte Vlaamsche schutter met zijne pijlen verscheidene van van Rossinghem's volk had neergelegd, en hoe hij eindelijk met een "goedendag" als wapen, tegen de opdringende knechten had standgehouden, en, vechtende tot het laatste, was gevallen.
Zou de dood dier martelaren worden gewroken? Jacob Martens vroeg het met koortsig ongeduld. Hij brandde van verlangen om ten strijde te trekken tegen de troepen der Regeering, die het land verdrukte. "Nu of nooit!" dacht hij en dat dachten duizenden met hem. Brederode, de kloeke, voortvarende Brederode, scheen het hoofd der beweging. Hij was de man van het oogenblik, op wien aller oogen waren gevestigd, het hoofd der partij van actie, die dreef tot onmiddellijk handelen, tot krachtig doortasten.
En Oranje, de zwijgende, bedachtzame schaakspeler, die nimmer een haastigen, onberaden zet op het politieke schaakbord deed, wachtte af!
Nu of nooit! Handelen moest men, of alles was verloren! Namen de geruchten, dat de Koning met een geducht leger herwaarts zou komen, niet steeds vaster vorm aan? Wist men niet met zekerheid, dat die troepen zouden worden aangevoerd door Philips' besten veldheer, den geweldigen hertog van Alva? Mocht men wachten, tot de Kerk van Christus, tot de Nederlandsche vrijheid zou worden vertrapt onder de ijzeren zool der Spaansche huurbenden?
Nu of nooit! En het Consistorie der Gereformeerde kerken, te Antwerpen vergaderd, benoemde hun held en hun voorvechter tot opperbevelhebber. Brederode benoemde Philips van Marnix van St. Aldegonde tot penningmeester der beweging. Het geld der Gereformeerden vloeide toe, want men verwachtte veel van de onderneming. Openlijk werden in Antwerpen troepen geworven op Brederode's last. Antony van Bombergen, de vermetele aanvoerder, die onder Condé had gediend, maakte zich meester van 's Hertogenbosch en trotseerde er de Regeering. Maastricht dreigde afvallig te worden: het was reeds wederspannig.
En het was nu geen geheim meer, dat de Geuzen het oog hadden geslagen op Zeeland. Dààr wilden zij zich nestelen, om de Spaansche vloot,--want men verwachtte de troepen des Konings over zee--den doortocht te betwisten. Als Alva kwam, dan zou hij, naar men meende, het geheele land onder de wapenen vinden.
Zoo dacht men, en steeds zag men op Oranje. Maar ondanks het aandringen der bondgenooten, ondanks het morren van het volk, bleef Oranje wachten. Ja, het scheen zelfs, dat hij zich tegen Brederode keerde. Hadden de aangeworven troepen, die zich in de dorpen bij Antwerpen hadden gelegerd, niet den last gekregen van den Prins, als Markgraaf van Antwerpen, om zich aanstonds te verwijderen, onder bedreiging van geweld, indien zij niet gehoorzaamden? Aarzelend waren zij afgetrokken, de Geuzenbenden, om zich bij Brederode te voegen, sommigen te scheep, anderen over Gorcum, en wrokkend zagen de Antwerpsche Gereformeerden naar den zwijgenden staatsman, die hunne verwachtingen zoo teleurstelde.
Toch,--men wist het wel, er was toch nog krijgsvolk te Antwerpen gebleven en er werden er nog steeds geworven. Zou er dan toch nog hoop zijn?
Met een gelaat, gloeiend van geestdrift, trad Jan Blois van Treslong op een middag in het laatst van Februari de "sale" binnen in het huis van Thoulouse, waar de hoofden der Antwerpsche beweging vergaderd waren. De heer des huizes, met Jacob Martens als zijn secretaris, leidde de bijeenkomst. Men zag er eenige der Antwerpsche predikanten, den Heer van Walencourt, een uitgeweken Huguenoot, Mr. Gillis le Clercq, Jean Denijs en de Heeren van der Aa, Waroux, Escaubecque en Villers, de laatsten allen hoplieden onder Brederode.
--"Eindelijk, Thoulouse! eindelijk, heeren!" riep de vurige jonge edelman, terwijl hij zijn vriend een gezegeld stuk overreikte. "De bode van Mr. Pieter Haeck is zooeven aangekomen. De baljuw wil ons helpen en hij heeft veel invloed op Walcheren. Zijn wij eerst meester van het eiland, dan lachen wij met Mevrouw van Parma en hare tachtig vendels!"
Thoulouse opende den brief van den gewezen Middelburgschen baljuw en las dien voor. Inderdaad bevatte het schrijven het bericht, dat Meester Pieter Haeck hun voorstel aannam: De bondgenooten zouden met de troepen, die zij nog te hunner beschikking hadden, de Schelde afvaren en een aanslag op Walcheren wagen, Haeck, die zich in Zeeland ophield, om daar de bevolking te bewerken, zou zich op de rivier bij hen voegen, en door zijn invloed en dien zijner familie zou hij de voornaamste steden weten te bewegen, zich voor de Geuzen te verklaren. "En"--zoo werd er geheimzinnig gefluisterd--"de Prins van Oranje keurde de onderneming goed. Was niet een zijner officieren, de Heer van Boxtel, naar Zeeland geweest, om te verhinderen, dat de steden eene bezetting der regeering zouden innemen? En had de gouverneur van Zeeburg, de wakkere Roeland van Ghistelle, niet geweigerd, een vendel voetknechten in de sterkte toe te laten, zonder bijzonderen last van Oranje, in wiens handen hij den eed had afgelegd?"
Men was vol geestdrift, vol hoop. Met gejuich werd het schrijven van Pieter Haeck ontvangen. Nu zou men dan toch eindelijk kunnen overgaan tot de groote onderneming, waarvan zoo lang was gesproken, die zoo zorgvuldig was voorbereid. Met kracht, zoo besloot men, zou men de werving voortzetten. Men had geld, men had geschut en wapens; men wist over welke schepen men kon beschikken. Drie groote vaartuigen lagen aan het Vlaamsche hoofd gereed.
Den 2den Maart 1567, tegen den noen, stond het Antwerpsche volk met nieuwsgierigheid een bende krijgsvolk aan te staren, die op de Meere werden gemonsterd. 't Waren drie vendels voetknechten, goed gewapend met speren en haakbussen, maar 't waren geen stadssoldaten, dat was duidelijk. Van uniformen wist men in die dagen nog niet veel; de lederen kolders, de stalen borstharnassen en stormkappen werden door de soldaten van alle partijen gedragen, maar de officieren en manschappen hadden groene en witte sjerpen en veldteekens, en de hoplieden met hunne luitenants, die daar het bevel voerden, waren voor de Antwerpenaars goede bekenden: dat waren de Geuzenvendels!
Een oogenblik, en daar roffelden de trommen, daar werden de vaandels ontplooid, witte banen met een bloedrood St. Andrieskruis, daar klonken de commando's en in goede orde marcheerden de drie vendels door de stad en naar het Vlaamsche hoofd, onder het luid gejuich der Calvinistische burgerij.
En de Antwerpsche magistraat liet het geschieden, en de stadhouder verzette zich niet. Wat zouden zij doen? De toekomst was donker,--en twaalf à veertien duizend Calvinisten, door de gebeurtenissen der laatste dagen geprikkeld, waren dààr, gereed tot den opstand, zoo men de Geuzentroepen bemoeilijkte.
Met de witzijden sjerp--een geschenk der Vrouwe van Thoulouse--over het gepolijst stalen borstharnas, den breedgeranden hoed met witte pluimen op het hoofd en den degen op zijde, trad Jacob Martens, die als cadet in het onmiddellijk gevolg van Thoulouse den tocht zou meemaken, met een aantal der jonge Geuzenedelen aan het hoofd van den stoet. De borst sloeg hem hoog en fier, bij de gedachte, dat hij thans een krijgsman was, dat hij ging strijden voor de schoone zaak der vrijheid, die hij diende; dat hij zijn volk en de verdrukte Kerke Christi ging bevrijden van het zware juk der Inquisitie. Want dat de goede zaak zou zegepralen, nu, oogenblikkelijk,--daaraan twijfelde hij geen oogenblik. Hij bewonderde Brederode, maar voor Thoulouse had hij een blinde vereering; hij was zeker van den goeden uitslag, omdat Jan van Marnix aan het hoofd stond der stoute onderneming. De geestdrift der aanvoerders had allen aangestoken: daar gingen zij heen, de redders en bevrijders des volks.
En onwillekeurig bekroop hem de gedachte: als Madeleine hem nu eens kon zien, niet meer den jongen, baardeloozen scholier van Leuven, maar den krijgsman, den vertrouwde van Thoulouse en Treslong! O, als de overwinning was behaald, en het dankbare volk ook hem dankte als een van zijn bevrijders, dan zou hij zijn jonge lauweren aan haar voeten leggen,--en dan zouden ook hààr immers de oogen open gaan, en zij zou zien hoe schoon en edel de zaak was, die hij diende; moest toch de fiere Vlaamsche jonkvrouw niet meer sympathie hebben voor geloofsvrijheid en volksvrijheid, dan voor priesterdwang en tirannie?
En, zijn schoonen droom voortspinnende, stapte Jacob voort onder de witte banier met het roode kruis, door de straten van Antwerpen en naar het Vlaamsche hoofd, waar de drie kagen lagen, die de kleine strijdmacht zouden opnemen en die hen met vroolijk wapperende wimpels schenen te begroeten. Nauwelijks was men de poort uit, nauwelijks waren de schepen in het gezicht, of een daverend hoezee klonk over de breede kade, en het Geuzen-marschlied werd aangeheven, door pastoor Arent Dircksz Vos te de Lier met omwerking van een oud drinklied vervaardigd:
Slaet opten trommele, van dirredomdeyne, Slaet opten trommele, van dirredomdoes! Slaet opten trommele van dirredomdeyne: "Vive le Geus!" is nu de loes!
De Spaensche inquisitie, voor God malitie, De Spaensche inquisitie, als draeckbloet fel, De Spaensche inquisitie gevoelt punitie, De Spaensche inquisitie ontvalt haar spel!
Het kreupelrijm, in weinige weken zoo populair geworden, en dat zijn vervaardiger weldra op het schavot zou brengen, werd juichend meegezongen door het volk, dat met de marcheerende vendels medeliep.
Vive le Geus! wilt Christelijck leven, Vive le Geus, houdt fraeyen moed, Vive le Geus, God hoede u voor sneven, Vive le Geus, edel Christenbloed!
De kagen, die aan de kade lagen vastgemeerd, waren bereikt. Juichend wees het volk naar de metalen stukken, die aan de voor- en achtersteven waren vastgesjord.
De inscheping had in goede orde plaats. Het eerste schip stond onder bevel van Thoulouse zelf. Treslong, Gillis de Clercq en Jacob Martens waren bij hem aan boord. Jean Denijs en de Heer de Walencourt commandeerden de beide andere vaartuigen.
De touwen werden losgemaakt; het eene schip na het andere stak van wal, de zeilen werden geheschen en onder een luid "Vive le Geus!", dat aan den wal even geestdriftig werd herhaald, zakten de vaartuigen de Schelde af.
Het was een schoon gezicht, de breede rivier voor Antwerpen, met de tallooze vaartuigen, groot en klein, die er door elkander kruisten, van de kolossale, buikige kraken en galjooten, die uit Spaansche en Portugeesche havens de kostbare waren uit het Oosten aanbrachten, tot de armelijke pramen van de visschers en strandjutters. Men zag er de vlaggen en wimpels van alle natiën, want Antwerpen was de groote stapelplaats van den goederenhandel, het hart der rijke Nederlanden.
Tegen den mast geleund, genoot Jacob Martens van het mooie riviergezicht, dat door een bleek Maartsch zonnetje werd beschenen. De vlakke, lage oevers gleden aan zijn blik voorbij, soms lange streken van moeras- en veengrond, waar duizenden watervogels krijschend en fladderend rondzwierven, soms de wijde velden van Vlaanderen en Brabant, die zich uitstrekten in eindelooze verte. Vroolijk klonken de liederen van het bootsvolk en de soldaten, terwijl de laatsten op het dek en in het ruim ijverig bezig waren met het nazien en in orde brengen hunner wapenen. De jonge edelen liepen op het dek heen en weder; voor de meesten was het hun eerste krijgstocht, en zij stapten vol gewicht rond in hun blinkende wapenrusting en lieten hun degens kletteren, trotsch als zij waren, dat zij deel mochten nemen aan een zoo belangrijke onderneming. Treslong was onder hen een van de vroolijksten en luidruchtigsten.
Alleen Jan van Thoulouse stond alleen bij den roerganger. Hij tuurde naar een grooten, zwarten boeier, met een donkerbruin zeil, die op eenigen afstand de kleine vloot volgde. Jacob voegde zich bij hem.
--"Ziet gij dien boeier daar?" vraagde de jonge aanvoerder.
Jacob wierp een blik op het zwarte vaartuig en keek zijn ouderen vriend aan.
--"Dat is een spion van de Brusselaars," zei Thoulouse. "Van Antwerpen af heeft hij al in ons zog gevaren. 't Is een snelle zeiler, dat kunt ge aan zijn bouw wel zien, en toch komt hij deze logge kagen niet vóór. Ge kunt er op aan: Mevrouw van Parma laat ons in het oog houden en die boeier zal haar spoedig bericht brengen van het al of niet slagen van onze onderneming."
--"Waarom boort gij hem niet in den grond?" vraagde Jacob, vol strijdlust.
--"Hij zou het gemakkelijk ontzeilen. Daarenboven, waartoe zouden wij ons ophouden, om jacht te maken op zoo'n ellendige schuit. Die van Brussel mogen weten, wat wij in het schild voeren. Want wij kunnen niet meer terug, Martens. Het is voor ons overwinnen of sterven. Als onze onderneming mislukt, zijn wij verloren, want men zal ons te Brussel nooit vergeven."
--"O, maar als wij de Zeeuwsche steden bezet hebben, dan beheerschen wij den mond van de Schelde," meende Jacob, in de kracht van zijn jeugdig zelfvertrouwen, "en als Brederode ons dan van de landzijde steunt, zullen wij met Mevrouwe van Parma een gunstig verding kunnen maken."
--"Zeker, als wij slagen. Als die Meester Pieter Haeck niet te veel heeft beloofd. Treslong rekent op hem en vertrouwt hem blindelings en--anderen doen dit ook. Hij is zeker een trouw aanhanger der goede zaak, en is zijn invloed te Middelburg en te Vlissingen zoo groot, dat hij er een ommekeer in den stand van zaken kan teweeg brengen, dan heeft onze onderneming een schoone kans, zooals ge zegt. Indien niet..."
Hij zweeg een oogenblik en keek peinzend naar de grauw-blauwe golven van de Schelde.
--"Ik vreeze geen eerlijken krijgsmansdood," zei hij zacht, "maar mijn arme vrouw!"
--"Kom, Thoulouse," zei Jacob trouwhartig, "wat stemt u zoo somber vandaag? Gij, onze aanvoerder en de ziel van onze onderneming! Ge hebt alle plannen zoo wèl ontworpen, zoo nauwkeurig overwogen en zoo stout uitgevoerd. Laat ge nu den moed zinken, nu we op het punt zijn te slagen?"
--"Ik zou het niet wagen, het aan iemand anders te bekennen, maar ik weet, dat ik u vertrouwen kan. Begrijpt ge niet, dat juist nu, nu de teerling is geworpen, nu alles is voorbereid en de strijd zal beginnen, dat ik juist nu soms een bange vrees in mij voel opkomen? Wat, als ik eens gedwaald had? Als ik al die jonge edelen, mijne vrienden, al die dappere mannen in den dood leidde? De Heere God weet, dat ik niet mijne eere zoek, dat ik Zijn wil heb trachten te verstaan,--maar wat, als ik mij eens bedrogen had?"
--"Onmogelijk! Onze zaak is Gods zaak!" riep Jacob vol geestdrift.
--"Dat is zij! En ook te vallen voor Gods zaak is eene eere!" antwoordde Thoulouse. "Vrees niet, Jacob Martens! Als ik nu kleinmoedig ben,--in 't gevecht zult ge mij geen lafaard noemen! Laat ons Treslong opzoeken."
Jacob volgde den jongen aanvoerder naar de voorplecht. De ernstige woorden van Thoulouse hadden indruk op hem gemaakt. Met al den geestdrift en den moed der jeugd had hij zich bij de onderneming aangesloten.
"O, de uitslag was zeker! Mr. Pieter Haeck zou wonderen doen in Zeeland! En dan Brederode met zijne hulptroepen en de Duitsche benden, die door Lodewijk van Nassau heetten geworven! En de steun van Condé en zijne Huguenoten!"
Zoo spraken de dappere jonge edelen onder elkander, zoo had ook Jacob Martens gesproken. Thans bedacht hij voor het eerst, dat de krijg twee kansen heeft. Een somber voorgevoel maakte zich van hem meester, als hij luisterde naar de schertsende groep op den voorsteven. Hij keek onwillekeurig naar den zwarten boeier, die nog steeds op eerbiedigen afstand de kleine vloot volgde: 't was hem, of daar een zwarte doodsschaduw aan kwam zweven, die weldra al dien zonnigen jeugdigen overmoed zou komen overdekken.
Tegen den avond veranderde de wind. De lucht begon te betrekken en het werd guur en koud. De schepen moesten laveeren en men vorderde slechts langzaam. De vroolijke luim van het krijgsvolk was reeds lang voorbij. Zij, die een plaatsje konden krijgen in het vooronder, zochten er een schuilplaats voor den guren Noord-Wester. De anderen schoolden op het dek samen en trachtten zich zoo goed mogelijk voor den wind te beschutten. De jonge edelen hadden zich naar de kajuit begeven en vermaakten er zich met drinkkroes en verkeerbord. Thoulouse verliet echter het dek niet en Jacob bleef bij hem; ook Mr. Gillis le Clercq, een man met een verstandig uiterlijk, bleef bij den aanvoerder en onderhield zich met hem op zacht fluisterenden toon.
Het duister was reeds gevallen. Men was nu dicht onder den Zeeuwschen oever en rechts vooruit ontwaarde men een rood licht; waarschijnlijk een vuurbaak.
De schipper naderde Thoulouse en deelde hem met zachte stem iets mede, terwijl hij op het licht wees. Haastig begaf de aanvoerder zich naar de voorplecht, door zijne beide metgezellen gevolgd. De schipper gaf zijn bevelen en weldra heerschte er een zekere bedrijvigheid aan boord. Een lantaarn werd in den mast geheschen, als sein voor de andere schepen en een paar knechten kwamen met een teerton en een vuurpot aansjouwen. Weldra vlamde een warm rood licht op de voorplecht op, en weerspiegelde in het donkere water der Schelde. Het dek was thans vol; allen, officieren en manschappen, drongen naar het rechterboord en keken uit naar den donkeren oever.
Een oogenblik nog--en een donkerroode gloed werd zichtbaar boven de waterlijn. Het vuursein werd van daarginds beantwoord.
--"Ze schijnen daar op ons gewacht te hebben," merkte een forschgebouwde rotmeester op, die, op zijn hellebaard geleund, naast Jacob Martens stond en opmerkzaam naar het vuursein scheen te turen.
--"De Welle!" riep Jacob verrast.
Na zijne kennismaking met Thoulouse en zijne opneming in den kring der Geuzenedelen had hij den boschwachter een weinig uit het oog verloren. Pieter de Welle had zich van zijn kant bescheiden teruggetrokken, toen hij bemerkte, dat zijn "jonker" de omgeving had gevonden, waarin hij eigenlijk behoorde. Hij had vrienden onder zijne geloofsgenooten te Antwerpen en hij had er rustig den loop der gebeurtenissen afgewacht. Zijne dochter had hij reeds lang te voren in veiligheid gebracht bij hare moei te Poperingen.
Toen de werving van krijgsvolk voor Brederode begon, had hij gaarne het handgeld van hopman van der Aa aangenomen, op voorwaarde, dat hij dienst zou doen bij het vendel, waartoe ook jonker Martens behoorde. De hopman had den kloeken, vastberaden man aanstonds tot rotmeester bevorderd.
Thans keek hij zijn jonker eens van ter zijde aan en maakte een beweging als voor een militair saluut, maar Jacob vatte zijn hand en drukte die hartelijk.
--"Gij ook hier aan boord, de Welle?" zeide hij. "Daar ben ik hartelijk blij om!"
--"Alsof ik je alleen ten oorlog zou laten trekken, jonker," zei de gewezen boschwachter met ruwe hartelijkheid. "Soms bezwaart het mij, als ik denk, dat je zonder mij nog veilig en rustig op de Vrijdaegsmarkt of op de school te Leuven zoudt zitten. Maar dan denk ik weer: 't Is zóó Gods bestel geweest, dat ik den jonker moest helpen om de Paepsche dolingen te verlaten en vrede voor zijn ziel te vinden. Dat was zóó door den Heere God verordineerd, jonker! En nu zullen wij gaan vechten voor de verdrukte ware Kerk van Christus, en als wij vallen, zal het in een goede zaak zijn."
--"Dat zal het, Pieter!" zeide Jacob. "Maar wij zullen nog niet vallen, man! Wij zullen den Koning en de Gouvernante dwingen, om ons vrij exercitie van religie toe te staan--en als het eenmaal zoover is, dan worden wij weer hunne goede en trouwe onderdanen. En mijn vader zal ons vergeven en jij wordt weer boschwachter en ik ga weer naar Leuven--als ik tenminste niet vaandrig word bij een van de benden van ordonnancie, waartoe ik zonderlinge lust gevoel. Maar, over een week of acht zijn wij misschien weer te Gent."
--"God geve het!" mompelde de Welle, terwijl hij met een vreemden trek op zijn gerimpeld gezicht zijn jeugdigen metgezel aanzag.
--"God geve het!" zeide Jacob ernstig.
Ondertusschen was het roode licht op den oever gedoofd en ook de brandende teerton plofte sissend in de golven der Schelde. Van den Zeeuwschen kant hoorde men het geluid van naderende riemslagen.
--"Zou dat die Zeeuwsche boerenverklikker zijn, dien we aan boord moeten nemen?" vroeg de Welle, die, als de meeste Vlamingen, niet van de Zeeuwen hield.
--"Zeker wel! Hij zou voor Zeeburg aan boord komen," meende Jacob. "Daar is hij al!"
Een roeiboot schoot uit de duisternis naar voren en werd door den schipper aangeroepen.